Lezen

Eerste hoofdstuk van het boek 'Dzing'. Een Chinees jongetjes in de jaren 1950 in Antwerpen (Rosse buurt)

DZING, ongeveer 6 jaar. Laatste versie 8-02-14 /18-02-14 De regen geselt een kleine rillende gedaante. De riks lege gamellen van Chinese makelei, rammelen tegen zijn blote benen. Het regenwater druipt van zijn versleten zuidwester in zijn kraag. Zijn rug is doornat. Hij moet zich reppen anders zal er thuis wat voor hem opzitten. Hij is te lang bij zijn enig vriendje Jean-Pierre blijven hangen. Jean-Pierre’s moeder Helga is een van de prostituees uit de buurt. Helga met de blonde pruik had telefonisch kip met curry bij Dzing’s ouders besteld.          Het gillen van sirenes dringt door merg en been. Het blauwe zwaailicht van een ziekenwagen schiet als een komeet uit haar baan. De banden gieren rakelings langs Dzing heen wanneer de chauffeur de bocht te kort neemt en het gevaarte over het voetpad raast. Politiewagens rijden met vier rode knipperlichten en het akelige noodgeluid naar de plaats van onheil. Direct daarna volgt, in razende snelheid, een brandweerauto. Door de heen en weer zwaaiende, aan kabels hangende straatlichten lijkt de auto bemand met skeletten en doodshoofden. Bliksemschichten projecteren toesnellende figuren uit de nabije straten. Dzing zet het op een lopen via het korte stuk van de Paulusplaats, waar het politiebureel zich bevindt, de St.Paulusstraat op. Hij glijdt uit over natte, tramrails die in het nachtelijke duister blinken als een achtbaan van de kermis. Langs de mastodont van het Tolhuis rent hij naar de Schelde, wringt zich tussen de door de menigte opgestoken paraplu’s.          De regenschermen blinken zwart door de neer gutsende regen. Silhouetten van de samengeschoolde massa weerspiegelen zich in de vierkanten plaveien van de Scheldekaaien. Een van de gemeerde boten is hel verlicht. Matrozen in gele geoliede regenvesten wijzen naar een object in het inktzwarte water. Brandweerlui zijn in de weer met touwen en bootshaken. Een kikvorsman verschijnt aan het wateroppervlak. Begeleid door veraf klinkende misthoorns draait een kraan naar bakboord en wordt een motorrijtuig uit de rivier gehesen Op de kade spant de politie haastig een rood en wit gestreept lint. Door het diffuse licht lijkt daar de regen in stippellijnen neer te vallen. De toegelopen nieuwsgierigen worden achter de geïmproviseerde afspanning gedrongen. Dzing, intussen doordrenkt, huivert niet enkel van kou wanneer men tussen kade en schip een Harley Davidson optakelt. Zijn hart gaat te keer als een losgeslagen boei. Aan de moto is een slappe gedaante vastgeketend.

Rhea van der Vloet
33 1

Dzing

DZING, ongeveer 6 jaar. De regen geselt een kleine rillende gedaante. De riks lege gamellen van Chinese makelei, rammelen tegen zijn blote benen. Het regenwater druipt van zijn versleten zuidwester in zijn kraag. Zijn rug is doornat. Hij moet zich reppen anders zal er thuis wat voor hem opzitten. Hij is te lang bij zijn enig vriendje Jean-Pierre blijven hangen. Jean-Pierre’s moeder Helga is een van de prostituees uit de buurt. Helga met de blonde pruik had telefonisch kip met curry bij Dzing’s ouders besteld.   Het gillen van sirenes dringt door merg en been. Het blauwe zwaailicht van een ziekenwagen schiet als een komeet uit haar baan. De banden gieren rakelings langs Dzing heen wanneer de chauffeur de bocht te kort neemt en het gevaarte over het voetpad raast. Politiewagens rijden met de vier rode knipperlichten en het akelige noodgeluid naar de plaats van onheil. Direct daarna volgt, in razende snelheid, een brandweerauto. Door de heen en weer zwaaiende, aan kabels hangende straatlichten lijkt de auto bemand met skeletten en doodshoofden. Bliksemschichten projecteren toesnellende figuren uit de nabije straten. Dzing zet het op een lopen via het korte stuk van de Paulusplaats, waar het politiebureel zich bevindt, de St.Paulusstraat op. Hij glijdt uit over natte, tramrails die in het nachtelijke duister blinken als een achtbaan van de kermis. Langs de mastodont van het Tolhuis rent hij naar de Schelde, wringt zich tussen de opgestoken paraplu’s. De regenschermen blinken zwart door de neergutsende regen. Silhouetten van de samengeschoolde massa weerspiegelen zich in de vierkanten plaveien van de Scheldekaaien. Een van de gemeerde boten is hel verlicht. Matrozen in gele geoliede regenvesten wijzen naar een object in het inktzwarte water. Brandweerlui zijn in de weer met touwen en bootshaken. Een kikvorsman verschijnt aan het wateroppervlak. Begeleid door veraf klinkende misthoorns draait een kraan naar bakboord en wordt een motorrijtuig uit de rivier gehesen Op de kade spant de politie haastig een rood en wit gestreept lint. Door het diffuse licht lijkt daar de regen in stippellijnen neer te vallen. De toegelopen nieuwsgierigen worden achter de geïmproviseerde afspanning gedrongen. Dzing, intussen doordrenkt, huivert niet enkel van kou wanneer men tussen kade en schip een Harley Davidson optakelt Zijn hart gaat te keer als een losgeslagen boei. Aan de moto is een slappe gedaante vastgeketend.  

Rhea van der Vloet
4 0

Generatie Flux

Op een dag precies als deze zullen zij niet langer in vereende stilte wachten moeten, achter lege ogen dagen slijten onder 't zielloos kruipen van de tijd. Zullen zij niet langer in holle ruggen zitten  tot het dagen van oneindig morgen eindelijk voor het voetlicht treedt .   Zo zullen zij niet langer met gezwollen tongen moeten bijten op onuitgesproken willen - niet van moeten - en niet langer moeten luisteren naar het nooit aflatend fluisteren van de tergend langgerekte echo die verveelde oren plaagt met losse flarden al te vaak gestelde vragen waarop het antwoord met het vallen van de dagen - zienderogen - als moed in schoenen zinkt.   Wanneer de lichte nazon in november, het vurig branden achter- laat, om bij wijlen uit te deinzen in het grijze grijnzen van de maan, Dan pas zal het nu hen nieuwe armen geven om te houden, nieuwe vingers om te strelen. Handen met een nieuw gewrocht geheugen, om met trots de ziel te vinden die zich, half verslonden, vanonder bergen oud verlangen kunstig langzaam, in gedempte sporen opnieuw een weg naar boven wrikt.   Ja, op een dag precies als deze zullen zij weer luide stemmen broeien en zullen zij hun lang gerijpte wereldbeelden - met nijd en ingehouden zinnigheid geperverteerd - schallend en brallend uit hun stijf verplompte voegen laten barsten: verrot en stinkend als de geur van overjaarse levens aan het einde van hun dag.   Zo zullen zij hun jarenlange onderhuids kermen laten daveren over de grondvesten van ons heden, ons verleden ons nu, ons toen, ons dan. Tot ook dit danig sterven zal verzanden in het zacht en zalig krassen op alweer een vers en zuiver wit geruisloos vel papier.

