Lezen

Hadden ze nou echt niemand anders dan Rowan Veltman?

In het rijke spectrum van televisiepersonages maakte hij plots zijn entree: Mats. Een gezicht achter de rol? Dat van Rowan Veltman. Ik vraag me af, met alle getalenteerde acteurs die ons land rijk is, was er werkelijk geen betere keuze mogelijk? Een rol als die van Mats heeft onmiskenbaar potentie. We zijn eerder verrast door personages met een dakloze achtergrond, die rijke lagen aan het verhaal toevoegden. Maar het is onvermijdelijk: om een personage écht tot zijn recht te laten komen, is overtuigend acteerwerk vereist. En hier stokt het wat mij betreft bij Veltman. Zijn vertolking dreigt de verhaallijn in de "Spangas"-sfeer te trekken. "Genoeg met die Spangas-achtige taferelen!" Het meest storende? Wellicht die ietwat ongeloofwaardige manier van lopen. Een stijl die zelfs Johan Derksen in een kerstman-outfit beter zou afgaan, zo denk ik. En nee, deze mening is niet slechts de mijne. Uit een recente peiling op mijn Instagram over de nieuwe karakters scoorde Mats, of beter gezegd, de vertolking door Rowan Veltman, het laagst. De kijkers lijken zich vooral te ergeren aan de rol en de als 'matig' bestempelde acteerprestaties. Er zijn uiteraard fans, maar die vormen, op z'n zachtst gezegd, een minderheid. Er moeten toch andere opties zijn? Met het acteertalent dat Nederland te bieden heeft, zijn er zonder twijfel betere keuzes te maken. Denk aan een Yip Andjar of een Rami Kooti Arab. Beiden lijken mij op voorhand geschiktere kandidaten dan Veltman. Maar voor wie toch gecharmeerd is, of hoopt op verbetering: er is licht aan de horizon. Veltman is nog volop in productie en blijft voorlopig tot ten minste januari op ons scherm te zien.    

GTST Spoilers-account 2021
314 0

Geen paniek: het is al eens eerder gedaan

Op een dag las ik in een interview met de Britse schrijver Zadi Smith over het begrip ‘literaire echokamer’. Ik was vrij jong toen ik besefte dat ik schrijver wilde worden, maar ik was bovenal een fanatiek lezer. Ik herkende het probleem wat Smith beschreef direct. Hoe beangstigend het is om als aspirerend auteur iets op papier te zetten als je tegelijkertijd boeken leest van literaire reuzen die van geen wijken willen weten. Hoe schrijf je iets origineels over de kleine kantjes van de mens als Carmiggelt dat al zo briljant heeft gedaan? En hoe bedenk je een verrassende zin over de absurditeit van het leven als je de avond ervoor in bed Kafka las? Dat lijkt op zelfkastijding met een in zuur gedrenkte karwats. Toch was Smith een verwoede lezer gebleven. Ze had zichzelf geleerd niet meer bang te zijn voor al die stemmen in de echokamer, maar om ze juist te gebruiken om er zelf een betere schrijver van te worden. Haar grote voorbeeld was de dichter John Keats geweest, die ze voor het eerst las toen ze veertien was. Niet omdat hij op haar leek, of omdat ze verder veel gemeen hadden, maar om hoe Keats omging met al die reuzen in dat echokamertje. Keats benaderde zijn schrijverschap als een stage. Van ieder van die eerdere grootheden besefte hij iets te kunnen leren. Door ze na te doen, door ze te plagiëren, door ze te lezen en opnieuw te lezen en alles in zich op te zuigen totdat hij met hun materiaal zelf aan de slag kon en er zijn eigen stem mee vorm kon geven. Wat Keats zei, en wat Smith in dat interview herhaalde, was om niet bang te zijn voor andere invloeden, maar ze stevig te omarmen. Toen ik een jaar of veertien was, las ik voor het eerst iets van Tom Lanoye. Zijn werk blies me omver, deed me beseffen dat ik dat ook wilde, zo schrijven, zoveel vocabulaire plezier de wereld inslingeren. In een interview met de Belgische auteur vertelde hij zijn schrijverschap geoefend te hebben door gedichten te maken in de stijl van zijn helden. Hij had Paul Van Ostaijen gekopieerd, de stiel afgekeken van Guido Gezelle, getracht te klinken als Louis Paul Boon. Wat al dat kopieerwerk hem had geleerd, was niet alleen hoe moeilijk het was om iets goeds te creëren, maar ook hoe het aandachtige lezen van al die werken hem een betere vakman had gemaakt.  Als de paniek om eigen kunnen weer eens toeslaat, denk ik aan Smith en Lanoye en doe ik dit: ik pak een boek. Ik lees. Ik schrijf. Vaak schaam ik me. Soms niet. Steeds vaker niet. Ik blijf lezen. Ik blijf schrijven.

