Lezen

Messias

“Wil er iemand mijn messias zijn?”, zingt Bart Peeters. En vroeger dacht ik: ja. Absoluut. Liefst eentje met brede schouders, emotionele intelligentie en een goed hemd. Maar ouder worden is beseffen dat ge eigenlijk helemaal geen Messias wilt. Ik hoef niet gered te worden. Echt niet. Ik kan zelf rijden. Zelf een kast van de Ikea in elkaar vloeken. Zelf mijn belastingen te laat indienen. Zelf huilen in de Colruyt tussen de ravioli en de kattenbrokken. Dat lukt allemaal prima. Nee, wat ik wil, is een Messias, maar dan anders. Geen heilbrenger. Eerder een "Matthias". Of een Jan. Of een Piet. Iemand waarvan ge denkt: ah ja… misschien gij. Iemand die komt, die blijft en misschien veel te luid ademt in zijn slaap. Dat wachten op mijn “Matthias” houdt een mens gaande. Het voedt mijn innerlijke pelgrim. Dat deel in mij met versleten wandelschoenen en veel te veel geloof in wegwijzers. Zo iemand die altijd denkt dat er achter de volgende bocht misschien iets groots wacht. Of iemand. Die "Matthias" zorgt ervoor dat ge plots terug goeie onderbroeken aandoet “voor het geval dat”. Dat ge een berichtje krijgt en direct rechter gaat zitten. Dat ge op de trein een boek leest alsof iemand misschien onder de indruk gaat zijn van uw intellectuele diepgang, en niet van het feit dat ge al drie haltes aan een stuk met een chipke aan uw trui hangt. Ik heb daar ooit over geleerd, in een les geloof en maatschappij. Zo’n vak dat ergens zweefde tussen godsdienst, levensvragen en leerkrachten met sandalen. We leerden over rituelen, over religies, over mensen die hun hele leven bouwen rond iets wat ze nooit echt gezien hebben, maar waar ze toch rotsvast in blijven geloven. En daar zat dat idee van de Messias in. Vooral binnen het Jodendom: het geloof dat er ooit iemand zal komen die alles anders maakt. Niet vandaag. Misschien morgen. Misschien binnen honderd jaar. Maar ooit. En hoe langer ik daar nu over nadenk, hoe meer ik besef dat dat eigenlijk geniaal gevonden is. Een geloof dat blijft bestaan bij gratie van het wachten. Van het onderweg zijn. Van de hoop die zichzelf altijd nét ver genoeg vooruit schuift om te blijven leven. Want eens hij arriveert, is het verhaal eigenlijk gedaan. Misschien bouwen we allemaal kleine privéreligies rond mensen die nog moeten komen. En soms komen ze ook effectief.. maar blijken het  foute generale repetities te zijn. Zoals Dirk bijvoorbeeld. Die ontplofte bij een verkeerde opmerking, alsof ik per ongeluk een nucleaire code had ingetoetst in plaats van te vragen of hij de vuilbak buiten wilde zetten. En toch dacht ik dan: maar hij weet tenminste wat hij voelt en hij kan dat authentiek uitdrukken. Peter dan weer. Zo’n man met een agenda waar ge moe van wordt. Etentjes. Projecten. Mensen die hem “een vrije geest” noemen, terwijl hij eigenlijk gewoon niet kan kiezen. En ik hing daaraan gelijk een toerist aan een trein die al vertrokken is. En dan die derde soort. De mannen met een “ooit”. Ooit gaan we eens echt tijd maken. Ooit komt het goed. Ooit gij en ik. “Ooit” is eigenlijk het kleinste vakantiehuisje van de hoop. Ge kunt daar niet wonen, maar ge blijft wel teruggaan. En toch denk ik niet dat ik echt wacht op een man. Ik wacht op beweging. Op het gevoel dat het verhaal nog niet af is. Dat er nog iemand op een perron kan staan. Dat er nog een bericht kan komen waardoor ge plots uw haar wast op een woensdag. Want stel u voor dat de puzzel klopt. Dat hij er écht is. Een man die blijft. Die koffie brengt. Die zegt: “ik ben onderweg”, en dan effectief aanbelt. Die samen met u naar de wekelijkse markt gaat en discussieert over tomaten alsof dat normaal gedrag is. Dan gebeurt misschien het ergste van allemaal. Dan wordt die innerlijke pelgrim plots een vrouw met een klantenkaart van Aveve en geplande weekends in een bungalowpark. Met grind voor de deur. Een mapje met wandelroutes. Een barbecue om zes uur. En etentjes met bevriende koppels. Help. Want wat als ik daar zit, met lasagne in de oven en iemand die mij echt graag ziet, en ik plots niks meer heb om naar uit te kijken? Maar misschien begrijp ik het verkeerd. Misschien is wachten niet hetzelfde als missen. Misschien gaat het niet over gered worden. Misschien gaat het gewoon over geloven dat er nog iets onderweg is naar u. Een Matthias. Of een Jan. Of een Piet. Niet om mij compleet te maken. Maar om mij zachtjes te laten landen en te zeggen: het is goed zo.

