Lezen

Tip

Nieuw werkwoord

Soms leer je ineens een nieuw werkwoord waarvan je denkt, “ja, precies, dat klopt helemaal”. Zo kwam ik onlangs het woord ‘graniolen’ tegen. Nooit van gehoord. Ik las het in een column die Miriam had geschreven voor het tijdschrift Saar. Een tijdschrift voor vrouwen boven de 50 die zichzelf nog niet zien als oud en grijs. Een doelgroep waar ik, denk ik, hoop ik, wel bij hoor. Want inderdaad, ik ben boven de 50, al een eindje, maar in mijn hoofd ben ik toch nog steeds 40. Uiteraard voelt het soms wat anders als ik uit bed stap, maar na een rondje hondjes ben ik er toch weer helemaal bij. Graniolen dus, een samentrekking van Granny en Gladiolen. Wat zoveel betekent als ‘iemand het gevoel geven dat hij of zij al heel oud is’. Het overkomt je als je voor de eerste keer ‘U’ en ‘mevrouw’ wordt genoemd. Of als mensen voor je opstaan zodat jij kunt gaan zitten. Of als je jonge collega je meewarig aankijkt als je problemen hebt met je laptop. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Ik heb zelfs een collega gehad die bij domme opmerkingen van mij riep “yes, weer een voor de boomer-bingo”. Hij zag mij als granny en ik schold op hem met achterlijke gladiool. In gedachten dan hè, ik mocht hem graag. Toch is dat laatste niet zo erg. Het houdt je wel bij de les. Je moet ook niet onbewust verworden tot een oud mens. Want inderdaad, op een gegeven moment ga je ook geluiden maken als je bukt. En dat is eigenlijk wel heel kwalijk, als je er goed over nadenkt. Het belangrijkste is dat je met de nodige dosis zelfspot in de spiegel kunt kijken. En denken, tja, het ziet er toch allemaal wel anders uit, vergeleken met toen ik 18 was. En als je dan van die kreunende geluiden maakt, kun je dat het beste uitvergroten en de draak met jezelf steken. Ik heb gemerkt dat dat ook het beste wordt geaccepteerd. Maar goed, graniolen. Ik stel voor dat we het werkwoord omarmen. En gebruiken als waarschuwing. Zodat we geen grijze duiven worden. Want die zijn er al genoeg, we noemen hen doorgaans ANWB-stellen. En als ik dan granny moet worden, dan liever toch een kleurrijke. A.s. zaterdag ga ik weer naar de kapper. Ik zag hier en daar weer een grijze haar tevoorschijn kruipen en dat verschijnsel wordt door mijn kapster op mijn verzoek steeds professioneel de kop in gedrukt. Hulde daarvoor.      

Machteld
95 4

Joost Vandecasteele verlaat Brussel.

Brussel, dat is het lelijke huis dat Verminnen ooit bewierookte. Brussel dat is vuiligheid, viezigheid, ranzigheid en hoerigheid. Brussel, dat is bestuurloos, genadeloos, abbeloos, soms al eens hopeloos en ook al eens grandioos. Brussel, dat is een attractiepark bezaaid met toeristenvallen, trekpleisters, foodketens en biertenten. Brussel lijkt in niets meer op zichzelf en de mensen die aan het roer van het schip staan, hebben haar in haar ziel vermoord. Brussel is een pretpark voor marginalen geworden. De stad is veranderd maar dat ben ik ook. Ik kijk naar de chaos van Brussel met rode mistroostige ogen, met afgrijzen denkend dat het vroeger allemaal beter was – maar zo verzuurd ben ik niet, het was a slip of the tongue. Brussel heeft allang alle charme verloren. Foute burgemeesters, politiek zonder visie, graaicultuur, millenials, schaamteloze toeristen en nonsens bestuur. Dat is Brussel geworden. Ik ken Brussel in elke minuut, ’s nachts en overdag. Ik woon al zolang in de eeuwige kronkels van haar stinkende en rottende ingewanden. ’s Morgens toont ze haar trieste blik bij het ontvangen van de duizenden pendelaars die haar met vuile sokken en aftandse schoenen betreden en vertrappelen. Zielige Vlamingen en Walen die met zwaarmoedige hangende hoofden haar stenen tapijt overlopen naar kelders, bunkers of glazen torens en waar ik liever nooit kom. Loving you is a dirty job but someone’s got to do it. Ik blijf nog een tijdje maar helaas, Brussel, hoe lief ik je ook heb, ik zal ook jouw herinnering binnenkort laten inslapen zoals ik dat met mijn kat Felix de 2de heb gedaan. Ik zal jou laten kwijlen en betijen. Maar altijd aan je denken, in het groot, en dingen doen in het stoemelings (Fragment uit mijn roman: “Doorheen gebroken vensters”).

