Lezen

De zachte dood en de harde rails, tussen infuus en spoor

Het was een van die avonden waarop mijn rijhuis in Heist aan Zee stil genoeg was om de golven in de verte te horen rollen. Ik, Stefan, treinbegeleider sinds een 1  jaar, zat aan de keukentafel met een glas alcoholvrij bier dat ik nauwelijks aanraakte, en keek naar de muur waar nog steeds de oude kalender hing van mijn tijd als thuisverpleger. De data waren allang verlopen, maar de herinneringen niet. Buiten viel de regen zachtjes tegen de smalle gevel, vermengd met de zoute wind die vanaf de duinen kwam aanwaaien, zoals altijd in deze rij van bakstenen huizen die allemaal op elkaar leken en toch elk hun eigen stilte droegen. De zee was dichtbij, je hoorde haar ’s nachts ademen, een laag, constant geruis dat nooit helemaal zweeg, alsof ze de doden die ik had gezien nog steeds meevoerde in haar ritme. Binnenin mij hing dezelfde melancholie die me al jaren vergezelde. Niet de scherpe pijn van woede, niet de koude kilte van oordeel, alleen een diep, drukkend gevoel om hoe dezelfde dood twee totaal verschillende gezichten kan hebben. Euthanasie toen, zelfdoding nu. Zelfde resultaat: een mens die ophoudt te ademen. Maar de weg ernaartoe, de manier waarop, de echo die het achterlaat – dat is een wereld van verschil. Maatschappelijk en menselijk. Vroeger, als thuisverpleger in de straten van knokke en de omliggende dorpen, was euthanasie iets wat ik leerde kennen als een ritueel dat bijna beschaafd was geworden. België had het geregeld, met wetten en commissies en papieren die alles in goede banen leidden. Mensen belden me niet in paniek, maar met een soort rustige vastberadenheid. “Stefan, het is tijd.” Dan reed ik naar een huis in de Dumortierlaan of de Lippenslaan waar de geur van verse koffie al in de gang hing en de familie in de woonkamer zat alsof ze een verjaardag vierden die niemand wilde vieren. Zo herinner ik mij een man van achtenzeventig met pancreaskanker, zijn lichaam uitgeput maar zijn geest nog helder. Hij had zijn testament getekend, zijn kleinkinderen nog één keer geknuffeld, en nu lag hij in zijn eigen bed, met schone lakens en een foto van zijn overleden vrouw op het nachtkastje. De huisarts kwam, de tweede arts voor de controle, en ik bereidde de spuiten voor. Er was geen haast, geen drama. Er was een gesprek. “Ik kies dit,” zei hij, en iedereen knikte, met tranen maar zonder verwijt. De injectie ging traag, de ademhaling werd rustiger, en dan was het voorbij. Geen bloed, geen ravage. Alleen een lichaam dat er vredig uitzag, alsof het eindelijk mocht rusten. De familie bleef zitten, dronk nog een kop koffie, praatte over hoe hij altijd had gehouden van de zee. Daarna belde ik de begrafenisondernemer. Het was netjes. Het was humaan. Westerse waarden, noemden ze het: autonomie tot het bittere einde. De samenleving had besloten dat dit een recht was, geen zonde. En de naasten gingen naar huis met een afgerond verhaal. Ze konden zeggen: “Hij heeft het zelf beslist. We waren erbij.” Geen gapend gat van onwetendheid, geen schuld die als een steen op hun borst lag. Rouw, ja, maar een rouw met contouren, met een begin en een einde dat ze zelf hadden meegekleurd. Ik herinner me een vrouw in heist aan zee, begin zestig, met een neurodegeneratieve ziekte die haar langzaam had opgeslokt. Ze kon nog praten, nog lachen om een mop over de burgemeester van Knokke die de lapnaam Pietje Poep had, maar haar lichaam was een gevangenis geworden. Haar man zat naast haar, hield haar hand vast terwijl ik de medicijnen klaarmaakte. “Dank je, Stefan,” zei ze tegen mij, en tegen hem: “Ik hou van je, tot in de volgende wereld.” De spuit ging in, haar ogen vielen dicht met een zucht van opluchting, en de kamer vulde zich met een stilte