Lezen

Aangeleerde ethiek

Wroeten in de innerlijke mens daar had ze jaren voor gestudeerd. Feiten in haar kop gestampt. Handelingen leren uitvoeren zoals het opensnijden van die mens en daar te reparen wat niet naar behoren functioneerde.“Scalpel!” zei ze op gebiedende toon.Snijdend in de vleesmachinerie van een medemens voelde ze onderwijl hoe de stille knagende onrust van de afgelopen tijd alweer zijn kop opstak. In haar eigen hersenpulp durfde ze niet te snijden tot op het bot, uit angst onwelriekende dingen te vinden. Dingen die zouden dwingen haar met zichzelf te confronteren.“Stelpen! Vlug.” Zo zelfzeker zij handelde in deze steriele kamer, zo onzelfzeker was ze er buiten.Daarbuiten werd er van alles verlangd van haar. En dat viel haar telkenmale moeilijker. Van kleinsaf aangeleerde ethiek had het wagonnetje van haar leven netjes op een spoor gezet en haar een huis, twee kinderen en een man opgeleverd. De spreekwoordelijke hond bezat ze niet.“Klem. Nu.” Zei ze stemvast.En net zoals het afgeklemde bloedvat geen bloed meer doorliet probeerde ook zij haar gedachten af te klemmen met de argumenten van aangeleerde ethiek.Wel bleek de bloedvloed zich beter te laten temmen dan haar onrust.“Ga door schat” Had ze gisterenavond nog gekreund. Haar wederhelft was verwonderd over de passie die ze deze keer aan de dag legde bij het liefdesspel. Wat hij niet doorhad was dat ze zich opzettelijk voorovergebogen op de knieën had laten zakken opdat hij haar langsachter kon pakken. Zijn blik wilde ze niet zien. Want zij gaf zich niet aan hem. Zij dacht aan de man die ze kortelings geleden had ontmoet.Hij zat te lezen in het cafetaria van de fabriek voor herstellingswerken van menselijk vlees waar ze werkte.Een snel ontbijt wou ze nuttigen tussen het repareren van een dwaas die met zijn zatte kloten tegen een lantaarnpaal was aangeknald en de nog te verwijderen paar galstenen bij een ouderlingWaarom ze hem had gevraagd: “Wat leest u als ik vragen mag?” wist ze nog steeds niet. Maar ze had het wel gedaan.Hij had verwonderd opgekeken. Toen zag ze zijn blik onbeschaamd en onbeschroomd over haar heen gaan.“De glazen bol” Had hij geantwoord nu in haar ogen kijkend.“Nooit van gehoord” zei ze. “Wie schreef het?”“Ik. En wellicht hoort u er nooit van. Er bestaat maar één exemplaar”Geïntrigeerd door deze figuur vroeg ze of er bij komen zitten mocht.Aangeleerde ethiek verdroeg dergelijke acties niet. Getrouwde vrouwen behoren geen mannen aan te spreken en al helemaal niet bij hen aan te schuiven.Toch liet ze deze keer haar eerlijk verlangen overheersen. Ze had simpelweg zin om met deze vent te praten.“En wat verteld die bol je dan. En hoe begint je boek?”“Twee vragen stelde je. Een vraag beantwoord ik. Kies.” zei hij met een rokersstem.“Wat doe ik met deze rare snuiter pratend?” had ze zich afgevraagd bij het horen van zijn antwoord. Maar ondanks deze vraag was haar nieuwsgierigheid gewekt. Een zaadje was in haar kop geplant. Nu was het aan haar het water te geven of onvruchtbaar te laten verdrogen.“Laten opdrogen!” schreeuwde haar aangeleerde ethiek haar toe.“Bewateren en bemesten!” hoorde ze haar eigen eerlijke stem nog luider schreeuwen.“Ik wil zien hoe je boek begint,” nam ze plots een beslissing zonder zichzelf toe te staan de dingen kapot te redeneren.Hij reikte haar het boek over. Een goedkoop ding van een of ander digitaal drukkerijtje.De kaft en achterblad waren zwart. Geen mooie of kunstige foto. Niets.Ze sloeg het boek open en begon te lezen: “Wroeten in de innerlijke mens daar had ze jaren voor gestudeerd. Feiten in haar kop gestampt. Handelingen leren uitvoeren zoals het opensnijden van die mens en daar te reparen wat niet naar behoren functioneerde.“Scalpel!” zei ze op gebiedende toon.” Tom

Tom Lievens
22 0

Kan hij dit wel

Michel houdt de straat en de bomen in het oog. Hier gebeurt het allemaal, dat weet hij. Waarom is hij hier anders? Verder op in de bosjes hoort hij mannenstemmen, een oude en een jonge. Michel wil ze niet horen. Toch zou hij er naar moeten luisteren, dan weet hij hoe het moet. De mannen keren terug naar het pad. Michel verschuilt zich achter een boom. De oudere man geeft de jongere enkele bankbiljetten. Is dat 50 Euro? Met zo’n bedrag kan hij eten en een nieuw T-shirt kopen! Zijn maag doet pijn, zijn kleren stinken. Er moet iets veranderen en zo snel mogelijk! De jonge man gaat terug naar de hoofdlaan. De oudere verdwijnt. Michel volgt de jongere op een veilige afstand. Hij draagt een spannend mouwloos shirt en een groene broek. Mooie blauwe sportschoenen. Michel kijkt naar zijn eigen kleren, steekt zijn neus onder zijn T-shirt en snuffelt. Niet bepaald fris. Hij heeft al dagen niet meer gedoucht. Gaat hij wel aantrek hebben? Heeft er iemand interesse voor oksels met zweetzeeën? Schoorvoetend gaat hij ook op de hoofdlaan staan. Hij doet zijn jasje uit en kijkt onzeker om zich heen. Hoe moet hij zich nu gedragen? Een bepaalde houding aannemen? Mannen aanspreken? Of daar voor zoutpilaar staan? Een tijdlang gebeurt er niets. Dan komt er een oudere man het pad opgewandeld. Hij kijkt en keurt. Dan loopt hij naar Michel. ‘Hoeveel?’ vraagt hij. ‘50 Euro,’ fluistert Michel. De man knikt en neemt Michel mee de bosjes in. Michel volgt hem tot achter een dikke boom. Hij wacht af. ‘Ik heet Alain en jij?’ vraagt de man. ‘Tom,’ antwoordt Michel snel. Alain knikt, de naam blijkt goed gekeurd. Dan wijst hij naar zijn kruis. Michel knikt. Hij gaat aarzelend op zijn knieën zitten, knoopt Alains broek open en haalt zijn lid boven. Hij schrikt. Wat een grote vlezige knuppel. Hij likt de schacht en de ballen. Alain kreunt. Hij houdt Michels hoofd vast en perst hem tegen zijn kruis. ‘Pijp mij.’ Michel vecht tegen zijn paniek, sluit zijn ogen en neemt het lid in zijn mond. Er rollen tranen over zijn wangen. Een zoute zweetsmaak vult zijn mond. Kan hij dit wel…

