Lezen

Hoofdstuk 1 Krrrr puwiefff twie-ie-ie-iep

Tik-tik-tik taa-ak_ tik-tik-tik_ tik-taa-ak…. Het klonk als het onregelmatige ritme van een Bulgaarse volksmelodie. Tussendoor stopte de man even en luisterde aandachtig, soms flitsten enkele lampjes aan en uit, telkens een kort moment… Geduldig herhaalde hij de boodschap enkele keren meer, maar waarschijnlijk zonder respons, want zijn aandacht bleef maar gespannen en aandachtig. Zoals wanneer je luistert of iets probeert te horen in een donkere ruimte : je beweegt niet en houd je adem in om meer te kunnen horen zodat je verder kunt. In volle ademloze afwachting dus. Dit speelde zich af in een kleine kamer op een warme zolder van een huis in Rozemenstraat 56. Een kamer met een houten schommelbank, daartegenover een bureau. Van het behang zag je bijna niets omdat alle muren bedekt waren met kasten of landkaarten en foto’s. Aan oude spijkers hingen kabels en plugs als zwarte spagetti aan de muur. Op de schommelbank bij de verwarming lag een grote gevlekte kat in diepe slaap, alleen aan het lichtjes op en neer bewegen van de buik zag je dat die nog leefde. Af en toe werd de schaars verlichte ruimte opgelicht door de lampjes van de toestellen die bediend werden door een oude man. Zijn naam? Georgeos. Hij droeg op zijn hoofd een koptelefoon die verbonden was met een grote radio met overal knopjes en lampjes. De afwisselend rode en gele kleuren weerspiegelden warme kleuren op zijn aandachtige gezicht. Zijn focus lag bij zijn rechterhand, bij de knoppen en daarboven de lampjes die alsmaar aan en uit gingen op het ritme van de geluiden. Zijn linkerhand aan een tikmachine die geduldig een code intikte die telkens na een korte pauze meermaals werd herhaald. De langverwachte respons, die kwam van een andere bron. Met luid gestommel beklom het neefje van Georgeos de trap naar boven, in zijn linkerhand een kop hete thee, aan zijn andere schouder een slaphangende schooltas. “Hello uncle George, are you standing by?!” zei de jongen luid, terwijl hij de mok thee vlak naast de radio op het randje van het bureau zette, het water klotste heen en weer, bijna tot over de rand. “Hela hela!” riep Georgeos ”Pas-op-héét, moest ik zeggen van Marja,” zei de jeugdige stem. “Dank je wel.” Georgeos verplaatste de kop naar een veiliger plaats. “Hallo Felix,” vervolgde hij en keek glimlachend naar zijn neefje. “Fijn dat je er weer bent en hoe was het op school?” zei hij. Zijn gezicht keek belangstellend en serieus, maar hij zag er tegelijk een beetje zot uit met de koptelefoon die hij nog niet had afgenomen. Felix zuchtte, het eerste wat volwassenen altijd vroegen was altijd over school. Hij had geen zin om te antwoorden, maar als gebaar wees hij naar de hoek van de kamer waar hij zijn boekentas had gesmeten en hij zei: “Eindelijk kerstvakantie” Toen zag hij de kat in zijn mand bij de verwarming, hij was nog onverstoord aan het slapen. Hij sprong er naar toe om hem te strelen. “Hallo Tango, wat kun jij heerlijk slapen!” De kat lag in zijn eigen vacht als een wollen deken volledig plat in zijn mand, hij liet Felix begaan. Maar die volledige rust en overgave daagde Felix uit! Hij pakte de kat voorzichtig onder de poten, tilde hem op en liet zijn achterlijf naar beneden hangen. Het lijf van de kat leek wel elastisch en de poten reikten tot bijna aan de grond. “Kijk eens! Wat een enorm beest!” “Jij bent een beest! Laat Tango toch met rust” maar zijn oom was niet echt boos, die kat kon dat best hebben. “Wij mensen kunnen dat niet, he” zei zijn neefje eigenwijs. De kat nam nauwelijks de moeite om wakker te worden en liet het allemaal geduldig toe. Felix nam de kat op schoot in de grote schommelbank. Tango was blij dat hij zich weer kon opkrullen. Felix voelde de lichte ademhaling van het beest en begon luidop te spinnen. Prrrr prrrrrrrr prrrrrrrrrrrrrrrr. “Waar ben je nu?” vroeg hij zijn oom. Een ander zou zeggen ‘wat ben je aan het doen’, maar Felix was al zo vaak komen meekijken en luisteren dat hij helemaal mee was in deze schijnbare wereld van de radio-amateurs. “Wel, ik probeer contact te maken in Tbilisi, maar ik heb nu nog even geen antwoord, ik zal nog eens een oproep doen, maar zoeven was er een duidelijk signaal..” “CQ GEOR7IOS calling CQ and standing by”, zei hij ervaren in de microfoon. Hij wachtte even, draaide een aantal knoppen, en herhaalde zijn boodschap. Plots lichtte zijn gezicht op, contact!! “Luister!” Hij zette onverwacht de koptelefoon van zijn hoofd, trok de stekker uit en beiden hoorden ze nu : “Wioe wioe wioei….five five seven here five five seven…woooehieprrrrrrr” “We hebben een match, in Tbilisi!” klonk het verheugd. “Tbilisi? Waar ligt dat?” “In Georgie, het is de hoofdstad” Felix had nog nooit van deze stad of dit land gehoord. Toch nog eens nakijken in de Atlas. Had de meester niet laatst verteld over dit verre land? “Hoe ver is Tbilisi van hier?” “Wel, dat is zeker meer dan 4000 kilometer” “Oh, aan de andere kant van de aarde?” zei hij hoopvol. Georgeos moest een beetje lachen. “Nee, zeker niet zo ver, naar de andere kant van de aarde is het nog veel en veel verder, je kunt deze afstand vergelijken met één keer van hier heen en weer naar Zuid-Frankrijk.” Dat begreep Felix wel, ze waren vorige zomer met het gezin naar Zuid-Frankrijk gereden: uren en urenlang achterin in de auto. Snakkend naar verkoeling en eten in de schaduw. Georgie, zo ver weg! “En..hoor je iets?”vroeg hij nieuwsgierig, zijn oom had de koptelefoon alweer op en was te aandachtig om direct te kunnen antwoorden. Sebas liet het maar zo, hij had nog alle tijd om er naar te vragen. Hij had kerstvakantie! In de vakantie kon hij nog vaker langsgaan dan anders. Hij dronk van zijn cola, at zijn Mars en streelde de dikke vacht van de kat. “Ja, ja, jij hebt altijd vakantie, daarom kun je slapen wanneer je maar wilt.., en wij maar werken!” en dan leunde hij gemakkelijk achterover. ‘Vakantie, school, Tango de kat, vakantie, radio, school, de atlas, Georgie, Tbilisi morse, oom Georgeos…’ allerlei gedachten en beelden flitsen aan hem voorbij. Hij werd er ook soezerig van. Het was alsof hij met bed en al werd opgetild en zag zichzelf met de kat en de hele kamer van bovenaf en het kale hoofd van zijn oom met daarlangs de brede zwarte band van de koptelefoon. Net het hoofd van Mickey Mouse. Daar moest hij even om lachen. Maar al gauw knipperden zijn ogen van slaperigheid en sloot hij zijn ogen. Voor heel even, dacht hij. “!! krrrr pwieff krak pieeeept tuut tuuuii !!” klonk het alarmerend. Met een schok kwam hij overeind, nu werd de kat wel wakker. Hij zag de radiolampjes flikkeren als nooit eerder, zijn oom draaide hevig aan alle knoppen en keek telkens zijn richting uit. Wat was er, waarom schrok hij zo? Wat is er oom, wilde hij vragen, maar het was alsof zijn tong zo groot en dik in zijn mond was dat hij niks meer kon uitbrengen. Hij voelde dat zijn bed wiebelde en bewoog, van voor naar achter van achter naar voor, alweer voelde hij zich opgetild, met bank en al, zijn oren suisden, de wind door zijn haren, ze vlogen door de ether, door zijn straat, hij zag het het huis van zijn moeder, de winkel, de grote kerk, alles zag hij aan zich voorbijgaan om weg te duiken in een onmetelijke ruimte. Waar ging dit heen? De kat en hij klampten zich vast aan elkaar en ze hielden hun ogen strak dicht. Hoe lang gaat dit duren? Na een tijdje kwam de bank tot rust en zweefden ze boven een zonnig en heuvelig landschap met een grote stad. Het was redelijk warm, ook al was het avond in plaats van de late namiddag. Felix durfde weer even te kijken. Maar het schommelen en hevige suizen begon weer, de ogen weer toe, tot plotseling ze weer stilstonden in een totaal vreemde ruimte. “Vin khar shen?” vroeg een krakende stem verbaasd. (wordt vervolgd)