die bijna heilig aanvoelde. Geen treinbestuurder die schreeuwde in zijn cabine, geen passagiers die mopperden over vertraging. Alleen een dood die paste in het leven, die de familie een laatste moment van waardigheid gaf. Maatschappelijk was het geaccepteerd, bijna gevierd als vooruitgang. Kranten schreven erover als compassie, artsen spraken erover op congressen, en ik naar huis met het gevoel dat ik iets had bijgedragen aan een zachte uitweg. De naasten droegen het mee als een erfenis, niet als een wond die nooit heelde. Ze konden rouwen zonder de eeuwige vraag: “Had ik het kunnen voorkomen?” Want het was niet voorkomen, het was gekozen. Met getuigen, met handtekeningen, met liefde die nog op tijd was. Nu, als treinbegeleider, is het anders. Heel anders. Zelfdoding – het woord alleen al voelt ruw in de mond, alsof het niet thuishoort in een beschaafde zin. Het komt niet met een telefoontje en een afspraak. Het komt plots, als een klap op een dinsdagochtend wanneer de centrale belt: “Incident op het spoor, chef.” En dan weet ik het. Iemand heeft gekozen voor de rails. Niet met een infuus en een arts, maar met een sprong in het niets, een lichaam dat wordt verscheurd door metaal en snelheid. Hetzelfde resultaat: leven dat stopt. Maar de modus operandi is een breuk met alles wat netjes is. Geen schone lakens, geen familie aan het bed. Alleen bloed op het ballastbed, stukken die de hulpdiensten in zakken stoppen, en een treinestuurder die daarna maanden niet slaapt.  Een jonge vader uit Brugge, net gescheiden, die bij Lichtervelde op de sporen sprong. Geen briefje, geen waarschuwing voor zijn kinderen. Alleen een tas met een portemonnee en een sleutelbos die later aan de politie werd gegeven. De trein staat stil, de treinbegeleider loopt door de rijtuigen met uitleg en excuses, terwijl binnenin hem de melancholie en weemoed opwelde als de regen buiten. En de familie, die kreeg later het nieuws via een politieman die aan de deur belde. Geen afscheid, geen hand die ze vasthielden. Alleen een lichaam dat niet te herkennen was, en de vraag die hen zou achtervolgen tot in hun dromen: “Waarom heb je niet gebeld? Waarom heb je dit gedaan? waarom heb je.....?”  De maatschappij kijkt anders naar zelfdoding. Het is geen recht, het is een falen. Geen wet die het omarmt, geen commissie die het goedkeurt. Het is taboe, het is statistiek in een rapport, het is iets waarover we spreken met zachte stemmen en preventieposters op stations. Oja en dat verdomde nummer van de zelfmoordlijn als het nieuws op VTM uitvergroot triestig wordt gebracht. Maar het gebeurt. 3 keer per week. En het laat sporen na die euthanasie nooit nalaat. De naasten dragen niet alleen rouw, ze dragen schuldgevoel. Een gevoel die de samenleving hen onbewust tracht uit het hoofd te praten: “hij was altijd al een stille, het is juist van dat soort dat ge moet opletten....” Geen laatste woorden, geen “ik kies dit”. Alleen een leegte die schreeuwt. Geen koffie met de familie, geen speeches op de begrafenis over een moedige keuze. Alleen een graf dat te vroeg was gedolven, en kinderen die opgroeiden zonder een vader die nog eens gedag had gezegd. Voor de treinbestuurder was het een trauma dat in de rails bleef liggen, zichtbaar en voelbaar. Ik zit hier in mijn rijhuis in Heist aan Zee, en denk aan het verschil dat zo klein lijkt en toch alles verandert. Zelfde einde: stilte in een borstkas. Maar euthanasie is een gesprek dat eindigt in vrede. Het is voorbereid, het is getuigd, het is maatschappelijk goedgekeurd als een laatste vrijheid. De patiënt beslist, de verpleger helpt, de naasten nemen afscheid met een kus en een bedankje. Ze gaan naar huis met een verhaal dat ze kunnen vertellen: “We hebben hem laten gaan zoals hij wilde.” Rouw