Lezen

Wonderschoon

Onder de bomen zitten twee grote konijnen. Met rechte rug en bewegende neusjes observeren ze de tuin. Voorzichtig wagen ze zich op open terrein en smullen stiekem van de bloemenweide. Ook de waterhoen is deze ochtend van de partij. In het vogelhuis smult hij van de grote vetbol. Zijn vrouwtje heeft de kat gestuurd. Op de nok van de wintertuin regeert een groep kauwen. Met geheven hoofden houden ze de duiven statig op een afstand. Voor de deur worstelt een roodborstje met een vers gevangen wormpje, terwijl iets verder een vogeltje zo klein bijna onopgemerkt schuifelt. Plots duikt Patrick, het kleine konijn op. Met schattige sprongetjes nadert hij ons nest tot hij zo dicht is, dat ik hem niet meer kan zien. Ik snel naar het keukenraam en niet veel later betrap ik hem tussen onze vergeet-me-nietjes. De spin aan het keukenraam deint zachtjes op het ritme van de wind. Een tweede klein konijn piept door het gat in de deur van de wintertuin. Hij twijfelt en schuifelt terug naar binnen. Even later sluipt hij dicht tegen de muren naar de plek waar binnenkort de kippen zullen kakelen. Knoppen verschijnen op de takken van de bomen. De pruimenboom pronkt zelfs al met de eerste bloesems. Het is zeven uur ’s ochtends en vol verwondering loop ik van het ene raam naar het andere. Ik denk terug aan de voorbije dagen toen tijd niet bestond en de wereld slechts een tuin groot was. Groenten rooien en zaaien. Bloemen schikken en planten. Ik voel de zon op mijn gelaat en de wind in mijn haren. Wroetend in de aarde koester ik deze kostbare eenvoud als zwart goud. Ik omarm ons nest dat als een veilige haven nabij het water ligt. Verborgen achter het hoge riet en beren van bomen. Voor het eerst sinds weken krijgt mijn verlangen naar de schrijftafel opnieuw vorm. Ik heb zowaar echt goesting om te schrijven en te schrappen. Om de ideeën, die een winter lang gebroed hebben, te zien uitkomen. Voor ik het besef, betrap ik mezelf wachtend op het onheil dat zich als een zondvloed over mij zal werpen. Zo veel geluk, is dat een mens wel gegund? Ook wij hebben ons kruisje boven de deur en een emmer historische tranen, maar wat wij vooral hebben is een thuis. En dat … is wonderschoon. (Foto: Christian Heuer)

Katrien Meermans
0 0

Dipje

Op de eerste ochtend van het jaar knijp ik mijn ogen dicht tot ik sterretjes zie. De muziek die in de straat weerklinkt, maakt krasjes op mijn ochtendhumeur. Ik open mijn ogen en staar naar mijn lief, maar hij slaapt te diep om mijn kijkers te voelen priemen. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht als ik aan de vorige avond denk. In een sprookjesachtige kamer vierden we met veel gezelligheid de laatste avond van het jaar. Hij en zij. Wij. Eenvoudig lekker eten en vuurwerk langs alle kanten. De muziek verstoort de herinnering en dwingt me op te staan. Ontstemd graai ik wat kleren van de vloer en kleed me aan. In een slaperige haast, glijd ik bijna van de trap. Mijn hart slaat een slagje over en mokkend sta ik op blote voeten voor het huis. Mijn blik is wazig en ik kan de bron van de muziek niet duiden. Net voor de deur dicht valt, kan ik haar tegenhouden. 'Ook dat nog', mopper ik in mezelf. De stoep is te koud en snel sluip ik weer naar binnen. Gedraaid in dekentjes lig ik in de zetel. Ik staar naar de donkergrijze wolk boven de televisie. Ze volgt me nu al een tijdje en hoe harder ik haar doodzwijg des te donkerder ze kleurt. Met een grote frons daalt mijn lief de trap af om even halt te houden bij de zetel. ‘Muziek’, zegt hij met een zware en vermoeide stem. Ik open de berg dekentjes en dicht bij elkaar kijken we naar dieren in het wild. Bij zijn verschijning drijft de wolk af en lanterfant ze een beetje in een hoekje. Ze lijkt zelfs lichter van kleur en even vergeet ik haar. Maar enkele dagen later, regent het tranen in de woonkamer. Her en der zet hij emmertjes. En in de onweersbui vormen we samen een bolletje. Hij luistert en sust. Hij wiegt en aait. Hij belooft: 'Alles komt goed'. (Foto: Karin and the camera)