Marie Jos
0 0

Het vet van mager zijn

  Narcissen zij moeten altijd lijden, wachten op een zot die met de scharen van een kreeft hen eindelijk bevrijden komt. Alle bollen in de grond zitten bovendien te vol met wrede drang om kleuren vast te leggen in een bloem. Behalve kluizenaars die dolgraag eenzaamheid verkrachten, weet echt iedereen hoe het fijn is een vriend te hebben die een vreemde geest kan lezen, voelen laat dat zelfs in duisternis twee vuurvliegjes alles samen kunnen zien. En toch, zegt Ignace, is alles slechts verzonnen. Tweelingen. Vissen. Zij kunnen niet eens vrijuit zwemmen door dat eindeloos heelal. Ik knik en wij drinken opnieuw, urenlang en zonder zonde, glazen vol met Mort Subite. Wij zijn redelijk gerust. Onze binnenkandse vluchten zullen nimmer crashen met een zwarte Black Hawk helikopter. Bovendien, vriend Bernd, zo zegt Ignace, de winter hoeft niet zomaar vrezen dat een lente hem weer komt vermoorden. Twijfel met frieten en Andalosersaus. Twee porties zijn besteld en ik hoef dat ook niet te bevestigen aan Ignace dat zekerheid mij echt niet kwelt. Ja, en geloof mij maar wanneer ik zeg dat zelfs Descartes een paranoïde geest had die best lelijk ijlde.  Net zoals volwassen die hier komen en aanvankelijk nog twijfelen of Alfred Frietkabouter deze frituur werkelijk al jaren openhoudt, zo moest ook Descartes eerst aarzelen en aannemen dat hij misschien niet eens bestond. Het is enkel een gek die deze vraag dan met de ogen dicht beantwoordt en gelooft dat wat hij denkt niet slechts gedroomd wordt door een zeemeermin diep in de oceaan. Zout. Maar niet veel. Frieten willen droge lippen niet ontmoeten omdat tranen omgeleid zijn naar de Dode Zee. Wij hebben echt geluk. Ignace en ik. Dat wij toch gewoon bestaan. Dat wij ware vrienden zijn die symbiose helemaal begrijpen. Samen houden van. Wij kunnen dat. Een kabouterfrietkot bezoeken bijna elke dag. Wij doen dat. Trouwens. Hier is het papier enorm groot. Groot genoeg voor olifantenporties. Het is papier dat balpennen over het bestaan vertelt. Hier geloven wij. In aardappelen. In aarde. Hier kunnen wij voelen. Hoe het is. Om tijdelijk gedompeld te worden. In het vet van mager zijn.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
5 0