esielesielesiel
10 1

De pletwals erover, de fik erin

Wees als schrijver in hemelsnaam niet te lief voor je personages. De fik erin, de pletwals erover, dat het knettert en knalt, de geur van brandend pek moet van de pagina’s slaan. Stel je voor dat alle protagonisten uit de wereldliteratuur veranderden in brave huisvaders die elke week met een pannetje soep langs hun zieke moeders gaan. Op hun geruite pantoffels. Een ramp zou het zijn. Lezen zou een straf worden. Je wilt je lezer toch een beetje reuring bieden. Spektakel. Vertier. Dat die moeder ineens de deur niet meer opendoet. Hem met een dubbelloops geweer staat op te wachten. Bam, ze blaast hem zonder pardon van die suffe pantoffels. Dán draait de lezer je bladzijden om, huiverend, hongerig, want wat een avontuur ontrolt er zich hier! Was het Nabokov niet die zei dat je al schrijver je protagonist de boom in moet jagen om vervolgens heel hard stenen naar hem te gooien? Een prachtige beeldspraak, maar hoe pak je dat aan? Een fijne manier is om in medias res in ‘s helds leven binnen te vallen en de boel eens flink op te schudden, er bestaan geen taboes. Zijn vrouw? Gaat er vandoor met zijn beste vriend en tevens tweelingbroer. Zijn kinderen? Gaan de prostitutie in of blijken niet van hem. Zijn hond? Die rijdt onze held morsdood als hij katjelam achter het stuur kruipt, dronken uit zelfmedelijden om al dat plotse onheil.  Alles liefst wel op een beetje originele manier verwoordt, zodat de lezer ook nog iets te genieten heeft. Want al die ellende moet wel schoonheid opleveren, anders kan je publiek net zo goed de krant gaan lezen, miserie genoeg in deze wereld. Het is juist de troost van de esthetiek die je als schrijver te bieden hebt. De bedwelming van literatuur om het eigen bestaan even op afstand te houden. Heel misschien mag er af en toe een korte pauze ingelast, om de held even op adem te laten komen, en de lezer een grammetje hoop te bieden dat alles toch nog goed komt, wie weet, op het eind. Om dan snel weer in volle vaart met die pletwals de hoek om te komen scheuren. De lezer hoort de motor in de verte al ronken, de geur van pek dringt zijn neusgaten binnen. Het heerlijke knetteren tussen de kaften.

esielesielesiel
9 1

Zo was de zomer

Steevast hing de oranje badhanddoek van de buurvrouw over de balustrade van haar terras. Symbool van zomer en zwemmen. Op vijf minuten fietsen begon de vakantie telkens weer, na een whatsappje. Met een diepe plons zwommen we bijna elke dag onze lengtes in de zwemvijver. Fris water benam elke keer weer de adem en de oververhitting van de zomerdag smolt in één klap naar de bodem tussen de goudkleurige vissen. Ze waren zoet, die dagen, met terrasjes achteraf. Met rosé en babbels after-swim, after-work. De oranje handdoek wuifde nadien dapper en vrolijk na: 'Hé het was weer een toffe zwembeurt, wanneer gaan we nog eens?' Mijn appelblauwzeegroene strandlaken wapperde zomers terug: 'Als we droog zijn, dan duiken we opnieuw!' Dat was de handdoekdeal. Morgen dus, gezien de bakkende zon op de terrassen twee hoog. Het voordeel van een vrij en onafhankelijk leven met genieten als het past, vertaalde zich in twee zomervlaggen. Het buitenzwemseizoen waaide voorbij. Tijdens een parkwandeling staarden we over het vlakke stille water, leunend op de brug, diep zuchtend. Nog zeven maanden. Straks wordt het donker, elke dag weer wat vroeger. Waar zal dan de battery load plaatsvinden? In herfstkleuren van oranje tot blauwgroen? En later in kerststukjes in die juiste zomerkleuren? Of in de after-swim zonder swim?  Niets zal het zomerzwemgevoel evenaren. Dat wisten we. Maar op stap gaan en genieten blijft maar één whatsappje verwijderd. Ook dat wisten we. De vlag van buren en vriendschap mag blijven wapperen, half oranje, half appelblauwzeegroen.