Katrien Meermans
0 0
Tip

Op logies

OP LOGIES Met trillende lillende geagiteerde beentjes en brillende gillende bekeerde hoofdjes werden we afgezet voor het troosteloze appartementsblok naast de autostrade. De krakende stem van grootmoeder botste uit de parlofoon: “Ah, ge zijt er”. Vader reed al weg naar zijn avondles voor grote mensen. We wisten het, maar élke keer opnieuw botsten we met onze keikoppen tegen de voordeur die stokte tegen de voetmat erachter. De schakelaar achter de deur was al jaren kapot en we moesten in het donker de flauw oranje gloed van de schakelaar achter in de gang zoeken. Meestal lag er wel een paraplu, een lege bierbak, een winkelkarretje of een vuilzak in de weg, klaar om onze benen te breken, maar deze keer hadden we geluk. Het was een zacht hoopje kots van de onderbuur van het gelijkvloers. De spaarlamp bibberde aan en de traphal liet zich zien. Ze was van koud staalhard graniet, de muren van beton met van die korrels waardoor je altijd wel het vel van een vinger haalt of een scheur in je jas en balusters met een versiering zo scherp dat je wist dat de maker ervan zijn inspiratie bij een Duitse helm, prikkeldraad, vogelpinnen of ingecementeerde anti-kat glasscherven bovenop een bakstenen muur had gehaald. De plastieken zak met onze pyjama’s, propere onderbroeken en tandenborstels heeft het niet één keer gehaald tot het tweede verdiep denk ik. Grootmoeder brulde “Allee, doe eens een beetje voort” door de gang. Eindelijk boven had ze de deur weer toegedaan. Het licht in de gang bleef nooit lang genoeg aan om tot op het tweede te geraken. Op de tast vonden we de koude klink naar het appartement. “Bomma! Waar ben je?”. Maar we werden overstemd door het volume van de tv. Grootvader zat zoals altijd, na een dag aan de dokken, een zoveelste pils te drinken uit de vuile koffiebeker die hij die ochtend uit de gootsteen had gevist. Wat er op tv was, herinner ik me niet meer. Maar het was wel luid. We sneden ons een weg door de rook die het appartement van vloer tot plafond gevangen hield. Niks aangebrand hoor, Groene Michel of zelf op filter getrokken Nybro’s, dat wel. Grootvader gromde iets, bulderlachte en gaf ons een klap met zijn sloef. Weg van voor de tv, petotters! In de keuken wrongen we ons tussen het papegaaienkot en de formica keukentafel op een krukje voor een boterham met confituur en een peperig groentensoepke. Grootvader plofte zich op de kop en kreeg een boterham met reuzel en zout en een beuling. Hij was goed gezind want we kregen ook een stuk. Spreken werd er niet veel gedaan want de tv stond te luid. De Coco begon zich te moeien en hij smeet zijn lege zonnebloempitten in mijn bord. Eén keer heb ik geprobeerd om hem een pak rammel te geven maar zijn bek staat nog altijd in mijn hand afgedrukt. Dat heb ik wel afgeleerd. Na het eten moesten we onze pyjama aan en onze tanden poetsen. Ik herinner me de badkamer vooral als donkergeel. In de afvoer hoorde je de buizen kloppen, alsof er iemand anders in het blok als een gek aan de leidingen stond te sleuren. De toiletbril stond altijd omhoog, in de duisternis achter het douchegordijn, buiten het bereik van het flikkerende peertje. Nooit ben ik daar op gaan zitten. Ik hield mijn kak wel in als ik de bij de bomma en den bompa mocht gaan slapen. Onze bedden stonden in grootvaders hobbykamer, hij was een getalenteerd schilder. De borstels stonden uit te zweten in de conservenblikken met solventen, op het nachtkastje naast ons kopkussen. Bedwelmd door de giftige dampen, de rook van zware shag, de ademzoen van bompa en het kruisje op ons voorhoofd – God zegene en bewarene – van bomma kwam dan het moment waaraan ik nog elke avond terugdenk. Per vijf centimeter schoof ik mijn koude voeten verder onder het verkleumde laken. Nostalgie tot in de tenen. Dat was een mooie tijd.

Warmwatermuziek
0 1

De dag dat ik bijna een man vermoord had.