Katrien Daniels
44 3

Vossenhol

De chauffeur stopte de bus midden op de expresweg.  Mensen keken naar buiten om zich te vergewissen van een nieuwe bushalte. De jonge moeder werd nog agressiever aangekeken omdat het gekrijs van haar baby nu niet meer gedeeltelijk opging in het zachte gebrom van de motor. Jongeren die de hele rit al luide muziek afspeelden achteraan legden elkaar het zwijgen op. Een oudere man die verlekkerd leek op drama probeerde een glimp op te vangen van wat er zich voor de bestuurder afspeelde. Achter de bus steeg een concert van claxons op. De bus rook naar zweet, parfum en het stof van zetels. Met een nonchalant gebaar tikte de chauffeur zijn beide richtingsaanwijzers aan, opende de voorste deuren en stapte uit. De zon prikte op zijn huid. Hij stak zonder de bus nog een blik waardig te gunnen de weg over en liep het bos in. Het gebonk op de ramen en gedempt geroep waren geluiden van een verleden. Hij liep in een rechte lijn, dwars door het aanpalende bos, dat voornamelijk uit naaldbomen bestond. Het geluid van claxons werd beetje per beetje opgeslokt door stilte en geluiden van kwetterende vogels. Even bleef zijn voet hangen in wat hij dacht dat een vossen- of dassenhol was. Hij ging plat op zijn buik liggen en duwde zijn gezicht in het hol. Hij snoof diep in. Ja, dit is de perfecte plek, dacht hij.  Hij begon de knopen van zijn witte hemd los te maken. De goudkleurige dienstpenning nam hij eruit en legde hem apart. Dan deed hij zijn lederen schoenen uit. Hij ontdeed zich van de donkerblauwe broek en grijze sokken. Alleen zijn onderbroek hield hij aan. De kleren legde hij op een bed van mos. Zweet parelde van zijn voorhoofd en slaap.  Hij ging opnieuw liggen vlak voor het hol en begon te graven. Wanneer de opening breed genoeg was, wurmde hij zijn lichaam in het hol. Daarna was het stil. Een ekster daalde neer en vloog weer weg met de gouden penning.

Lennart Vanstaen
5 1

Wanneer, hoe, en waarom werden wij, mensen, ‘mens’?

