Lezen

Droomkroketten

  Ik word daar helemaal high van. Droomkroketten of een meisje dat mijn ziel vervelen kan. Denk maar niet dat zoiets ooit een beetje saai kan zijn. Zij weet bij god goed wat ik zoek. Rust en lauw gekust worden. Meer wil ik niet. Er zit daar hoog in een verlegen boom een vogeltje met zachte vleugels. Wrijf het niet over de wangen. Zout dat kent het niet. Als ik een staart had als een slang, dan zou ik nooit meer bang zijn van de bochten die ik nemen moest. Ik viel zo vaak. Over mezelf. Over het zijn. Het klein konijntje in mijn tuin heeft scherpe tandjes, beetje schuin. Het bijt nooit in mijn hand noch vingers als ik het grassprietjes beloof. Geloof maar niet, Natuur, dat ik jou echt vrijwaren kan. Ik ben te klein om al wat straks verloren gaat te redden. Ik doe mijn best, al ben ik zwak. Ik voel het barsten binnenin. De overgave lonkt, terwijl een kikker wilde bellen blaast. Mag ik nog even zwemmen, vraag ik aan een vis die zonder dralen mij de beste slagen leert. Het water weet mij te bekoren want het streelt mijn vel. Rust en lauw gekust worden, meer zoek ik niet. De snoek hij kan zijn scherpe tandjes goed gebruiken voor het aaltje dat zijn mond passeert. De visser ginds aan lager wil. Hij is zich niet bewust van enig kwaad. Straks komt de vloed die al zijn moed verslindt. Was je maar thuis gebleven, prevelt zacht de voorhoede waarmee de storm zich aankondigt. Straks zal het mild vergaan. Ik voel iets barsten binnenin.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
2 0

De herder van het stof

  Elke kast, iedere dag met beetje faam, gelijk ook welke kaft of slapend schriftje met daarin mijn eerste letters, tekening misschien, wat balkjes voor een noot of tien. Alles krijgt een laagje stof. Zit er een filter op mijn hart? Het kaf is soms zo fijn dat overal waar ik durf wrijven, hoest een dutje bleek te doen. De longen van mijn lappenpop zijn niet zo teer, beweerde ooit een kind dat dokter of verpleegster worden zou. Ik heb een zak gekocht. Zonder merk voor al die brol. De wisselbeker die ik won toen ik een torenhaan afschoot, hij staat hier nog. Misschien moest hij terug naar de verleden tijd, de club waar ik begon als kindsoldaat. Ik kijk nu enkel nog naar sneeuw en dat geweer. De hijgende atleet hij schiet een beetje scheef. Daar gaat de eer die hij verzocht te krijgen. Wanneer zal hij die ski’s op zolder leggen, vraagt een been of twee. Alles is moe, maar niet het stof. Dat wacht geduldig op het einde van de vlucht. Wanneer het grijs dan rust kan en neervalt op een doos of drie. Er staat hier ook een wieg die veel verloor. Immer zal iets sterven, soms nog veel te vroeg. Alleen de dood kan trots beweren overal beroemd te zijn. Het hobbelding was sterk nochtans, gemaakt uit ebbenhout. De meubelkever wilde zich niet wagen aan het lichter maken en de nerven wisten goed wat er gebeuren ging. Ik liet de droefenis begaan. Ze knaagt altijd al aan een bot van het bestaan terwijl de zon achter een wolk voorzichtig lacht. Er drijven schapen door de lucht vandaag. De herder is niet mee. Ze zijn verlost van honger en de richting van de wind bepaalt elke bestemming van de mist. Het is die vochtigheid die vaak bij nacht mijn wangen zoekt. Ik kijk niet langer met mijn ogen open naar de ondergang. De zon zij weet waarom. Ik leg mijn hand dan in dit zand, niet fijn genoeg om stof te mogen zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
2 0