Erwin Abbeloos
11 0

Dans voor de goden

Wanneer de finale trommelslag sterft tegen de betonnen wanden van het theater, en de laatste tonen van de fluit trillend uitdoven tegen het plafond, buigt de uitgeputte danser het hoofd naar de slanke fakkels in zijn handen. Eerbiedig voor het vuur dat voor zijn voorouders op de Mongoolse steppe van vitaal belang was. Het vuur dat hem als artiest groot heeft gemaakt.   Zweet parelt in zoute druppels op zijn verhitte voorhoofd. Brede littekens van lang geheelde brandwonden ontsieren zijn gespierde bovenlichaam. “Wie de elementen wil temmen, betaalt altijd een prijs”, waarschuwde zijn grootmoeder hem telkens hij als kind met roodgloeiende toortsen stuntelend de godendansen van de jonge mannen van de clan imiteerde. Het verlangen één worden met de flakkerende vlammen was echter altijd groter dan zijn angst voor verminking.   Als hij danst gaat hij volledig op in het mysterie van het vuur. Zijn  gestileerde choreografie is een elegante weerspiegeling van de woeste rituelen van de roemruchte krijgers van wie hij afstamt. Weloverwogen passen en krachtige sprongen vertellen het verhaal van jachtpartijen en gevechten op leven en dood. Met elegante handgebaren en indrukwekkende pirouettes creëert hij de illusie van grauwende beren en rondsluipende wolven. De hypnotiserende vlammen van zijn toortsen vertellen over de strijd van zijn nomadische voorvaderen om het vuur tijdens hun trektochten levend te houden.   Wanneer hij tussen zijn gloeiende spiralen rondwervelt brandt in zijn doordringende blik het verlangen naar het uitgestrekte grasland uit zijn jeugd. Naar de veelvuldig opgelapte yurt waarin zijn grootouders nog steeds wonen. Naar het zorgvuldig gevoede vuur met zijn knisperende sintels. De rijke geur van aromatische kruiden en gebrande wierook. Het harde leven tussen de paarden en de runderen. De eindeloze sterrenhemel die het dorre landschap omspant. De verhalen over de ontzagwekkende goden die de nomaden beschermden.   Hij, Tugal, was als astmatisch kind te zwak om het leven van zijn rondtrekkende voorouders verder te zetten. Op het internaat waar hij in zijn jeugd verbleef ontwikkelde hij echter zijn talent om met goedgekozen bewegingen een verhaal tot uitdrukking te brengen. Dit gebruikt hij nu om zijn roots en verdwijnende culturele tradities in leven te houden.   Terwijl zijn ademhaling een rustige regelmaat vindt en zijn spieren zich langzaam ontspannen, weerklinkt het waarderende applaus van de talrijk opgekomen toeschouwers. Het geluid van enthousiast klappende handen vult de kale ruimte. Zijn offergave voor de machtige goden van zijn volk.