‘Mens’, ‘mens’, ‘mens’. Wat maakt de man, de kleren? De keizer paradeerde naakt door de straten, en verloor zo zijn aanzicht als man, maar was hij nog steeds een mens toen hij het respect van zijn subjecten verloor? Wanneer, hoe, en waarom werden we ‘mens’? We hebben duizend-en-één theorieën en verhalen over hoe, waarom, en wanneer we mensen werden. We evolueerden en vormden de tak “Hominidae” onder de “Primaten”, samen met onze broeders, de gorilla’s, chimpansees, orang-oetans, en bonobo’s. We ontwikkelden taal,  kunst, tuigen, wisselden woorden, goederen, en kennis en gaven het door aan de volgende generatie.   …Is dat alles wat we zijn?  Verre van! Er is zoveel meer!  Mens kwam uit het vormeloze water, een onbestaande afgrond. We kwamen uit chaos, het niets. Is onze creatie dan goddelijk? Hoeveel tijd hadden ze nodig om alles - inclusief de mens - te maken, zeven dagen of vijftien?  Of kwamen we toch vanuit iets? Iets kan toch niet komen vanuit het niets? Is het niets gemaakt uit een bepaalde materie? Van wat zijn wij dan gemaakt?  We zijn emergent! Alles wat ons mens maakt, bestaat uit andere componenten. Water, aarde, vuur, lucht, ijzer, hout, zout, as, en bloed. We zijn bepaald door deze elementen. Of net niet, afhankelijk van wie je het vraagt. Evengoed kan je een duidelijk onderscheid maken tussen de geest en het stof, en valt het een niet te herleiden naar het ander.   Mens kwam van hun vader en moeder. Ze gaven hun lichamen zodat wij konden bestaan. Was het een daad van liefde, of van opoffering? Waar vinden we het onderscheid tussen die twee?  We zijn de kinderen van Adam en Eva, van Manu, van Pandora - of Anesidora. We erfden hun lichamen, genietingen, zonden, en strubbelingen. Wie wij zijn als persoon is vaak mee gevormd door onze voorouders. In welke mate leven zij nog in ons, of zijn wij hen?  Mens is niet echt! We zijn niets meer dan fictie, illusie, een fragment van een gedachte of een droom van een ander wezen. We worden gedragen door iets groter en sterker dan onszelf, en voelen hun impact in onze grond en wateren. Wanneer zij dromen, leven wij.  We komen van beenderen, klei van de rivier, water bedekt met aarde, bomen en bamboe, zilveren en gouden insecten, sterrenstof, modder en bloed samen vermengd, zweet en vuil van het lijf gewassen, zaad en ei, maïs, paddenstoelen, en kokosnoten! We kwamen uit het niets, werden geboren of gemaakt door een machtiger wezen - al dan niet bewust-, of… we groeiden gewoon zo, door de omstandigheden waarin we leefden.  Zijn wij al dat?  Ik weet het niet. Eerlijk, ik heb geen echte antwoorden voor je. Maar ik geloof dat alles wat hierboven staat, een groter idee kan geven, een gevoel van een antwoord kan bieden.   Wanneer, hoe, en waarom werden we ‘mens’, vraag je me?   Mijn antwoord: het is complex.

Eden Oscar
3 0

Bevriende koppels