met een kader, met foto’s die nog lachen, met een uitvaart waar iedereen zegt dat het mooi was. Zelfdoding op het spoor – of waar dan ook, maar voor mij altijd op die rails – is een explosie zonder publiek. Het is een schreeuw in het donker, een dood die niemand ziet aankomen behalve de bestuurder en de kraaien die later komen. De naasten krijgen geen handdruk, geen “dank je”. Ze krijgen een telefoontje, een identificatie in een koud mortuarium, en daarna de nachten vol “wat als”. Wat als ik beter had geluisterd? Wat als ik die avond was gebleven? Maatschappelijk is het geen triomf van autonomie, het is een symptoom van een samenleving die faalt. We hebben euthanasie getemd tot een medische procedure, maar zelfdoding blijft wild, oncontroleerbaar, en het scheurt de levenden in stukken. Ik vind dat dit anders mag, maar hoe: ik heb geen flauw gedacht. Toch denk ik dat het slachtoffer liever een autonome trein zou nemen als middel dan het leven van een treinbestuurder te hypothekeren.  Soms, in dit rijhuis en de kleine achtertuin die uitkijkt op de buren en verderop de duinen, typ ik ’s avonds op de oude computer wat zinnen die niemand ooit zal lezen. Over hoe ik van thuisverpleger naar treinbegeleider ben gegaan, en toch dezelfde dood blijf tegenkomen. De ene dood is een zachte hand die je begeleidt naar de deur. De andere is een trein die je meesleurt. Bij euthanasie blijft er ruimte voor liefde, voor woorden, voor een laatste blik die zegt: het is goed zo. Bij zelfdoding blijft er alleen de echo van de klap, de schuld die zich nestelt in de harten van moeders, vaders, kinderen. Geen commissie die het voorkomt, geen infuus dat het verzacht. Alleen de vraag die nooit beantwoord wordt, en de melancholie die blijft hangen als de regen op het dak van dit rijhuis, vermengd met het zout van de Noordzee die nooit ophoudt met fluisteren. Ik sta op, loop naar het raam en kijk naar de straat. De buren hebben hun lichten al uit, de rijhuizen staan in het donker als stille getuigen van al die levens die hier aan zee beginnen en soms te vroeg eindigen. De wind rukt aan de luiken, de golven rollen verderop over het strand, en ik denk na. Aan de patiënt die ik had verpleegd, een leraar, die zei: “Ik wil niet dat men mij zo herinnert me in mijn huidige situatie.” Zijn vrouw had hem gekust, de dokter de dosis gegeven, en de kamer was gevuld met een vreemde rust. De begrafenis was mooi, met bloemen en speeches. De kinderen spraken over papa’s keuze. Ze droegen het als een erfenis, niet als een wond. Euthanasie is een gesprek, een handdruk, een einde met getuigen. Zelfdoding is een schreeuw in het niets, een einde zonder publiek, een last voor iedereen die achterblijft. De zee ademt door, hier in Heist aan Zee. Ik drink mijn kop koffie leeg, niet omdat ik dorst heb, maar omdat de avond dat vraagt. En ik denk: misschien is dat het diepste verdriet. Dat we de dood hebben proberen te temmen met wetten en spuiten, maar dat hij zich toch altijd weer losrukt op de meest brute plekken. Voor de patiënt maakt het niet meer uit. Voor ons, de levenden, maakt het alles uit. De euthanasie laat een stille kamer achter. De zelfdoding laat een gebroken trein achter, en families die nooit meer heel worden. Misschien dat  VTM analisten zoals FAROUK NO-GUINNESS en tafelspringers van de TAFEL VAN GERT het debat dat niemand wil voeren, toch eens wil aanraken…. Dit is het verschil dat ik draag, hier in mijn rijhuis aan zee, tussen twee levens die ik heb geleid. Als verpleger gaf ik een zachte uitweg. Als treinbegeleider kijk ik op tegen de brokstukken. En de melancholie? Die blijft. Als de regen die nooit helemaal ophoudt, als de wind die het zout meevoert, en de golven die altijd verder gaan, ongeacht wie erin verdwijnt.  