Hanna Lucia
0 0

Inspiratie

Op de tafel voor het raam ligt een plastic tafelkleed. Hier en daar onderbreken kleine, ronde brandgaten het streepjespatroon. Een halfvol bierflesje houdt een lege pizzadoos gezelschap, naast een uitpuilende asbak en een iPad. De jongen die met afwezige blik sigarettenrook door zijn neusgaten blaast is Simon. De man die via de luidsprekers de kamer vult met gypsy jazzmystiek is Django Reinhardt. De lat wordt hoog gelegd op het Conservatorium, maar Simon heeft zich goed voorbereid. Dagenlang oefende hij toonladders op zijn gitaar, speelde hij uitdagende riffs, plooide en wrong hij zijn vingers in ingewikkelde bochten. Hij leerde lange stukken uit het hoofd, geen noot sloeg hij over. Hij kon het. Tot de jazz leraar hem vertelde alles los te laten wat hij wist en te improviseren. Hoe dan, had Simon gevraagd, maar het antwoord - laat je inspireren - bleef voor hem te vaag. Hij wilde zich bewijzen, deze opdracht perfect uitvoeren, met zoveel mogelijk inspiratie. Simon nam zijn iPad, wat wist Wikipedia hierover? Twee elementen zijn noodzakelijk, las hij. De behoefte om muziek te maken en de ambachtelijke bekwaamheid om die behoefte te vervullen. Hij zocht verder op 'improvisatie', las over 'vertrekken vanuit akkoorden', 'bepaalde technieken' en 'beheersing van het instrument'. Misschien, als hij zich intensief concentreert op de nummers van Django, die beschouwd wordt als een van de grootste gitaristen uit de Belgische jazzgeschiedenis, dat hij het daar zal vinden. 'Nuages', 'Swing', 'Oiseaux des îles', uur na uur na uur. Simon is vastberaden elk nieuw akkoord, elke timing, elke aanslag te ontdekken en te doorgronden. Buiten verloopt het dagelijkse leven alsof er niets aan de hand is. Kinderen fietsen naar school, volwassenen doen boodschappen, gaan werken, nemen de tram die voor Simons deur stopt. Het geroezemoes van wagens en de gesprekken van de mensen aan de halte wringen zich door het dunne glas van de woonkamer, maar Simon hoort het niet. Hij wacht op inspiratie. Het is al laat wanneer de laatste noten van 'Limehouse Blues' uitsterven. Simon, het hoofd op de tafel, slaapt. Wanneer hij wakker wordt, tekent de zon cirkels op het tafelkleed. Simon rekt zich uit, zijn schouders voelen pijnlijk stijf aan, zijn nek verkrampt. Hij had een nachtmerrie, zijn vingers kleefden tegen elkaar, de jazz leraar had hem uit het lokaal verbannen: jij hebt hier niets te zoeken! Misschien is het de droom waarin hij nog half vertoeft, waardoor hij niet hoort hoe ook het leven buiten ontwaakt. Hoe de rails beginnen te zoemen als houden ze een ochtendgebed, de tram, hij komt! Een man loopt haastig voorbij, zijn voetstappen ketsen kort tegen de gevels. De kabels gonzen, een paar mussen vliegen kwetterend op, het vensterglas trilt in zijn omlijsting. Daar, het gezoem zwelt aan, versnippert tot staccato in het sissen van aanstormende assen. Presto! Presto! Dissonant snerpende remmen leggen alles stil. Dan, een ratelend openvouwen van mozaïekdeuren, voorts, een beweging van figuren die vanuit de halte in het voertuig verdwijnen. Opnieuw geratel waarna een haast gewijde rust volgt, een tel later doorkliefd door de krachtige kadans van het verkeer dat ritmisch weer op gang trekt. Ook dat heeft Simon niet gehoord. Misschien is hij al te veel gewend aan deze achtergrondgeluiden. Misschien heeft hij de informatie op het internet niet goed gelezen. Of misschien is het gewoon nog wat te vroeg voor hem.

Ruth A
0 0

fragmenten uit een spoorboekje

 Vrijdag 14/01/11        Iets na vieren in de wachtende trein naar Brussel. Groepjes studenten trekken door de straten in het schemerduister naar huis. Het regent. Bomen neigen naar hun contouren. Weiden als groene monochrome vlakken in het raamkader. Kale, jonge berken in de wind. De Vlaamse Ardennen leigrijs tegen de achtergrond. Anzegem. Over een beregende akker waggelen twee Nijlganzen door de modder. Naarmate de avond valt, wordt het moeilijker in de weerspiegeling van de ruiten de buitenwereld van het wagoninterieur te onderscheiden. Het oude bakstenen station van Oudenaarde. Verf bladdert van de raamkozijnen. Boven de Zwalmstreek motregent het nog steeds. Een witgekalkte boerderij met getraliede ramen op het noorden. De bomen zijn geleidelijk van gedaante verwisseld en zwarte silhouetten geworden.   Vrijdag 01/04/11        Het vertrouwde landschap onder een lentezon. Tussen het staketsel van kale takken dat nog aan de winter herinnert, sluimert al wat lichtgroen. Een eenzaam paard staat in de hoek van een weide de zaken te overschouwen, de kont naar de voorbij rijdende trein gekeerd.   Maandag 04/04/11     Grijs, bedompt weer. Het paard uit de heenreis is uit zijn hoek gekomen en graast in het midden van de weide, het hoofd nog steeds van het spoor afgewend. Een eenmansprotest tegen diegenen die het in zijn rust storen.   Zondag 25/09/11        Avondzon: gezeefd licht als gouddraad tussen de weiden. Goudgeel, bruin, hier en daar al rood aanlopende bladeren aan de bomen. Luchtballonnen tegen de blauwe hemel. Een ladder in een boomgaard. Afgemaaid gras ligt in lange rijen te drogen. Een fazant scharrelt in de rand van een maïsveld rond. Eigenaardig dat je zo’n avonden met je grootouders associeert. Met stokrozen, korstmos en gedroogde siererwten.   Vrijdag 3/02/12          Een meisje komt zichtbaar opgelucht de wagon binnen. Pas bij het uitrijden merkt ze dat we richting Brussel gaan. Zij moet naar Brugge. Het sneeuwt zacht. Een konijn haast zich over een wit veld ergens heen. Bevroren plassen als gekartelde witte vlakken. Hoe oostelijker we komen, hoe dikker de sneeuw ligt opgetast. Wit vilt op zadeldaken en onbereden landwegen.  