Varkensbaai

  Het is uitermate moeilijk. Om eenvoudig te zijn. Kijk maar naar het zwijn dat zijn tattoo laat zien met zeugenspreuken. Gisteren nam ik onze haan nog bij de nek en met een schaar heb ik die kam toen afgeknipt. Het is gelijk een punker die plots skinhead wordt, een zot die al zijn fratsen snel verbrandt. Kijk ook naar dit zwijn dat in zijn staart een knoopje heeft gelegd. Noem dan zoiets simpelweg origineel. Zoveel is er nodig om oud brood nieuw leven in te blazen. Hitte van een broodrooster, de angst voor harde korsten op een zachte ziel. Ik weet het nochtans goed. Groots zijn rampspoed en de moed die daarna nodig is. Een Duitse vriend van mij, hij lacht altijd domweg. Zijn grap vertelt dat zonder Traum een Trauma niet bestaat  Echt. Ik spaar dat allemaal. Vlinderlijken, uitspraken die het vergaten weg te vliegen. Mijn geest is zo bedrogen als een hoerenhart kan zijn. Neem nog wat hesp, zegt een witte boterham die uit een zak gekropen komt. De korsten, geesteling, die kan je sparen voor de varkens, dat mag ook. Straks smeer ik hem. Wees maar gerust. De vlucht, het brood en zwarte piet met zijn te zoete chocokop ligt lamlendig te wachten op december. Durf. Dat heb ik nog. De morgen kent mijn ochtendritueel, die wederopstanding. Elke supermarkt, iedere tegelvloer, enkel broodsnijmachine moet vandaag op zijn hoede zijn. Ja. Ik heb zoveel ellende verzameld dat het toestel met die vele messen alles mogen kelen. Camera's die normaal dieven vangen, zullen alles filmen, zien hoe alles schoon wordt verbrijzeld. Varkens zullen lopen door de gangen. Winkelkarren zullen huilen omdat niemand echt  eentonighheid begrijpt. Daarom, gij beest, gij zwijn, blijft in uw kot op deze dag waarop de hoer van al dat welzijn een dag vrijaf genomen heeft. Het strand wil immers op zo'n onverlegen dag haar blote kont, die witte billen voelen. Onschuld komt straks met de vloed en Blankenberge zal een Baai voorzien voor al dat aangespoeld verlangen. Vissersmeisjes zullen aan de graten likken, hechtingen bevrijdn van de spanning en die roze modderwroeters mogen al mijn littekens verslinden.     uit de reeks 'Over eelt en zurkeltttelt'      

Bernd Vanderbilt
2 0

De boktor is een beest

  In het vuur van een wezen daar brandt het vaak.  De maan die bij nacht hun lusten eindeloos aanschouwen moet, zij kijkt nooit weg omdat men met haar fijne licht het spel bekijken wil. Toch sluit het beest in de man zeer vaak de ogen als het denkt zich weer te hebben voortgeplant. De vrouw die op haar knieën zat om zich als een mals konijn opnieuw te laten pakken, slaapt nu op haar zijde. Met een blik die zoet leek als een wespennest dat zich verborg, had zij hem de ogen ingekeken. Zijn berusting in de zinloosheid werd nog een keertje omgebogen in verlangen.  Ze zouden het liefde kunnen noemen. Dat hadden ze ooit op een donderdag besproken om dan een vrijdag zijn genot te geven. Was de lakens proper op een zaterdag om zondag al zijn witte onschuld schoon terug te geven. Zo leven zij. Ze neuken op maandag, als dat hemellichaam weer wat licht wil geven, doen het dan opnieuw op vrijdag. Hoe zielig. Hij lijkt een luie boktor die niet elke dag het hout doorboren mag. Zij is dan weer een spons die tijdens dat gedoe zijn klein verdriet met lust vermengen mag. Intussen braakt een baby in zijn wieg en liegt het leven schaamteloos over oprecht geluk. Sprokkel dan wat hout, gij koudelingen, om de haard op kille dagen langzaam met wat tintelingen op te warmen. Het is, ocharme, lang geleden dat de schoonheid nog haar heupen echt mocht aaien. Het is gelijk een zon die nooit echt zeer dicht mag komen om de bloemen en hun pracht niet zomaar te verschroeien. Misschien bloeit in de lente nog een keer de kerselaar en valt die witte bloesem op het lichaam van een zuiver kutje dat alleen maar naar een tong verlangt.     uit de reeks 'Hormonoloog'

Bernd Vanderbilt
0 0

De dood van rood en wit

  Ik ken geen rood meer, voel enkel nog mijn hartslag, weet dat aderen die kleur verdragen. Ondanks alle wreedheid van de wereld die met vuile ijver bovenop een laag met oorlogspuin gebouwd werd, eet men daar gewoon tomaten in de tinten van verscheurd erbarmen. Wie zonnebloemen schildert die men rond een kerkhof heeft gezaaid, gebruikt een geel dat grijs een deklaag poogt te geven. Liefste, weten de flamingo's wel in welk bruin hun poten staan? Hebben eieren die kleur gestolen van een zalm die zich wat bleekjes voelde op een zieke dag? Wat mijn ogen vrede geeft wanneer de maan zich leeggezogen heeft, is zonder twijfel zwart waarin de ogen van de uil niet reflecteren durven. Ik ben gerust dat ik zelfs zonder beelden die mijn kijk verzamelde, nog dromen maken kan waarin jij weer verschijnt. Er ging genoeg vooraf. Zo denk ik soms verkeerd. Ik kon de regenbogen niet negeren toen er zonnestralen blinde druppels een toneeltje deden spelen. De oorlogen die in jouw wereld woeden, weten zonder twijfel dat het wit van vrede nooit in deze regenbogen leeft. Zelfs wolken de zijn nooit helemaal gezuiverd van de grijze tinten die een schaduw altijd in zich draagt. Vandaag is de sinaasappel niet eens verdrietig omdat het oranje plots bezoedeld werd met veel onzichtbaar rood. Daarom heb ik nog hoop, dat wegen zonder richting mij ooit vinden zullen, groene aren spreken willen tegen stemmen die om uitleg vragen over nut en reisdoelen. Wacht wel geen eeuwigheid, mijn lieveling, want de moerassen breiden zich voortdurend uit. Ze reiken haast tot aan de lippen van de moed die ik nog heb.     uit de reeks 'Waanhoop'  