't Achterlicht
0 0

een brug te ver

"Ik ben een brug te ver gesukkeld " zuchtte hij"Gelatenheid is het geworden, neerliggen en kijken naar de hemel. 'Vriendschap' zal wel zo aanvoelen zeker ? De spanning is totaal weg ge-ebt in enkele weken tijd. Geen kriebels meer in de buik, geen roodaanvoelende wangen meer... Zelfs het wachten gezien ze overal en steeds te laat komt doet me geen pijn meer, noch de verhalen die ze me vertelt over haar échte minnaar ... De foudre van wat ooit een 'Coup de ...' was is nog slechts een ouderwetse zaklamp waar de batterij ver plat lijkt : het lijkt evenoud te zijn als de film...  Ineens nu toch...Ook bij haar is de guitigheid en de aandacht voor mij totaal verdwenen, Geen prikkelende aanrakingen meer die naam waardig en vriendenzoenen geven bij aankomst en vertrek vertellen eenzelfde verhaal. 'Vriendschap ' móet zo aanvoelen ... Hoewel er niets in de weg leek dat er iets erger zou zijn als een maand geleden lijkt het een gevoel dat onder het stof is beland.` 'Passie verdween als duinzand door de vingers, er schieten maar een paar korrels meer over... 'Vriendschap' zal zo aanvoelen ? 'Wanneer ?' Is onbelangrijk geworden, een agenda is overbodig geworden. Rondkijken achter een scheefgezakte zonnebril , die op haar gezicht niet echt goed staat , maar wie ben ik om hier een opmerking te maken ? Af en toe een stil moment.... "... zweeg hij even..."Kijken naar je glas en denken .....'ik moet een andere uitdaging volgen'  Er waren aanbiedingen die ik af hield. Nu 'moet' het maar... Misschien ben ik nu een povere tweede keus maar goed genoeg voor iemand die geen andere heeft tot nu toe ? " leek hij me vragend aan te kijken terwijl hij de zinnen ratelde. " Véronique lijkt nog steeds te wachten , maar ik zou wachten ... Marie Christine ook, maar die is zeker misschien wel al bezet nu .... Ik ben er misschien nu wel klaar voor ? " keek hij me opnieuw bezorgd aan . "Maar ik weet het : 'Vriendschap' voelt zo aan. Afzetten van die drang. Terug naar praten. Woorden meer wikken en wegen. Niet meer uitdagen met woorden en zeker niet meer kwetsen. Zonnebril opzetten en mee rondkijken moet net weer kunnen. Voor mezelf nu.Het boetekleed voor de gemiste afspraak verleden week mag NU af !  De verontschuldigingen in de zak steken !  De (des) appreciatie over mijn mogelijkheden bij mijn zoektocht leg ik naast me neer.Want alhoewel je geen echte kans meer maakt wil men je ook niet volledig uit handen geven.Die stap moet je zelf zetten nu. Want zo kan "vriendschap" ook aanvoelen !" Hij keek naar de hemel ... Ik zag de meeuwen duikvluchten nemen om stukjes verlaten eten op te pikken..."Ongevoelig...." mompelde hij nog... Over wie hij het nu had weet ik niet en even later stond hij op en verdween woorden die onverstaanbaar waren door de wind waaiden mee weg met hem en sedertdien heb ik hem niet meer gezien... Is hij vertrokken of gewoon ergens toch nog 'iets gevonden' ?  Ik voelde toch wat vriendschap voor hem ..... Dété

