Lezen

Tip

Juli

Juli   Gulzig Ze vraagt je om wakker te blijven Op wankele waterverfbenen bekijk je haar blauwe plekken Het is tijd om te vertrekken Afscheid na afscheid, rug aan rug Ze vermijdt haar spiegelbeeld Balanceert op kantelende perrons   Denkt Hoe wij om elke hoek loeren Voor het donker thuis zijn Vloeken tot we niet meer kunnen  ademen Elkaars tenen tellen Vertellen over vroeger Elkaar geloven Beloven elkaar vrij te laten maar nu Nog niet   Neemt alles persoonlijk Neemt alles aan Neemt alles Wordt gulzig genoemd Draagt deze naam met trots Trekt elke dag een nieuwe onderbroek en oude gewoonten aan Bouwt forten in haar hoofd Jouw woorden begraaft ze  onder haar nagels Ze proeft ze als ze aan haar vingers likt   Vergat haar adres vier keer Leert het kantelen niet meer te voelen Ligt hier nu al een tijdje Vergeet iedereen  Uit het zicht Ligt open Ze is braakliggend terrein geworden Volgt de boog van de zon met haar navel   Droomt Hoe wij de bebouwde kom doen schommelen Indommelen buiten onszelf Buiten de perken Het wordt al licht Ik steiger wanneer je te dicht komt Vraag je om het toch te doen Het   wordt   al   licht   De stad is een eiland Iedereen daar spoelt af en aan Je kan de lucht er dragen als een donsdeken En alles is er oranje  g l o e i t De mensen daar hebben moeite met Evenwicht Zwichten snel voor kleine zonden Ze willen gevonden worden Gekoesterd Ver verwijderd van het vaste land   Zingt Hoe wij in elkaars armen Hoe wij kwijt Hoe wij altijd afscheid Hoe wij bang Hoe wij nog zo jong Hoe wij zacht Hoe wij heerlijk ongelukkig Hoe wij nukkig Hoe wij in het water Hoe wij aan land Hoe wij licht worden

Marieke Ornelis
258 7

Sileant Zephyri (voor Sophie Van Reeth en na Sophie Van Reeth)

Zeezout, pek en karmelietdat was mijn zeep die nacht.Langsheen de lange, natte harenvan mijn radeloosheidklom toen de vertwijfeling omhoog. Rapunzel, gevlochten en verstrikt- c’était moi, la bâillonnée. Ik was ingevlochten in de traliën van mijn vleugelkooi. En ik kokhalsde toen zij zich gorgelend mijn keel binnenmurwde.Oude vriendin, wees welkom en Versmacht mij In mijn kiemVersmoor mij Met de uwe U bent de maretak en ik de eik.   Zoek mij, zoek mij, zoek mij nu,tussen al die haartjes in de afvoernet na ethanol en voor de briefromanachter al die epitheta waarin ik mij verkleedde.   Hic errator non humanus!Quo vadis, schuldenaar?Veridis quo, maar waar is u            waar bent u            waar blijft u? Quid mutatur, huichelaar? Ach             Mijn arme hart            mijn barme hart            mijn warme hart            is koud wanneer het water stopt met stromen en ik val.   Ik werd wakker zonder laken door een karmozijnen kus vederloos en opgesloten- de mistletoe mijn visioen. Seneschalk, waar blijft u met uw mantel?Drie vooruit en één opzij,dat had de laatste kunnen zijn.Mijn vader, vriend en doodgeboren tweelingbroer- ubi es in… ubi es? Ach, ik vergeet dat u niet ziet – blindu mij niet ziet – mij ongezind.Heer Joris, waarom is uw paard niet Grieks?waarom gaat gij aan mij voorbij? Ik voel mij wat in wording is,nog niet geworden is.Opgedroogde spermavlekken, een kans, geen zekerheid.Ben ik de ongebeurde banneling die daaraanvoorafgaat?In den beginne was ik niet. Maar dat vergat ik haast.Mijn fout? Mijn fout.En dat spijt me zo.   Twijfel en volharding- halsstarrigheid.Ik was het oxymoron. Ira, u redt mij van vergetelheidVerlies. Mij. Niet.Geef mij liever over aan de duisternis. Ecce ego, Filomela- ik ben de nachtegaaldie ’s nachts pas zingt en u,ligt u al van mij wakker? Ik was uw rantenloeder, roddelvoederben uw droombehoeder, slaapaftroeveren zal voor altijd uw laatste Chloris zijn.  

Midas
16 2