Lezen

De buitenbeller

Tijdens het wandelen kom je wonderbaarlijke mensen tegen. Kijk, daar staat een echte buitenbeller. Op het terras van een taverne met een telefoon aan zijn oor. Het is behoorlijk koud, maar toch heeft hij enkel een trui aan. Tja, als je gebeld wordt, heb je geen tijd om snel een jas aan te trekken. Een echte buitenbeller rept zich meteen naar buiten. Hij neemt binnen zijn telefoon op en zegt tegen de persoon aan de andere kant van de lijn iets in de zin van 'Wacht, ik ga naar buiten'. Eenmaal buitengekomen deelt hij eerst zijn locatie met de persoon die hem gebeld heeft. Het is geen nieuw fenomeen, maar je ziet ze minder vaak, de buitenbellers. Dat heeft met de draadloze oortjes te maken. Dan valt het niet zo op en lijkt het alsof ze tegen zichzelf praten. Een buitenbeller kan ook een buitenroker zijn. Dan profiteren ze van het buitenbellen om meteen te gaan buitenroken. Andersom zal het ook wel eens gebeuren, maar toch beduidend minder.  Ik ken deze buitenbeller. Hij zwaait uitbundig. Misschien zegt hij tegen zijn gesprekspartner dat hij naar mij zwaait, want die kan natuurlijk niet zien dat de buitenbeller aan het zwaaien is. Maar zo duurt het gesprek wat langer en kan hij bij het terug binnenkomen tegen zijn tafelgenoten 'sorry, dat was dinges' zeggen en zo een gesprek over dinges op gang brengen. Het lijkt een tegengesteld gegeven, maar buitenbellen kan een meerwaarde voor het sociale gebeuren zijn. Nu steekt hij zijn duim naar mij omhoog. Dat weiger ik pertinent. Gewoon terugzwaaien is genoeg. Destijds waren er alleen binnenbellers. Je zag pas buitenbellers toen de eerste generatie draagbare telefoons eraan kwamen. Die kon je in het begin alleen thuis gebruiken, op het terras. Soms lijkt het alleen maar zo, dat de tijden veranderen.

Rudi Lavreysen
17 0

Wat ik niet begrijp

'De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.' Dat dacht ik op het vliegtuig toen we van Lissabon terugkwamen. Gerard Walschap komt niet vaak in mijn hoofd spoken, maar deze prachtige zin van hem was hier toch van toepassing. Laat me beginnen met het gegeven dat we op Portela Airport serieus hadden moeten wachten wegens een vertraging. Zitten, zitten, zitten. Zo lang dat je spijt begon te krijgen dat je geen koersbroek droeg. Met een zeemvel om je achterste te beschermen.  De eetwinkeltjes waren bijna uitverkocht en de rij bij de hamburgerzaak was zo lang dat je het einde niet zag. Mobiele telefoons werden aan de laadpalen massaal opgeladen en ik zag zelfs enkele koppeltjes ruzie krijgen.  Maar eindelijk verscheen het verlossende bericht op het bord met het nummer van de gate. Allen daarheen. Op het vliegtuig zat ik gescheiden van mijn familie. Ik zat naast een koppel. Zij hadden nog geen ruzie gehad. Het vliegtuig was nog aan het taxiën toen de vrouw naast me haar rugzak opende. Ze haalde er een grote bak met - denk ik – quinoa uit. Het deksel ging eraf en de geur van het goedje verspreidde zich over de aanpalende rijen. Ik moet hierbij aanvullen dat ik een vorm van misofonie heb. Het geluid van etende mensen of krakende chipszakjes jagen me behoorlijk op de kast. Daarom had ik bij het instappen al oortjes ingedaan. Want op de een of andere manier beginnen mensen altijd te eten als ze net in het vliegtuig of in de trein zitten.  Maar waarom was die grote bak quinoa niet verorberd tijdens het wachten op Portala Airport? Er was toch tijd genoeg. Dat is wat ik niet begrijp.  Daarom dacht ik aan die zin van Walschap. ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit.’ Alsmaar minder.