Bernd Vanderbilt
0 0

SCHADEVERGOEDING

‘Ik loop wel even naar de Carrefour,’ zei Peter, alsof het de badkamer was.           ‘Zou je dat echt willen doen?’          ‘Natuurlijk,’ zei hij. ‘Waarom niet?’          ‘Omdat het leuker is om het niet te doen?’          ‘Ik zal Leo meepakken. Alles is leuker met Leo erbij.’          Lisa zette haar handen in haar zij. ‘Je zoon gebruiken om aandacht te krijgen van andere vrouwen? Niet netjes.’          ‘Ik heb Leo daar niet voor nodig.’          Lisa was wortelen aan het schillen. Een voor een hield ze ze boven een witte kom en ging met een dunschiller over het grillige oppervlak. Zo nu en dan bleef er een schil op de rug van haar hand plakken, die ze er met haar andere hand weer afpelde. De andere groenten – ui, knoflook, prei, selderij, tomaat – had ze al in kleine blokjes gesneden, en die lagen per kleur op een diep bord. Het geluid van haar koksmes tegen de eikenhouten snijplank was wat Peter aanvankelijk naar de keuken had gelokt.          Ze hadden het aan Pierre kunnen vragen. Sinds de allereerste dag dat Peter en Lisa hier woonden, had Pierre geen kans onbenut gelaten om hen te zeggen hoe blij hij wel niet was dat zij zijn nieuwe buren waren. Waarna hij een klaagzang afstak over de vorige huurder, die dj was en alle dagen exact tot tien uur achter zijn draaitafels had gestaan, speciaal om hem te treiteren. Maar zodra ze Leo hadden gekregen – nee, zodra Pierre wist dat Lisa zwanger was – was er niets meer van zijn geklaag, noch van zijn blijdschap overgebleven. En hun andere buren waren studenten. Van hen wilde je nog geen schoonmaakmiddel lenen, gesteld dat ze dat hadden.          Peter haalde Leo’s spullen voor buiten. Aankleden ging veel makkelijker nu hij kon zitten. Je moest wel bij hem blijven als je hem bijvoorbeeld op het aanrecht neerzette, zoals Peter altijd deed om zijn rug te sparen. Maar je hoefde hem tenminste niet meer op het verzorgingskussen te verrollen, en voor Leo was dat vast ook aangenamer. Het lastigste was zijn schoenen aantrekken. Gewoonlijk droeg Leo antislipschoenen. Die leken meer op sokken dan op schoenen en waren stroever om aan te trekken, hoewel de stof elastisch was. Een keer had Peter Leo’s voeten te hoog opgetild, waardoor het ventje achterover op zijn hoofd was gevallen. Zolang hij meteen begint te huilen, had de kraamverzorgende gezegd, is er niets ernstigs aan de hand. En dat was waar gebleken. Toch had hij het niet aan Lisa durven te zeggen. Sindsdien schoof hij Leo helemaal naar achteren, zodat hij met zijn rug tegen de vensterbank leunde. Als laatste zette hij zijn strikmutsje op en gaf hij hem een zoen op het voorhoofd, omdat hij er zo verschrikkelijk schattig uitzag – net een dikke waterpolospeler.          ‘Neem de kinderwagen,’ zei Lisa, terwijl ze de geschilde wortelen in stukken sneed.          ‘Het is maar tweehonderd meter,’ zei Peter. ‘In huis leg ik kilometers af met Leo op mijn arm.’          ‘In huis rijden geen auto’s.’          ‘Ik zal goed uitkijken als ik oversteek.’          Lisa zuchtte. ‘Doe wat je niet laten kunt.’          Peter negeerde haar laatste opmerking. Anders kwam er beslist ruzie van. De laatste tijd eindigde elke ruzie in dezelfde patstelling: hij was een flierefluiter die zich nergens iets van aan trok; zij een dramaqueen die van een mug een olifant maakte. Het probleem was dat het waar was. Alles gleed van hem af als water van een eend. Maar waarom zou hij dat willen veranderen? Wie was er ooit al beter geworden van piekeren? Lisa in ieder geval niet. En ze gaf het nog toe ook. Maar in plaats van ermee stoppen, nam ze hem kwalijk dat hij niet met haar meedeed. Op haar ergst had ze haar natte gezicht naar hem toegedraaid, als een wenende Madonna, en gepredikt: ‘Soms denk ik dat je dood bent vanbinnen.’ Dat leek natuurlijk zo naast iemand die te pathetisch was voor The Bold and the Beautiful.          Maar hij begreep het ook wel. Het was erg moeilijk geweest voor hen om zwanger te worden, en zoiets liet sporen na. Drie jaar hadden ze geprobeerd voordat ze medisch hulp hadden gezocht. Te lang, achteraf gezien. Maar ja, het was niet alsof ze zoiets al eerder hadden gedaan. En dan moest het eigenlijk nog beginnen: de inspuitingen (Lisa die haar buikvel tussen duim en wijsvinger nam om er een fijne naald in te drijven), de pick-up (Lisa’s follikels die door een dun slangetje werden leeggezogen), het afleveren van het spermastaal (de geluidloze porno die Peter daarbij moest helpen), de terugplaatsing (Lisa die met een volle blaas naar het ziekenhuis moest, zodat haar baarmoeder beter zichtbaar was op echo), de teleurstelling als de zwangerschapstest negatief was (en de daardoor gestegen verwachting dat het de volgende keer wel zou lukken) – en dat zes keer na elkaar, totdat de fertiliteitsarts zelf de handdoek in de ring gooide.          Kon je daarna het ouderschap nog wel onbevangen tegemoet treden?          Je hoorde wel eens zulke verhalen. Zodra ze ophielden met proberen, was het prijs. De een schreef het toe aan stress, de ander aan louter toeval. Wat het ook was, Lisa was zwanger. En dat was het enige wat telde. Althans voor Peter. Voor hem waren hun problemen voorgoed voorbij. Voor Lisa daarentegen begon een lang verwerkingsproces.          Peter deed zijn jas en schoenen aan, en wikkelde de sjaal, die Lisa voor hem had gebreid, om zijn nek. Het was een wollen sjaal met beige, gele en auberginekleurige strepen. Hij prikte niet, en de kleuren pasten goed bij zijn blonde haar. Maar hij zag er zo bohemien mee uit, en dat stoorde hem. Lisa had het in zijn blik gelezen, toen hij hem uit de verpakking haalde. Verrassend genoeg maakte dat hem op een moment als dit des te geschikter.          Hij pakte het dikke waterpolospelertje uit de wipstoel naast de keukentafel en gaf Lisa een eskimokus. ‘Maak je geen zorgen,’ zei hij en grijnsde. ‘Maak soep.’   * * *   Zodra hij de deur achter zich dichttrok, was Peter Lisa’s opmerking alweer vergeten. Buiten lag een wereld vol verrassingen die altijd een gevoel van verwachting in hem opriep. Zich bewust van dat gevoel hoopte hij dat Leo het later ook zou mogen ervaren. Het was overal, voor wie het wilde zien. Hij glimlachte en stak de straat over en liep langs het pad bij de rivier, waar je het hele jaar door – zelfs nu – kajakkers en suppers hoorde peddelen. Boven op een van de lantaarnpalen, die ‘s nacht het kronkelige pad verlichtten, zat een jonge kokmeeuw met nog wat bruin tussen haar witte veren. Het dier zag er niet al te best uit: mager en wankel op zijn dunne poten. Maar hij haalde het wel, dacht Peter. De dagen lengden, het weer was zacht en de eerste krokussen waren al ontloken. Toen hij bij de meidoorn aankwam, keek Peter waar hij liep, want daar was het pad het meest oneffen. Pas toen hij het bord zag, helemaal aan het eind, waarop de heraanleg van het pad werd aangekondigd, besefte hij dat het eigenlijk allang had moeten gebeuren.          