Ik moet een jaar of tien geweest zijn. Het was zomer en prachtig weer. Zoals op elke mooie zomerdag waren ik en de andere kinderen uit de buurt buiten aan het spelen bij de hoge boom waar we inklommen zodat je, als je hoog genoeg durfde te gaan, over de daken heen kon kijken en zelfs de rivier kon zien. Die dag hadden we een groot stuk boomstam gevonden dat door de gemeente moest zijn afgezaagd en achtergelaten. Zo een waarvan je moeder zou zeggen dat het een stoel voor kabouters of dwergen is. De stam was veel te zwaar om op te tillen, dus we rolde er wat mee rond terwijl we bedachten wat we ermee zouden doen. We besloten het ding naar beneden te laten vallen. Naast de hoge boom waar we de stam gevonden hadden was een twee, misschien drie meter diepe muur die aansloot op de aflopende trap die naar de straat leidde. Als we de stam een flinke duw gaven zou die zeker de muur afrollen en met een spectaculaire smak de grond raken. Ik was de oudste van alle aanwezigen, dus ik mocht de stam in beweging brengen, de zwaartekracht zou de rest doen. Ik vroeg aan de anderen of er iemand aankwam, niemand, goed. Rollen dan maar. Ik bracht de stam in positie en gaf hem een duw met mijn voet. De boomstam rolde met een redelijke snelheid over de rand heen en we hoorden een doffe klap van hard hout dat de stenen raakt. De klap werd meteen gevolgd door een vloedgolf aan gevloek. Geschrokken keken we over de rand heen naar beneden. Daar stond een man van middelbare leeftijd met een mix van woede en doodsangst op zijn gezicht. Dertig centimeter voor zijn voeten lag de boomstam, waar de man in godsnaam vandaan was gekomen weet ik nog steeds niet. Als die boomstam hem geraakt had zou hij zeker zijn nek gebroken hebben. Nadat hij ons de huid vol had gescholden liep hij verder, nog trillerig van de schrik. Het enige wat ik had kunnen uitbrengen was een schamele sorry meneer. Ik kon die dag aan niets anders meer denken. Wat als het fout was gegaan? Dan was ik een moordenaar, een crimineel! Ze zouden zeggen dat we het plan secuur uitgedacht hadden, de luttele centimeters die de stam zijn doelwit gemist had getuigde van onze precisie in deze hinderlaag. Het doel werd maar nét gemist. Als er een engel over me waakt, dan zal ik absoluut een roos meenemen op de dag dat ik hem, of haar, tegenkom. 

Atlas
15 0
Tip

De vliegtuigspotter

Het gebeurt weer. Tijdens de vergadering zet ik de problemen en mogelijke oplossingen op een feilloze flamboyante manier uiteen. Ik glimlach, kijk de juiste mensen aan en dit allemaal op automatische piloot. Ik hoor mezelf praten op die eeuwig enthousiaste manier, die ik mezelf eigen heb gemaakt alsof het onderwerp me nauw aan het hart ligt. Mijn gedachten, echter, zijn zo ver mogelijk verwijderd van dit moment. Ik denk aan mijn dromen van vroeger, aan mijn verleden, aan die grote liefde die je altijd bij jou zal dragen… Plots krijg ik een vraag en voor even keren mijn gedachten terug. Ik kijk de persoon aan en herken het vriendelijke gezicht van mijn collega. De glimlach, de vriendelijke ogen die me groeten, maar die niet kunnen zien dat ik eigenlijk ergens anders ben. Ik geef de gevraagde informatie en kan weer met mijn gedachten wegdriften naar herinneringen. De vraag die weer rijst, is hoe ik hier ben gekomen? Hier wou ik toch niet zijn. Ik ging het leven van mensen veranderen, mensen inspireren, gelukkig en eeuwig verliefd zijn. Ik zou nooit over suikerwolken en zeekoeien hoeven te spreken want ik zou een innig gelukkig leven leiden. Een avontuurlijk, romantisch, geïnspireerd leven. Ik overloop even de voor- en nadelen van mijn huidig bestaan en voor de buitenwereld heb ik een goede score. Ik heb een werk waar velen jaloers op zouden zijn, ik ben getrouwd, heb een zoon en een mooi, gezellig huis. Ik heb geen reden tot klagen.   Ik zie het nochtans in anderen hun ogen. Zo zie ik in mijn man zijn ogen dat ook hij last heeft van de doelen die hij nooit zal bereiken, maar hem blijven achtervolgen. Dolgraag zou ik ooit vragen “jij doet dat ook?” maar daar praten we niet over. Wij praten over onze carrière en onze zoon en het alledaagse. Wij maken plannen voor de toekomst en daarmee bedoel ik de veilige plannen zoals volgend jaar gaan we de woonkamer opnieuw schilderen of donderdag ga ik naar de tandarts. En ik zou nooit met een anekdote naar huis komen zoals de tandarts heeft aan mijn oor gelikt. Neen, ik kom naar huis met een tand die getrokken is en ik begin eten te maken. Soms denk ik dat hij het door heeft, mijn man bedoel ik. Dan zegt hij plots: “Ben je weer aan het solliciteren voor vliegtuigspotter?” Daarmee bedoelt hij dat ik weer naar boven aan het kijken ben en niet echt aanwezig ben. Ik vraag me af waarom hij nooit aan me vraagt aan wat ik denk? Misschien is hij bang voor de waarheid, zoals ik ook bang ben voor de waarheid.   Wat ben ik bang om uit te spreken dat hij mijn grootste liefde niet is, dat ik eigenlijk niet gelukkig ben en ook niet weet hoe ik gelukkig moet zijn. Ik ben bang om te horen dat hij ook niet gelukkig is en we beiden tot de realisatie komen dat ons leven een grote leugen is en we ook geen oplossingen hebben om daar iets aan te veranderen. Ik verdenk ook andere mensen van stiekem ongelukkig te zijn, maar dat kan je niet vragen. Soms hoor ik het aan een stem of de manier waarop ogen me aankijken, maar het wordt nooit uitgesproken. Dus zal het bij me vaker gebeuren dat ik wegdrijf met mijn gedachten en een zogenaamde vliegtuigspotter word, want een vliegtuigspotter droomt van te vliegen, maar zal nooit piloot worden. Ja, ik ben een vliegtuigspotter, maar zijn we dat niet allemaal? Stiekem?