Rudi Lavreysen
6 0

Een dankjewel

Een dankwoord Het leven zit vol onzin, tot het plots heel concreet wordt. Tot het gaat over geld dat niet van ons is, en over veiligheid die wél van ons is. En dan staat daar één man. Bart De Wever. Van hem krijg ik de laatste dagen een brok in mijn keel. Oprechte dankbaarheid. Ik hoop dat half België hetzelfde voelt. De held van Europa? Hij stond daar, eenzaam als een standbeeld op een verlaten plein, terwijl een heel koor van hyena's om hem heen cirkelde. Hun ogen glinsterden van het Russische goud dat wij 'in bewaring' houden. Alsof het een pot jam is die zomaar open kan. Hij vocht voor een vredestroef. Met niets anders dan zijn overtuiging en een lijf dat vastbesloten was door te zetten. Urenlang. Tot zijn gezicht de kleur aannam van krijt. Je zou voor minder. Maar hij bezweek niet. En in dat niet-bezwijken werd hij iets wat ik dacht dat uitgestorven was: een wandelend, ademend bewijs van ruggengraat. Een koppig soort gezond verstand dat weigerde mee te gaan in de waanzin van de dag. Want serieus: wat was het alternatief? Dachten de anderen werkelijk dat we onze eigen veiligheid konden wegschenken? Om dan te wachten tot de poppenkast van Poetin, Xi en Kim Jong-un een triomftocht door onze straten zouden houden? Slaat de kortzichtigheid soms op hol? Beseft niemand meer wat dat manneke in het Kremlin allemaal in zijn mars heeft? De gedachte alleen al doet me huiveren. Rillingen die niet die van de kou zijn, maar van een nakend onheil dat je voelt eer je het ziet. Voor dit moment, nu, even, is er lucht. Een broze, tijdelijke rust. Laten we ervan genieten…. En laten we, bij alle hemellichamen, hopen dat in 2026 het gezond verstand de laatste lach heeft. Het zou een mirakel zijn. Maar soms, heel soms, gebeuren er mirakels.

Heidi Schoefs
4 0

Den tweede tijm

“Ge kijkt precies zoveel naar uzelf”, zei onze jongste. Het was zo. Hij hield me een spiegel voor. Ik zag mijn spiegelbeeld in het grote raam. Een aangename nazomerdag zorgde voor een mooie weerspiegeling in het glas op het terras. We zaten bij familie. “Ja, het is zo”, zei ik. “Maar het is geen kwestie van ijdelheid. Zeker niet. Ik verbaas me nog elke dag over mijn grijze haren.” Die grijze haren staan ‘op’ mijn hoofd, maar ze zitten niet ‘in’ mijn hoofd. Wat beliegt een mens zichzelf toch. Natuurlijk heb ik een grijze leeftijd. Natuurlijk ben ik over de helft. Nog niet in de verlengingen, maar toch minstens in ‘den tweede tijm’, zoals men vroeger de tweede helft van het voetbal noemde.  Diezelfde avond ging het grijze avontuur verder. We zaten ergens anders, maar het was precies het thema van de dag. Iemand zei dat er een modeshow was geweest met enkel grijze mannen. Geen saaie mannen, maar mannen met een natuurlijk grijs kapsel. Iemand anders zei dat grijsheid voor wijsheid staat en toen was het hek helemaal van de dam. Een discussie tussen de grijzen en de zwarten.  Toen vertelde ik het verhaal van ‘Kojak’. Kennen jullie die serie uit de jaren ’70 nog? De acteur had altijd een lekstok in zijn mond. Enkel om te spreken ging die lolly even uit zijn mond. “Iedereen keek naar zijn lekstok”, zei ik. “Het was zijn middel om met roken te stoppen, maar door die lolly waren de mensen ook minder gefocust op zijn kaal hoofd.”  Toen begon iemand anders over ‘Columbo’, die andere detective uit de jaren ’70. En daarna had iemand het over ‘The Streets of San Francisco’.  Het bewijst alleen maar dat we ouder worden. We zitten in ‘den tweede tijm’, maar we kunnen nog altijd winnen.