Daar, op die plek, kijkend naar de letters op het aanplakbiljet, realiseerde Peter zich dat hij niet wist welke bouillon Lisa precies nodig had. Rund-, varkens-, kippen-, vis-, schaaldier- of groentebouillon? Voor hem maakte het niets uit. Voor Lisa eigenlijk ook niet, al besefte ze dat zelf niet. Peter had ooit witloofsoep gemaakt met visbouillon, en Lisa had niets gemerkt. Een flinke scheut room en wat gruyère erbij, en de vissmaak was zo goed als verdwenen. Maar aangezien Lisa degene was die nu de soep maakte, werd het soort bouillon ineens van levensbelang. Dus besloot hij haar maar even te bellen.          Alleen, hij had zijn telefoon niet bij zich. Die lag thuis in de woonkamer aan de oplader. Hij kon teruggaan – hij was nog maar halverwege – maar dan zou Lisa doorhebben dat hij zijn telefoon was vergeten, en dat betekende gezeur. Als hij haar alles liet bepalen, mocht hij niet zonder naar de wc.          Daarom besloot hij verschillende soorten bouillon te kopen, onder het mom dat het altijd handig was om in huis te hebben. Bovendien bleef bouillon jarenlang goed – of dat dacht hij toch. En tegen de tijd dat Lisa zou vragen waarom hij haar niet gebeld had, zou hij zijn telefoon allang weer in zijn broekzak hebben.          Tevreden liep Peter verder over de voetgangersbrug, die uitkwam bij de achterkant van de supermarkt, waar stinkende containers stonden en vrachtwagens af en aan reden om te voldoen aan de onophoudelijke vraag van de omwonende klanten.          ‘We zijn er,’ zei Peter tegen Leo, die kennelijk tegen de vrouw brabbelde, die een eindje achter hen aan had gelopen. De vrouw haalde hen in zodra ze door de schuifdeuren waren gelopen en glimlachte vertederd naar Peter.          ‘Je moest je schamen,’ zei hij, toen de vrouw weg was. ‘Ze had je oma kunnen zijn!’          Peter hield van deze Carrefour. Hij was niet zo netjes als de Carrefour waar hij vroeger met zijn moeder boodschappen deed. De tegels waren gebarsten, de reclameposters vergeeld, en hier en daar knipperde een tl-buis. Hij bevond zich dan ook, in tegenstelling tot die van zijn ouders, in de stad. Hier kon je onbeschaamd een sneetje brood in je mond stoppen voordat je had afgerekend. Hier keek niemand raar op als je een mango bij de ontbijtgranen achterliet omdat je je op het laatste moment bedacht. Als je dat buiten de stad deed, werd je niet zozeer door het personeel – al was dat niet uitgesloten – als wel door de andere klanten op het matje geroepen. Orde moest er zijn. Ja. Maar wanorde ook. En dat besefte die rijkelui niet. Als Alexander Fleming zijn petrischaal niet was vergeten af te dekken, had hij penicilline niet ontdekt. Iemand anders had het dan wel wat later ontdekt, akkoord. Maar hoeveel overlijdens hadden er niet voorkomen kunnen worden?          In de rayon sauzen en oliën zette hij Leo op de grond en liet hem kruipen. Leo schoot uit de startblokken als een opwindspeelgoedje. Peter ging voor de bouillonblokjes staan en bekeek de opties. Welk merk moest hij kiezen? Knorr, Liebig, Maggi, Carrefour? Of moest hij enkel rekening houden met de prijs? Hij zette een stap naar achteren en keek naar de gele, groene en bruine kleuren, terwijl met zijn hand zijn haar ging.          ‘Daar mag je niet komen, hoor!’ zei Peter.          Een paar meter verderop was een lege plek in het onderste schap, en Leo probeerde erin te klauteren. Hij was al halverwege, en zijn korte beentjes staken eruit, met de schoenzolen naar boven. Peter zou hem ongehinderd laten exploreren, ware het niet dat er zowel links als rechts van de lege plek glazen flessen stonden, gevuld met olie.          Toen hij zich bukte om Leo op te pakken, zag Peter een jonge vrouw de rayon inkijken.          Ze was niet veel ouder dan hij, had lang bruin krullend haar en woeste ogen die zich van de wereld leken af te keren. Haar kleren waren heel gewoon. Peter dacht zelfs dat Lisa dezelfde trui had: een rode, oversized trui van H&M. Toch leken ze niet bij elkaar te passen. Het had niets met slechte smaak te maken – afzonderlijk waren al haar kleren prima – maar alles met een vreemd soort willekeur die, om een of andere reden, Peters haren recht overeind deed staan.           De jonge vrouw wierp nog een blik op Leo, alsof ze iets overweging nam, en verdween.          Zocht waarschijnlijk een winkelmedewerker, dacht Peter. Vandaar de teleurstelling in haar ogen toen ze hem had aangekeken.          Hij pakte Leo op, nam een paar doosjes bouillon van het schap, stopte die in zijn jaszak en liep naar de kassa’s vooraan in de winkel.          In de rij kreeg Leo het te kwaad en begon te huilen. Peter had geen idee waarom. Het was nog geen tijd voor zijn dutje, noch voor zijn flesje, en hij had nog maar net een schone luier om – voor de zekerheid stopte Peter zijn neus in Leo’s broek: billenzalf. Misschien verveelde Leo zich? Peter verveelde zich. Die rij schoot maar niet op, en intussen was het binnen te warm voor een jas – waarom hielden ze daar geen rekening mee?          ‘Zullen we van Dulle Griet spelen?’ vroeg hij aan Leo, die nog niet helemaal overtuigd leek. ‘Zullen we het kanon nog een keertje afvuren?’          Terwijl hij Leo, die meteen ophield met huilen, een paar keer de lucht in lanceerde en weer opving, hoorde Peter twee oudere vrouwen tegen elkaar mompelen dat het onverantwoord van hem was. Hij negeerde hen. Het zou inderdaad onverantwoord zijn als zij het deden; ze waren er te oud voor. Zo oud, blijkbaar, dat ze zich niet meer herinnerde ooit jong te zijn geweest.          Het kwam uit de winkel.          Iedereen hield op met praten en keek elkaar aan. Zelfs de caissières stopten met scannen. Alleen de muziek, waarvan Peter zich tot dan toe niet bewust was geweest, speelde door. Sommige caissières stonden op om te kijken wat er aan de hand was, hoewel je, van waar ze stonden, niet veel meer kon zien dan nerveuze lichamen die chaotisch heen en weer renden tussen de metershoge rekken. Een winkelmedewerker, die het impulsrek bij een van de kassa’s aan het aanvullen was, deed iets op slot met een sleutel en zette het op een drafje in de richting van het gebrul.          Om dit geluid te kunnen produceren, moest je wel in een uitzonderlijke toestand verkeren. Het had de verontrustende intensiteit van chimpansees wier leider het leven liet onder de neerkomende vuisten van een rivaliserende troep.           