treinbegeleider stefan
6 0

de microbe en de cosmos

  Op een ligzetel volledig strijk in mijn achtertuin, starend naar de hemel. De eerste lentezon heeft zijn werk gedaan.  Ruim 23 graden ineens. Het was een van die avonden waarop de lucht zich niet helemaal donker wilde kleuren, een lauwe, weifelende schemering waarin de sterren zich nog niet durfden te vertonen, bang misschien voor de overdaad aan licht die de Haven van Zeebrugge beneden hen uitbraakte. De buren hielden nog een barbecue ; de geur van verbrand vlees en goedkoop bier dreef over de schutting, vermengd met het gelach van mensen die zichzelf belangrijk vonden omdat ze een eerste warme werkdag op kantoor hadden overleefd. Ik had een glas alcoholvrij bier in de ene hand, een sigaretje in de andere. Het bier – te Duits en te warm, mijn sigaret te Amerikaans – en voelde hoe mijn grootste vraagstuk zich als een ongenode gast in mijn hoofd nestelde, niet met trompetgeschal, maar met dat stille, sluipende gemompel dat je pas opmerkt wanneer je al half verloren bent. Het heelal, dacht ik, terwijl ik een slok nam en spijt smaakte. Hoe groot is het eigenlijk? Niet het soort grootte dat je met een meetlint kunt weten, niet de grootte van een voetbalveld of een continent, maar die andere grootte, die je maag doet samenkrimpen tot een kiezelsteentje en je hoofd laat tollen als een dronken Zwitser. Wetenschappers spreken van miljarden lichtjaren, van een “waarneembare ruimte” dat zich uitstrekt als een oneindig deken van duisternis en gas en sterrenstof. Maar wat betekent dat woordje ‘waarneembaar’ eigenlijk? Het is een beleefde manier om te zeggen: tot hier kunnen we kijken, vriend, en verder? Verder is het misschien wel niets, of alles, of iets wat we niet eens durven benoemen omdat onze taal te klein is, te aards, te menselijk. Ik herinnerde me een boek dat ik ooit had gelezen toen ik nog een puber met puisten was, van iemand die iets heel pretentieus deed. Daarin stond dat het heelal misschien wel eindigt in een muur van niets, een soort kosmische rand waar de natuurwetten ophouden te bestaan, als een schilderij dat abrupt stopt omdat de kunstenaar geen verf meer had. Maar wat ligt er dan achter die rand? Een ander heelal? Een god die zich verveelt en een nieuw doek spant? Of gewoon de achterkant van ons eigen universum, als een vel papier dat je omdraait en waarop alleen maar potloodkrabbels staan van een kind dat van niet beter wist? De gedachte was even troostrijk als beangstigend: wij, met onze hypotheken en onze ruzies over die bomen van de buurvrouw, levend, in iets, van iets, door iets en met iets, wat we nooit zullen begrijpen. En toen, terwijl de buren begonnen te zingen – vals, natuurlijk, met die aanstekelijke joligheid die dronken West Vlamingen kunnen opbrengen – kwam de andere gedachte op, die mij nog kleiner maakte. Misschien zijn we helemaal niet die grootse wezens die naar de sterren reiken. Misschien zijn we microben. Piepkleine, onbeduidende microben in een petrischaaltje dat iemand anders vasthoudt. Een groter systeem, een kosmos binnen een kosmos, waar ons heelal niet meer is dan een druppel in een oceaan die zelf weer een druppel is in iets nog onvoorstelbaarders. We rennen rond met onze smartphones en onze ambities, bouwen steden die we monumentaal noemen, vechten oorlogen die we historisch noemen, en al die tijd zijn we niet meer dan bacteriën die zich vermenigvuldigen in een laboratorium van een wezen dat ons bestudeert. Het zou verklaren waarom alles zo absurd voelt, waarom de liefde altijd net iets te kort duurt en de dood altijd net iets te lang. Ik nam nog een slok. Het bier vas nu echt onaangenaam geworden, of misschien was ik het zelf. Mijn vrouw riep vanuit de keuken iets over het eten dat koud werd, haar stem klonk