Lezen

Monsieur le roi

"Ik eet het graag", zei ik tegen mijn vrouw. "Maar ik ben het niet graag." "Sardientjes", vervolgde ik vooraleer ze kon zeggen dat ze in de tram geen zin had in raadsels. We stonden als sardientjes op elkaar geperst. Sommige mensen waren behoorlijk aan het zweten. De olie in het sardienblikje. Een man achter ons was druk pratende met de vrouw naast hem. Hij sprak Frans, droeg een kleurrijk joggingpak en had een hese stem. Op korte tijd vertelde hij drie keer hetzelfde. Hij leek me een ietwat verward. Hij zag dat ik naar hem keek en sprak me aan. Ik meende te begrijpen dat hij vroeg waar ik uitstapte. "Qui? Moi?", vroeg ik. "Non pas vous. Moi", antwoordde hij. "Ah, je ne sais pas monsieur", zei ik. Een man in een net pak die er twee stoelen naast zat, lachte hartelijk. Hij had grijs golvend haar en droeg witte sneakers. "Hij stapt aan dezelfde halte uit als ik”, zei hij. “Nog drie haltes.” Wij gingen er al aan de volgende halte uit. Een wandeltocht en dan naar de nieuwe zaak op de zeedijk voor een verfrissing. We zuchtten tegelijk. Blij dat we twee bevrijde sardientjes waren. Op het terras riep ik de ober. Het was zowaar de man met het kostuum en het grijs golvend haar van op de tram. Hij lachte om de toevalligheid. “U zegt het juist”, zei hij. “Ik hoor liever ober dan garçon. Wist u trouwens dat er een verschil is tussen een kelner en een ober? Kelner is afgeleid van keldermeester, want daar stond de voorraad. En de ober was de oberkelner of hoofdkelner. Kortom, de baas”, lachte hij. “Maar de klant is toch de koning, niet?”, zei ik knipogend. “Helemaal juist monsieur le roi”, zei hij. Nog luider lachend stapte hij naar binnen.

Rudi Lavreysen
33 1

Bromance

Onze jeugdbeweging kampeert nabij het waterkasteel van Horst, dat striplezers kennen van de reeks De Rode Ridder door Willy Vandersteen, bedenker van Suske en Wiske. Aan de oevers van het meer spelen we het spookspelletje. Iemand zegt: ‘En er verscheen een spook, aan het venster van de eerste verdieping. En wij riepen “Spring, spring!”. Maar dacht je nou werkelijk dat het sprong? Neen hoor, neen hoor.”Dan is de beurt aan de volgende, die zegt:‘En er verscheen een spook, aan het venster van de tweede verdieping. En wij riepen …’ Zo gaat het verder naar de derde, vierde, vijfde, enz … verdieping, tot iemand zich hetzij van etage vergist of de zin fout uitspreekt. Dat is de verliezer, die een taak krijgt opgelegd. Bij de negentiende verdieping stamelt Harry en staart met open mond naar het kasteel: ‘Een spook, een spook, kijk!”‘Neen, Harry, daar trappen wij niet in’, zegt Oscar, de groepsleider. ‘Je bent verloren, je taak is…’‘Het is echt’, zweert Harry en wijst: ‘Er stond een witte gedaante daar in het open raam van de toren.’‘Spijtig voor jou, Harry’, zegt Miriam: ‘het kasteel is al jaren onbewoond en de toegang is dichtgetimmerd.’Harry is lijkbleek: ‘Waarom geloven jullie mij niet? Ik verzeker jullie dat er iets bewoog.’‘Sorry, Harry, niemand heeft iets gezien. Je verliest. Straks moet je de afwas doen’, besluit de leider. Het is al laat wanneer Harry aan de afwas begint. Zijn boezemvriend Johan is een durfal en komt helpen. ‘Ik heb een plan’, zegt hij: ‘ik heb niet voor niets dezelfde voornaam als de ridder uit de stripverhalen en ik zal jou verdedigen. Als iedereen straks slaapt nemen we een van de bootjes en varen stilletjes tot aan de toren. Spoken zie je beter in het duister.’ Zo gezegd, zo gedaan. Beide vrienden sluipen weg zodra Oscars gesnurk hoorbaar is. Ze hebben een zaklamp meegenomen. Helder maanlicht verlicht het meer en miljoenen sterren fonkelen boven de slottorens.‘Romantisch’, zegt Harry.‘We zijn op spokenjacht, man, roei verder’, zucht Johan.Als ze halfweg het meer zijn richt Johan de zaklamp op het openstaande raam.Plots duikt een witte gedaante naar buiten en zweeft over het water. De jongens schrikken zich rot en tuimelen bijna uit de sloep. Dan merken ze dat het een zilverreiger is die landt tussen het riet. Bekomen van de schrik lacht Harry: ‘Ik zei het toch, romantisch!’