Lumes
10 1

Personage

Ooit kwam ik er één tegen, een personage. Ik was er misschien niet echt naar op zoek maar ze wou gevonden worden. Het meisje met het blauwe haar. Ik ontmoette haar onverwacht  dankzij mijn tergend trage laptop. Of kwam het door mijn ongeduld? Multitasken bleek die avond geen goed idee. Het tegelijkertijd openen van een reeks foto’s, teams met camera, een onbevlekt word document op onedrive, de mail en een schema leidden me tot haar. Ik zat in een online cursus en had geleerd dat een kortverhaal kan starten met het kiezen van een personage. En dan kan je daar het verhaal aan ophangen. Wat doet ze, wat drijft haar. Ik zeg nu ‘haar’ want het meisje was de uitverkorene geworden. Ja met blauw haar. De tijd in de cursus tikte snel verder. De foto’s had ik stiekem tijdens de werkdag al bekeken. Op een gegeven moment moest ik kiezen. Maar alles haperde en de foto’s in de mail kwamen in verknipte, vertraagde beelden binnen. Het was mijn beurt. Trots en vol overtuiging meldde ik aan de online cursusgroep dat ik koos voor het meisje met het blauwe haar, de enige foto die ik me zo nog kon herinneren. Ze keek me even later recht aan en vroeg over haar te schrijven. Hoe ze haar broertje terug kon horen in de ruis van een schelp, gevonden aan het strand van Oostende. Ze verbleef daar bij haar tante. Haar verdriet sijpelde blauw van haar haren af. Ze nam me mee naar het strand, Fort Napoleon, het Casino, een fototentoonstelling en we werden een goede match. Een handvol randfiguren wedijverden dartelend om een eervolle vermelding. Maar zij en haar schelp wonnen grandioos. Zij waren de rode draad waar de andere personages even mee op mochten koorddansen. Heel even maar. Zij was de spilfiguur. Het was een boeiend avontuur om op die manier te beginnen schrijven, zonder gekend einde, zonder schema, zonder enig idee wie mijn personage was en wat ze me zou vertellen gedurende de weken nadien. Ze eindigde met een kappersbeurt en een leeg word document voor haar. Het was tijd voor haar eigen verhaal. Ik nam afscheid en wenste haar een eigenzinnige laptop toe. 

Lumes
8 0

Biechtgeheim

Begin oktober is het alweer vierentwintig jaar geleden dat mijn vader overleed. Hij ging slapen en werd niet meer wakker. Zomaar. Mijn vader was ook nog niet oud, pas zesenzestig jaar. Ik denk wel dat, hoe hard ook voor ons, dit voor hem wel het mooiste was. Een ziekbed is hem in ieder geval bespaard gebleven. Natuurlijk worden er nog heel vaak anekdotes verteld. Mijn vader was conservatief tot in zijn tenen en een overtuigd katholiek. Niet dat hij ons dit probeerde op te dringen maar toen ik wat ouder was, vond ik het heerlijk om daar met hem over te discussiëren. Ik vond het namelijk onvoorstelbaar dat een clubje oude mannen zoveel macht had. Mijn vader stond daar vanzelfsprekend heel anders tegenover. Toch geloof ik wel dat hij ook plezier had in onze gesprekken. Hij kapte het onderwerp in ieder geval nooit af. Ik luisterde ook graag naar zijn verhalen over vroeger. Over zijn moeder, die meerdere keren per week naar de kerk ging. Over zijn tante, die in de buurt ‘kwezel’ werd genoemd. Ik moest het woord opzoeken, een kwezel is ‘een vrouw met een overdreven vroomheid en overeenkomstige levenswijze’. Ik heb die tante nooit gekend, mijn vader was een nakomertje en zijn familie was nog maar heel klein. Op zich wel jammer, ook dat had vast leuke verhalen opgeleverd. Waar mijn vader ook altijd over vertelde, was over het fenomeen biechten. Zelfs hij vond dat iets raars. Hij vertelde ook altijd dat hij als kleine jongen iedere week moest van zijn moeder. Maar ja, welke vreselijke zonden bega je als je tien jaar oud bent. Gejokt, een koekje uit de trommel gepikt, het was iedere week hetzelfde. Vijf weesgegroetjes en je was weer klaar. Mijn vader vond het maar niks en keek in de catechismus of hij niet iets spannenders kon vinden. De volgende zondag zat hij verwachtingsvol in de biechtstoel. Het schuifje ging open en meneer pastoor vroeg wat hij deze week fout had gedaan. ‘Nou,’ zei mijn vader, ‘ik heb onkuisheid gepleegd.’ Rang, het schuifje ging met een klap dicht en meneer pastoor kwam uit zijn stoel gestoven. Hij pakte mijn vader bij zijn oor en zette hem zonder pardon de kerk uit. Toen hij het vertelde, kwam ik niet meer bij van het lachen. ‘Ja,’ zei hij verontwaardigd, ‘maar weet je wat het ergste was. Ik wist helemaal niet wat onkuisheid was. En niemand wilde het me uitleggen. Het heeft jaren geduurd voor ik er achter kwam.’ Arme pap, dat was nu eens een echt biechtgeheim.    

Machteld
21 0