Ellen De Rycke
24 1

Schrijversblok

Hulpeloos zit ik voor mijn pc. Een wit blad voor me wacht geduldig om beschreven te worden. Tevergeefs tracht ik me die prachtige zinnen te herinneren die vorige nacht ontsproten aan mijn slapeloze brein. Een angstaanjagende gedachte schiet me door het hoofd. Papa heeft Alzheimer, zou ik…? Nagelbijtend bekijk ik het maagdelijk witte scherm. Ik troost mezelf met het feit dat ben ik nog jong ben, 59 lentes, neen ik heb gewoon last van een schrijversblok. Ik heb al maanden niet geschreven. Nou goed, het wil met niet te binnen schieten. Dus zal ik alvast beginnen met een klaaglied over mijn troosteloze toestand. Dat wil geen kat lezen mens, zeg ik tegen mezelf. Saaie, deprimerende lectuur. Wie zit daar nu op te wachten. Lezers willen drama, opwinding, mysterie, spanning, seks. Nou goed, als ik die zwarte gedachten van me afgeschreven heb, lukt het misschien wel weer. Schrijven is voor een auteur een primaire levensbehoefte zoals eten, drinken of slapen. En kijk, ja hoor, ondertussen staat er een eerste paragraaf voor me. Een nieuw begin, na maanden van inactiviteit. Ik feliciteer mezelf, vastbesloten er morgen aan te beginnen.   Ondertussen heb ik enkele schamele pogingen ondernomen om weer te gaan het schrijven. Twee nietszeggende paragraafjes die het begin moeten vormen van een verhaal dat ik zelf nog niet ken. Misschien ben ik niet eerlijk want wat ik schrijf gaat over mezelf. Ik ken het verhaal dus maar al te goed.  Een onzichtbare sluier heeft mijn creatieve brein bedekt en verhindert de zwarte gedachten te ontsnappen, ik ben er nog niet aan toe mezelf bloot te geven. Maar een onbekende kracht drijft me naar mijn pc en dwingt me te schrijven. Ik wil de sluier wegrukken, het uitschreeuwen, mijn verhaal vertellen. Ik wil mezelf bevrijden uit deze waanzinnige toestand. Waar zal ik beginnen?