Soren Skanderborg
0 0

De vuilnisman en ik

Het was een maandagmorgen. Het regende zo fel dat ik de hele weg naar de bakker mijn ogen dichtkneep. Ik moest naar de ‘verre’ bakker, omdat de Deurnese Bakkersgilde na rijp beraad ooit heeft beslist om collectief te sluiten op maandag, het uitgerekende moment waarop vaders naar de bakker moeten. Vloekend waad ik door plassen, terwijl ik een vuilniswagen passeer. Aan het stuur zit een nors kijkende vent, die kennelijk ook blij is dat het maandagochtend is. Hij moet niet klagen, hij zit tenminste droog. Dan merk ik de andere kerel op, die de vuilzakken achteraan in de maler werpt. Hij is alleen. Moeten er niet altijd twee zijn? Misschien is zijn collega ziek. Onze blikken kruisen. Het is alsof ik in de spiegel kijk: hij is bijna een kopie van mij. Klein van gestalte, een beetje een gebogen houding, donker haar, grote neus, klein baardje en vooral twee grote, diepbruingroene ogen die me melancholisch aanstaren. Het enige verschil tussen ons is onze huidskleur. Ziet hij mij zoals ik hem zie? Ik knik zacht en hij lacht terug. We lezen in elkaars blik dat we niet van maandagmorgen houden, maar dat we die gedachte ook kunnen relativeren, in tegenstelling tot zijn collega. Zijn haar plakt tegen zijn voorhoofd, het mijne is droog omdat ik een regenjas aan heb. Hij is doorweekt, maar dat lijkt hem niet echt te deren. Terwijl ik de hoek om wandel, zie ik mezelf vuilniszakken van dorpels nemen en ze vakkundig in de kraakpers werpen. Hem zie ik voor de klas staan, terwijl hij uitlegt waarom je regen met één e schrijft en maandag met twee a’s. Waarom moet hij eigenlijk in de regen al het werk doen, terwijl die bokkige tamzak gewoon tegen tien per uur met die wagen rondrijdt? Dat lijkt me niet rechtvaardig. Wat is hun systeem? Wisselen ze straks? Wanneer het is opgeklaard? Spelen ze vogelpik ‘s avonds? Wordt er geloot? En dan, terwijl het beeld van de vuilnisman stilaan plaatsmaakt voor de gedachte welk brood ik zou kopen, dringt iets tot me door. Misschien lijkt die kleine man ook op mij qua behaalde brevetten. Hij zou wat graag ook eens in die vuilniswagen zitten, maar hij heeft geen keuze: hij bezit geen rijbewijs.

