Lezen

Zerp aas en paarse lippen

‘Een driehoek is een vierhoek met een handicap’   En de hoeken zelf. Die worden hierdoor scherper. Spits en snedig. Opgehangen is zo’n driehoek ideaal. Een schommel voor die rare vogel. Zerp aas in de bek. Paarse vlekken op de vleugels en de ooievaar lust ongeluk.   ‘Hij hangt in de lucht als een afgedreven klucht’   En wie heeft al dat lachgas geslikt. Dimitri. Weet jij misschien waarom. Die lippen kunnen amper nog bewegen. Lamgeprikkeld. Door een cactusje of twaalf. Een half dozijn in elke hoek. Een mond die niet meer eten wil.   ‘Tongverlies gebeurt wanneer gewed wordt op de stilte’   Er wordt best gezwegen. In lokalen en bokalen. Derde verdieping en richting zolder. Daar slapen vele foetusjes. Gestold in formol en ik zeg het je. Dimitri. Had je maar een ladder. Kon dit dakraam maar open. Eer die afgrond.   ‘De regenboog is het beste wapen tegen grauwe dagen’   Doch. De pijl is lang niet puntig genoeg en wie zal die moord plegen. Dimitri. Wil iemand een kop voor zijn krant met voetnoten. Voor een lijf met scheve poten. Leeft ergens dat wezen. Onbevangen. Dat zich met jouw angsten voeden wil.   ‘De pompbediende zegt dat elke druppel zijn weg vindt’   Na de plensbui volgen afgebroken gletsjerwanden en in het achterland wordt gevreesd. Voor overstroming van de vergeetputjes. Allicht ook het binnenplein. Dimitri. Jongen. Echt. Door die zee vol dode beesten wordt het moeilijk varen.   ‘Dit vaarbewijs is geldig vanaf het eerste vaarwel’   Pas wanneer er schot in komt. Die stoomboot bijgetankt heeft. Trek nog een paar strepen. Teken golven overal. Zet wat kruisjes in de atlas van de dood. Morgen. Rakker. Dan breng ik nog meer stiften voor je mee. Rood. Paars. Blauw en grijs. Nog meer felwit papier. Voor snijdende lijnen. Drie- en vierhoekjes. Niet al te groot en vergeet niet. Die grauwe lucht. Twee meeuwen in een V. Het zerpe aas en die bezopen fee. Met paarse lippen.       uit de reeks 'Duim voor Dimitri'

Bernd Vanderbilt
1 1

Brooddronken hoofdstuk 21

21   Na een uitputtende fietsrit, eerder emotioneel en psychisch dan fysiek, komen Reginald en Jimmy thuis. Reginald duwt de voordeur open en steekt zijn fiets binnen, gevolgd door Jimmy, die door Reginald met uitgestoken hand wordt tegengehouden. ‘Wat denkt ge wel dat ge gaat doen?’ vraagt Reginald. Jimmy duwt nog eens met zijn fiets. ‘Mijn vélo binnenzetten, tiens.’ ‘En wat geeft u het recht om te denken dat die vélo binnen mag staan? Alléén postfietsen hebben dat voorrecht – omdat ze dienen om te werken. Ge weet waar de uwe moet staan. En avant,’ zegt Reginald. ‘Maar, pa, er is toch nog net plaats genoeg voor mijn vélo? Als ge nu de paraplubak verzet…’ Reginald balt de vuisten. ‘Ei. Gij gaat nú uw velo aan de reling van de kaai vastmaken. Hebt ge dat goed verstaan? Of moet ik het er in kloppen?’ Marjolein komt de gang binnen. Ze ziet haar man met gebalde vuisten tegenover haar zoon staan. ‘Jimmy, doe wat hij zegt. Ge kent hem. Hij is baas.’ Jimmy gaat terug naar buiten, vloekend, en Reginald ontspant terug. Hij hangt zijn kepie aan een kleerhaak en ontsteekt een sigaret. ‘Waar is den anderen?’ vraagt hij. ‘Billy,’ zegt Marjolein, met nadruk, ‘is uw beesten gaan eten geven.’ ‘En is zijn wijf mee? Allez, wijf, scharrel.’ ‘Ja. En ge zult uw manieren houden ook, vanavond.’ Marjolein klinkt meer vastberaden dan ze is, maar Reginald heft zijn hand op. ‘Of anders wat? Denkt ge dat ik benauwd ben van u, stom foorwijf?’ Instinctief zet Marjolein een stap achteruit. Reginald doet zijn uniformjas uit en trekt zijn zondagse vest aan. ‘Maar goed,’ zegt hij, ‘dat zal moeten wachten. Ik moet achter pa gaan, sinds den anderen het nodig vond zijn negerin met míjn auto te gaan halen. Ge moogt de auto dan uitkuisen als ze weer weg is, dan hebt ge nog iets gedaan vandejaar.’ ‘Reginald, ik wil niet dat je zo’n woorden gebruikt als Célestine, want dat is haar naam, Célestine, bij ons aan tafel zit.’ Reginald heft zijn been op en laat een forse wind. ‘Dat is wat ik denk van Célestine,’ zegt hij en hij trekt de gangdeur dicht. Marjolein hoort de Lada starten en wegscheuren. Ze slaakt een zucht van verlichting.