dété
0 0

OMA

  De parochie aan zee, waar mijn kinderen en kleinkinderen wonen, bestaat 75 jaar en iedereen werd persoonlijk uitgenodigd op de eucharistieviering met receptie na. Ook de Chiro heeft een verjaardag te vieren en daarom luistert een koor van Chirojeugd de dienst op. Matti, mijn kleinzoon, die ook in de jeugdbeweging is, stapt mee in de intredeprocessie. Met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen en zijn blik onafgebroken op de brandende kaars, stapt hij naar voren. Wij, mijn dochter en kleindochtertje zitten achteraan. Het is een mooie dienst met zang en orgelspel en een homilie die de 75 jaar kerk benadrukt: "75 jaar is een hele tijd, een mensenleven. 75 jaar dat is zo'n 2,7 miljard hartslagen, dat is 27.375 dagen, 3900 zondagen. Voor de jongeren een eeuwigheid maar voor de ouderen nu toch ook weer niet zo lang." Er wordt geapplaudisseerd en Lore steekt haar vingers in haar oren. Voor haar duurt deze dienst al te lang!         Ze kruipt op mijn schoot en fluistert: "Heb jij een kind?" Ik wijs naar haar mama: "Dat is mijn kind." Ze giechelt en trekt haar schoudertjes op. Mama is toch geen kind, zie je haar denken. Maar het vragen gaat verder: "Wie is jouw man?" "Jouw opa is mijn man." Weer gegiechel, ditmaal met het handje voor de mond, want je moet stil zijn in de kerk en mama heeft al teken gedaan dat ze moet zwijgen. Even helpt dit maar niet voor lang. "Heb jij een mama?" Ik knik maar zeg in haar oor dat mijn mama gestorven is. "Heb jij een huisdier?" "Ik had een poes maar die is dood", moet ik antwoorden. Nu kijkt ze me bedroefd aan. "Bij jou is iedereen dood!", constateert ze. Weer wordt er in de handen geklapt. De vingertjes gaan terug in de oren en terwijl moet ze nagedacht hebben, want de volgende vraag is: "Moet ik zeggen 'gestorven' of 'dood'?" "Zeg maar gestorven," fluister ik, "dood is zo dood, hé." Daarmee is ze het eens en ze doet mijn gebaar en mijn accent na, als ze herhaalt: "Ja, dood is zo dood, hé." Ik ben niet afkomstig van de kust en de kleinkinderen vinden dat ik raar spreek, dat ik een raar accent heb: “Hetzelfde accent als mama, als die boos is”, zeggen ze. Dus enkel als ze boos is, spreekt mijn dochter haar 'moedertaal' nog blijkbaar.          Eindelijk is de mis uit en kan Lore naar buiten. Daar is het wachten op haar broertje. Ze schiet weg naar een dame, die zwanger blijkt. "Haar schooljuf", weet mijn dochter. Teruggekomen vraagt ze onomwonden of er ook een baby in mama's of oma's buik zit. Als we beiden overtuigd neen knikken, vraagt ze hoe een baby in de buik van een mama geraakt. "Nu is het jouw beurt om het uit te leggen", zeg ik tegen mijn dochter. "Ja," zucht die, "maar ik ga dat hier nu toch niet uit de doeken doen op een vol kerkplein."        Het mondje van Lore staat al klaar voor de volgende vraag, als Matti buitenkomt. Die troont zijn oma direct mee naar zijn nieuwe fiets. Heeft ze zo'n speciale spatborden al gezien en weet ze wel hoeveel versnellingen hij heeft? Als ik moet bekennen dat ik daarvan niet veel afweet, expliceert hij me dat van naaldje tot draadje.         De jonge mensen gaan niet mee naar de receptie. Er wordt afscheid genomen met een zoen aan de dochter, een high five aan de kleinzoon en een handzoentje aan Lore, dat deze opvangt en in haar zak steekt.

Hope
19 0

Op slot

            Ze woonde alleen in haar nette huis in deze nieuwe wijk vol jonge mensen. Voor haar buren was ze ‘die oudere dame met het goede voorkomen’. Als ze al eens boodschappen ging doen, was ze piekfijn opgekleed en schreed ze als het ware door de straat, steeds vriendelijk doch afstandelijk groetend. Iedereen wist dat ze een lange staat van dienst in het onderwijs had, dat ze haar carrière beëindigde als directrice van de dorpsschool. Velen waren nog oud-leerling van haar. Ze zegden haar dan ook met ontzag goedendag, want ze waren niet vergeten hoe streng de directrice destijds was. Streng doch rechtvaardig was ze nog, vond ze en zo gedroeg ze zich ook, alsook zeer evenwichtig en gelijkmoedig…tot ze deur achter zich sloot. Dan keek ze om zich heen en bedacht steeds opnieuw: het enige wat ik heb, zijn geld en herinneringen.         Natuurlijk bezat ze wat centen. Ze had hard gewerkt en gespaard. Haar mooie villa had ze ingeruild voor dit ‘bejaardenhuisje’, zoals ze het placht te noemen. Bij de bouw ervan voorzag ze immers al een extra leiding voor een traplift en bredere deuren voor het geval dat…ze mocht er niet aan denken. Ze zou trachten het hier zo lang mogelijk uit te houden maar besefte wel dat ze niemand had om voor haar te zorgen en dat ze misschien toch nog in een heus bejaardenhuis zou eindigen, mocht ze te lang leven. Dat ze daar samen met andere sukkelaars zou zitten knutselen of in koor zingen, kon ze zich helemaal niet indenken. Alleen…zou ze daar niet meer zo alleen zijn.         Nochtans ook zij had eens een gezin gehad: een man, een kind, een lichaam dat begeerde en begeerd werd. Maar haar dochtertje was aan wiegendood gestorven en dat was zo’n klap geweest dat alles was uiteengespat. Haar man had behoefte gehad mensen op te zoeken, het verhaal steeds weer te vertellen, op café te gaan. Zij vond dat hij hun kind te grabbel gooide. Zij borg het meisje in haar hart, deed het slot erop en verloor het sleuteltje. Het zat er nog steeds: dat perfecte hoofdje met die donshaartjes, die handjes die haar vingers grepen, dat mondje dat zo gulzig aan haar borsten dronk. Een schuldgevoel was haar echter ook blijven kwellen, hoewel in alle boeken geschreven stond dat wiegendood niet altijd te voorkomen is. Toch schrok ze soms nog wakker uit een droom, waarin ze het kind net op tijd uit het bedje had gehaald, waarin het nog ademde, waarin het warm in haar armen lag. Het slot op haar hart had haar ook van haar man doen vervreemden en toen hij definitief voor die andere vrouw koos, zei hij dat ze verbitterd geworden was, dat ze haar opsloot in haar verdriet maar dat hij koos voor het leven!         Zij verhuisde naar een andere stad, stortte zich op haar carrière, gaf met veel inzet les aan al haar leerlingen maar telkens vroeg ze zich af welk soort kind, welk soort leerlingetje haar Liesje zou geworden zijn. Daarom durfde ze voor geen enkel kind, voor geen enkele mens haar hart nog echt te openen, want ze was te bang voor de stroom die dan zou vrijkomen. Ze werd de vaardige lerares, de competente directrice, de oudere dame met het goede voorkomen maar haar hart bleef op slot en haar enige metgezellen waren geld en herinneringen.  