detroostvancontouren
0 0

verhaalfragment

Hij was er al toen ze aan kwamen gewandeld. Over zijn schouder hing een linnen tas zag Sarah. Hij groette Claire en kuste haar op de wang. ‘Proficiat, schat,’ zei hij tegen Sarah en kuste ook haar, maar op het voorhoofd. Hij streek met zijn wijsvinger even over haar neus. ‘Jij natuurlijk ook proficiat Claire,’ zei hij verontschuldigend terwijl hij Sarah losliet, ‘ik zou nog vergeten dat het ook jouw verjaardag is.’ ‘Dat heb je met tweelingen,’ zei Claire lachend. Sarah kaatste het knipoogje dat haar zus haar toezond terug zonder er werkelijk aandacht voor te hebben. Het woord schat echode in haar hoofd. Sinds ze samen waren, gebruikten Maarten en zij zelden koosnaampjes. Ze vond het iets klefs hebben. Van verliefde tieners kon je het verstaan dat ze elkaar liefje of schat noemden. Op die leeftijd denk je dat dat hoort, net als elkaars hand vasthouden wanneer je samen naar school fietst. Als het al gebeurde, was het Maarten die koosnaampjes verzon, nooit zij. Maar waarom nu? Nu Claire erbij stond? Ze probeerde haar ergernis weg te duwen. Geen gepieker vanavond, geen schuldgevoelens – tegenover niemand. De avond onbevangen op zich af laten komen, dat had ze zichzelf voorgenomen. De Italiaanse eigenaar van het restaurant stond achter de bar op een rekentoestel te tikken toen ze binnenkwamen. Met zijn bril op het voorhoofd en gestrekte armen kwam hij achter de bar vandaan. ‘Le sorrelle Temminck!’ riep hij uit en kuste Claire en Sarah omstandig op beide wangen. Zijn uitspraak had iets van een besnorde ober in een tekenfilm. Temmienk zei hij en rekte de ‘ie’ lang uit, alsof hij wel wist dat de klanten dat van een Italiaan in het buitenland verlangden. Hij speelde zijn rol met overgave. Met de handen plechtstatig voor zijn buik gekruist en een schuin hoofd boog hij voor Maarten. ‘Signor … ?’ vroeg hij. ‘Dit is Maarten,’ zei Sarah, ‘mijn vriend,’ en ze legde even haar hand op die van hem. De eigenaar trok grote ogen en knikte goedkeurend. Met gestrekte arm nodigde hij hen uit plaats te nemen aan een tafeltje voor drie. De man was een vroegere collega van hun vader. Enkele jaren terug had hij het meubelbedrijf verlaten en was hij op zijn eentje een restaurant begonnen. Er was hoogstens plaats voor tien mensen. Sarah en Claire kwamen er tweemaal per jaar. Een keer voor hun verjaardag en enkele maanden later om het einde van het academiejaar te vieren. Normaal waren hun ouders er ook bij. Nu had Sarah haar moeder kunnen overtuigen thuis te blijven. In juni, had ze gezegd, dan regel ik wel dat jullie Maarten eens zien. Terwijl ze haar jas aan de eigenaar gaf en ging zitten, was ze opgelucht dat haar ouders er niet bij waren. Ze keek ongemerkt naar haar zus. Claire was iets over haar eindwerk aan het vertellen. Sarah had haar vanmorgen de nieuwste roman van haar lievelingsauteur gegeven. Voor Claire, had ze erin geschreven, mijn lieve tweelingzus. Van haar had Sarah een vegetarisch kookboek gekregen. Ook zij had er een opdracht in geschreven. Om samen met Maarten van te genieten, stond er. Een jongen kwam binnen met een motorhelm onder de arm en verdween door een klapdeur in de keuken. In de deur was een patrijspoort uitgespaard, zoals in de kajuit van een schip. Vijf minuten later kwam de jongen opnieuw tevoorschijn en nam drie menukaarten van een tafeltje naast de bar. Nadat hij elk van hen een kaart had gegeven, rolde hij een krijtbord met de weeksuggesties dichterbij. Alles was in het Italiaans opgesteld, zodat hij wel een tijdje zoet was met hun vragen te beantwoorden. Op aandringen van Claire bestelden ze alvast een bord antipasti. ‘We zijn jarig of niet soms?’ zei ze en sprak Maarten plagerig toe. ‘Als jij braaf is, mag jij ook een hapje.’ De pruillip die hij trok, maakte hen aan het lachen. Hij kon triest kijken als een labrador. Wanneer hij dat opzettelijk deed, was het onweerstaanbaar komisch. Claire klapte in haar handen van plezier. ‘Doe dat nog eens Maarten, toe.’ Sarah zag dat hij gevleid was door haar aandacht. Hij legde ditmaal zijn hoofd op zijn arm, trok opnieuw een beteuterd gezicht en keek vanop tafel met grote ogen afwisselend naar Claire en Sarah. Intussen zuchtte hij en stiet een zacht gegrom uit. Claire kwam niet meer bij. Ook Sarah moest lachen. Toen de ober de keuken uitkwam en op hun tafeltje afstevende, kreeg het tafereel iets van een klucht. Maarten zat met zijn rug naar hem toe en bleef nietsvermoedend grommen en zielig kijken. ‘Gaat het met meneer?’ vroeg de jongen gespeeld ernstig toen hij naast het tafeltje verscheen. Claire proestte het nu uit. Maarten deed of hij schrok, ging recht zitten en depte zijn mond met een servet. ‘Excuses,’ mompelde hij. De jongen glimlachte en zette een schotel met hapjes op tafel. Daarna ging hij achter de bar iets klaarmaken. Na enkele minuten kwam hij terug met een dienblad met daarop drie glazen. ‘Aperitief van het huis’, zei hij. ‘Bravo’, riep Claire en begon in haar handen te klappen. Sarah en Maarten klapten na een korte aarzeling mee, tot de eigenaar uit de keuken kwam gelopen. Hij had een witte jas aangetrokken die met een rij blinkende knopen overlangs bijeen werd gehouden en maakte nu een lichte buiging. Na nog een kushandje richting hun tafeltje te hebben geworpen, verdween hij opnieuw. Gedurende beide momenten waarop de deur naar de keuken openzwaaide, was even het gedempte geluid van een radio te horen geweest. Dit is een kort fragment uit een langer verhaal. 

detroostvancontouren
34 0

herinnering

Een Belgische kuststad, jaren geleden. Het monotone ruisen van de zee op de achtergrond. Vrachtwagens die af- en aanrijden om restaurants en brasserieën op de dijk te bevoorraden. Daartussen zigzaggend de borstelwagentjes van de gemeente. Een bulldozer dempt de zandkuilen die de vorige dag door kinderen zijn uitgegraven en niet opnieuw dicht gegooid. Morgen zal hetzelfde tafereel zich herhalen, maar op andere plekken. Het strand als palimpsest. De opkomende zon verdrijft de kilte van een vroege ochtend in augustus. Straks wordt het bloedheet. Op blote voeten tussen de eerste voetgangers op de dijk om boterkoeken. De koelte van stoeptegels in de schaduw. Links en rechts inmiddels vertrouwde gezichten groetend. Obers die parasols openklappen en met een ratelend geluid van een opgehaalde ketting de opeengestapelde plastiek terrasstoelen losmaken. Jobstudenten die go karts uit het berghok rijden en in formatie klaarzetten. De jongen van de minibootjes die een netje over de bodem van het waterbassin sleept en het achtergelaten afval verzamelt. Een gevoel zo weids als de zee, verwachtingsvol en onbevangen zoals de kinderen die zich straks van hun moeder losrukken en met korte beentjes het stand oprennen. Een onbestemde vrijheid die je als zestienjarige nog met het leven zelf associeert. Niet vermoedend dat die ervaringen later schaars zullen blijken en nog bespaard van de ontgoocheling die dat besef geleidelijk zal omhullen, als spinnenrag rond een onschuldig insect.