Dit was doodernstig.          Enkele mannen maakten zich los uit de rijen. Peter wist dat hij het beter niet moest doen, maar hij kon de verleiding niet weerstaan. Hij kon best een kijkje nemen, vond hij, én op veilige afstand blijven. Het ging tenslotte om een dame in nood, niet om pistoolschoten. Trouwens, hoe moest hij de situatie correct inschatten als hij niet wist in wat voor situatie hij zich bevond?          Het was de jonge vrouw met de rode, oversized trui. Ze zat op haar knieën in het middenpad en sloeg wild met haar armen om zich heen. Tranen sprongen uit haar ogen, speeksel droop uit haar opengesperde mond. Zo te zien was niet gewond.          De winkelmedewerker, die daarnet op een drafje hiernaartoe was gelopen, zat naast haar op de grond en probeerde haar te kalmeren. ‘Waar hebt u …’ zei ze. ‘Mevrouw, waar hebt u voor het laatst … Mevrouw, probeert u toch kalm te worden! Het is erg belangrijk! Mevrouw …’          Toen zag Peter het winkelwagentje staan. Er zat een beetje van alles in: groente, fruit, brood, beleg, ontbijtgranen, melk, frisdrank, wc-papier en wattenstaafjes. Maar ook verschillende potjes babyvoeding, vochtige doekjes en een pak luiers. Later zou Peter zich vooral de handtas van Louis Vuitton herinneren, en de bijbehorende gedachte dat de jonge vrouw zich die, tenzij ze nep was, helemaal niet kon veroorloven.          Maar wat zijn aandacht werkelijk trok, was de Maxi-Cosi, dwars over het winkelwagentje, zonder baby erin.          Een andere winkelmedewerker, een jobstudent waarschijnlijk, want hij zag er tamelijk jong uit en droeg een ander uniform, kwam bij zijn collega staan en vroeg wat er aan de hand was.          ‘Ga Pol halen!’ zei de winkelmedewerkster.           ‘Wie is Pol?’          ‘De bewakingsagent,’ zei de winkelmedewerkster, zonder zich te ergeren. Daar scheen ze geen tijd voor te hebben. ‘Zeg tegen Pol dat hij alles onmiddellijk afsluit. Niemand mag er nog in of uit!’          De jobstudent zette het op een lopen.           ‘Als hij niet bij de ingang staat, zit hij in zijn kantoor!’ riep ze hem na. ‘Recht tegenover de kantine!’          Zodra hij hoorde dat ze de winkel gingen afsluiten, besloot Peter zich uit de voeten te maken. Dit zou weleens lang kunnen duren. Misschien raakt hij hier nog op tijd buiten. Met of zonder bouillon. Verkochten ze bouillonblokjes bij de kruidenier?          Toen hij de rayon met tijdschriften uitliep, die uitgaf op de kassa’s, werd hem plotseling de weg versperd door een sportieve man met een grijze stoppelbaard. ‘Ik er een gevonden!’ schreeuwde hij.          Peter keek achter zich. Toen hij weer voor zich keek, hadden drie andere mannen zich bij de man met de grijze stoppelbaard gevoegd.          ‘Wat heb je gevonden?’ stamelde Peter, zich nog niet ten volle realiserend waarbij hij betrokken was geraakt.          ‘Een verdachte.’          ‘Een verdachte?’ herhaalde Peter. ‘Verdacht waarvan?’ Hij wist het al, maar hij moest het horen om het te geloven.          De mannen keken elkaar aan. ‘Daar trappen wij niet, klootzak,’ zei de kleinste van de vier ten slotte.          Peters buik kromp ineen. Hij pakte Leo beter vast en drukte hem tegen zich aan.          ‘We weten nog niet zeker of het wel de juiste baby is,’ kwam de man met de grijze stoppelbaard tussenbeide.          ‘Zie jij hier soms een andere baby?’ zei de kleine man.           ‘Nee, maar –’          ‘Awel, dan,’ zei de kleine man. ‘We hebben je te pakken, kerel.’ Hij zette enkele stappen naar voren en stak zijn armen uit. ‘Geef die baby dus maar hier.’          Peter moest Leo iets te hard tegen zich aan hebben gedrukt, want hij begon weer te huilen. Peter verslapte zijn grip, wendde zich af van de armen van de kleine man en zei: ‘Ik steek je achterlijke ogen uit. Ik zweer het je, kerel.’          De man met het stoppelbaardje trok de kleine man aan zijn schouder achteruit. ‘Niemand neemt je baby af.’          De kleine man sloeg de hand van zijn schouder en keek kwaad naar de man met de grijze stoppelbaard.          ‘Als het echt jouw baby is,’ zei de man met de stoppelbaard, terwijl hij de kleine man negeerde, ‘dan vind je het vast niet erg om eventjes met ons mee te gaan. Gewoon om zeker te zijn. De winkel is toch afgesloten. Als jouw baby gestolen was, zou je vast willen dat we even grondig te werk gingen. Nietwaar?’          Hij zou naar de jonge vrouw toegaan, zij zou in een oogopslag zien dat het niet haar kind was dat hij in zijn armen hield, en de mannen, die hem nu flankeerden als lijfwachten, zouden hem weer laten gaan. Peter wilde haar de teleurstelling besparen, maar hij had geen keuze. De mannen lieten hem geen andere. Dat was voor hun rekening; zijn geweten was zuiver.          ‘Poppemieke! Poppemieke! Poppemieke!’ snikte de jonge vrouw met schorre stem, terwijl ze op Peter toesnelde.          ‘Houd die zottin van me weg!’ schreeuwde Peter, terwijl hij achteruitdeinsde. ‘Houd ze weg!’          De jonge vrouw glipte langs de man met de grijze stoppelbaard, maar die wist haar op het nippertje tegen te houden. Hij pakte haar bij de kraag en rukte haar weg van Peter en Leo, die bij het ontwijken tegen de man achter hen aanliepen. Vervolgens bracht de jonge vrouw haar mond naar de hand van de man met de grijze stoppelbaard, waardoor hij het uitschreeuwde van de pijn. Daarop schoot de kleine man de man met de grijze stoppelbaard te hulp. Maar net toen de kleine man de jonge vrouw wilde vastgrijpen, kwam ze weer overeind en stootte hem daarbij tegen het hoofd. De kleine man greep naar zijn neus, struikelde achterwaarts en kwam op zijn billen terecht. Hij moest iets nats hebben gevoeld, want hij keek naar de palm van zijn hand, die rood zag van het bloed.          Uiteindelijk vereiste het vijf mensen om de jonge vrouw, die haar eigen kracht niet kende, in bedwang te houden.          Toen ze beloofd had om kalm te blijven, stond iedereen elkaar hijgend aan te kijken.          Enkele omstanders werden kwaad.           ‘Geef haar terug!’ riep iemand.          ‘Ja,’ zei nog iemand. ‘Geef haar terug!’          ‘Het is een jongen!’ zei Peter, met meer overtuiging dan ooit tevoren. ‘Het is een jongen, en zijn naam is Leo.’          Bij het horen van zijn naam begon Leo onbedaarlijke te huilen, alsof hij dacht dat zijn vader hem berispte.          ‘Bewijs het!’          Peter had het gevoel dat hij in een draaikolk verdween.          ‘Bewijs het!’          ‘Zijn jullie compleet gek geworden?’ hoorde hij zichzelf zeggen. ‘Mijn zoon zijn … spel aan jullie tonen? Mooi niet!’          