Hope
0 0

Cure for pain – over de roerende voorheffing op auteursrechten

Het concert van Morphine in de Vooruit in 1994 duurde exact 195 minuten. Denk ik, want precies weet ik het niet meer. Voor ratio was er die avond tijd noch ruimte. Alles was waas en roes en vol gevoel. Frontman Mark Sandman schraapte zijn keel en vulde mijn oren met de meest doorleefde melodieën aller tijden. De eerste twintig jaar van mijn leven flitsten voorbij. Ik zat weer op mijn rode fiets met speelkaarten tussen mijn wielen en reed van de kleuterklas naar het vijfde leerjaar met een natte kousenbroek en verse gaatjes in mijn oren. Ik stond verlegen tussen de grote muilen aan de bushalte, nam de trein naar mijn kot in Gent en kwam tussen twee noten weer even bij zinnen, net lang genoeg om de bassen en de baritonsax in mijn onderbuik te voelen en te beseffen dat dit een keerpunt was. De rest van mijn leven zou daar en dan beginnen. Ik zag de boeken, voelde het blokken, greep naar dat diploma en dook luid lachend het leven in. Het leven dat nog geen gezicht had maar dat wel al spannend leek. Zin, dat had ik. In volwassen worden en zot blijven. In warme liefdes en dingen des levens. Ik liep over van enthousiasme. Pieste bijna in mijn broek. Morphine bleef spelen, noot na noot, bis na bis. De blazers bleven gaan dus ik ook, terug naar af en volle gas vooruit. Mijn knieën kraakten onder al mijn plannen maar ik zou niet plooien, want op die setlist stond de tijd van mijn leven. 195 minuten later stond ik op straat. Verdoofd. De mannen van Morphine hadden een gat in mijn ziel gemaakt en er een mijlpaal in gezet. Stevig genoeg om alle studentenjaren, foute mannen, dikke billen, regeringsvormingen, indexaanpassingen, stijgende elektriciteitsprijzen, De Crem-kapsels en dubieuze begrotingsvoorstellen te doorstaan. Muziek doet iets met een mens. Scheppende kunsten maken het leven leefbaar. Respect – geen 15, geen 25 maar 100 procent.

a little bit of soap
0 0

De muze in '92

Toen ik in 1992 voor het eerst door de gangen van de Gentse universiteit dwaalde, had ik schrik. Het soort schrik dat je blik naar beneden dwingt, omdat je bang bent dat iemand je zal vragen naar de haalbaarheid van de antisubjectfilosofie in de neoliberale maatschappij en je dus al op dag één door de mand valt. Het soort schrik dat nog eens extra werd gevoed door de wilde verhalen over bepaalde professoren, Jaap Kruithof op kop. Kruithof stond bekend als een filosofische keikop die met zijn vlijmscherpe analyses en provocerende houding zowat elk beginsel op zijn grondvesten kon doen daveren. 's Mans reputatie ging mijn eerste les ethica vooraf, dus toen het eindelijk zover was, vatte ik strategisch post in het auditorium. Ver genoeg om onzichtbaar te zijn, dicht genoeg om het vuur in zijn ogen te zien. Wriemelend wachtten we met honderden tegelijk op het icoon. Met een volle blaas en verwachtingen waar we geen weg mee wisten. Twee academische kwartieren later kuchte iemand in de microfoon dat de professor niet kwam. We dropen af naar koten en kroegen, lieten plassen de vrije loop en ademden opgeluchte ontgoocheling. Kruithof zou nog vaker zijn joker inzetten. Maar als hij er was, dan was hij aanwezig. Dan foeterde hij als geen ander, overtuigd van zijn overschot aan gelijk. Of hij oreerde met een hartstocht die geen enkele katerkop koud liet. Ooit vertelde hij zonder één keer naar adem te happen dat hij zich dagenlang had opgesloten met niets dan pianist Glenn Gould op repeat. Zonder spijzen of sterkedranken. Hij had zich enkel gelaafd aan de muze, in extase. Diezelfde muze zat op de kast toen ik dat jaar bij Kruithof op audiëntie moest. ‘Du Pré? Toch geen familie van…?’ Paniek. Alle namen van tantes, nichten en tante nonnekes zoefden door mijn hoofd. En net toen ik dacht toch nog door de mand te vallen, sprongen de adertjes in zijn ogen en barstte hij los. Over Jacqueline du Pré, een Britse celliste die harten en snaren wist te beroeren maar door een spierziekte het gevoel in haar vingers verloor en op jonge leeftijd overleed aan een longontsteking. Verder dan ‘Du Pré’ zijn we niet geraakt. Kruithof was zo van zijn melk dat ik mocht gaan. De muze bleef en bood hem troost. Het schriftelijke examen leverde mij een 14 op, het mondelinge een herinnering die alle thé dansants overtreft.