detroostvancontouren
0 0

Quicki

Op een luie zondagnamiddag, een week na de gemeenteraadsverkiezingen, kregen we onverwacht bezoek van een bevriend koppel en hun twee kinderen. De jongen en het meisje sliepen, of deden alsof. In de gang lieten de vrienden de kinderen van zich afglijden. Hun vader rolde met de ogen. ‘Kom nu, kindjes, wees ‘ns flink!’ Het meisje lag verfrommeld op de grond. Haar broer gluurde naar me van onder een opgetrokken wenkbrauw. Van zodra hij zag dat ik het spelletje doorhad, kneep hij zijn ogen stijf dicht. Ze moesten de woonkamer worden binnengedragen. Daar ontdooiden ze pas, nadat we een tijdje geen acht meer op hen hadden geslagen. Zonder hem aan te kijken, prikte ik de jongen van tijd tot tijd in zijn buik. Dat kwam me na enkele keren op een halve wurggreep te staan. De boosheid die de jongen daarbij voorwendde, was niet helemaal gespeeld. Er school een verkennend soort baldadigheid in, die hij van de stoerdere jongens uit zijn klas had geleerd. Hij ging nu naar de grote school. Zijn zusje zat onrustig op de bank op en neer te wippen. Telkens ik mijn tong naar haar uitstak, dook ze achter de rug van haar moeder weg. Ik trok een nieuw register open. ’Jij bent een neushoorn zonder neus.’ Met een beschuldigende vinger wees ik naar de jongen. Hij herkende het spelletje meteen. ‘En jij bent kaka!’ ‘Aha, ik kaka? Dan ben jij’ – ik deed alsof ik lang moest nadenken – ‘een giraf zonder stippen!’ De jongen straalde. ‘En jij bent kakaaaaaa!’ Hij krulde schaterlachend achterover in de zetel. Zijn zusje kwam naast me staan. Om deel te hebben aan de pret, trok ze aan mijn arm. ‘Kakaaa,’ toeterde ze in mijn oor. ‘Kijk wie daar loopt!’ Hun vader wees door het raam naar de overkant van de straat. ‘De nieuwe burgemeester!’ Ik stak nog in de rol van gemankeerde circusdirecteur. ‘Quickiiiiiiii,’ riep ik uit. Iedereen in de stad noemde de nieuwe burgemeester ‘Quicki’, wat een verbastering was van ‘s mans familienaam. Voor de kinderen klonk het als een figuurtje uit een tekenfilm. Lachend keek ik naar het volwassen gezelschap. Mijn vriendin staarde me bedremmeld aan. Er lag een begin van plaatsvervangende schaamte op haar gezicht. ‘Misschien moeten jullie Quicki maar eens goeiedag gaan zeggen.’ Mijn kinderachtig gedrag had een aanstekelijke uitwerking op de vader. ‘Neen, niet doen.’ De moeder keek naar mijn vriendin. Maar de mannen hadden schik in de zaak. Ik pookte het vuur nog wat op. ‘Toch wel, toe, ga maar eens goeiedag gaan zeggen aan Quicki.’ De kinderen stoven de gang in. Het duurde een tijdje voor ze de voordeur uit het slot kregen. Ik hoorde ze onder elkaar konkelfoezen, zoals alleen kinderen dat kunnen wanneer ze iets ondeugends in hun schild voeren. ‘QUICKIIIIIII!’ schalde het door de straat. Samen met hun vader ging ik aan het raam staan. De nieuwe burgemeester was iets op zijn smartphone aan het intikken. Iets met een losliggende stoeptegel ongetwijfeld, of een verkeerslicht dat niet werkte. Ze moesten nog enkele keren roepen, vooraleer hij hen hoorde. Toen zwaaide hij stijfjes. Gierend van het lachen stormden de kinderen de woonkamer opnieuw binnen en begonnen aan een rondedans rond de salontafel. ‘Kom kindjes, we gaan thuis lekker wafels eten.’ De gekende truc om een einde te maken aan het gejoel. De kinderen lieten zich gewillig in hun jasje hijsen. Ik zwaaide hen na toen de wagen gekeerd was en toeterend de straat uitreed. In de woonkamer was mijn vriendin de lege glazen aan het verzamelen. ‘Onnozelaar,’ zei ze, ‘die kinderen zo dol maken!’ Zonder me aan te kijken, schudde ze het hoofd, alsof ze iets herhaalde dat ze me al honderden keren had gezegd. Ik liep naar haar toe en sloeg mijn armen om haar heen. ‘Jij bent een egeltje zonder stekels,’ zei ik. ‘Ach!’ Even dacht ik dat ze ‘kakaaa’, zou zeggen. ‘Het is al goed,’ zei ze daarentegen heel volwassen.  