Bevriende Koppels zijn een natuurfenomeen. Je zou er een documentaire over kunnen maken. Met zo’n rustige stem eroverheen. Hier zien we het koppel in zijn natuurlijke habitat. Let op hoe ze zich groeperen. Altijd in even aantallen. Nooit alleen. Ze spreken ook in een eigen taal. Een soort dialect van het samenleven. Zinnen eindigen steevast op “met bevriende koppels”. Alsof dat de soortaanduiding is. “Wij gaan eten met bevriende koppels.” “Wij doen een weekendje Ardennen met bevriende koppels.” “Wij doen eens iets met de vrouwen… van bevriende koppels.” Ik stel me voor dat daar ergens een draaiboek voor bestaat. Met hoofdstukken. De oprit en zijn klinkers. De juiste school kiezen zonder jezelf te verliezen. Het kookeiland als moreel kompas. Koppels hebben namelijk kookeilanden. En schuiven. Minstens drie. In de derde schuif zit iets dat nooit op dinsdag gebruikt wordt, maar waar wel afspraken over bestaan. De single komt in die wereld voor als een tijdelijke afwijking. Een zeldzame vogel die per ongeluk in beeld vliegt. Interessant, maar storend voor de compositie. Want koppels denken in tafels van vier. Of zes. Of acht. Maar altijd deelbaar door twee. Een single als ik is wiskundig gezien een probleem. Een rest met een komma. Ze nodigen mij soms uit. Dat wel. “Kom anders eens mee, dat is gezellig.” En dat is het ook. Tot de ober vraagt: “De rekening apart of samen?” en iedereen heel vanzelfsprekend naar elkaar kijkt en ik daar zit als een losgekomen vork.   Tafelschikking is een wetenschap. Sofie naast Tom, want die kunnen praten over hun zonnepanelen. Ellen naast Koen, want die hebben ook een jongste in het derde leerjaar. En dan ik. “Zet Katrien misschien naast Marc?” Marc knikt. Marc is sociaal. Marc vangt singles op zoals de vestiaire jassen opvangt. Er worden namen gezegd alsof het personages zijn uit een reeks waar ik één aflevering van gemist heb. “Bij Liesbeth en Pieter is dat ook zo.” “Nee, maar echt, bij An en Frederik hebben ze dat opgelost met een extra kast.” En ik knik. Ik knik altijd. Alsof ik het begrijp. Alsof ik ook een derde schuif heb. Het gaat over de aannemer van de klinkers van de oprit. Altijd die oprit. Alsof geluk begint bij rechte lijnen in steen. “Die van ons, Kevin, die was echt nog betaalbaar.” Kevin. Natuurlijk heet hij Kevin. Kevin legt niet alleen klinkers, Kevin legt ook fundamenten voor gesprekken. En dan, ergens tussen hoofdgerecht en dessert, wordt het een beetje pikant. Niet te veel. Net genoeg. “Ja, en Marc, die heeft er dan toch ne knoop in gelegd.” Gelach. Blikken. Iemand die zegt: “Amai.” Iemand die zegt: “Allê Marc, gij durft.” En Marc lacht zoals mannen lachen wanneer ze weten dat ze nog net binnen de veilige zone zitten. Ik kijk. Ik observeer. Ik maak notities in mijn hoofd. Dit is materiaal. Dit is goud. Dit is een soort volkskunde met wijn. En dan ga ik naar huis. Alleen. Zonder tafelschikking. Zonder derde schuif. Met mijn sleutels in mijn jaszak en niemand die vraagt of ik ze al gevonden heb. Bevriende koppels, zeggen de statistieken, zijn een uitstervend ras. En toch. Ze blijven bestaan. Als hoeksteen van de maatschappij. En van grillrestaurants. Voor tafels groter dan acht. Voor opritten die gelegd moeten worden. Voor gesprekken die alleen werken als iemand zegt: “Wij”. Misschien moeten we ze beschermen. In reservaten. Met voldoende parkeergelegenheid en een degelijke aannemer in de buurt. Met een kookeiland in elke habitat en een derde schuif per koppel. En ergens, aan de rand van dat reservaat, sta ik te kijken. Te denken dat ik misschien ooit één van hen zal worden. En dat ik dan, op een dag, een zin zal zeggen die eindigt op  “met bevriende koppels”. Ik weet alvast genoeg over klinkers en opritten om te kunnen meepraten.

