Lezen

De jongen met de krab

Uren kan ik naar het uitzicht over de baai kijken. Ik zie dat de vegetatie op de bergen zich langzamerhand herpakt. Een alles verwoestende brand veegde vijf jaar geleden op het Griekse eiland een groot deel van het natuurschoon van de kaart. Mijn vader was net overleden en ik had geen idee dat er een brand op het eiland was geweest. Toen ik aankwam had ik het gevoel alsof ik door een rouwkaart reed. Gelukkig is de mens veerkrachtig en de natuur ook. Ik zie hoe een aalscholver gezeten op een kleine rots zijn veren laat drogen in de zon. Ik schrik op van een geluid achter mij. Een jongeman groet mij. Hij heeft een prachtig gezicht en een atletisch gebouwd lichaam. Voor mij is hij op dat ene bevroren moment in tijd de belichaming van eeuwige schoonheid en jeugd.  Ik zie dat hij naar de rotsen loopt. Heel vaak heb ik overwogen om die rotsen te beklimmen om even op het uiterste puntje bij de zee te kunnen gaan staan. Ik durfde het niet zonder goede bergschoenen. Hij kent echter geen vrees. Als een klipgeit springt hij van de ene rots naar de andere. Ik volg hem met mijn ogen en zie uiteindelijk een kleine gedaante op de uiterste punt van de rotsen in de baai staan. Als hij terugkeert zie ik dat hij bukt om iets uit het water te pakken. Hij heeft een grote krab in zijn handen.  ‘You are not going to kill it, are you?’ Hij kijkt mij even verontwaardigd aan. ‘Offcourse not. I am just going to show it to my dad.’ Gewoon een lieve jongen die zijn vader trots wil maken.   Daar gaat hij weer. De jongen met de krab. 

Elle Hart
7 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 11

11   De eerste postbodes zijn reeds op ronde vertrokken wanneer Jimmy terugkeert naar het postkantoor. Met de ene hand in de zij en met de ander op zijn horloge tikkend, staat Bruno ongedurig toe te kijken hoe de jonge Sabbe, nu al verkleumd en nog maar een half uur buiten geweest, terug naar zijn werkpost komt. Die werkpost is leeg. ‘Ah, ge zijt daar ook nog ne keer,’ zegt Bruno, die voor zichzelf nog een kop koffie schenkt, ‘ik heb zelf bijna alles uitgesmeten en gestoken, hé. Want de overlasten moeten op tijd weg, nu Ringo ze niet gaat rondvoeren.’ Jimmy kijkt naar de vloer. Het kruiperige is er al goed in gedrild, denkt hij. ‘Het eerste pakske brieven voor de Weversstraat tot en met de Vlaanderenstraat is voor u, zulle, ge gaat ze moeten hersorteren want er zijn er weer een paar uitgekomen van uit den tri.’ gaat Bruno verder. ‘Het licht brandde maar geen antwoord,’ zegt Jimmy. ‘Wat hadt ge dan gedacht?’ vraagt Bruno, ‘hebt ge het al tegen chef Rik gezegd?’ ‘Ja.’ Bruno neemt nog een pakje brieven en steekt het tussen de sorteerblokken. Hij zucht. ‘Enfin,’ zegt hij, ‘zet u en steekt uw brieven. Ik ga naar de kantine. En haast u een beetje, want ik moet in de winkel staan na twee uur ’s namiddags.’ ‘Winkel?’ ‘Ja, mijn vrouw heeft een kleerwinkel. Is dat zo raar?’ vraagt Bruno. ‘Neen, maar gij hebt toch uw beroep als facteur?’ Bruno lacht. ‘Als ge denkt dat ge met een daguur van een facteur rondkomt terwijl ge een wijf gelijk de mijne moet onderhouden, manneke toch.’ Wat later zijn de laatste brieven op volgorde gestoken en kunnen de twee postmannen de kou gaan trotseren om de kerst- en andere wensen wereldkundig te maken, of toch tenminste hopelijk aan de juiste bestemmelingen te overhandigen. Terwijl Jimmy de brieventas aan zijn stuur bevestigt, geeft Ruben hem een pakje. ‘Heb ik die vergeten?’ vraagt Jimmy. Hij bekijkt het pakje en het zijn allemaal kaartjes. Allemaal dezelfde kaartjes. ‘Dat zijn uw zotten,’ zegt Bruno. ‘Hoe, we hadden toch geen zotten?’ ‘En nu hebt ge er wel. Raar hé? En avant, Jimmy.’ Jimmy kijkt naar de kaartjes in zijn hand. ‘Maar dat zijn er van uw kleerwinkel,’ zegt hij, ‘die stonden niet op de planning.’ ‘Ja, dat kan goed zijn, omdat ze ook niet op de planning staan. Ge gaat ze in elke bus steken en daarmee gedaan. Niet te veel op uw neus zetten of ‘k ga eens met vaderlief een koeterke slaan.’ Zuchtend neemt Jimmy het pakje reclames over en plaatst deze in de zijkant van zijn ransel. ‘Flinke jongen. Enneh,’ gaat Bruno verder, ‘bakkes dicht tegen de chef, postmeester of inspecteur, hé. Of uw tijdelijk contract zou wel eens heel snel voorbij kunnen zijn.’ Als dat nu nog eens kon gebeuren, denkt Jimmy bij zichzelf. Hij ontslagen, maar niet door zijn schuld. Enfin, het onaantastbare De Post zou er wel iets van maken opdat henzelf geen blaam zou treffen maar alles ofwel niemands schuld – het ging gewoon niet – ofwel Jimmy’s schuld zou zijn, waardoor Jimmy, zoals de postmeester het ooit nog tegen hem zei, met stille trom zou mogen vertrekken. En dan zou Jimmy net als zoveel andere jonge wijsneuzen op de mesthoop der gebuisde facteurs belanden. Bedelend in een interimkantoor om een job met gelijk welke uren, het maakt niet uit welke uren, waarna hij verder kan aftakelen tot hij de zoveelste loonslaaf is die ten onder gaat aan de raderwerken van het allesverslindende kapitalisme. En dat alles terwijl Reginald hem uitschijt omdat hij een nietsnut is die zelfs een job bij De Post niet kan houden, en Marjolein hem bezweert het werk te houden, omdat hij werk heeft. ‘Past op!’ Jimmy schrikt wakker van Bruno’s stem. Een postcamionette, want alleen zij zijn op dit uur op baan in de streken waar geen gerenommeerde winkels zijn om eindejaartroep in te slaan, moet voluit in de remmen gaan. Jimmy kan nog maar net alles dichtgooien en zijn fiets onder controle houden. De bestuurder van de postcamionette claxonneert. De autoruit van de bestuurderskant gaat naar beneden en Ronny steekt zijn hoofd uit het gat naar buiten. ‘Hei, Sabbe! Kunt ge niet kijken waar ge rijdt? Onnozel kieken!’ Jimmy mompelt tussen zijn tanden iets onhoorbaars en volgt dan Bruno, die al iets verder in de straat is. Bruno kijkt achterop. ‘Hei, beetje rapper rijden, hé! We moeten wel op tijd thuis zijn!’ roept hij. Jimmy zucht en versnelt zijn volgeladen fiets. Bruno heeft makkelijk praten, denkt hij, die heeft bijna niets in zijn fiets zitten. De kou bijt. De krant die Jimmy tussen zijn onderhemd en zijn blote bast heeft gestoken, zit al lang niet meer op zijn plaats. Hij tracht terwijl hij naar zijn eerste huis rijdt de boel nog te redden maar het is te laat. Ze zijn aangekomen in de Weversstraat. Jimmy neemt het eerste pakje brieven in zijn handen en ontdoet het van de elastiek die er om gespannen is, die hij aan zijn stuur hangt. Zijn geestesoog is beangstigend getraind op de bussen die komen zullen, dus verloopt het bestellen van brieven elke dag weer wat vlotter en vandaag is geen uitzondering. Hij is zelfs nog geen één keer bijna gevallen vandaag. Bruno fietst achterop en dan weer eens voorop, af en toe aan zijn sigaret trekkend. Een oudachtige man staat in het deurgat bij nummer zestien. ‘Nieuwe facteur?’ vraagt hij. Jimmy kijkt naar zijn pakje brieven waar hij het viertal kerstkaarten uit schudt en aan de man overhandigt. ‘Alstublieft, meneer. Prettige dag nog,’ zegt hij.   De werkdag verloopt verder zonder problemen of noemenswaardige dingen om over te schrijven. Het is zo’n typische “interbellum”-dag, de luwte tussen het feestgedruis van Kerst en Oudjaar, waar het werk redelijk tanend is en de meeste mensen thuis zijn, waardoor ook de postbodes een extra tandje bij steken om op tijd thuis te zijn, teneinde de toorn van de bediende op het kantoor of de vrouw thuis te vermijden.