Lennart Vanstaen
9 2

Vandaag sterf ik

Misschien is vandaag wel de dag dat ik sterf. Ik zeg dit omdat ik vandaag mijn hele verleden heb zien voorbijkomen in mijn gedachten, terwijl ik van mijn werk naar huis fietste in het drukke Antwerpse verkeer. Op zich al reden genoeg om een gewisse dood in de ogen te kijken. Ik weet niet wat het heeft getriggerd, plots was het er gewoon. Ik was muziek aan het luisteren door mijn hoofdtelefoon zoals altijd wanneer ik alleen fiets en bevond me van het ene moment op het andere in het huis waar ik ben geboren en getogen tot mijn negen jaar: een herenhuis in Antwerpen-Zuid, meer bepaald in de Pacificatiestraat. Ik zie de voordeur, het huisnummer. Ik ga naar binnen en loop het hele huis door in mijn gedachten. De in het oog springende moluren en zuilen in de woonkamer. Het verhoogje waarop de televisie staat en tevens de vaste plek waar Sinterklaas zijn cadeautjes achterlaat. De eettafel aan de voorzijde van het huis en de kat Nemo op de schouw. De keuken met haar doorgeefgat en het minuscuul koertje, iets dat ik niet meer kan rijmen met mijn ouders, die nu een riante tuin hebben en er niet uit zijn weg te slaan. Hoe ik met Dennis, mijn Turkse buurjongen, voetbalde tegen de garagepoort waar nu een apotheker is. Hoe we een keer bij overbuurjongen Mohamed werden uitgenodigd en ik nooit zoveel zetels had gezien. Dan flitsten er beelden voorbij van de Steinerschool. De klassen, de foyer en het scheikundelokaal. Op zich kom ik daar nog wel eens op een opendeurdag, uit pure nostalgie en om me onder te dompelen in de traagheid, zachtheid en schoonheid die je in geen enkele andere school kan vinden. Ik zag mijn moeder en in haar kielzog mijn broers en ik naar de tram wandelen om terug naar huis ging, maar niet voordat we een knabbelstok hadden gekregen van de biologisch-dynamische bakkerij. Dat is dus niet alleen een biologische bakker, maar ook een dynamische, het zijn dus halve atleten die daar werken. Toen ik wat ouder was mocht ik alleen met de tram en ging ik met mijn klasgenoot Tristan stiekem snoep kopen in een kleine superette waar nu een chic restaurant is. De talloze kinderfeestjes kwamen ook voorbij, waar mijn ouders hun werk in staken. Het was één aaneenschakeling van spektakel op kindermaat. Een stoelendans met de immer onverbeterbare Herman Van Veen door de luidsprekers, een goochelshow door mijn neven Arend en Zeger, snoep eten van een draad zonder je handen te gebruiken, de obligatoire taart met kaarsjes… Allemaal in mijn brein geprint deels door herinneringen en deels door het bekeken hebben van oude VHS-cassettes. Mijn oma die nog kon hurken voordat ze ongeneeslijk ziek werd. Mijn grootouders langs moederszijde die ons soms kwamen ophalen van school. Papie, zoals iedereen mijn grootvader noemde, stak onbeschroomd een dikke sigaar op in zijn even dikke Mercedes en lachte vriendelijk naar ons. Of we naar de snuffelmarkt wilden. Volmondig ja natuurlijk. Met een ijsje achteraf. Vleugen middelbaar onderwijs passeerden eveneens de revue. Hoe ik hoge verwachtingen had van Technologische Opvoeding, waarbij je NOF-poorten via kabeltjes mocht verbinden. En hoe ik daar uiteindelijk maar zeer matig bedreven in bleek. Hoe ik wiskunde moest bijspijkeren na school en in vakanties en hoezeer ik dat haatte maar hoeveel respect ik nu heb voor die toegewijde arme wiskundeleraar, die later pastoor is geworden. Ik dacht aan een van de vele illustere leerkrachten, Jef Casteleyn, die me haiku’s liet schrijven en me voor de grap ‘een saffie’ aanbood op m’n 14e verjaardag. Hoe een andere dijk van een leraar Jan Geerts, die nu dichter en zelfs kunstenaar is, mij als straf maar ook als experiment een les Nederlands liet geven en ik de klas toen de poëzie van Tagore liet kennen, die mijn moeder mij had leren kennen. Hoe we tijdens de les biologie als bijen moesten dansen op de speelplaats. Hoe sentimenteel meneer Janssens omging met de cactussen in zijn lokaal. Hoe de strenge prefect een keer onze voetbal plat stak met een mes omdat de bel al was gegaan. En hoe Jens en ik, beiden in de ban van Radiohead, op de bus tijdens een saaie schooluitstap om het slib aan de oever van de Maas te ontdekken, samen Hail to the thief wilden luisteren, maar omdat wij niet zo’n plugje voor twee paar oortjes hadden, trachtten we beiden op exact hetzelfde moment op ‘play’ te drukken, zodat we bij muzikale wow-momenten (zo goed als allemaal) elkaar met opengesperde ogen konden aankijken om onze idolatrie voor een bepaalde bridge of strofe aan elkaar kenbaar te maken. Al deze gedachten en meer kwamen voorbij en toen ik op een metaniveau nadacht over het feit dat ik plots al die gedachten had, werd ik in eerste instantie meedogenloos overvallen door melancholie, omdat ik besefte dat ik nu was waar mijn ouders ongeveer waren toen ze in de Pacificatiestraat woonden. Ik vroeg me af of zij ook zo weemoedig terugkeken naar die periode die zich als een film in mijn hoofd afspeelde. En zou ik binnen twintig jaar ook als een pudding in elkaar vallen van emotie bij het terugdenken aan deze tijd, toen ik dit schreef? Op een nog meer metaniveau realiseerde ik me dat mijn brein dus al de hele tijd enorme verbindingen was aan het maken, terwijl ik fietsend door het Antwerpse verkeer slalomde. Ik merkte dat mijn gedachte dat ik gevaarlijk bezig was zo af te dwalen in mijn geest totaal niet klopte, integendeel. Ik deed het met gemak. Ik had zelfs de indruk dat ik alles had gezien, ik anticipeerde als een doorwinterde taxichauffeur. En niet alleen het verkeer kon ik perfect inschatten, het leek alsof ik elk detail zag. Een vogel die met een takje in zijn nest landde. Twee vlaggenstokken waarvan de linkse iets langer was. Ik zag links hoe een oude heer de hondendrol niet had gezien en rechts hoe een fietser een auto die wilde afslaan niet in de mot had. En terwijl ik alles rondom mij aanschouwde en mijn brein in het verleden leefde, luisterde ik ook nog eens aandachtig naar de muziek in mijn oren, zelfs naar de teksten. Ik merkte flarden tekst op die toevallig samengingen met ofwel de beelden in mijn hoofd, ofwel dingen in mijn directe omgeving. Terwijl ik trots en verbaasd was door mijn eigen brein, dat dus drie taken tegelijk tot in de perfectie uitvoerde, moest ik denken aan Star Trek, waar om de vijf afleveringen wel eens een brein wordt gedissecteerd om te kijken welke krachten er aan het werk zijn. Wat zouden ze bij mij niet allemaal vinden, dacht ik. Ondertussen was ik thuis gearriveerd en omdat het vrijdag was, ging ik alvast de bestelde broodjes ophalen. Ik zette snel even mijn spullen thuis af en vertrok naar de broodjeszaak. Nog steeds verwijlend bij mijn bezige brein kwam ik terug thuis en merkte dat de voordeur wagenwijd openstond. Raar brein.