detroostvancontouren
0 0

Pssssht

  Het gesis klinkt lekker. De kunst is om niet te diep te gaan, dan loopt de band te vlug leeg en dat levert geen geluid op. Dit wel. Dit is écht lekker. Maar om een voldaan gevoel te hebben, moet er minstens een band of twintig naar de kloten. Nummer vijf is al aan de beurt: een keihard opgepompte en vrij brede achterband op een fonkelnieuwe retrobatavus. Een witte band. Die witte zijn om nat van te worden, omdat dit de kleur is die God voor rubber heeft bedoeld. Voor tortelduifjes ook. En hoop. En hoop? Op de dag na haar veertiende verjaardag kon haar vader haar lamlendigheid niet meer aanzien. Hij snokte het onnozele boekske uit haar handen. Zijn snor trilde van de ingehouden emotie en zijn rug was zo recht als de zwaartekracht die wij het leven noemen hem toeliet. Hij kondigde met volle stem aan: “Uwen band staat al twee weken plat. Als ge dedju nog genen band kunt plakken, wat gaat ge dan aanvangen in het leven? Kom, dat ik wat poten aan uw lijf kweek. Ge zult ze harder nodig hebben dan verhaalkes over dinges die toch niet bestaan”. Ze had zichzelf, haar boekskes en de manier waarop zij haar dagen placht te slijten nog verdedigd: “Maar vader, dat boek gaat over de liefde”. Zijn blik werd triomfantelijk spottend: “Hewel, wat zeg ik u juist?” Ze had geplooid als een Brompton. Hij begreep het toch niet. Bovendien was haar boek dichtgevallen en wist ze de pagina niet meer.   Tsjak! Dan slaat haar hoofd met een plotse slag naar voor, tegen de bagagedrager van de fiets en met nog een slag weer naar achter. Een eeuwigdurende nanoseconde later voelt zij haar benen slap worden. Daarna pas komt de vernietigende pijn in haar achterhoofd en nek. Vervolgens gaan haar lichten uit.   Het bandenplakproject was niet gewoon weer een bevlieging van haar vader. Ze werd gedrild in het plakken. Elke dag moest het gat beter en sneller dicht. En gaten waren er genoeg. De kasseien lagen in die dagen nog slecht en er was een rage onder de jeugd die te maken had met spijkers en de openbare weg. Zonder al te veel moeite vond haar vader dus materiaal voor haar om op te oefenen. Op sommige dagen was dat slechts één band, op zomerdagen vol fietsende jongemensen wel vijf of zes. Ze werd beter, handiger en vooral sneller. Vijf kapotte banden betekenden na enkele maanden oefening slechts een onderbreking van tien minuten tussen twee liefdesromans door.   Ze is met haar gezicht naar boven op de grond gevallen. Er zit een kartelige snee naast haar oog. Het bloed zoekt langs haar oor een bochtige weg naar beneden en druppelt gestaag in de capuchon van haar Dickies hoodie. Je kan in een streep flauw licht haar gezicht zien. De rest van haar lijf is buiten het zwakke schijnsel gevallen dat het lampje van de berging voortbrengt.   De vader ging steeds verder fietsen zoeken. Hij gaf zijn job op en kocht van de erfenis van zijn ouders een kleine open vrachtwagen waarmee hij door de hele stad en langs de dorpen aan de rand reed op zoek naar fietsen met een lekke band. Omdat marketing niet ’s mans sterkste kant was, en omdat businessplannen toen nog niet bestonden, merkte hij al snel dat hij meestal slechts schamele centiemen kon vragen voor een plakbeurt. De mensen aan de rand van de stand stonden wantrouwig tegenover een bandenplakker die zomaar zijn diensten kwam aanbieden. Wat ze vertrouwden en waarnaar ze verlangden, was een volledige en overprijsde fietsherstellingsdienst. Maar fietsen herstellen kon hij niet. Plakken was het enige dat hij zijn dochter desbetreffende had kunnen doorgeven, en zelfs dat kon ze nu sneller en beter dan zijn onkundige handen hem ooit zouden toelaten. Uiteindelijk verdiende hij aan de banden zelf net genoeg om de benzine van zijn camion en de aanschaf van zijn rustinnekes te dekken.   Haar aanvaller loopt in paniek met zijn nog zatte botten bijna onder de wielen van een voorbijscheurende HumVee. Eén van zijn sloefen met carreaumotief blijft liggen, zijn peignoir waait open en hij rent verder, van de straat terug het plein op. Zijn huis met uitzicht op het plein is nog dertig meter van hem verwijderd.   Op de dag na haar vijftiende verjaardag kon haar vader de beschuldigende ogen van zijn vrouw, die zich schaamde brood op de poef te moeten kopen, niet meer aanzien. Hij rechtte nogmaals de schouders en besloot een briljant idee dat hij die nacht had gekregen uit te voeren. Onder platanen die geduldig ouwe ventjes met alle tijd van de wereld beschutten, sleurde hij met de staande klok van zijn ouders. Die zette hij in het midden van het plein waar na school ook zijn dochter ging zitten. Hij had eindelijk beseft dat de kunst van zijn dochter meer spektakel- dan eigenlijke waarde had. Hij zou van haar kunde een show maken.   Nog twintig meter. Nog tien. Nog vijf meter, tot hij struikelt over het koord van zijn peignoir dat langs rechts uit zijn houders is gegleden. Zijn hoofd slaat tegen een van die oude platanen die de stad binnen enkele dagen zal gaan verwijderen. Wat oud is en gaten heeft in de kruin, moet weg.   “Minder dan een minuut, dames en heren. In die tijd heeft dit wonderkind een fietsband hersteld. U kan dat hier zelf volgen op deze klok. Komt dat zien! Aanschouw met uw eigen ogen. Jawel mijnheerrr, zoiets hebt gij nog nooit niet gezien.” En de mensen bewonderden en kirden voor de combinatie van kunde en aaibaarheid van het wonderbaarlijke bandenplakkertje. Gul smeten ze centiemen naar de emmer die de dochter in haar leerperiode had gebruikt om lekken te vinden. Zij gebruikte nu haar aangescherpte gehoor waarmee ze zelfs het kleinste lek feilloos kon detecteren en lokaliseren. Elke toon van ontsnappende lucht was een klein pleziertje dat de vernedering van haar vaders mini-freakshow draaglijk maakte. Soms deed ze zelfs alsof ze een gaatje niet onmiddellijk vond, zodat ze de band opnieuw kon oppompen; haar vader besefte niet dat ze in die minuut die ze niet mocht overschrijden zonder dralen gemakkelijk twee banden had kunnen plakken.   Twee jongens met capuchon die langskomen zien een zotcool knipmes dat in een witte achterband steekt. Lachend om het lot dat hen zo welgezind is, wil de kleinste het mes uit de band trekken.   Er waren jongens die weddenschappen met elkaar aangingen. Van hún band zou ze het lek nóóit vinden. Ze maakten de minuscuulste gaatjes ooit waargenomen. Ze slaagden er soms in het gaatje minder dan een speldeprik groot te maken. Er waren er zelfs die nog een week met hun fiets naar school konden rijden voor hun gesaboteerde band de gewenste platheid had bereikt om hem met een uitdagende blik aan dat meisje op het plein te gaan geven. Ze hoopten dat het meisje hun lek, als eerste ooit, niet zou vinden. Ze droomden dat zij ook in haar eens een gaatje mochten prikken. Nooit werd hun hoop waarheid. Nooit leek het meisje zelfs onder de indruk van hun nauwgezet aangebrachte lekje. En iedere keer weer wist ze het lek zonder zichtbare inspanning te lokaliseren. In ieder geval liepen de zaken eindelijk, tot opluchting van haar vader.   Zijn blik is gefixeerd op het mes, de donkere vorm voor zijn voeten ziet hij niet tot hij erover struikelt. “Wajoo. Hier ligt iemand.” Zelfs de komst van een moderne fietsverkoop/herstellingswinkel op het plein maakte de mensen niet minder gretig hun lekke banden naar het wonderkind te brengen. Het verbaasde de nieuwe fietsenmaker dat de freakshow op het pleintje concurrentie vormde voor zijn moderne winkel. Toen hij het pand kocht en de winkel opende, had hij zorgvuldig nagedacht over de locatie van zijn zaak en over het mogelijke cliënteel. Banden plakken zou zijn melkkoe worden. Banden herstellen is een klusje van niets. Iemand die een greintje verstand in zijn kop heeft, geeft geen geld uit aan iets wat hem tien minuten kost om zelf te fiksen. Toch, zo was de fietsenmaker in zijn leertijd bijgebracht, brachten brave oude meekes en onhandige schoolmeesters hun platte band binnen, dankbaar omdat de fietsenmaker hen beloofde een rijklaar voertuig te bezorgen tegen de volgende dag en tegen een schappelijke prijs. In banden plakken investeer je als fietsenmaker een minuut of vijf tijd en een frank of nul onkosten en je maakt twintig frank nagenoeg pure winst. Maar toen bleek daar dat meisje te zijn dat zijn gemakkelijke werk afpakte. Een meisje dat bij nadere inspectie sneller bleek te zijn dan hij. Een jong ding was het, zeventien ofzo, met een afwezige blik in een schoon gezicht. Een simpele duif voorzekers, maar braaf, dat kondt ge zien, en snel, dat bewees ze elke dag. Hij zag het duidelijk; zij zou zijn zaak het succes geven dat nu nog ontbrak. “Gast, belt ne ziekenwagen. Maar pakt eerst da mes.”Nu houdt niets de lucht nog op zijn plaats.   De fietsenmaker stapte zelfverzekerd af op het groepje mensen dat zich al rond het bandenmeisje had verzameld. Met een luide stem en een spottende grijns vertelde hij het aanwezige volk dat hij een fiets had meegebracht met een platte band waarvan hij het lek maar niet kon vinden, en als hij het niet vond, dan kon niemand het vinden. Onder de indruk van zijn vanzelfsprekende autoriteit lieten de wachtenden deze nieuwe speler in het bandenspel voorgaan. Routineus onderzocht het bandenmeisje de gloednieuwe platte voorband. Twintig seconden. Dertig. Veertig. Vijftig! Een minuut! Ooh. Amaai. De fietsenmaker bulderde met zijn hoofd in zijn nek terwijl het bandenmeisje hem onzeker aankeek en voor het eerst opmerkte wat een schone man haar daar voor haar neus stond uit te lachen. “Ge moet niet ongerust zijn schatteke. Ik heb die band gewoon laten leeglopen. Die fiets, dat is hier een echte Batavus: een Hollandse kwaliteitsvelo. Dat geraakt zo rap niet lek zulle. Ja dames en heren, fietsenhandel Vermeulen Sport, daar is mijne winkel, daar kunt ge er ook zo een kopen. En gij daar, chouke, ge moet u dat niet aantrekken, het was maar om te lachen, dat gij een lek niet zoudt kunnen vinden, allez kom. De smeerolie kan niet verstoppen wat voor een vaardige pollekes gij hebt.”Zo heeft de nieuwe fietsenmaker haar binnengedaan, toen hij nog fit was en die sprankel in zijn ogen haar deed kirren als een tortel. De puisterige jongens van het plein sloegen zich voor het hoofd omdat zij nooit met dit idee op de proppen waren gekomen, briljant in zijn eenvoud. En het bandenmeisje dacht in hem de Heathcliff van de fietswereld te hebben ontdekt. Maar al snel na hun trouw bleek haar beeld van de man die haar met zijn lach van haar krukje deed daveren een luchtbel die, eens doorprikt, pijn deed en stonk naar café De Prijsduif.   Sinds de fietsenmaker reuma heeft, slaat hij niet meer, ook niet als hij zat is, het doet te veel zeer. En hij heeft al jaren geen poging meer gedaan om op haar te kruipen, dat interesseert hem niet meer. Maar het vooruitzicht van zijn onregelmatige dronkenmansasem in haar gezicht doet haar elke avond woelen in bed tot ze steeds weer besluit om eropuit te trekken. Wanneer de vogel is gaan vliegen, moet zij steken. Hoe meer lekke banden, hoe beter. Zeker wanneer het de band van een mooie Batavus betreft. Hét merk. Zíjn merk. 'Ik rij liever daarop, dan op mijn wijf!' riep hij elke marktdag. Het sissen brengt rust. Alles komt goed. Elke lek stopt het gat. Daarom trekt ze de kap over de kop, de nacht in, het plein op.de fietsenmaker is geërgerd naar huis gegaan, uren vroeger dan gewoonlijk. Hij mocht van Walter zijn sigaarkes niet meer binnen in het café roken, omdat die onlangs controle had gekregen op het naleven van een dwaze wet van een dwaze minister. Hij heeft zijn zetel tegen de vitrine geschoven zodat hij vanuit de donkere winkel het goedverlichte plein kan aanschouwen. “Zit die vuile Marokkaan daar nu aan fietsen te klooien?” denkt hij wanneer hij in de schemerige fietsenberging aan het station een donkere figuur ziet, met capuchon, geknield op een schuimrubberen mat. De fietsenmaker krijgt het schijt van deugnieterige hangjongeren met een capuchon. En dan nog prutsen aan een Batavus Retromaster, het nieuwe model dat hem zo doet denken aan de tijd dat hij juist met zijn winkel was begonnen. Van kwaliteitsgerief moeten ze met hun vorte puberpoten afblijven. Peignoir aan, sloefen aan, het plein over, de pijn van zijn botten verbijten en PAK VAST, LEEGLOPER!   Ze bloedt!Pshhhht. Ademt ze nog?   Is ze dood? Is haar man dood? Er is in ieder geval een witte duif op zijn kop, naast zijn rechteroog aan het schijten. Roekoe, klootzak.