Nadia Lang
0 1

Te licht

Al van bij mijn geboorte werd ik te licht bevonden voor deze wereld. Met een gewicht van amper tweeëneenhalve kilo, wekte ik meteen het medeleven op van mijn omgeving. De dokter vertelde dat het beter zou wezen mij een tijdje in de couveuse te leggen. Maar mijn dappere moeder, die negen maanden lang ongeduldig had uitgekeken naar mijn blijde intrede in deze wereld, bekeek de man minachtend en vertelde hem resoluut dat ze het moederhuis niet zou verlaten zonder haar nieuwbakken dochter en dat een kind niet beter verzorgd kon worden dan door zijn eigen moeder, al was dat kleine wicht nog zo klein en mager. Met een blik die duidelijk te verstaan gaf dat ze geen tegenstand duldde, pakte ze heldhaftig haar spullen. Zo werd mij verteld door mijn grootmoeder want mijn moeder verliet mij nog voor ik drie jaar werd. Misschien werd zij, net zoals ik te licht bevonden, te licht voor deze wereld, te licht voor het moederschap. Een ongeneeslijke ziekte werd haar fataal en dus heb ik mijn dappere moeder nooit gekend. Is het omdat ik nooit een voorbeeld had, dat ik twijfel aan mijn moederlijke instinct? Natuurlijk was er mijn fantastische grootmoeder die zich over mij ontfermde. Mijn schijnbaar onschuldige en weerloze toestand, wekte het medelijden op van deze kordate dame die zelf op jonge leeftijd moederloos werd en door haar oudere zussen werd opgevoed. Als kind had ik al snel begrepen dat mijn grootmoeder ondanks haar scherpe woorden en haar strenge wetten, een peperkoeken hart bezat dat ik met mijn grote bruine ree-ogen deed ontdooien als sneeuw voor de zon. Oma’s schijnen nu eenmaal veel toleranter dan mama’s en dat hebben peuters en kleuters begrepen nog voor ze leren spreken. Toen mijn vader enkele jaren later hertrouwde, werd ik overgedragen aan de zorgen van een stief mama. Een jonge vrouw, veel jonger dan mijn vader en dus absoluut onbekend met de grillen van een moederloos meisje dat bij oma altijd het pleit won. Alhoewel het arme mens echt haar best deed, waren mijn tienerjaren niet echt gemakkelijk. Vooral omdat zij ondertussen zelf moeder was geworden van een jongen, ik kreeg dus een broertje, wat haar ware moedergevoelens wakker maakte waardoor ik mij verwaarloosd voelde. Al was ik nog zo jong, ik had al vlug begrepen wat ‘echte’ moederliefde betekende. Ach ja, ze was lief en vriendelijk maar in wezen bleef ze steeds een vreemde voor mij. En papa, tja mannen hebben zulke dingen niet echt door. Of om het met de woorden van mijn grootmoeder zaliger te zeggen: een moeder kiest voor haar kinderen, een man voor zijn vrouw. Ik was amper negentien toen een jongeman verliefd op me werd. Al was de verliefdheid niet echt wederkerig, ik voelde me gevleid dat ik eindelijk het middelpunt van het universum geworden was. Ik zei dan ook zonder aarzelen ‘ja’ toen de onschuldige jongeman mij blozend ten huwelijk vroeg. Bovendien had ik het gevoel dat ik een goede daad stelde. Ik maakte geen deel uit van dat nieuwe gezin, dat ondertussen nog uitgebreid was met een dochter en een zoon en dus konden zij nu eindelijk hun eigen leventje leiden zonder mij. Te licht bevonden als stiefdochter. En toen werd ik verliefd. Ja, voor het eerst in mijn leven. De lieve jongeman die mij bevrijd had uit mijn moederloze thuis, werd zonder pardon gedropt. Als ik er nu aan terug denk, voel ik mij een meedogenloos monster. Te licht bevonden voor het huwelijk. Al snel was ik terug gescheiden en trouwde ik met mijn droomprins. Eind goed al goed, zou je zeggen. Op mijn dertigste werd ik moeder van een zoon. Een wolk van een baby zoals men zegt. Mijn grootmoeder was ondertussen een oude vrouw en mijn stief mama begreep niet echt dat ik op dat moment nood had aan ‘mijn moeder’. Ik had zoveel vragen die niemand voor mij antwoordde. Het leek wel of ik plots alleen op de wereld was, alleen met een baby die mijn aandacht opeiste en geen medelijden of weet had van mijn onervarenheid. Ik verwende hem als een prinsje en meende dat het zo hoorde. Te licht bevonden voor het moederschap.

Nadia Lang
0 0

Gelukzoekers

Wat zet iemand ertoe aan naar het buitenland te verhuizen ? Ik bedoel als je hiervoor geen enkele aanwijsbare reden hebt zoals bv je werk of je geliefde.  Waarom zou je familie en vrienden achterlaten om in een vreemd land met een vreemde taal je geluk te beproeven?  Vanwaar die onrust?  Is het de drang naar avontuur of gewoon verveling?  Om de zin van het leven te vinden?   Om nieuwe mensen te leren kennen en andere culturen te ontdekken? Er zijn duizend vragen en duizend antwoorden.  Michel wil eens wat ‘anders’ doen in zijn leven, hij is het bekrompen België beu. Vooral de koude ongezellige winters, de drukte en de slechte lucht doen hem dromen van een leven in de zon.  Ik verlang vooral naar gemoedsrust, ik hunker naar stilte, vooral stilte in mijn hoofd.  Ons turbulente leven de afgelopen 30 jaar en enkele tegenslagen in het verleden zijn waarschijnlijk geen onbelangrijke factor.   Het blijft natuurlijk een grote stap, vooral als je ouders een dagje ouder beginnen worden of je nog kinderen hebt die wel volwassen zijn, maar je nog niet echt hebben losgelaten. Uiteindelijk beslissen we enkele maanden in Frankrijk te gaan wonen en hier in België een pied à terre te houden. Op die manier kunnen we ervaren hoe het leven daar is maar blijft toch altijd de mogelijkheid naar ‘huis’ terug te keren. Maandenlang hebben we het internet afgezocht naar een geschikte maar vooral betaalbare woning. Tenslotte zijn we geen miljonairs maar jonggepensioneerden met een bescheiden inkomen.   Uiteindelijk valt de keuze op Saint Marsal, een middeleeuws dorp in de oostelijke Pyreneeën, regio Lanquecoc-Rousillon, op ongeveer een uurtje rijden van de kust en van de Spaanse grens.  We huren een klein huisje van een schotse weduwe die daar de wintermaanden doorbrengt maar in de volgens haar te warme zomer Schotland verkiest.