Lennart Vanstaen
17 2

Is goud

Waar ik al die tijd was ? Ik was weg. Weg naar vroeger. Ik had geen keuze.  Op een dag stond er een meisje in de kamer. Eigenlijk niet echt op een dag. Niet plots. Ze was er al vaker geweest, maar ik had haar niet herkend. Nochtans had ze aan mij getrokken en geschud. Ze leek wel een aardbeving, een draaikolk. Ik heb me stevig verzet. Pillen genomen opdat ze weg zou blijven. Ik wist niet wat er gebeurde. Ze bleef komen. Weet je nog dat ik ver van huis was, zei ze. Dat er ’s nachts een olifant op mij lag ? Deze keer durfde ik haar aankijken. Ze keek brutaal terug, stak haar hand uit. Kom, zei ze. Nu herkende ik haar wel. Ik zag haar witte contouren. De natte lippen van de nonkel. De dwingende ogen van de tante. De vinger op haar moeders lippen. Koffiekransjes in de zitkuil. Polonaises op familiefeesten. Zijn varkensogen. De rose pluisjes in het schemerdonker. Ik voelde de mist in het kleine meisjeshoofd. Waarom was het haar schuld ? Ik voelde haar maag omkeren, samen met de feiten. Ik voelde haar hersens draaien; een andere waarheid maken : het was haar schuld. Alleen begrijpt ze niet waarom. Is ze daarom zo bang ? Het was niet jouw schuld, zeg ik. Ik ben zo'n kind, zegt mama. Wat voor kind ben jij dan ? vraag ik. Zo'n kind, zegt ze. Het was niet jouw schuld, herhaal ik. Ik heb het meisje van vroeger uit de zitkuil geplukt, uit de natte lippen, uit de veinzerij. Ik heb haar op mijn heup genomen. Haar hoofd in mijn handpalm. Ik heb haar gezegd dat ik haar gehoord heb. Dat ik weet dat het waar is. Dat zij de waarheid nooit meer alleen hoeft te dragen. Ze heeft zich als een aapje aan mij vastgeklampt. Ik heb haar zo hard tegen me aangedrukt dat ze in mij is gekropen. In mij is opgelost.  Dat is waar ik was. Het meisje is veilig nu. Bij mij. Verder geen commentaar.

Ann Henri
29 1