zacht. “Kom je nog, of blijf je daar zitten filosoferen tot de muggen je opeten?” Typisch zij: praktisch, aards, met voeten die stevig in de klei staan terwijl ik zweef in het vacuüm. Ik hou van haar, op die onvermoeide, ingesloten manier waarop je houdt van een schoen die precies de vorm van je voet heeft aangenomen. Maar op momenten als deze, met de hemel boven me die zich uitstrekte in al zijn onverschillige pracht, voelde ik de kloof. Zij zag een tuin, een huis, een leven. Ik zag een lab, een schaal, een microscooplens die ons vergrootte tot we dachten dat we ertoe deden. Stel je voor, dacht ik, dat ergens daarboven – of misschien beneden, want richtingen verliezen hun betekenis in het oneindige – een wezen zit dat ons bestudeert zoals wij een kolonie mieren bestuderen. Het noteert onze bewegingen in een logboek: “Dag 6.342.732.456: de witte mieren vallen de zwarte aan om een korrel suiker. Verlies: 2,3 miljoen levens. Reden: “onduidelijk, maar vermoedelijk territoriumdrift vermengd met ideologie en waanzin. Mieren mogelijk ziek.” En wij, in onze arrogantie, denken dat we het middelpunt zijn. Copernicus heeft ons al eens van de troon gestoten, Darwin heeft ons gemaakt tot nakomelingen van apen, en nu dit: misschien zijn we niet eens apen, maar amoeben in een druppel slijm op de schoen van een god die net uit een modderpoel stapt. Mijn gedachte en afwijkende redenering was niet nieuw. Oude filosofen hadden het al geopperd, in hun stoffige bibliotheken, met kaarsen die flakkerden in de tocht. Maar zij hadden geen satellieten, geen Hubble-telescoop die foto’s terugstuurde van nevels die ouder waren dan de mensheid zelf. Wij wel, en toch voelen we ons nog altijd groot. We bouwen raketten om naar Mars te gaan en daar een onderzoek te doen om te weten hoe onze aarde er binnenkort zal uitzien, alsof Mars ons iets verschuldigd is, terwijl we hier op aarde al niet eens in staat zijn om een fatsoenlijke file op te lossen zonder elkaar de kop in te slaan. Maar we kunnen ondertussen wel een wasmachine doen draaien op de maan. Applaus voor onszelf. Zorgen dat iedereen eten en drinken krijgt op de aarde: ho maar. Ik stond op, strekte mijn benen die stijf waren geworden van het zitten, en liep naar de schutting. De buren zagen me niet; ze waren te druk met hun eigen microkosmos van worst en bier. Een van hen, een dikke kerel met een T-shirt met Nirvana op,  dat spande over een buik die getuigde van te veel vrijdagavonden, brulde iets over voetbal. “Die scheids heeft stront in zijn ogen, godverdomme!” Alsof de laborant zich iets aantrok van een mier die buitenspel staat… Ik glimlachte wrang. Misschien was dat de schoonheid ervan: onze kleinheid maakt ons vrij. Als we echt microben zijn, dan maakt het niet uit of we falen of slagen. Dan is ons hele bestaan een experiment, een gril van een hogere macht die morgen het petrischaaltje misschien wel in de vuilbak gooit. Binnen vond ik mijn vrouw aan tafel, de borden al opgediend, de aardappelen dampend in hun eigen bescheidenheid. Ze keek me aan met die blik die zei: ik ken je te goed om nog verbaasd te zijn. “En, wat heb je ontdekt in de tuin? Het einde van het heelal?” Haar stem droop van milde spot, maar er zat ook liefde in, de soort liefde die weet dat je als man soms moet verdwalen om terug te komen. Ik ging zitten, pakte mijn vork, en begon te eten. De smaak was gewoon, troostend, aards. “Misschien wel,” zei ik. “Of misschien zijn we gewoon een vlekje op een glaasje van iemand anders. En weet je wat? Het maakt niet uit. Morgen staat de wekker weer, en de hypotheek moet betaald worden. Het heelal kan wachten.” Ze lachte, kort en warm, en schonk voor haarzelf nog wat wijn in. Buiten was de hemel nu volledig donker, de sterren eindelijk zichtbaar, kil en onbereikbaar. Ik at door, voelde de zwaarte van mijn lichaam, de warmte van de kamer, de nabijheid van haar hand op tafel. En ergens, in dat rare, verwrongen brein van me, bleef de gedachte hangen: we zijn klein, zo verschrikkelijk klein, en toch groot genoeg om dat te beseffen. Dat is misschien wel het enige wat telt.   