Nadia Lang
0 0

Vijf bruggen verder

Ik weet niet of ik haar graag zie. Ik mag haar, dat wel, maar graag zien is nog vijf bruggen verder. Daar geraak ik alleen als de bagage te dragen is en er zo goed als geen twijfels zijn. Maar zij is een twijfelgeval. Om duizend en één redenen die elke seconde wisselen in soortgelijk gewicht. Zo spendeert ze te veel tijd in haar hoofd. Even niet opletten en haar ogen bollen naar binnen. Daar daalt ze zonder enig zelfbehoud af naar de krochten van haar zijn, om met de armen op de rug rondjes te draaien en te schoppen tegen elke verdachte steen. Eerst een beetje aarzelend met de punt van haar schoen, daarna zo hard ze maar kan, om te kijken wie of wat ervanonder komt gekropen. Altijd een risico, dat duiken onder de oppervlakte, maar ze kan het niet laten. Zodra ze de binnenkant beu is, richt ze haar pupillen naar buiten. Dan is ze meestal zo duizelig dagblind dat ze niet ziet wat er vlak voor haar voeten ligt. Dus trapt ze wel eens in een hoop stront, of ze stoot zich weer tegen een van die stenen die ze net heeft weggeschopt. En dan schaam ik mij voor haar. Zo diep, dat ik naar de eerste de beste straatsteen staar en gebaar dat ik haar niet ken. Of ik word kwaad. Zo kwaad dat ik haar trut, kalf en koe noem. Dan doe ik dingen die niet schoon zijn en dat is dan natuurlijk allemaal haar schuld. De trut. Ze moet ook niet zo verdomd gevoelig zijn. Eén platte kat op de baan en haar hele voormiddag is om zeep. Twee scheve blikken naar haar leren broek en ge riskeert een pak frieten in uw gezicht. Drie klappen op de overbuurjongen en ze droomt nachtenlang van de afgehakte losse handjes van zijn vader. En toch mag ik haar. Omdat ze luistert voor ze praat, nog het liefst met een mond vol zoet. Omdat ze naar me zwaait op straat, en dat alleen niet doet als ze haar bril niet draagt. Omdat ze wil dat het mij aan niets ontbreekt, ook al mist zij veel. Misschien moet ik haar toch maar eens iets cadeau doen met kerst. Geen ketting, want ze buigt niet voor bling. Geen strijkijzer, want alleen al de gedachte aan huisvrouwen maakt haar moe. Haar eens goed tegen mijn hartkleppen drukken, dat ga ik doen. Haar oren uitkuisen en fluisteren dat ze er mag zijn, dat is een gedacht. En als ze het niet wil horen zal ik roepen. Roepen tot mijn stem overslaat en haar oren nog meer tuiten. Roepen tot ze het voelt in de toppen van mijn tenen. Tot ik heel even stop met tegen stenen te schoppen. Tot ze het snapt. Dat ge eerst uzelf graag moet zien voor ge een ketting koopt voor een ander.