Frederik
0 0

Een lift

  Een lift. In de lift drie jonge meisjes. Twee van de meisjes zijn erg slank. Ze dragen iets wat op een schooluniform lijkt. Hun rokje is hoog opgetrokken en een logo is duidelijk zichtbaar op hun rokje en op hun kniesokken. Het derde meisje is corpulent. Ze heeft kortgeschoren grijs haar. Ze draagt witte sportschoenen, een trainingsbroek en een smoezelige witte tanktop. Ze heeft een tattoo van een pin-upmodel op haar rechterschouder. Haar zelfgerolde sigaret zit uitgedoofd te wachten achter haar oor. Zij houdt een krant vast.     Sylvie:             Dag meisjes.   Sylvie:             (rolt haar ogen, fluistert duidelijk hoorbaar) Omygod, die denkt écht dat ze Sylvie is ofwa?   Sylvie:             ‘Mai, ik weet dat ik zo keigeflatteerd moet zijn omdat iedereen míj wilt zijn. En ik was da in ’t begin wel ofzo. Allé ja, ik vond da wel bangelijk ofzo, maar ook wel grelleg, alléja, weette?   Sylvie:             Ik vind da echt grellig aan het worden ze. Gisteren in de toiletten was iedereen mij aan het nadoen, keiráár. Die waren zelfs aan het kijken welke lippenstift dakik gebruik. Ja, ik had da natuurlijk nie op voorhand gepost. En ik vind da wel bangelijk enal dak ik zevenhonderd followers heb. Maar weette, da is toch nie mijn schuld dat die allé ja Korte stilte.                         Sylvie wille zijn ofzo?   Sylvie:             Écht è? En de die (knikt richting Sylvie) is zó fake. Die ziet er nie eens uit gelijk ik. Zot dakik een Pumabroek gaan aandoen zeker? Dat had ik zelfs in het derde niet meer aan, FAIL!   Sylvie doet alsof ze dit gesprek niet hoort. Ze bestudeert aandachtig de sportpagina’s.   Sylvie:             Omygod, gisteren stuurde Robin (stemvolume naar beneden, kijkt vanuit   ooghoeken naar Sylvie) ‘So hot…NOT’, me ne foto van geweetwel.   Sylvie giechelt achter haar hand De lift komt aan op de verdieping waar Sylvie moet uitstappen   Sylvie en Sylvie: (vriendelijk en opgewekt) Ciao Sylvie!   Sylvie:             (kalm, met nadruk) Het is Michel meisjes, Michel. Ik heb u dat toch al gezegd? En jullie heten Lauren en Anouk. Er is geen Sylvie. Sylvie bestaat nie. Stop hier toch eens mee. Moet ik het weer aan de mama gaan vertellen misschien?   Sylvie draait zich om en wandelt naar haar appartement. Sylvie en Sylvie blijven minachtend naar Sylvie kijken. De deuren van de lift sluiten terug.   Sylvie:             Wa een bitch, man. Zo’n air! Sylvie:             Écht è? Nepsylvie. Sylvie:             Écht è? Écht è? Écht è? (houdt vuisten gefrustreerd gebald en slaat op haar dij). Die slet kan er gewoon weer nie tegen dakik meer followers heb.

Frederik
4 0

Er zat een stegosaurus in

  Er zat een stegosaurus in   Toen ik daarna wakker werd, was de dinosaurus er nog steeds, en dat begon best onaangenaam te worden. Ik had ook al eerder overwogen om naar de spoedafdeling te gaan. Het enige wat me nu nog enigszins weerhield naar daar te gaan, was het vooruitzicht van een bijzonder oncomfortabele fietstocht. Ik had namelijk gevoeld dat de staart van de stegosaurus met zijn vier stekels achter het randje van mijn aarsopening was blijven haken. Toch was het me niet gelukt het ding er terug uit te trekken; vermoedelijk werkten de puntige beenkammen die zich nu aan de binnenkant bevonden als weerhaken. Toen ik me begon voor te stellen welke schade die schanjemansschoft met zijn beenplaten kon aanrichten in mijn endeldarm, werd het me zwart voor de ogen. Daarom besloot ik toch naar het ziekenhuis te rijden. En dát is mijn geluk geweest.   De rit naar het ziekenhuis was waarlijk de Apocalyps op trappers. Maar de echte hel kwam pas toen de vriendelijke dame aan het onthaal mij vroeg rustig op een bankje te gaan wachten. Een half uur van onmenselijke kwellingen later werd ik op slag stapelverliefd op dokter Bakker. Lydia. Zij voerde me mee van het helleportaal genoemd wachtkamer, door het vagevuur in een rolstoel, naar de hemel van de chirurgische grijptang. Zij, mijn anale engel, verwijderde de nemesis mijner geliefde uitgang met haar vaardige vingers integraal en onbeschadigd uit mijn kont. De stegosaurus heb ik nog steeds. De meesten hier hebben hem misschien al opgemerkt. Hij staat op de schoorsteenmantel om me te herinneren aan de fouten uit mijn jeugd.   Sinds de dag van de stegosaurus gebruikt mijn Lydia haar medische kennis en haar vaardige vingers om op een verantwoorde manier objecten aan mijn poepgat voor te stellen. Zij heeft me bovendien de geneugten van een darmspoeling ten volle leren kennen, mijn lieveling van het lavement. Zij zorgt er met haar zalvende zalven en haar helende handen voor dat mijn uiterste genot niet gepaard hoeft te gaan met helse pijnen achteraf. Zij heeft mijn endeldarm, en bij uitbreiding, mijn leven gered. Zij is mijn intracolonaire schat.   Lieve vrienden en familie hier aanwezig, beste ouders. Vandaag heeft Lydia van mij de gelukkigste man van de wereld gemaakt door mijn vrouw te worden. Dus drink, dans, zing, feest, maak er een heugelijke dag van. Santé!

Frederik
0 0

Blind date met de toekomst

Een paar dagen voor kerst keken we elkaar voor het eerst in de ogen. Ik herkende haar niet meteen, en zij mij nog veel minder. Hoewel ik haar doen en laten al een tijdje met meer dan gemiddelde interesse volgde, was het vreemd om haar plots in levenden lijve te zien. Het voelde niet vertrouwd, zoals ik had gehoopt. Eerder onwennig. Toch zeker die eerste 30 seconden. Daarna sloot ik haar in mijn armen en in mijn hart. Voor altijd. Zonder woorden. Zonder twijfel.   Blind dates zijn dubbeltjes op hun kant. De verwachtingen liggen meestal hoger dan de hakken of het coiffuur van de date in kwestie, zodat er vaak al in de eerste minuten gezocht moet worden naar compensatiemateriaal. Een helse klus: het gemiddelde eetcafé laat naast het gekletter van besausde borden en het ‘look at me, I’m an asshole’-gekraai van businesshaantjes geen betekenisvolle interacties toe. Met een beetje geluk spreken de blik en lichaamstaal van de persoon aan de andere kant van de tafel boekdelen zodat snel duidelijk wordt welk vlees men in de kuip heeft: een lammetje, een kip of een flink stel hersenen. En ja, soms gaat het goed. Soms gaat het zelfs beter. Vriendin Kat nam onlangs het onzekere voor het zekere en liet zich verleiden tot een blinde ontmoeting met een mysterieuze jongeling. Niet zomaar naast de deur, in welk geval ze de dans met een foute partner zonder veel gedoe zou kunnen ontspringen, maar meteen over de land- en taalgrenzen heen. ‘Het gras is daar misschien niet groener maar de tongval toch een stuk sexier’, argumenteerde ze, en we konden haar geen ongelijk geven, zelfs niet in het schoon Gents. Ze vloog naar haar afspraak met een kokerrok en een klein hartje en zweefde terug met een nieuw lief en een valies vol toekomstplannen. Gevallen voor die vlotte tong en vertrokken voor een schoon avontuur.   Of de liefde tussen mij en mijn decemberdate wederzijds is, weet ik niet. Ik heb het haar nog niet gevraagd, daar is het net iets te vroeg voor. Ik wil geloven van wel, maar eigenlijk doet het er niet toe. Al vindt ze mij de stomste griet van Europa en omstreken: zij is het voor mij. De zon en de maan en het beste van allebei. Ook al draagt ze wel eens tweedehandsbroeken die haar niet flatteren. En kleedjes die te ruim tailleren. Ook al trekt ze wel eens op de verkeerde momenten haar mond open en ruikt ze niet altijd even fris. Ik vergeef het haar. Ik vergeef haar alles. Want die blik in haar ogen, dat is kunst. Hedendaagse kunst, met een streep realisme en een klodder romantiek. Een werk van generaties dat niemand onberoerd laat. Vooral mij niet. Hoe het ons verder zal vergaan? Dat verhaal moet nog geschreven worden. Er zit in elk geval toekomst in. Ze zegt het niet met zoveel woorden maar ze voelt zich op haar gemak bij mij. Dat weet ik, want ze laat winden in mijn aanwezigheid. Mijn kersverse dochter.   (Column verschenen in Psychologies magazine - maart 2012)