a little bit of soap
6 1
Tip

Normaal voor een 83-jarige

‘Dat is normaal voor een 83-jarige’, klinkt het in haar hoofd. Ze probeert kalm te blijven terwijl ze de trap op schuifelt. Voet voor voet. Langzaam en onzeker, de hoopjes stof en verloren haren voor zich uit schuivend. Dat kalm blijven heeft ze moeten leren. Dat lukte eerst niet, maar het moest. Kalm blijven en blijven gaan. Niet denken aan morgen maar ademen, middenrif op en neer, hier en nu, met alle beetjes kracht die ze uit haar pompende hartkamers krijgt. Straks in bed met het lijf dat ze niet meer herkent, zal ze nog maar eens denken aan vroeger. Hoe ze tot een stuk in de dag kon dansen met een stuk in haar voeten. Voeten die nooit protesteerden, tenzij ze te nauwe nieuwe schoenen droeg. Voeten die haar door de laars van Italië hadden gedragen, met een rugzak tot boven haar hoofd en een kop vol plannen. Plannen die ze smeedde terwijl ze duizend-en-een andere dingen deed: blauwe regen planten, tegen de wind in naar de markt fietsen, vanillepudding maken met een velletje vanboven. Dat lukte toen allemaal zonder zeurende heupen of verzuurde spieren. Zonder vingerkootjes die aanvoelen alsof ze elk moment kunnen knappen. Dat waren tijden. Wat zou ze graag nog eens een Jane Fondaatje doen. Een low impact total body sculpting workout. Die hoofdband en dat synthetische stringding zou ze er wel bijpakken. En New York zou ze ook nog willen zien. Met de fiets door Central Park, met een air over de Brooklyn Bridge en dan uitblazen met een bagel met roomkaas en zalm en zicht op Manhattan. Zadelpijn? Mug in oog? Die details zouden er niet toe doen. Alles. Werkelijk alles heeft ze ervoor over om nog eens haar oorspronkelijke lijf te voelen en te bewegen, zonder kwalijke gevolgen. Mevrouw laat niet in haar kaarten kijken. Wie de mens niet door en door kent, merkt niets van het geschuifel. Ik wel. Ik zie de schim in haar ogen, vakkundig verstopt tussen de lachrimpels. Ik zie hoe ze op haar tanden bijt en blijft gaan, voor ego en klein Pierke. Ze gooit kleuters van 15 kilo in de lucht en lacht. Ze doet de afwas, leegt de vaatwas en brengt dingen naar de droogkuis. Ze werkt zich van 9 tot 6 het normale leven binnen op haar eigenwijze manier. Blijven zitten is geen optie. Niet in haar huis, niet in haar lijf, niet in haar leven. Specialisten spreken van stilstaan en aanvaarden. Daar wordt ze stil van, want eigenlijk aanvaardt ze alleen vooruitgang. Blijven schuifelen, blijven ademen, blijven zoeken tot ze vindt dat het genoeg is geweest. Ik kan haar geen ongelijk geven. Elke extra stap is er één die ze zelf zet. Met wallen, en toch opstaan. Dus als ik haar zie springen spring ik mee, maar niet te hoog en niet te lang. Als ze wil moonwalken stuntel ik mee, maar niet te zot en niet te zat. Als ze zich weer eens verliest in een enthousiast verhaal geef ik haar de tijd om te gillen, maar ook om op adem te komen. Want haar goesting is groter dan haar batterij. Dat is normaal voor een 83-jarige. Alleen jammer dat zij pas 40 is.

a little bit of soap
55 1

Vreemd bezoek

Pita. Pita met looksaus en alle groentjes. Zeker weten. Ik tuur tussen mijn wimpers en zie ze binnenkomen. Ze zijn met veel. Vijf, zes, zeven. Ik stop met tellen. Hun sluiers blinken en hun volle snorren krullen van trots. De kersverse kleinzoon moet bewonderd en daar hoort nu eenmaal een feestmaal bij. Pita. Pita met looksaus en alle groentjes.   Nog voor de plastic zakken opengaan en het zilverpapier knispert, heb ik het al geraden. Het gedeeltelijk dichtgetrokken gordijn tussen onze bedden houdt de geur niet tegen. Het shoarma-aroma flirt met mijn neusvleugels en duikt ongevraagd mijn gaten binnen. Ik snuif en snoef en kijk snel naar mijn dochter, daar in haar kleine aquarium. Eén dag oud is ze, en sinds het wegwassen der huidsmeer heerlijk onbesmeurd. Tot nu. Tot de vreemde gasten met hun onverteerbare geuren onze kamer binnendrongen en al onze zintuigen bezoedelden. Tot de zoete stilte plots plaats moest maken voor lawaaitaal zonder betekenis. Mini-me laat het gebeuren. Vannacht waren haar strak aangespannen stembanden nog te horen tot op de gang. Zelfs de ervaren kneepjes van de nachtverpleegster en vijf milliliter warme melk kregen het volume niet omlaag. Maar nu lijkt niets haar te deren. Niet de geur van rauwe ajuin in haar geinig gevormde neusgaten. Niet het luide gelach in haar licht afstaande oren. Niet de vettige vleeslucht rond haar pasgewassen spriethaar.   Mijn voeten voelen gezwollen, mijn buik belabberd. Ik bekijk het bezoek. De donkere mannen babbelen, gulzig bijtend. De vrouwen duiken op vanuit hun hoofddoeken en buigen zich minzaam over moeder en zoon. Geen idee vanwaar ze komen. Van Gent of omstreken, waarschijnlijk, maar niet oorspronkelijk. Ik probeer te raden maar ik ken niets van rassen, hou ze op dezelfde lap grond nauwelijks uit elkaar. Ze zijn in elk geval met te veel en ze zijn veel te luid. Wie voluit wil lachen moet verdomme maar op de gang gaan staan. Hierbinnen wordt er gerust want gisteren werd er geperst. Nog geen 24 uur geleden trok de linkerkant van mijn lijf weeïg samen terwijl mijn rechterkant gevoelloos lag te wezen op het witte verloskamerlaken. Epidurale verkeerd gestoken. Half verlamd, een zielig gezicht. Maar acht uur later was ik wél geslaagd. Want daar was ze dan, zo’n dikke drie kilo en een kleine halve meter vol leven. Bij de pinken, met tien gretige vingers en een volumeknop zonder einde. Ik had dus recht op rust. Pweut. Mispoes. In een tweepersoonskamer heeft Mama Modaal geen recht van spreken. Alleen het medisch personeel en de poetsvrouw mogen eisen dat je je mond dicht en je voeten naar omhoog doet. Voor de rest deel je gedwee de lavabo, het bezoek en de tv. Hoor je de huilbuien van een wereldvreemde baby en de ongecontroleerde winden van een al even vreemde vrouw. Ruik je het meteen als er spanning in de lucht hangt. Of pita met looksaus en alle groentjes.   Waarom praten ze zo hard? Waarom gebaren ze zo wild? Mogen ze hier eigenlijk al binnen, op dit uur, met die spitbrokken? Ik werp een frons maar niemand kijkt. Ze hebben het te druk. Met elkaar. Met de kleine. Met kauwen en kwekken en het vergelijken van oude en jonge poten en oren. Een dikke klodder saus druipt van een pink en petst op de vloer. Plets! Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren. “Voeten omhoog”, zal de poetsvrouw morgen zeggen. En ze zal serieus mogen schrobben, met die slappe dweil van haar.   “Rosbief met boontjes en patatjes.” De witte jas van dienst zet een plateau met een tupperwareachtige doos op mijn tafel bij het venster. “Merci.” Ik kruip uit mijn schulp en installeer me aan de dis, met mes en vork en een servet voor de klodders. Onder het deksel drijven zes schellen rosbief in een dikke donkerbruine saus. Daarnaast een berg boontjes en een slagveld patatten. Ik probeer te genieten maar het wil niet lukken. Want ik ruik pita met looksaus en groentjes. En ik smaak pita met looksaus en groentjes. En het scheelt niet veel of ik voél die pita met looksaus en groentjes. Het uitgelaten gezelschap kijkt en knikt en roept in mijn richting. Maar ik versta hen niet. En ik begrijp het niet. Hoe ze daar zo ongegeneerd mijn rust en mijn eetlust kunnen zitten verstoren. Hebben ze dan geen manieren? Weten ze niet wat sociaal en wat wenselijk is? Hebben ze misschien iets tegen rosbief of, godbetert, tegen boontjes? Die pita en andere vreemde praktijken, ge kunt dat niet geloven hoe wansmakelijk dat dat is.   Mijn dochter wordt wakker. Ze heeft de gasten niet in de gaten en gaapt zich bijna een hernia. Ik ruik iets. Geen pita. Kaka. Voorzichtig til ik haar op om mijn neus op haar feiten te drukken. Bingo! We hebben de wilde bende aan ons been. Ze lachen en wijzen en heffen de handen ten hemel. Een rauwe ajuinring vliegt door de kamer en een ranzig stuk shoarma glijdt onder een maat 45. Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren, alleen mijn dochter is het bekijken waard. Wat roepen ze daar eigenlijk, met van die harde klanken die bevreemden? Zullen ze wél een beetje oppassen als ik straks passeer? Hun adem inhouden en stoppen met kwekken, morsen en smakken, om mijn schat niet te doen schrikken?   Ik trek mijn buik in en baan me met mijn armen vol baby een weg door de kamerbrede menigte. “Hà, de meisjes!” Mijn vriend komt binnen met glimmende wangen, fier als een pasgeboren vader. “De kaartjes zijn op de post, de cava zit in de koffer en de bende van ’t bankske is onderweg!” God. Zij. Dank. Straks is míjn helft van de kamer gevuld met bekende gezichten. Straks overstemt ons versgeperst geluk de harde klanken van die vreemde bende. Glazen zullen klinken en barbecuenootjes zullen de gemarineerde vleeslucht verdrijven. Ik zal me eindelijk thuis voelen in mijn moederbed en mijn boontjes zullen weer smaken. Naar boontjes.   Ons spruitje ligt intussen op het ververskussen. Trots toont mijn vriend de inhoud van haar broek aan het uitzinnige publiek. Een graanmosterdgele klodder glijdt van de elastieken luierrand en petst op de grond. Plets! Maar niemand heeft het gemerkt. Ze laten alles maar gebeuren, niets lijkt hen te deren, lachend leven en laten leven is de grote boodschap. Mijn voeten voelen gezwollen, mijn buik belabberd. Ik puf. “Lief, eet jij die rosbief op? Ik heb geen honger en die broek moet binnen een week weer dicht.” Mijn vriend wuift de luierlucht weg. “Nee, ik heb net pita binnen. Met looksaus en alle groentjes. Ge kunt dat niet geloven hoe lekker dat dat is.” (Nationale kortverhaalwedstrijd Fedactio 2013 - finalist)