a little bit of soap
0 0
Tip

Zonnig met een wolkje armoede

Ooit The Wire gezien? Speelt zich af in de onderbuik van Baltimore, maar toen we even de wijk Raval in Barcelona doorkruisten, in mijn gids omschreven als "uw veiligheid is hier 's avonds niet gegarandeerd" maar door een vriendin aangeraden als een gezellige culturele smeltkroes, dacht ik even in voornoemde serie beland te zijn. Hustlers, players, dealers, working girls, ... In het spoor van enkele hooggehakte (mooie) benen passeren we een of andere evangelische missie met een lange rij hongerigen, moeten we uitwijken voor enkele Bubbs-figuren die een winkelkarretje met hun hele hebben en houden voortduwen, krijgen we hasjjies aangeboden, aanschouwen we de hele (onder)wereld op een vierkante kilometer, en als we op de lokale Rambla belanden is het plaatje compleet: een meute persmuskieten omcirkelt een of andere bobo-politicus die, aan de lijfwachten te zien, ook mijn gids gelezen - of geschreven - heeft. In elk geval, The Wire-gelijk waarvan het vijfde seizoen focust op de journalistieke kant van het verhaal, is het hoofdartikel de dag nadien in de lokale krant wel degelijk Raval. 'Vemos un barri digne'. Veel armoede hier in Barcelona. Zichtbare armoede, bedoel ik. Ontluisterend om zien hoe in een of andere bibliotheek in Raval (dé bibliotheek van Catalonië) met bijhorende paradijselijke binnentuin een groep toeristen wordt rondgeleid, terwijl twee meter verder, onder de beschutting van de galerij enkele daklozen in hun pis, of die van hun lotgenoten, dromen van betere tijden. Ook de wijk van ons hotel, de Barri Gotic ontsnapt er niet aan: als de avond valt, zijn er in bepaalde straten hoogoplopende discussies tussen jongerenbendes die strijden om "de hoeken" alwaar ze hun waar willen verkopen. Na twee dagen wandelen hebben we onze bekomst van de grootstedelijke drukte. Time to get out. Sitges wordt ons aangeraden door enkele Spanjaarden, een kuststadje waarvan de populatie in het toeristenseizoen verdriedubbelt. Het bevalt ons wel, maar toch nog een beetje druk. Ongelooflijk veel homokoppels ook. Zie je een man, dan zie je twee mannen. Niks op tegen, maar ze zijn écht wel in de meerderheid. En daarmee zijn de rollen eens omgedraaid: zoals zij de rest van de wereld waarschijnlijk ervaren, gevuld met die heterokoppels, zo voelen wij ons hier af en toe een beetje out of place. Vooral als je een hoek omgaat, en geheel onverwacht uitkijkt op een soortement naaktstrand alwaar de mens in volle glorie één wordt met de natuur. Na twee dagen hebben we Sitges ook wel gezien. Ségur de Calafell ligt ook aan de zee, en met veel plezier stappen we op de trein. Aangekomen op onze bestemming trekken we richting zee. Een desolate woestijn waar alleen een enkele gepensioneerde hond, excuseer, een gepensioneerde met hond, door het decor schuifelt. Als we op het enige terras in de omtrek vragen wat er hier zoal te beleven is, bekijkt de dienster me met grote ogen: "Nada" zegt ze beslist. Om er even later fronsend aan toe te voegen: "La plaja", achterom wijzend naar die grote leegte. Mmm, problematisch. Nada is perfect, maar we zijn het type toerist dat graag uitvalswegen heeft. Als we ergens arriveren, stormen we het toeristische infokantoor binnen. Folders, brochures, affiches, kaarten, reistijden, overstappen, openingsuren ... Overstelpt met goede raad en beladen met drukwerk verlaten we dan het kantoor om - het is echt sterker dan onszelf - een totaal verkeerde richting uit te lopen. Heerlijk om te weten wat je allemaal niét gaan doen. De Spanjaarden zijn op dat gebied trouwens een grote hulp. Passeer je een museum, kasteel of kathedraal (waar je wel even wil gaan schuilen voor de zon) dan is het gegarandeerd gesloten, vervallen of tijdelijk ontoegankelijk. Je zal het altijd zien, denk je dan, de landerigheid van de Spanjaarden vervloekend die je culturele uitstapje altijd weer dwarsbomen. Maar om terug te gaan naar Ségur de Calafell: nada is dus geen optie. En zo belanden we enkele kilometers verder in Calafell zelf, alwaar we vijf dagen eten, drinken, wandelen, genieten, uitblazen en ook een heel kleine beetje lezen (De gazet The Times ontdekt. Grappig hoor: Once, only a waiter could stand between a Frenchman and his lunch.) Dus: een bezienswaardigheid die het ook tot in de gidsen heeft geschopt? Niet gezien. Maar wel een deugddoende vakantie gehad.