De filosofie is als een hond die niet wil loslaten; hij bijt zich vast in je enkel en sleept je mee door de nacht. S anderdaags werd ik wakker met een kater die niet van dat alcoholvrije Duitse bier kwam. Mijn hoofd bonsde met vragen die geen antwoorden duldden. Ik stond op, douchte, kleedde me aan voor een dag als treinbegeleider mensen te begeleiden in hun Rat-race. In de trein van Brugge naar Luik Guilemins, een moderne dubbeldekker M7 met steeds weer dezelfde defecte zaaldeuren, keek ik uit het raam naar het landschap dat voorbijflitste. Akkers, huizen, fabrieken, allemaal klein vanuit de verte, maar van dichtbij een heel universum op zich. Elke boer met zijn tractor was een god in zijn eigen koninkrijkje. Elke reiziger een planeet met zijn eigen baan van routine. En het heelal? Dat rolde zich uit boven ons, onzichtbaar in het daglicht, maar aanwezig, altijd aanwezig, als een moeder die zwijgt maar alles ziet. Thuis die avond – dezelfde tuin, dezelfde kussensloze zetel– pakte ik een notitieboekje. Ik schreef: “Het heelal is niet groot of klein; het is onbevattelijk. Wij zijn de maatstaf van een handleiding van een IKEA meubel. Onbegrijpelijk.” Woorden, niets dan woorden. Stef-achtig, zou mijn vrouw zeggen, altijd met die twist van ironie en spot. Maar het hielp. Het hielp om de angst te temmen, de angst dat we niets zijn, of alles, of iets ertussenin wat nog erger is. De dagen gingen voorbij, zoals dagen dat doen, in een ritme dat zowel troostend als verstikkend is. Ik werkte, at, sliep, ruziede licht met mijn vrouw dat de porties die ik maak als middagmaal te groot zijn waardoor mijn buik expansiedrang heeft en tussendoor, in de stilte tussen twee ademhalingen, kwam de kosmos terug. Soms als een fluistering: wat als dit hele leven een droom is? Soms als een schreeuw: hoe durven we te bestaan in iets zo oneindigs zonder te verdrinken? Op een zondag, toen de nachtelijke zondvloed de tuin in een modderpoel veranderde en de hemel grijs en laag hing als een deken die te vaak gewassen is, besloot ik te wandelen. Niet ver, gewoon in de duinen om de hoek, waar oude mannen op bankjes zaten te roken en moeders met kinderwagens hun eigen micro-universums voortduwden. Ik ging zitten onder een boom die zijn bladeren liet ritselen met een nonchalance die ik benijdde. Enkele bladeren dwarrelden neer als kleine sterrenstelsels die implodeerden, bruin en vochtig en toch vol leven in hun verval. Een man naast me, een oude kerel met een pet die betere tijden had gekend, knikte me toe. “Mooie dag voor een beetje nadenken, hè. Zo tussen de buien door?” zei hij, zijn stem schor van jaren sigaretten en en hard levens. Ik knikte terug. We praatten niet veel, maar genoeg. Hij vertelde over zijn vrouw die gestorven was, over hoe hij nu alleen de sterren telde omdat slapen niet meer lukte. “Het heelal is groot, jongen,” zei hij, “maar de leegte in mij is groter.” En daar was het weer: de verbinding tussen het kosmische en het banale, de ster en de eenzame man op een bank. Ik ging naar huis en een hoofd vol beelden. Mijn vrouw had soep gemaakt, dik en warm, met stukjes groente die dreven als planeten in een soep van tijd. We aten in stilte, niet omdat we boos waren op elkaar, maar omdat woorden soms te klein zijn voor wat er in je omgaat. Later, in bed, met het licht uit en haar ademhaling naast me regelmatig als een klok die de seconden aftelt, fluisterde ik tegen haarin  het donker: “We zijn klein, maar we zijn hier. En dat is genoeg.” Maar