Rudi Lavreysen
9 0

Brievenpost van Dinges | Aan de makers van Blind Getrouwd

Beste programmamakers We kijken heden ten dage naar de tiende editie van 'Blind Getrouwd'. Dat is behoorlijk lang voor een tv-programma. Maar nog niet lang genoeg voor een plaats in de top 10 van de langst lopende tv-programma's in Vlaanderen. In die lijst staan zeepprogramma's zoals Thuis en Familie, maar ook Duitse krimi’s à la Tatort en Derrick. Waar is de tijd naartoe, dat we hier nog naar Duitse series keken. "Hände hoch!", riepen we dan op de speelplaats. Maar we wijken behoorlijk af. Ik schrijf u deze brief omdat ik u wil vragen om te stoppen met 'Blind Getrouwd'. Ik geef toe, dat is geen klein verzoek. Maar ik vertel u graag waarom mijn verzoek gefundeerd is. Daarvoor moet ik u meenemen naar vrijdag 12 juni 1992. Toen heb ik, een week voor onze trouw, met de vrienden in café De Kiezel mijn vrijgezellenfeest gevierd.  Het feest liep behoorlijk uit de hand. Het bier vloeide rijkelijk en ik weet niet of jullie dat zich nog herinneren, maar in die tijd had je buiten aan de zijgevel van het café een urinoir. Ik dacht dat het een goed idee was om een luchtje te gaan scheppen en tegelijk een kleine boodschap te doen, maar ik kreeg me daar een klop van de voorhamer. Ik begon te draaien als een pindop en liep pardoes tegen het verkeersbord van eenrichtingsverkeer. Mijn rechteroog zat meteen dicht en niet veel later kreeg ik op beide ogen een infectie.  Een week later was er geen verbetering in zicht en moest ik noodgedwongen met twee lapjes voor mijn ogen trouwen. Het was me daar een schouwspel, dat kan u zich wel voorstellen.  Tijdens de huwelijksdans heb ik meer op de tenen van mijn vrouw gestaan dan op de dansvloer. Bij het snijden van de huwelijkstaart heb ik bijna de linkerhand van mijn meter tante Louisa afgesneden omdat ik er gruwelijk naast zat. En er zijn nog van die dinges. Zo heb ik mijn bruid de hele dag niet zien lachen.  Bij de start van elke jaargang van 'Blind Getrouwd' is er altijd wel iemand die tegen mijn vrouw zegt: "Dat heb jij ook voorgehad hè. Désiré is ook blind getrouwd met jou. Met die lapkes voor zijn ogen”. U zal begrijpen dat het niet meer plezant is.  En als ze bij mijn vrouw op het werk over 'Blind Getrouwd' praten, moet ze er altijd aan terugdenken. Het programma wordt dan nog eens twee keer per week uitgezonden. Het houdt gewoon niet op.  Daarom mijn vraag om met het programma te stoppen. Het vet lijkt me toch van de trouwsoep te zijn. Als uitsmijter geef ik u graag nog een quote van mijn buurman Gust mee. “Och, ze lopen toch allemaal in hun ongeluk Désiré”, zegt hij telkens. Als zijn vrouw Mariette in de buurt is, zegt hij het natuurlijk op fluistertoon.  Mijn echtgenote en ik zullen u zeer dankbaar zijn mocht u ons verzoek willen inwilligen. We zijn bijgevolg niet blind voor de inspanningen van uwentwege, door mee na te denken over nieuwe programmaformules. Wat denkt u bijvoorbeeld van een programma over gelukkig gescheiden koppels. Dat klinkt zot, ik weet het, maar wacht er niet te lang mee, of ze zijn u voor.  Ondertussen verblijf ik  met de meeste hoogachting  Désiré Dinges

Désiré Dinges
7 0