Guy Bourgeois
0 1

de gestolde tranen van de uitgever

Ijdelheid, treurnis: wees gerust, in dit hoekje van de Standaard boekhandel had ik het rijk voor mezelf. 'Big data' spookte door mijn hoofd, en dus belandde ik bij de afdeling inwisselbare waren: communicatie, online media, management, marketing. Boeken die al gedateerd zijn bij verschijnen.  Bijsluiter-boeken over blogs, digital branding, sociale media. De bijsluiter als bijwerking. Gedrukte gedrochten, borrelende uitstulpingen van de online onderstroom. Papieren placebo's, daar waar zelfmedicatie onze enige hoop is. Willen die uitgevers nu echt per se failliet? En hoe zit dat met de papierindustrie? En geeft zo'n auteur dan zijn eigen boekje af als visitekaartje of zo? En de omloopsnelheid van boeken? Is dit het dan? Is dit het drama van het boekenvak, zijn dit de gestolde tranen van de uitgever? Moedeloosheid springt me naar de keel, als een uitgehongerde jakhals. Ach, big data, waar zitten jullie? Was 'Big data' eigenlijk wel de titel? In elke andere winkel had ik de kassierster, de schoonmaakploeg en de terloopse klant aan de tand gevoeld, maar hier neemt zo'n vraag al snel de allures aan van een rogatoir. Titel? Uitgever? Auteur? Publicatiedatum? ISBN? Waarom wil u dat boek? Waarom koopt u geen mooie verjaardagskaart, spannende zomerthriller of de nieuwste Jamie Oliver? En dus verliet ik mak en weemoedig (meewoedig) de winkel met Halfgod verzamelaar van Komrij, als een beteuterde wijnliefhebber die het alweer met een Chateau Pétrus 2005 moet doen. Een dag later is de wrok getemperd, de lucht opgeklaard. De kat vleit zich als een leeuw voor mijn aangezicht, de eksters kraaien. Berustend nestel ik me in de zomerse zetel. En ik lees Komrij's stuk uit 1987 over 'computerboeken': "De computer, die pretendeert paperassen overbodig te maken, heeft in werkelijkheid een heel nieuwe papierstroom op gang gebracht. (...) Door bedrukt papier laat men zich instrueren hoe men papier dat nog blanco is bedrukt krijgt. De computer hangt er wat onhandig tussenin." Computerboeken uit 1987 of sociale media-boeken uit 2013: "Waarom doet de computerwereld niet wat des computers is?" En alweer moet ik constateren dat de scherpe zienigheid van Komrij (doorzien is voorzien) nog altijd pertinent is. En dat ook wel nog enkele decennia zal blijven. Prachtboek.

Guy Bourgeois
12 0

Een nieuw nest

Vanaf de brug kijk ik doorheen de bomen naar het huis. De wind beweegt zich door de takken van de populieren en het gesuis legt elk restje onrust in mijn hart stil. Mijn lief staat iets verder op de brug en kijkt met even grote ogen naar hetzelfde huis. We glimlachen naar elkaar en onze ogen spreken boekdelen. Het huis ligt een beetje verscholen te midden van rust en stilte. Aan de straatkant verborgen achter een ruime stalling. Aan de waterkant in volle pracht voor de recreatieve fietser. Wanneer we het kleine erf opwandelen, fluiten enkele nieuwsgierige vogels naar de onbekende bezoekers. De grote tuin is weloverwogen verwilderd met bloemenweides en bomen. ‘Peren en noten mevrouw. Zelfs een kerselaar! Prachtig toch?’ Als antwoord glimlach ik naar de man in maatpak. Ik zie mezelf de was ophangen. De wasdraad wordt geleid van huis naar boom, op maat van de kleinere vrouw. De houten wasknijpers kletteren in het bakje als ik het in de wasmand zet om naar binnen te dragen. We betreden het huis via de keuken waar mijn lief aan tafel de weekendkrant leest. Ik zet verse koffie en kijk uit het raam naar een voorbijvarend plezierbootje. De poes draalt vragend om mijn benen. Ik geef haar een aaitje en met uitgestrekte voorpoten verlengt ze vol genot haar lijfje. ‘De tegelvloeren zijn authentiek, echte pareltjes als u het mij vraagt.’ Mijn lief kijkt met een lachje over zijn krant heen. Herinneringen staan her en der gestapeld in de woon- en eetkamer. Er is plaats voor een houtvuur waar mijn lief hout op gooit, terwijl ik in de zetel zijn handelingen nauwgezet volg. Het piepende deurtje klinkt vertrouwd. Buiten waaien de laatste blaren van de bomen. ‘Meneer en mevrouw slapen hier nu ook omdat meneer niet goed op de been is. Zoals u kan zien is er dus voldoende ruimte voor een gezellige zithoek.’ Maar waar komt het aquarium? De voute is ingericht als badkamer. Blauw en geel verdwijnen in enkele dagen onder stroken wit. Op zondagvoormiddag schuifelen we, terwijl het bad volloopt, een traag dansje door de ruimte. 'Sta mij toe u de bovenverdieping te tonen.' Op de bovenverdieping ontdekken we twee kleine slaapkamertjes. De notelaar piept binnen bij het eerste, als behoeder van de rustige zomernacht. De onafgewerkte zolderkamer op hetzelfde verdiep zou een ‘prachtige master bedroom zijn’, maar mijn lief en ik zitten er elk al snel aan ons eigen bureautje. Even later bladert hij op de mezzanine in boeken op zoek naar inspiratie voor een nieuw project. Ik lig in het zeteltje en probeer hem te verleiden tot een beetje luiheid. Hij komt bij me zitten en ik leg mijn hoofd in zijn schoot. ‘Wat zijn je haartjes al lang.’ Ik sluit mijn ogen als zijn vingers door mijn haren strijken. We tellen af naar het ontluiken van een nieuwe lente. Onder de bloesems zullen we een nieuw nestje bouwen. (Foto: onbekend)

Katrien Meermans
0 0