Hier in de grond

  Meerdere keren per dag. Dan verkeer ik in verwarring. Of ik zomaar van je houden mag. Ik durf daarbij niet na te denken. Neem dat ‘je’ ook niet te eng. Ik spreek wel vaker tot mijn hondjes of een sterrenbeeld. De vinkenslag, dat net waarmee getjilp gevangen wordt, het ligt daar maar. Het is danig in zichzelf verstrikt geraakt. De naakte zeemeerminnen mogen zomaar zwemmen, vrij voorbij de val. Als ik daar lig. Goed opgesloten ben ik vindbaar, denkt een eenzame gedachte die zich spoorloos achtte. In de cel van gisteren zit morgen niet te wachten. Grijp me dan als je kan, zo schreeuwt de liefde die zich als een sperwer heeft vermomd. Hier in de grond, onder een groene laag van gras dat ongemaaid zo mooi is als een plant kan zijn, daar leeft verlegenheid, een ziel die langzaam stierf aan overvloed. Waaraan? Dat vragen domme wezens. Zij die zich laven aan vermeend geluk terwijl onder de brug een vuilbak slaapt vol weggegooide kansen. Had ik je maar gezoend. Direct. Waarom heb ik gewacht? Je lippen wisten zo veel beter dat ik ze bekoren kan. Ik ben de bron van een blinde rivier die stroomt door niemendal. Doch op papier, durf ik wel iets beweren. Grijp me dan. Meerdere keren. Elke dag. Lekker bij de nek. Ik ben een haan die kraait omdat de kerk te laat is met zijn lied. De klokken klinken echter holler dan ze zijn. Mijn lieveling, had ik je maar omarmd. Die warme avond dacht dat het eenvoudiger zou zijn wanneer de horizon zich langzaam plooide naar de ondergang. Er is dat sterrenbeeld dat zich belangrijk vindt, betekenis kan geven aan mijn sombere bestaan. Mijn jongste dochter. Zij die alles aanvoelt als het over mijn banale ego gaat, zij schreef ooit op mijn linkerwang : 'De maan is een kromme banaan.' Rust breng dat. De vrede is jaloers wanneer ik denk aan zonneschijn, aan gele borden die een omleiding verbergen richting beterschap. Had ik je maar gezoend. Soms spreek ik tot de vlinder die in beide vleugels kleuren, zo veel onschuld draagt. Mijn hondje denkt dat ik veel onzin fluister. In deze duisternis, mijn schat, daar is het niet makkelijk een kakkerlak te onderscheiden van een spin die dromen weeft rondom het laatste beetje licht. Het is die valavond, dat kreupel restje moed, dat mij in leven houdt. Het wil gewoon dat ik wat schrijf over mezelf, over de vliezen voor hetgeen verdronken leek en toch blijft voortbestaan.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0

Meneer Lipinski is een uil met lange ei

    volgens twee rode bloedcellen scheelt er iets met mei de zilverreiger at die maand een goudvis en ikzelf ik dronk te veel bokaaltjes leeg   ze staken vol met embryo’s van duistere gedachten stel je voor een doordeweekse dag die met wat chloor heeft geprobeerd zijn dorst te lessen   ‘jodelaars (enkelvoud)’ dat was mijn inzending als woordje van dit wrede schrikkeljaar tot zeer grote teleurstelling van mijn vermaarde fanclub won ik zelfs de troostprijs niet   chot ja mijn zilverbaard blijft ongeschoren sinterklaas heeft op zijn boot nog een receptie willen geven voor de schaduw van een oorlogskind misschien ook voor een brave slagerszoon   er is die zanger van een liedje voor gevogelte dat in een pan een mooi bruin kleurtje krijgt je hebt meneer lipinski en de uil die lezen mij daar wel eens aan de tamme waterkant   ze kijken nooit naar meisjes in een ruitjesrok omdat de loper van het schaakspel sneller is hij holt de tijd voorbij hij weet niet eens hoe zwak ik ben hij mag mijn ziel niet zien   behoed het kind van pijn dat zeg ik altijd tegen hem mark koeke heeft een zoo omdat hij zelf een plaatsje zoekt voor later als zijn hanenkrop nog verder zwelt hij zelf dan een attractie wordt   ik heb ooit aan dat kind verteld dat het dan gratis onbetaalbaar wordt het niet meer sparen moet er zal toneel zijn zowaar overal zelfs op de stoep van ooit ook in het koninginnedal   er komt een show met licht zonder zware accenten en de maestro van de ondergang zal alle touwtjes zacht beheren de harlekijn is wel eens moe zegt dat pinokkio gelukkig is   hij heeft nooit echt beseft waarom de vrijheid hem de voeten ooit aanbad hij kon alleen maar lopen in de richting van de zon terwijl die niet bestond aan dat verlaten einde   in kleinigheden leeft wel eens de toekomst zegt een ooievaar die dode kindjes droeg hij vraagt zich wel eens af waarom alles zo opgesloten zit het vals gebit daar in de mond van mijn demente moeder   hij heeft daar in zijn dierentuin echt waar zelfs een giraf het beest eet haver en het zoekt naar klaver met een blad of vier het liefst nog meer geloof me nooit als ik vertel   over de ijzer hangt vandaag een beetje mist de lucht is broos gelijk het glas dat veel te dun was om te barsten bij de eerste schok mijn hart is oh zo sterk   dat zegt het varken altijd als het opgeladen wordt ik haat die boer dat wezen in zijn blinde biotoop ik hoop alleen maar op een dag als die vandaag   op beterschap op wat jolijt hetzij een walvis die goed weet dat plankton nooit oneindig leeft meneer lipinski en de uil zij vragen zich nooit af wanneer de afloop is de doop van het onnozel kind   in mei had ik een fan of vijf want elke maand heeft zo haar voorkeur voor een optreden in zure lucht de klucht vertelde aan mijn lief en de verlegenheid heeft nooit lang voortgeleefd   meneer lipinski en de uil zij weten niet wanneer ik stoppen zal ze zijn zo lui ze zitten daar in hun café ze drinken duvel misschien wel een koffie donkerzwart   er is die smart de pijn in mei weet elke vogel dat zijn jong verloren is de weemoed weegt te zwaar hij zal nooit goed echt nimmer weten waarom ik heb bestaan       uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
4 0