Katrien Daniels
55 2

Het verhaal van grote beer die plots niet meer kon lachen

De nieuwe dieren van het bos vertellen het verhaal nog altijd. Het is heel wat jaren geleden gebeurd. De dieren van toen hadden nog nooit zoiets meegemaakt. Het begon allemaal op een mooie zondag in oktober. Ze hadden eerst gepicknickt en daarna gevoetbald op de grote weide in het midden van het bos. Het was niet dat grote beer de wedstrijd had verloren. Nee, hij had als doelman zelfs enkele prachtige reddingen gemaakt. Na de wedstrijd werd hij door alle dieren op handen gedragen. Ook op die van de tegenstander. Maar de volgende dag gebeurde er iets raar. Beer kon plots niet meer lachen. Muis zag snel dat er iets scheelde met haar grote vriend. Ze was, zoals elke maandag, naar het huis van beer getrippeld, om samen op verkenning te gaan in het bos. Op zoek naar heel wat lekkers. Oktober was ideaal om paddenstoelen te plukken. Daar waren ze allebei zot op. "Ben je klaar grote beer? Ik kan de paddenstoelen al bijna ruiken", zei muis, waarna ze haar neusje in de lucht stak. Maar het enige wat beer zei was 'Hmmm'. "Wat hmmm?", zei muis. "Is dat het enige dat je kan zeggen?" "Hm hm", zei beer opnieuw. Muis besteedde er niet te veel aandacht aan. Ze dacht dat het wel zou beteren als ze de eerste paddenstoelen hadden ontdekt. Maar het beterde niet. Beer had wel twintig keer 'hm' gezegd, maar geen enkele keer gelachen. En beer lachte graag, dat wisten alle dieren. Omdat dieren niet goed kunnen zwijgen, wisten binnen de kortste keren alle dieren dat er iets scheelde met grote beer. Op dinsdag kwam meneer de hert langs. Hij wist hoe hij beer aan het lachen kon krijgen. "Zeg beer, weet je nog? Dat ik bij boer Vanspringel met mijn gewei in het hek vastzat? Ik kon nog maar net op tijd ontsnappen. Hij liep naar buiten met zijn geweer, maar struikelde over de mat en schoot de lamp stuk. Hahahahahaha." "Hm", zei grote beer, terwijl meneer de hert op de grond lag van het lachen. Op woensdag bracht konijn een bezoekje. "Beer kan niet meer lachen? Wacht maar", had hij vooraf gezegd. Grote beer had nog maar net een kopje thee uitgeschonken en konijn begon hem te kietelen. Niet alleen met zijn pootjes, maar ook met zijn grote oren. Beer keek konijn aan alsof hij niet snapte wat er gebeurde. Vroeger zou hij al na twee seconden plat hebben gelegen van het lachen.  Op donderdag stond het wilde zwijn aan het huis van beer. Hij had al een paar keer met zijn poten op de deur geklopt, maar er kwam geen reactie. Ook niet toen hij een paar keer luid had geknord. De volgende dag, op vrijdag dus, stond het wilde zwijn er opnieuw. Nu deed grote beer wel open, maar hij nodigde zwijn niet uit om binnen te komen. "Zeg beer", begon zwijn op de drempel van het huis. "Ik ken nog een leuke mop. Het is groen en het komt van een berg af. Wat zou dat ...". Zonder af te wachten wat zwijn nog ging zeggen, gooide beer de deur dicht. Zwijn zat er bijna met zijn neus tussen. De dieren wisten niet wat ze moesten doen om beer aan het lachen te krijgen. Het enige wat misschien zou helpen, was naar de dokter gaan. Maar bij dokter de vos konden ze pas op maandag terecht. In het weekend ontving hij geen patiënten. De dieren probeerden hem op zaterdag en zondag nog mee naar het grote veld te nemen, om een balletje te trappen, maar beer deed de deur niet open.  De dieren hadden beslist dat muis op maandag mee zou gaan naar de dokter. Als ze hem meekreeg natuurlijk. Dat lukte wonderwel. Beer slofte als een mak lammetje achter muis aan. Muis meende nog te vragen of hij zijn poten kon opheffen, maar dat deed hij toch maar niet.  Na een half uurtje kwam beer terug naar buiten. Muis lag onder een boom te wachten. Er was geen beterschap te zien aan beer. Hij slofte hij zo mogelijk nog erger dan op de heenweg.  De dieren wisten niet wat aanvangen. Het mocht zeker niet te lang blijven duren. Dat wisten ze wel.  Er ging een week voorbij, maar muis ging toch opnieuw met beer naar de dokter. Door het sloffen zorgde hij voor een enorme stofwolk op het bospad. Net zoals wanneer boer Vanspringel er met zijn tractor reed.  Terwijl beer bij dokter de vos naar binnen was, verzamelden ineens alle dieren van het bos, plus de dieren van het andere bos, bij de boom waar muis zat.  Voor de vogels in de bomen was het een prachtig beeld, al die dieren samen.  Maar er gebeurde nog iets wonderlijk. Dokter de vos nam beer plots mee naar het raam van zijn dokterspraktijk. Vanwaar ze stonden, konden de dieren het goed zien. Dokter de vos stond op een stoel en had zijn ene poot op de schouders van beer liggen. Met zijn andere poot wees hij naar buiten, waar alle dieren stonden. "En nu allemaal zwaaien en juichen", riep muis plots. Het gaf een enorme herrie en van al die zwaaiende dieren ontstond er een grote wind. De vogels vlogen in de lucht en ook zij begonnen te kwetteren. En daarna, alle dieren zagen het, verscheen er een glimlach op het gezicht van grote beer. Alle dieren begonnen luid te klappen.  Op de terugweg wandelde beer in het midden van de grote groep dieren, alsof ze hem extra wilden beschermen. Hij slofte niet meer. Ze gingen rechtstreeks naar de weide voor een wedstrijdje tegen de dieren van het andere bos. De dag erna ging muis terug naar dokter de vos. Niet omdat ze ziek was, maar ze was nieuwsgierig.  “Wat was er nu met beer aan de hand dokter?” "Het ligt aan oktober", zei dokter de vos. "Hoezo oktober? Daar kan je toch niet ziek van worden", zei muis.  "Toch wel", antwoordde dokter de vos. "Het is herfst. De bladeren beginnen van de bomen te vallen. Beer had verdriet omdat er weer een jaar voorbij is. Dieren kunnen om heel wat zaken verdriet hebben. Omdat ze een wedstrijd hebben verloren of omdat ze aan hun overleden oma denken."  Dat klopt, dacht muis, dat heb ik ook ooit. "Bij beer ligt het aan oktober. Daarom vroeg ik je om met alle dieren naar hier te komen. Je kan verdriet niet wegen, maar het is altijd te zwaar om alleen te dragen", zo eindigde de dokter. Daar moest muis even over nadenken. Maar hij vertelde het snel aan alle dieren. Want zoals je weet kunnen dieren niet goed zwijgen.  Daarom vertellen de nieuwe dieren van het bos dit verhaal nog altijd. (einde)        

Rudi Lavreysen
19 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
43 1