a little bit of soap
0 0

De ontvlambare heks

Fragment uit : De ontvlambare heks ... Toen ze wakker werd – hoelang had ze hier gelegen? – zaten wel tientallen kinderen naast en over haar aan kettingen vastgeklonken. Papperige jongens en meisjes met vieze haren, kringen onder hun ogen. Hun kleren stonken. Ook Kayla was vastgeketend. Een flauw licht zocht zich een weg door de spleet van een poort. Ze wou haar handen losrukken. Het lukte niet. 'Help!' riep ze. 'Maak mij los, ik wil naar huis!' 'Shut! Hou je koest!' waarschuwde een dik jongetje. ‘Wie het meest van zijn oren maakt, die eet Flirka als eerste op.’ ‘Wat? Flirka? Oh neen!’ gilde Kayla. ‘Shsst! Hoor je niet wat wij zeggen? Ze eet kinderen met huid en haar op,’ huilde een mollig meisje. ‘Hoe dikker wij zijn, hoe langer ze op ons kan knabbelen. Niemand ontsnapt aan haar bloeddorstige honger,' voegde een bol jongetje er met grote angstogen aan toe. Kayla rilde. Ze dacht aan de ruzie vanochtend.   Daar hoorde ze de slepende stap van Flirka naderen. Alle kinderen hielden als in shock hun adem in. Een sleutel draaide de poort open. 'Njammie, njammie!' krijste een stem. In het binnenvallende licht van de openstaande poort verscheen een moddervette, aartslelijke heks met een driedubbele kin waar kleverig speeksel afdroop. Haar zware armen en benen zwiepten over en weer. Haar volle borsten deinden op haar bol lijf als woeste golven op de zee. Enorme zweetvoeten staken uit afgesleten laarzen die zo dreunden dat de grond daverde. Ze snoof met haar reusachtige neusgaten de lucht op en rook … chocolade. Ze stapte kordaat op Kayla af, rukte haar ketting los en sleurde haar hardhandig mee naar haar keuken. In het flauwe licht van een kaars zaghet meisje, trillend van angst, talloze groezelige potten op rekken uitgestald. Een grote pan stond te smeulen op een fornuis waar aaneengekoekte eetresten een stank verspreidden waardoor Kayla haast flauw viel. Flirka trokhaar bij haar staartjes naar de rekken en ketende haar vast. Terwijl de heks luidop de etiketten las van de gestapelde potten keerde Kayla’s maag zich om : hete pepers, rotte uien, schimmelknoflook, pikante trollenmosterd …Alsof dit nog niet walgelijk genoeg was, liet Flirka een scheet, zo luid dat er vonken uit haar achterwerk schoten. 'Jeetje, dat lucht op!' barstte Flirka uit. Ze roerde met een pollepel in een grote pot. 'Mmm, vurige brandnetelsoep als voorgerecht! Weet je, lekker mensenkind, ik ben op dieet.’ En met een grenzeloos plezier daverde haar stem:   Eén hete peper bij elk mensenkind laat je uren stinken in de wind een pot pikante mosterd bij elke beet en al je vet verdwijnt scheet per scheet!   Een verschroeiende scheet vloog door de heksenkeuken, de grot en het hele Kalimabos. Zelfs de stinkzwammen lieten hun kopje hangen.   … wordt vervolgd    