Miguel
9 0

Twee minuten

Het leek heel kort. Maar mens, wat je allemaal  wel niet kan doen  in twee minuten tijd! Ik sloot mijn ogen. Eerst danste ik  in gedachten met de meisjes van de klas.  Zonder op  hun tenen  te gaan staan.   Toen begon het te tollen in mijn hoofd en strompelde ik  terug naar mijn plaats.   Ik staarde uit het raam, nog altijd met mijn ogen dicht,  naar de andere kant van de straat.   Daar staan   mijn vrienden. Grote eikenbomen. Ze beschermen me voor de stormen in mijn hoofd. Ik zwaai naar hen als naar de soldaten die door ons dorp marcheerden. De bomen hier  doen me ook aan  de bomen van mijn  geboortehuis denken. We klommen in hun takken. We speelden in hun schaduw.   Mijn grootvader   heeft ze in de oorlog  één voor één omgehakt.  Voor vuur. Koude nachten zonder stroom… Smeulend hout.   Het voelde alsof  ons huis  geamputeerd was. Alle schaduw  in de tuin hebben we opgestookt.   Toen ik daaraan terugdacht,  kropen er koude rillingen over  mijn rug. Ik kreeg het niet   meer warm van binnen.    Snel deed ik mijn ogen open en stak mijn hand de lucht in.   Want dat had de docent gezegd;   ‘Als je denkt dat twee minuten  over zijn, open je je ogen en steek je je hand op!’   Het spelletje heette: hoelang zijn twee minuten?   Verdwaasd zag ik dat ik de laatste was! Iedereen keek me smalend aan.   ‘Goed gedaan Adam! Je kwam het dichtste bij twee minuten!’   De docent hield  haar stopwatch  als bewijs in de lucht.   ‘Twee minuten en vijf seconden!’   Er klonk een warm applaus.   Ik toverde een flauwe glimlach   op mijn lippen.   Diep, diep  van binnen, smeulde het verleden nog na. Ik wilde dat ik mijn ogen nooit had  open gedaan.                    

Margaretha Juta
5 0