a little bit of soap
0 1

797204

‘Ik zit naast de telefoon en wacht tot 's avonds laat, met een kloppend hart want mijn geluk hangt aan een draad, als je ook verdriet hebt wees dan niet te fier en draai 797204.’ Ik floot ’m wel eens tussen mijn tanden, die hit van Tura, in de tijd dat je nog moest draaien om te bellen. Een telefoon had toen nog iets magisch. Thuis hadden we er geen, dus als ik mijn lief wilde horen of over mijn lief wilde zagen, moest ik zelf uit mijn kot komen. Bellen vanuit een telefooncel, mijn god, de kwelling. Eerst het huis en alle broeken – ook de stinkende verschrompelde onderin de wasmand – afzoeken naar vijffrankstukken. En dan naar ’t kot stappen, dwars door het dorp, tot vlak naast de kerk. En bidden dat meneer pastoor niet zou passeren. Want die zou het zeker weer gezien hebben, de heiligaard, dat ik niet met ons ma aan het bellen was. Mijn rode oortjes zouden mij verraden. Mijn rug zou weer boekdelen spreken. Want hoe je ook draait of keert in zo’n kot, je staat er in je blootje. Emoties liggen er voor het grijpen. Liefde, woede en wanhoop echoën er luider dan verwacht. En die rijen wachtenden achter je, die staan erbij en kijken ernaar. Schaamteloos.   Neen, dan zijn we vandaag beter af. Met die mobiele toestanden van tegenwoordig hoef je je rode wangen, bezwete rug of bleitmuil tenminste niet meer met Jan en alleman te delen. Je kan rustig een ei pellen met je schoonmoeder terwijl je op de wc zit. Het wachtdeuntje van de aannemer uitkafferen in het tuinhuis. Een telefonisch interview afnemen vanuit een berghut im Schwarzwald, in een rendiertrui. Nog zo makkelijk. Maar willen we die privacy? Neen. We willen gezien en gehoord worden. Gisteren nog, voor mij in de rij aan de kassa: ‘ZEG SCHAT, NEEM JIJ DIE NIEUWE LEREN TAS MEE VAN MICHAEL KORS, ZE LIGT OP ONZE PIANO IN DE HAL, IN DIE WITTE ZAK VAN PRADA.’ ‘Proficiat madam’ wou ik nog zeggen, maar ze zwierde zo wild met heur haar en armen vol blinkende mobiliteit dat ik het maar zo liet. Leren tas. Michael Kors. Piano. Prada. Dat wil wat zeggen. Dat ‘schat’ de voeten vanonder zijn gat mag lopen voor haar. En dat wij stille getuigen mogen, excuseer, moeten zijn van haar succes. Eenzelfde scenario in de trein, de roepplek bij uitstek: ‘JA ’T IS IK. ZEG, IK ZIT OP DIE VAN 21 UUR KWART. JA, DRUK-DRUK-DRUK. ZEG, BEVESTIG JIJ VOOR DAT WEEKEND IN DE DORDOGNE, DAN KIJK IK MORGEN OP DE EUROSTAR WEL NAAR DE PLANNEN VAN DE BADKAMER. EN ZOETJE, WACHT MET DIE PASTA TOT IK THUIS BEN, GE WEET DAT IK MIJN LINGUINE HET LIEFST ZELF DRAAI MET MIJN MACHINE UIT PIEMONTE.’ Word je dan als medereiziger verondersteld spontaan recht te staan en te applaudisseren? Reik je zo’n man de hand en feliciteer je hem met zijn uitermate geslaagde leven? Of word je verondersteld nederig het hoofd te buigen en zwijgend je degradatie naar tweede klasse te aanvaarden, ook al zit je in dezelfde wagon?   Nu ons leven niet meer aan een draad hangt, lopen we ermee te koop. Nu we bevrijd zijn uit onze cellen willen we gezien en gehoord worden. Onze rug moet geen boekdelen spreken, dat doen we zelf wel. Zo luid en duidelijk mogelijk. En wie niet horen wil, krijgt een klets extra intonatie rond zijn oren. Want we hebben iets te bewijzen. En we zijn zo fier. Dus we leven bij de gratie van de ander, op de tonen van 797204.   (Column verschenen in Psychologies magazine - januari 2013)

a little bit of soap
0 1
Tip

1 centimeter breed, 3 millimeter diep

Hij is 1 centimeter breed en 3 millimeter diep. Ik weet het want ik heb ’m bekeken in de spiegel. Langs alle kanten en verschillende keren, om zeker te zijn. Ik wist niet eens dat hij er zat, tot iemand zei: “Je bent ontspannen, je frons is weg.” Toen schoot hij natuurlijk direct weer in een plooi, want ik begreep niet waar ze het over had.   Net als ieder mens met ogen, oren en neuronen heb ik zo nu en dan mijn bedenkingen. Bij de epauletten van sport- en stijlanker Catherine Van Eylen. Bij de foto’s van gepimpt melkschuim op mijn scherm. De meeste van die meninkjes hou ik voor mezelf wegens weinig relevant voor de wereldvrede, maar ze ontsnappen wel eens via mijn voorhoofd, waar ze de leegte tussen mijn wenkbrauwen vullen met geribbelde dikdoenerij. Een teken van inhoud, aldus denkers. ‘Gecrispeerd’, menen anderen. Ik durf dat tegen te spreken. Ze mogen zeggen en dragen wat ze willen, ik loop niet de hele tijd te oordelen met de uitzondering in mijn hoofd en de regel in mijn hand. Eigenlijk ben ik best tolerant. Ik probeer altijd wel te zoeken naar een goede verklaring voor de schoudervullingen van Catherine. Vind ik er geen, dan trek ik mijn schouders op, even hoog als die van haar, en dan bedenk ik dat haar vestimentaire moed toch bewonderenswaardig is. Neen, ik erger me niet vaker of langer dan de gemiddelde kleine zelfstandige met perforatorproblemen aan het einde van een kwartaal. Om dan te zeggen dat ik er godganse dagen als een Klingon bijloop…   Ja dus. Sinds die vrouw haar vinger op mijn frons legde, gaat er geen uur voorbij of ik voel ’m. Achter de computer, voor de televisie, boven de lavabo of bij het likken aan een cornet d’amour. Het moet aangeboren zijn. De bewijzen liggen voor mij op tafel: een vergeelde polaroid uit ’74. Mijn moeder geeft me de fles en ik frons. Waarom? Weet ik veel. Veel viel er toen nog niet te fronsen, of het moest een onderliggende drol zijn die me dwarszat. Maar kaksituaties ga ik tegenwoordig zo veel mogelijk uit de weg, dus het moet iets anders zijn. Iets genetisch. Een verkeerde wrong bij de bevalling. Die Klingon-frons zat er in ’74 al in en die is er nooit meer uitgegaan.   Pas bon pour le moral. De bochten in je gezicht beïnvloeden het zuurstofgehalte in je hersenen en sleuren in een zelfde beweging je humeur mee. Wetenschappers hebben het getest en bevestigd. Open je energiefactuur met een smile – desnoods geforceerd met ‘cheese’ of ‘gin-tonic’ – en je zult het leven en je factuur beter zien zitten. Frons je wenkbrauwen en het is al bij voorbaat om zeep. Dan betaal je een hogere prijs voor zowat alles in dit leven, of zo lijkt het toch.   Van de shiny happy people-club hoef ik geen lidkaart, dank u schoon. Iemand die altijd lacht is verdacht want het leven kan stinken. Maar van die frons, daar moet ik vanaf. ’t Is een kleintje, maar ’t schiet ver door in mijn humeur, onbewust maar zeker. Ziet u mij een dezer met een voorhoofd dat twijfelt tussen glad en geribbeld, neem het dan vooral niet persoonlijk. Er is niets mis met uw epauletten, noch met uw okselgeur of melkschuimsnor. Mijn wenkbrauwen hebben gewoon een eigen wil, maar er wordt aan gewerkt. Ik ga voor glad geluk, al dan niet geforceerd met gin-tonic. (Column verschenen in Psychologies magazine - oktober 2013)