kayla
112 0

Uit het leven van Knolleke

Fragment uit : Uit het leven van Knolleke      Met een zware plof viel Knolleke in de grond. Au! Dat deed pijn. Gisteren had hij nog lekker liggen slapen in een houten bak, samen met andere knollen. Vanmorgen was de herrie begonnen. De bak was opgetild. Ze werden allemaal door mekaar gerammeld. Toen was het deksel opengegaan. Een hand had hem beetgenomen en in een put gegooid. Kort daarna was er zand op zijn bol gevallen. Veel zand … tot hij niets meer had kunnen zien.   Knolleke rilde. Het was hier koud en donker. Waar waren de andere knollen naartoe? Boven hoorde hij langzaam voetstappen weggaan. Nu was het helemaal stil, wat akelig!   Uren gingen voorbij, of waren het dagen? Tot Knolleke iets vreemds hoorde, hier in de aarde. Het leek alsof iemand in zijn buurt groef of schraapte. Oeps! Een natte snuit wreef tegen zijn knol. Wat was dat ding glibberig? Dan zag hij een spitse snoet en een zwart lijfje met kleine poten. ‘Hé, zie je niet dat ik hier sta?’ protesteerde Knolleke. ‘Ik ben Molleke en ik moet hier door. Ik zie niet goed en ik graaf altijd verder. Weet je wat? Ik eet een stuk van jou,’ plaagde Molleke.   ‘Neen, niet doen!’ gilde Knolleke. Zijn hart bonsde hevig. Hij daverde op zijn wortels. ‘Help!’ riep hij schor. ‘Riep jij?’ antwoordde er een heldere, lieve stem. ‘Molleke wil mij opeten!’ bibberde Knolleke. Een klein wezen snelde hem tegemoet. Vanonder een groene pinnenmuts zag Knolleke puntige oren uitsteken. ‘Hoho! Ik ben Taro, de aardelf.’ Ook Molleke keek nu heel verbaasd. ’Maak een ommetje zodat Knolleke rustig verder kan groeien,’ opperde Taro. ‘Sorry, hoor,’ zei Molleke en hij bloosde, ‘ik wil Knolleke echt niet opeten. Ik eet regenwormen, slakken, insecten. En af en toe, een stukje van een wortel links of rechts.’ ‘Van dat laatste kan geen sprake zijn,’ riep de aardelf uit. ‘Mollen eten insecten die slecht zijn voor de planten en zo helpen jullie elkaar’. ‘Bedankt voor je hulp,’ glimlachte Knolleke opgelucht.    ‘Graag gedaan!’ zong Taro en hij vloog vrolijk weg. Molleke drukte met zijn roze snoet een natte zoen op de knol en wroette in een grote boog rond Knolleke verder.   De volgende dagen liepen zweetdruppels langs de kleine Knol. Wat wordt het hier warm! zuchtte hij. Het kriebelde raar in zijn lijf. Scheuten schoten uit zijn knol. Wat ben ik, wie ben ik? vroeg hij zich af. Waarom kriebelt alles aan mijn lijf? Ben ik een knol met voelsprieten? Word ik een insect? Een mol? Ojee!   En dan, niet zo veel later, … (wordt vervolgd)