is het genoeg? De filosofie laat je nooit helemaal los. Ze kruipt onder je huid, als een microbe die zich nestelt en wacht. Misschien zijn we inderdaad microben in een groter systeem, onwetend van de hand die het schaaltje schudt. Misschien ligt het einde van ons heelal niet in een rand, maar in ons eigen onvermogen om verder te kijken dan onze neus lang is. Wat er daarna ligt? Misschien niets. Misschien een lach. Misschien een ander verhaal, verteld door iemand die groter is dan wij, in een taal die we nooit zullen verstaan. Na een nacht overpeinzingen stond ik op, maakte koffie, en keek uit het raam naar de buurman met zijn microbe ging wandelen. Ik glimlachte. Want ondanks alles – ondanks de grootte, ondanks de kleinheid, ondanks de onzekerheid – bleef ik ademen. En in dat ademen lag een heel universum verscholen, klein genoeg om vast te houden, groot genoeg om in te verdwalen. En zolang de aarde draait, is dit mijn verhaal, dag na dag, jaar na jaar.. Het verhaal van een man die in zijn achtertuin zat en het heelal voelde, niet als iets abstracts, maar als iets levends, ademend, spottend bijna. Hij had geen studie gedaan in astronomie – daarvoor behoorde hij tot de verkeerde mierensoort, maar hij droeg het mee, in zijn zak, als een kiezelsteentje dat hem herinnerde aan zijn plaats. Niet in het centrum, niet aan de rand, maar ergens daartussenin, waar de microben dansen en de sterren zwijgen, en alles toch doorgaat. Want het heelal is niet alleen groot of klein. Het is ons, en wij zijn het. En in die eenvoudige, pijnlijke waarheid ligt de enige filosofie die echt standhoudt: we beseffen het niet, en toch leven we. We leven klein, we leven groot, we leven door.  Dus blijf ik strijk gaan in mijn tuin, tot de muggen komen, tot het zerpe bier op is, tot mijn vrouw roept dat het bed wacht. Want ergens in die wachtende duisternis ligt misschien het einde, of het begin, of gewoon nog meer van hetzelfde. En dat is voldoende. Meer dan voldoende. Het is goed zo.   

treinbegeleider stefan
0 0

blotebenendag

ik word wakker en ben nog niet doodmijn ogen gaan open tegen mijn zinde zon staat al uren te liegen tegen de ramenhet is zo'n dag dat de wereld zijn benen scheertgladtrekt wat in de winter mocht groeien buiten loopt de stad te glimmende meisjes hebben hun wintervellen afgelegdze laten hun benen zienaan iedereenook aan mijvooral aan mijalsof ze wetendat ik kijk de benengodverdomme de benenze gaan voorbij in dozijnenwit en bruinsommige met een littekenop de knievan vallen toen ze klein warenvan vallen waar ik niet bij wasvan opstaan waar ik niet bij wasvan leven waar ik niet bij was ik denk aan benen onder tafelsin cafés waar ik alleen zatbenen die ik nooit heb aangeraaktbenen die wegliepen de trap opbij iemand andersbenen die zich openden voor gelukterwijl ik buiten stondmet mijn handen in mijn zakken de lente is een beendat zich strekt in de zoneen kuit die glimteen knie die buigten ikik ben de man die naar de grond kijktomdat hij niet weet waar hij kijken mag op het terras zitten zede benen over elkaarde benen wijdde benen strakeen glas wijn ertussenalsof het zo hoortalsof het altijd zo wasen ik loop langsmijn benen twee emmers slootwatermijn knieën kraken als de deurvan een kamer waar al jaren niemand woontik ben de man die altijd blijft staanterwijl de stad doorlooptik ben de man die de lente zietzoals je een trein ziet vertrekkenzwaaiend naar iemand die niet terugzwaait 's avonds in mijn kamertrek ik mijn broek uitmijn benen zijn wit en kaal en oudmijn huid wordt dunje ziet het donker erdoorhet donker dat altijd al binnen zathet zit er bijna opde reishet staanhet kijken maar vandaaag één keerglimlachte een meisje naar meniet naar mijmaar in mijn richtinghaar benen stonden even stilbij het stoplichttwee meter naast mijen dat wasdat was iets het licht werd groenze fietste doorhaar benen trapten verdermaar evenheel evenstonden ze stilin hetzelfde rood als ik en voor dat ene momentwaren we samenzij en iken het stoplichtin de lentezondrie gekkendie even niet wistenwaarheen morgen weet ik het zekermorgen is het weer roodmorgen wachten haar benenniet