a little bit of soap
44 1
Tip

Metaforensisch

En dat ik op mijn eten moet letten. De dokter zette de vensters van zijn kabinet wijd open en verwees me door naar een diëtiste die wat mij betreft de pot op kan. Maar dat was nog niet ’t ergste. Ik moest ook tien keer op neer en neer springen. In mijn onderbroek. Na twee sprongen hing mijn tong op de grond, wat wilt ge. Die dokter bekeek mij, ’t was precies of hij zag een freakshow. Een jongen van uw leeftijd moet veel sporten, zei hij. Hij zei leeftijd, maar ik weet goed genoeg wat hij bedoelde. Dokters. Ge moet ze mij niet leren kennen. Dat begon al met mijn geboorte, enfin, nog iets vroeger zelfs. Ons ma wou per sé thuis bevallen. Maar ik geraakte er niet uit. 't Gat was te klein. Of ik te dik, dat is de versie van ons ma. De vroedvrouw panikeerde. Ons ma bleef aanvankelijk nog kalm. Onze pa zat waar hij altijd zit in crisismomenten: op zijne fiets. Luchtje scheppen. Efkes afkoelen. Maar ons ma zat onder 't zweet, het parelde in haar snor, het liep door de afvoergoot van haar borsten en het plenste in het vruchtwater op de vloer. De vroedvrouw liep door de kamer met doeken te zwaaien en scharen te schermen. Ze maakte zoveel kabaal dat de buren op de muren bonkten. Ons ma lag tamelijk ongemakkelijk op de tafel in de schoon kamer. Echt schoon was die niet meer, met al dat groen water op de grond. Toen de vroedvrouw dat vuil vocht zag, begon ze te krijsen: Persen! Persen, zeg ik u! Ons ma puffen en persen, maar ik verschoof geen millimeter. Er werd serieus gevloekt, zowel door ons ma als door de vroedvrouw. Onze pa die juist kwam aanwaaien, besloot ter plekke nog maar eens een blokske om te doen. Dat waren woorden, jong, vertelt hij nu nog op elk familiefeest, daar kreeg zelfs de meest vuilgebekte dokwerker rode kaken van. Ons ma gilde moord en brand. Wij woonden toen niet ver van ’t Scheld, daar is geen enkel schip de haven in gedurfd die avond. Dat zegt onze pa toch. Ze hebben de dokter moeten bellen. De ambulance kwam er aan te pas. De broeders hadden er werk mee, ons ma liet zich niet zo gemakkelijk op die draagbaar kantelen. En toen is ’t gebeurd. Ze waren nog niet bij de deur of: KADENG! De luster die boven de tafel hing, kletterde met kristal en al naar beneden. Knal op de plek waar juist daarvoor ons ma nog had gelegen, met mij in haar buik. En zo heb ik dus ons ma haar leven gered. Waart gij zo’n mager scharminkel geweest, zegt ons ma altijd, dan was ik blijven liggen en dan waren we er geweest. Ze heeft nog ferm van haar oren gemaakt tegen de dokter. Die vond mij toen al te dik, die wou mij toen al op dieet zetten. Pas geboren! ’t Zijn altijd de anderen die problemen hebben met mijn gewicht. Dat is gewoon een kwestie van perceptie, dat zit tussen de oren. Maar dat krijg ik ze niet aan ’t verstand gebracht. ’t Ambêtante is, mijn metabolisme heeft een neveneffect. Ik verwerk veel voedsel, dat volgt een natuurlijk pad en dat vindt zijn nest. Mijn darmflora tiert welig, als ge begrijpt wat ik bedoel. En af en toe ontsnapt er mij iets. Ongewild. Onbewust zelfs. Eerst wordt ge niks gewaar, maar ineens is het daar: een walm van rotte eieren. Er zijn er die denken dat de evenaar door hun gat loopt. Bij mij is dat het riool. Dat zeggen die van mijn klas. Geestig. Als ik het lokaal binnenwandel, beginnen ze te snuiven en te schuiven. Nee, de plaats naast hen is bezet. En die hoofden die in mijn richting wijzen en dan naar mekaar toe buigen. En dat onnozel gniffelen achter mijn rug. Lacht u toch dood, jongens. ’t Is dat ze u niet kennen zoals wij, zegt ons ma. Ge moet u bloot durven geven. Maar mijn bloot, daar hebben ze in de turnles al genoeg van gezien. Ik kan niet zeggen dat het geholpen heeft. Uw ma bedoelt dat metaforensisch, zegt onze pa. ’t Gaat om het innerlijke, legt uw ziel bloot. Dan zien ze uw goed hart. Uiteindelijk heeft ons ma mij naar die dokter gestuurd. Volgens hem heb ik flaturgentie of zoiets. Pffff. ’t Zal wel. Traag eten. Goed kauwen. Pffff. Alsof dat helpt. Maar ik heb aan dat bezoek wel een vriend overgehouden. Nee, niet die sadist van een dokter. Ik kom dus uit de praktijk. Mijn hoofd dwaas van dat springen. Ik leun tegen een etalage. Kampeerwinkel. Wat zie ik daar liggen? Aksen, bijlen, hakkers met vlijmscherpe bladen. En daartussen: een eenzaam zakmes. En ’t was precies of het riep mij. Hé gij daar, ja gij. Neem mij mee. Ik heb mij over hem ontfermd, ja. Wat moest ik anders, hé Jack. Wij verstaan mekaar. (zingt/neuriet: ‘I’m a poor lonesome cowboy’ terwijl hij met het mes speelt) Helden. Daarover moest de spreekbeurt gaan, gisteren. Ik heb er lang over nagedacht. Ineens wist ik het. Het was alsof er zo'n lamp boven mij ging branden, kent ge dat? Zo'n verlicht moment? Ik begreep dat ik een kans kreeg. Een kans om mijn ware ik te tonen. En ik heb ze gegrepen. Toen het mijn beurt was, heb ik gesproken. Over de schoon kamer en ons ma op de tafel. Over het groen water en de ambulance. Maar 't einde heb ik niet kunnen vertellen. Iemand riep 'Scheetsoep!' en toen begonnen ze te lachen en door elkaar te roepen en die van Nederlands kreeg ze niet meer stil. Ik stond daar met mijn handen tegen mijn oren. Scheetsoep. Terwijl ik ons ma heb gered! Weet ge waarin ik nu goesting heb? Om Jack mee naar school te nemen. Om die bleekscheten van mijn klas op en neer te doen springen tot hun tong tegen hun tenen plakt. En dan, zegt Jack, dan zal hij ze tonen hoe dat ge een hart blootlegt.    

Ruth A
16 4