Toen zag Peter de oma die bij het binnenkomen vertederd naar hem had geglimlacht. ‘Jij!’ zei hij. ‘Jij zag ons binnenkomen! Jij herkent ons! Je zag ons samen binnenkomen! Je glimlachte!’          Iedereen keek nu naar de oma, die rood aanliep. ‘Ik … Ik ben slecht in het herkennen van gezicht. Het spijt me.’          ‘Maar je herinnert je toch dat je een jongeman met een baby de winkel zag binnenlopen?’          Ze keek naar de grond.          ‘Godverdomme,’ zei Peter.          Toen werd het stil. De geladen stilte van een rechtbank, vlak voor het vonnis, wanneer de rechter de zaal binnenkomt en iedereen gaat staan als teken van respect. Het was een van de winkelmedewerkers die de stilte als eerste doorbrak, door zich hardop af te vragen waar de politie bleef, waarop de bewakingsagent, die de politie blijkbaar al had verwittigd, op zijn horloge keek en zei dat ze ieder moment konden arriveren. Dit korte gesprek, dat slechts uit een vraag en een antwoord bestond, uit een verzuchting en een poging om die verzuchting tegemoet te komen, zorgde er uiteindelijk voor dat de jonge vrouw onder de druk bezweek. Plotseling zette ze het op een lopen. De achtervolging werd ingezet, maar ze wist te ontkomen, en even later konden ze haar niet meer vinden.          De bewakingsagent werd gebeld. Samen met de manager haastte hij zich naar de ingang om de politie binnen te laten.          Het viel Peter op hoe traag de agenten kwamen aangelopen. Werd hen dit aangeleerd? Ren niet. Het veroorzaakt onrust en schaadt je gezag. Voor Peter werkte het. Hij voelde opluchting terwijl hij ernaar keek.          Ze vroegen om zijn identiteitskaart en namen de hare uit de Louis-Vuitton-handtas in het winkelwagentje. Vervolgens praatte de ene agent met Peter, terwijl de andere, die een eindje verderop liep, buiten gehoorsafstand, hen allebei natrok. Ten slotte zochten ze, opnieuw samen met de manager, de hele winkel af, voortdurend roepend dat ze haar geen kwaad zouden doen, maar enkel even met haar wilden praten. Om meer overtuigingskracht te hebben, gebruikten ze haar voornaam, die Shana bleek te zijn. Ze vonden haar onder in een rek in de speelgoedafdeling, waar ze deed alsof ze sliep.   * * *   Diezelfde dag nog werd Peter gebeld door een reporter van Het Laatste Nieuws, die er een artikel over wilde schrijven. Een mislukte kidnapping noemde hij het. Hij zei blij te zijn dat het goed was afgelopen. Zowel voor Peter als voor zijn lezers, die dat eigenlijk veel liever lazen. Om de vier à vijf zinnen moest de man de toon van zijn stem weer omlaag brengen, alsof hij zich telkens van zijn eigen opwinding bewust werd en ze vervolgens weer onderdrukte. Hij vroeg naar een foto van Leo, maar die wilde Peter hem niet geven. Hij plaatste nooit foto’s van Leo op sociale media. Waarom zou hij er dan een aan een reporter geven? De man liet een geforceerd lachje horen. Een paar uur later begreep Peter de betekenis van dat lachje, toen iemand hem het artikel doorstuurde. Direct na Leo’s geboorte had Peter één foto op Instagram gedeeld. Erop lag Leo ingebakerd in zijn ledikant als een ontpoppende vlinder. Precies die had de reporter gebruikt. Hoewel hij had gevraagd of hij foto's van Instagram mocht gebruiken, was Peter die ene foto van Leo vergeten.          ‘Misschien moet ik mijn ouders maar eens bellen,’ zei Peter tegen Lisa.          ‘Heb je dat nog niet gedaan?’ Vanaf dat moment nam Lisa de rol van woordvoerster op zich. De stroom mensen die wilden horen wat er gebeurd was, droogde niet op maar zwol juist aan, en Peter had er steeds minder zin in om erover te praten. Doorgaans richtten mensen zich tot hem, dus gaf hij altijd de eerste aanzet, waarna Lisa, die het al gauw beter kon navertellen dan hij, het van hem overnam.          Zodra ze wist dat alle ogen op haar gericht waren, boog ze naar voren over de tafel, alsof ze een geheim ging vertellen, en stak van wal.          Peter merkte een verandering bij haar op. Ze kreeg een glazige blik in haar ogen, haar schouders ontspanden, en ze frunnikte niet aan haar armbandjes, wat ze normaal wel deed als ze moest spreken voor meer dan één persoon.          Daarnaast waren er delen die ze overdreef. Zoals de soep. Als je haar mocht geloven, maakte ze iedere week soep, terwijl Peter de keren dat hij zich herinnerde op één hand kon tellen.           Ook haar ongerustheid dikte ze aan. Bij elke vertelling werd ze een beetje ongeruster, totdat ze welhaast in een staat van blinde paniek verkeerde. In werkelijkheid lag ze te slapen. Althans, dat vermoedde Peter. Ze veerde overeind toen hij, terug van de supermarkt, de woonkamer was binnengekomen. Hij herinnerde zich hoe het gele kussen waarop ze had gelegen zich langzaam weer volzoog met lucht.          Lisa noemde de kidnapster van haar zoon ‘die arme vrouw’ en viel zichzelf voortdurend in de rede om bij het onfortuinlijke lot van dat mens stil te staan. Ze was tenslotte een moeder, zei ze. Net zoals zij. Alsof het voor een vader minder erg was om zijn kind te verliezen.          Een keer, toen ze op het punt van de confrontatie was aanbeland, raakte ze zelfs een beetje van streek. Ze schraapte haar keel en schudde haar hoofd.           ‘Ik begrijp niet,’ zei ze, ‘hoe Peter kon aanzien dat die arme vrouw door vijf mensen in bedwang werd gehouden.’          Peter wilde haar een klap geven. ‘Die arme vrouw’ was gek. Ze hadden haar al veel eerder moeten opsluiten. Dat had de politieagent zelf aan hem toegegeven. Kennelijk was ze niet aan haar proefstuk toe; de vorige keer hadden ze haar moeten laten gaan wegens een gebrek aan bewijzen. Aan de andere kant hield Lisa hem uit de wind, dus liet hij het er maar bij.             Lisa rondde het verhaal af, waar ze het was begonnen: bij de soep. Peter stormde het huis binnen en stotterde wat er gebeurd was, nog voordat hij zijn jas en schoenen had uitgedaan. Onthutst door wat ze hoorde, nam Lisa Leo van hem over, trok zijn jasje uit en zette hem in zijn box. Toen ze Peter, die maar bleef ratelen, een knuffel gaf, voelde ze iets in zijn jaszak zitten: de bouillonblokjes. In alle commotie was hij vergeten te betalen. Ook de agent, onder wiens begeleiding Peter door de beveiligingspoortjes was gelopen, had de uitstekende doosjes niet opgemerkt. Hier moest iedereen altijd lachen. Het was een luchtige noot om op te eindigen, met name omdat Peter en Lisa dan begonnen te kibbelen over wat er met de bouillonblokjes moest gebeuren. Peter wilde ze alsnog gaan betalen, maar Lisa niet. Lisa wilde ze houden. Voor haar was het een vorm van schadevergoeding. Het was het minste, vond ze, wat Carrefour voor hen kon doen, na alles wat ze hadden moeten doorstaan.