Merlijn
11 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
43 1

Ik ben de stilte

Ik ben de stilte en ik woon in een klein appartement op een vergeten straat in een stereotypische stad. Een van degenen die nooit echt stilvallen en waar nieuwbouw de strijd tegen jarennegentighuizen nog steeds niet heeft gewonnen.Soms vraag ik me af of het wel kan winnen. Dat idee maakt me zowel hoopvol als triest. Het is fijn om te weten dat mijn hoekje wereld altijd zal bestaan, maar ik vrees voor het welzijn van de verrotte kozijnen die hard vechten om de tocht uit mijn kamer te houden. Het is de ruimte die ik als mijn viermurige fort beschouw, of zevenmurige als ik alle kleine hoekjes meetel. Het is het getal van de volheid, iets waarvan ik de ironie niet helemaal kan ontzien.Niet dat een vlug oog het hier als leeg zou beschrijven. De houten beeldjes op de kast vechten om aandacht met de omgevallen beterschapskaarten. De lege vitaminepotjes hebben hun verlies al erkend en liggen ietwat verdwaald op de grond. Het bureau lijkt wel een ruïne met zijn scheve blad, waarop half een map met werk en een pennenbakje nog net balanceren.Binnenkort zullen ze ongetwijfeld aan hun race naar de grond beginnen. Of was het al die tijd een wedstrijd over wie het langst volhoudt? Ik weet het niet. Ik heb beide spellen gespeeld, maar nog nooit gewonnen.Misschien is dat waarom ik nu hier ben, in een slordig opgemaakt bed in het midden van mijn georganiseerde chaos, in een staat die niet als volhouden nog als vallen kan beschreven worden.Leeg, moet het oog dat het mijne vasthoudt bekennen, maar dat doen blikken niet meer.Mijn vader, die in de groene stoel naast mijn rustplaats zit, kijkt weg. Denkrempels schilderen zichzelf op zijn voorhoofd en voor even lijkt hij net zoveel ouder dan ons huis.We lijken op elkaar, besef ik me, op meer manieren dan onze praatgrage buurvrouw beweert. Het is niet alleen onze bruine ogen en de slordige krullen die we beiden op hebben moeten geven. Het is hoe we hetzelfde comfort vinden in de afwezigheid van woorden.Toch stapt hij voor mij uit karakter. 'Hoe voel je je?'Ik antwoord niet, want ik durf mezelf niet te breken. De glimlach op zijn gezicht doet me denken aan abstracte kunst in een achttiende-eeuws gebouw. Hij is zo misplaatst dat het triest voelt. Zijn hand overbrugt de afstand tot de mijne en hij plaatst hem op de rand van het bed.'Ik weet het,' fluistert hij, alsof ik heb gesproken.Een deel van me wil zeggen dat hij dat niet doet, maar we hebben dit gesprek gisteren ook gevoerd, net als de dag ervoor. Het is een rode draad door de dagen die als gewichten opeenstapelen. De meeste woorden zijn met de tijd gesneuveld, maar hij kent mijn antwoorden en ik de zijne. Zelfs al waren de pagina's verband, dan had de context de waarheid stilzwijgend verteld. Er is een limiet aan de keren dat een vader zijn dochter zo kan zien, voordat hij het begrijpt op een manier die ik geen man toewens.'Ik zal je met rust laten.' Zijn woorden zijn net zo misplaatst als zijn uitdrukking. Ze horen na een ruzie door de gang te echoën, maar in plaats daarvan zijn ze een vriendelijke fluistering. Een overgave aan de ziekte die dat moment van ons gestolen heeft.Ik forceer mijn lippen omhoog in een lach. Honderden kleine naaltjes prikken in mijn huid.Mijn vader klopt voorzichtig op de rand van het bed. Dan loopt hij weg, de kamer wordt opnieuw stil en ik word mijn kamer.

Lowa Vermeer
12 1