Vic de Bourg
23 2

Manisch durven zijn

Je kan last hebben van bepaalde stoornissen als schrijver, zoals er zijn: manisch depressief, bipolair, dyslectisch, ADD, ASS noem maar op. Veel voorkomend bij schrijvers. Of niet? Tja, niet altijd. Net als elke andere mens heb je nu eenmaal te kampen met problemen en moeilijke momenten. En ja soms zitten er achter op de zetel van de racewagen een aantal jeugdtrauma’s, een of andere (leer)stoornis en een etiquette die een therapeut ooit op je kleefde toen je het even allemaal niet meer zag zitten.  Ondanks dat is schrijven voor mij ook manisch durven zijn.  Want het is net zoals met kunst maken: het op een geoorloofde manier in een psychose komen en je ding doen. Een manie in een wereld die je zelf creëert en waarin je helemaal jezelf kan zijn. Net zoals bij een carnavalist, waarbij je als hardwerkende burger even kan ontsnappen aan alle ellende en opgedrongen commerce van wat je moet eten, drinken en zien om je goed te voelen. En net op die momenten wanneer je aan je eigen praalwagen mag werken, dan doe je dat met volle overgave. Dat stukje heb ik mezelf toegeëigend in het schrijven, in mijn geflipte wereld die minder gek is dan de wereld daarbuiten, omdat ik het orde en zin kan geven en woorden als gedachten kan weven in personages die voor mij uitzoeken wat echt belangrijk is, omdat het anders te moeilijk is om uit te leggen. Ik wil wel praten en open communiceren, maar al te vaak blokkeert die deur en blijkt dat er niet geluisterd wordt, of ligt wat je zegt te gevoelig.  Dan keer ik introspectief naar binnen, zoekt die angsten op, zoek de uitgang in het schrijven, van wat ik zie en tonen kan. Massa’s schreef ik zo al, ongepubliceerd. De echte kunstenaar is natuurlijk die mens, die dat kan zonder omwegen en zich daarin kwetsbaar durft tonen. Zo ver ben ik nog niet.  Ik zoek en wonder me heel wat af. Wie ben ik in deze wereld? Hoe vergeet ik, zonder vergeten te worden? Hoe laat ik het verlangen los, om verlangend te zijn? Net als Ingmar Bergman zoek ik me een weg door dit leven heen, om te kunnen blijven staan. Na het bestaan. Dus, als schrijver helpt een kleine psychose op tijd en stond, een geforceerde flow met als gevolg een relatiecrisis. Niet makkelijk voor je naasten, maar het is niet anders.  Schrijven is een gelukkig gebrek waar je bij momenten diepongelukkig mag zijn en andere momenten euforisch. Het is die kleine gekte achter zelf opgezochte gesloten muren, omdat het de enige manier is voor je om te overleven. Het is een dans die je voortdurend oplaadt, van snel, naar traag en zo ritmisch doorheen je leven beweegt, je valt en je staat op, je doet een schaarbeweging en een lift, alles om die ander te entertainen terwijl je jezelf uitput. Want je wil verder geraken, verder dan de dag dat je jezelf verloor en niet meer terugvond. Die dag wil je niet opnieuw meemaken, je wil er wel nog over schrijven, maar met afstand.  Je creëert je eigen labyrint en zet de deur open voor de ander, in de hoop dat die jou vindt en zelf ook helder en duidelijk de uitweg ziet, een mooie uitweg die je uiteindelijk zelf – al schrijvend – ook vindt, waarna je in een nieuw verhaal terecht komt. Of hetzelfde verhaal, maar anders, want ja hoeveel verhalen zijn er al wel niet geschreven? Veel, erg veel, en toch verschillend. Schrijven is manisch, en ook zoveel meer dan dat cliché. Het is hard werken op vrije momenten en geloven dat het kan, dat je echt iets te vertellen hebt en je jezelf in het diepst van je zijn vinden kan, in de hoop dat de ander het begrijpt en je die ander kan meenemen, in een avontuur op weg naar zichzelf.  Zo is het en zou het moeten zijn, voor mij althans, en voor jou?  

Bart Vermeer
71 2