Kenny De Thaey
0 0

Lang leven

blije monden  trekken mochi aan stukken - winter ozōni *   Ozōni: Meer dan een Nieuwjaarssoep Ozōni is een traditionele Japanse soep met mochi (kleefrijstcake), die tijdens Nieuwjaar wordt gegeten. Dit gerecht is niet alleen een culinaire traditie, maar ook een symbool van geluk, voorspoed en familiebanden. De soep varieert per regio: in Kanto gebruikt men meestal een heldere dashi-bouillon met sojasaus, terwijl in Kansai een witte miso-basis populair is. Naast mochi bevat ozōni vaak ingrediënten zoals kip, vis, daikon, wortel en komatsuna, afhankelijk van de streek en familietradities. Mochi, het belangrijkste ingrediënt , staat symbool voor kracht, doorzettingsvermogen en een lang leven. Omdat het plakkerig en rekbaar is, wordt het gezien als een teken van een langdurig en voorspoedig leven. Het samen eten van ozōni op Nieuwjaarsdag versterkt de familiebanden en markeert het begin van een nieuw jaar vol goede wensen. Daarnaast weerspiegelt het gerecht de waardering voor de natuur en de oogst, omdat veel ingrediënten afkomstig zijn uit de regio waarin de soep wordt bereid. Oorspronkelijk werd ozōni zelfs beschouwd als een offermaal aan de goden, waarbij de eerste hap een spirituele betekenis had. De geschiedenis van ozōni gaat terug tot de Muromachi-periode (14e-16e eeuw), toen samoerai het aten als een voedzame maaltijd tijdens veldslagen. Later werd het een feestelijk gerecht voor de adel en uiteindelijk een vast onderdeel van de Japanse Nieuwjaarstradities. Tegenwoordig is ozōni een gerecht vol symboliek, dat niet alleen de regionale diversiteit van Japan weerspiegelt, maar ook de waarden van het land: respect voor traditie, familie en de natuur.    

Margaretha Juta
0 0