kayla
61 0

Dagen in Caïro - fragment

16 januari 2013 - Ik heb een afspraak met vrouw T in de Mohammed Mahmoud street. De McDonalds, de Pizzahut en de Kentucky Fried Chicken hebben hun filialen hier gesloten. De enige keten die zijn deuren nog open heeft is Cilantro, het Egyptisch dochtertje van Deilicious Inc., een Amerikaanse catering- en eventketen. De rolluik van deze koffiebar is niet helemaal omhoog. Driekwart van de deur is zichtbaar en ik fiets er bijna voorbij. Ik doe mijn fiets op slot en wandel binnen. Ik wil de trap opgaan, maar de man achter de bar zegt iets. Ik versta hem niet. ‘What?’ ‘xxxxx’ ‘What?’ ‘xxxxx’ ‘What?’ ‘WE ARE ONLY OPEN DOWNSTAIRS.’ Ik zet me aan een tafeltje naast de koekjesautomaat. Ik bestel een latte machiatto. De  ober verstaat me niet. ‘What?’ ‘latte machiato.’ ‘What?’ ‘A LATTE MACHIATTO.’ We lachen allebei om het mopje. Als vrouw T arriveert is ze verbaasd dat we niet boven op de terrasjes kunnen gaan zitten. Ze vraagt om uitleg. De ober legt uit dat als de hele keet vol zit, ze niet snel genoeg kunnen ontruimen als er weer heibel is. Ik drink mijn koffie en dan geeft vrouw T me een rondleiding in de straat. Ze legt bij alle graffiti uit wat het betekent. De engelen zijn mensen die omgekomen zijn in de revolutie. De rode engel is Khaled Saïd. Deze achtentwintigjarige anti-corruptieactivist werd in juni 2010 doodgeschopt voor een cybercafé in Alexandrië door de politie van Mubarak. De facebookpagina ‘Wij zijn allen Khaled Saïd’ riep op tot protesten op 25 januari. Op de muur voor me zie ik wat de gevolgen daarvan waren, hier, in deze straat. Heel veel engelen. Vrouwen, mannen, kinderen. Portretten van dode mensen met vervormde monden. Hersenen tegen de muur. Dat laatste is conceptuele kunst, legt vrouw T me uit. We wandelen verder, in de zon, tussen de slogans die oproepen tot vrijheid. ‘Het is niet omdat je een revolutionair bent, dat je een moslimbroeder bent!’ roept een klein mannetje met een groene T-shirt tegen een blauw monster. Slogans tegen seksueel geweld. Een blonde vrouw, geblinddoekt, wordt door een massa mannetjes lastig gevallen. Slogans die vrouwen oproepen te revolteren.  De volgende dag moet ik bij vrouw G in Garden City zijn. Op mijn stratenplan was de weg eenvoudig: op het Tahrir-plein naar rechts. Ik bots op een muur. Ook de straten errond zijn afgezet met opgestapelde kubussen. Ik fiets andere straten in en beland tussen regeringsgebouwen, ambassades, prikkeldraad, wegversperringen, politiemannen, soldaten, pantserwagens. Ik bel vrouw G en ze legt me uit dat ze net buiten het afgezette gebied woont. Eenmaal bij haar thuis vertelt ze dat de muren gebouwd zijn toen dat filmpje op youtube verscheen over de profeet Mohammed. Vrouw T neemt me mee op de fiets naar islamitisch Caïro, en verder, naar de dodenstad. We krijgen een warm onthaal bij een bevriende glasblazer. Zijn zoon is de stiel aan het leren. Hij is de derde generatie glasblazer. Kruiken, glazen, ijskommetjes, kerstballen, glasparels, deze familie tovert alles uit het gerecycleerde glas dat ze opkopen een wijk verder. Daar sorteren hele familie’s al het afval van Caïro met de hand. In deze grootstad wordt negentig procent van het vuilnis gerecycleerd. Ik kijk naar de gebruikte, blauwe flesjes parfum die staan te weken in een emmer. Vrouw T legt me uit dat deze familie het moeilijk heeft gehad na de revolutie. De buitenlandse klanten bleven weg. Nu gaat het weer beter. De eerste kleinzoon zit verlegen op de schoot van zijn moeder te gluren naar de eerste buitenlanders die hij ziet in zijn leven. ’s Avonds eet ik soep bij vrouw G, en vrouw R komt ook langs, en we genieten van elkaars woorden en analyses die als parels in onze oren vallen, zoals vrouw R het zegt. De twee vrouwen vertellen over hun leven in Caïro en ze concluderen: ‘Caïro is samen eten, samen drinken, samen feesten, samen revolteren, samen slapen.’   

Leen De Graeve
0 0

LIEVER MAF DAN MOF

Ik snapte hem niet meer, die rare Danders. Mijn mede-studenten sociale school herinnerden zich nog die verlegen jongeman met het stomme brilletje op de neus, met korte krulharen, een sproetig aangezicht en een geslachtloos, niet-verzorgd, maar ook niet-verwaarloosd uiterlijk. Hij droeg de toen al zo alledaagse jeansbroek met de al even klassieke afgesleten jeansvest of parka, naargelang het weer. Niemand, ook ik toen nog niet, vond dat met hem iets aan de hand was: hij studeerde misschien wat al te ijverig (studeren werd toen nog niet zo gewaardeerd in het studentenmilieu zelf), maar hij veroorzaakte toch niet al te veel te last. Het enige wat ze hem konden aanwrijven was dat hij door zijn schaamteloze studiewoede ook afrijselijk goede resultaten behaalde op de examens, waardoor hij t.o.v. hen toch wel een beetje een buitenbeentje werd. Hij viel nog het best in te delen bij de categorie van pastoors en moederlijk-lieve sociaal-assistenten in spé, dat soort dat mensen écht wil helpen. Een pastoor doet soms wel raar, een echte sociaal assistent ook, maar écht last heb je er eigenlijk niet van. Nu, twee jaar na zijn eerste aarzelende stappen in het Antwerpse studenten-(en daardoor ook uitgaans)leven, viel hij niet meer te herkennen. Waar was die schuchtere, bloedverlegen, naieve wereldverbeteraar gebleven? De jeansbroeken droeg hij nog wel, maar dan wel kapotgescheurde en als hij zijn groene parka-jas droeg, trok hij meteen de aandacht door allerlei onbegrijpelijke slogans zoals "Destroy power, not people", "Anarchy, Peace and Freedom" en ander Engels proza van een bedenkelijk kaliber zoals het niet-mis-te verstane "Fuck off" of "Mind your own business". Hij was nu wel nooit een toonbeeld van orde geweest, maar degenen die zich nu nog op zijn kot waagden, en dat werden er steeds minder, liepen het risico zich de nek te breken over een gitaar met kapotte snaren, moesten goed uitkijken om niet op loszooiende achteloos rondslingerde platen te trappen, want daar kon hij erg agressief van worden, en als je was gaan zitten, moest je erg goed uitkijken dat geen kapot bierflesje of glasscherven van een pint zich in je achterwerk nestelden. Gebeurde dit toch door de onbegrijpelijke onachtzaamheid van een naieve student, dan lachte hij zich gegarandeerd te pletter, waarbij zijn piekhaarden wild op en neer schudden. Een pleistertje voor die toch wel pijnlijke vleeswonde, dat kon er niet af. Nee, van dat zacht mannetje van vroeger was geen spoor meer. Hij spuugde op straat en soms in je gezicht, zijn rechterwijsvinger wees verdacht veel recht omhoog in de richting van argeloze Antwerpse burgers, wat nog wel te dulden viel, maar moest hij nu telkens dit duidelijk teken van verachting ook naar ons, zijn mede-studenten maken? Nee, het werd al te gortig en hier en daar gingen al stemmen op om hem van school te laten wegsturen, want een sociaal assistent kan wel heel veel begrijpen, sommige dingen gaan écht té vér!!!!Op een keer, ten einde raad en het nutteloze van mijn poging wel inziend, heb ik toch geprobeerd met hem te praten en weet je wat die onverlaat me durfde te zeggen, me in het gezicht spuwend nadat hij eerst al mijn grieven aanhoord had??? "LIEVER MAF DAN MOF" riep hij. Wel, als hij maf wil blijven, dan blijf ik maar mof...!!!

danders
0 0