Miguel
6 1

Brooddronken hoofdstuk 20

20   De Lada doet zijn uiterste best om het koppel Sabbe – Onyewu naar de Schaekenstraat te brengen. Uit dankbaarheid naar de wagen toe, die luid protesteert, draaien ze eerst nog eens af richting Sint-Jan, waar Billy in het buurtwinkeltje een slof Camels koopt. Daarna gaat het richting Schaekenstraat langs de Veldstraat. Dit is het hart van stad Kortrijk. Célestine kijkt haar ogen uit. Voor haar is het hart van een stad monumenten, bijna kilometerhoge appartementen, parken en de ene winkelstraat na de andere. In Kortrijk echter betekent dat een aaneenschakeling van soms slecht onderhouden sociale woningen, met in het midden één kerk die een al dan niet geslaagde renovatie heeft ondergaan. Bij één van die sociaal aandoende woningen staat Marjolein in het deurgat. Bij het passeren langs het huis, in de Lada, lacht Célestine haar parelwitte tanden bloot en zwaait naar haar toekomstige schoonmoeder. Marjolein is haar gewoonlijke gemoedelijkheid zelve. Ze zwaait en ook haar tanden, niet zo recht en al helemaal niet wit, ontbloten zich. ‘Wat een leuke vrouw is je moeder,’ zegt Célestine terwijl ze haar hand op het been van Billy legt, die met veel moeite de Lada achterwaarts probeert te parkeren tussen twee even aftandse auto’s in. Uiteindelijk slaagt hij in zijn opzet en stappen ze samen uit. ‘Zij is ook het enige goede in dat kot,’ zegt Billy en hij neemt een teug niet zo frisse lucht. ‘Ruik je dat?’ vraagt hij, ‘dat is Kortrijkse Leielucht. Als je dacht dat die in Gent al stonk, wees bereid om een totaal nieuwe ervaring op te doen. En één of andere ziekte, als je pech hebt.’ Een rat schiet tussen hun benen door en Célestine staat verstijfd. ‘Was dat…?’ ‘Ja, natuurlijk is dat een rat. Je zit aan het water en je zit in Kortrijk. Waarom zou je dan géén ratten hebben?’ antwoordt Billy. Ze wandelen richting het huis. Marjolein opent haar armen om er Célestine in te sluiten. ‘Welkom, Célestine, welkom. Billy heeft niet overdreven toen hij over je schoonheid begon,’ zegt ze. ‘Dag mevrouw.’ ‘Marjolein, alstublieft. Maar kom toch binnen.’ De colonne, want voor twee mensen naast elkaar is er geen plaats, wandelt het huis binnen. ‘Wat gezellig!’ roept Célestine uit terwijl ze haar ogen de kost geeft. ‘Oh?’ Célestine scoort punten bij Marjolein. ‘Ja, die poppen, hier,’ zegt ze en ze wijst naar een koppel poppen, gezeten op meubeltjes van gevlochten riet, waarvan het mannetje precies het snot in zijn neus probeert op te trekken en een bedenkelijk gezicht trekt. ‘Mijn ouders hebben die ook, maar enkel het vrouwtje. Rufus, onze hond, heeft ooit het mannetje tegen de grond gewerkt en opgegeten,’ zegt Célestine. Marjolein lacht, maar alleen wanneer ze ziet dat Célestine het voorval verwerkt heeft en zelf ook grinnikt wanneer ze de anekdote wereldkundig maakt. ‘En wat een mooie poes!’ roept ze uit. Maurits ontwaakt uit zijn gendarmeslaap en kijkt Célestine aan. Hij komt naar haar toe gewandeld. ‘Let maar op, straks krijgt ge een klauw,’ zegt Billy, die instinctief de afstand tussen hem en het beest vergroot. Het is niet dat Maurits een stoute kat is, het is dat Maurits niet graag uit zijn slaap wordt gewekt. Célestine steekt haar hand uit en Maurits snuffelt er eventjes aan. ‘We gaan hier een belangrijke les leren, ma,’ zegt Billy, ‘namelijk dat Maurits niet op vreemden gesteld is.’ Maurits kijkt naar de hand die hij zopas besnuffeld heeft en geeft Célestine een kopje. ‘Kijk nu,’ zegt Célestine, ‘is dat die gevaarlijke sofatijger waar je het altijd over hebt?’ Ze trekt haar hand terug en Maurits gaat op zijn twee poten staan en houdt haar hand vast met zijn poot, de klauwen ingetrokken, om verder te kunnen likken. ‘Krijg nu wat,’ zegt Billy. ‘Zeg, Bill, gaat gij de rest van de beesten nog eten geven?’ vraagt Marjolein. ‘Oh, heb jij nog huisdiertjes?’ vraagt Célestine, ‘die wil ik wel zien!’ ‘Zeg dat ze mijn botten aandoet om naar achter te gaan,’ zegt Marjolein en ze wijst naar een paar gummilaarzen die bij de verwarming staan. ‘Huisdiertjes niet echt,’ zegt Billy, ‘maar je zal ze ooit wel leren kennen, dus waarom nu niet.’ Ze gaan naar buiten, waar Billy naar de koterijen wijst. ‘Hierachter ligt de Groeningekaai,’ zegt Billy. Habiba, de buurvrouw, is ook buiten en ze ziet het koppeltje. Ze roept van achter de omheining. ‘Dag Billy, is dit nu jouw vriendin?’ ‘Ja,’ zegt Billy, die zijn trots amper kan verbergen. ‘Dag juffrouw,’ zegt Habiba en ze steekt haar hand uit, ‘ik ben Habiba El Kaddouri.’ ‘Dag mevrouw El Kaddouri. Mijn naam is Célestine Onyewu.’ ‘Habiba, alstublieft,’ zegt Habiba, ‘en heb je hier beetje naar je zin?’ ‘Oh ja,’ antwoordt Célestine, ‘Marjolein is zó lief. Wat een warme vrouw!’ ‘Reginald al ontmoet?’ ‘Is dat je papa?’ vraagt Célestine. Billy knikt en maakt subtiel een beweging naar Habiba dat hij liever wil dat het over iets anders gaat. Habiba begrijpt de hint. ‘Is het al zo laat? Wel, wel… Omar komt gauw thuis van het speelplein. Tot nog eens, Célestine.’ ‘Dááág!’ Célestine en Billy gaan “het kot” binnen.

Miguel
8 1

Een dag uit het leven van E. (of hoe een meisje van plezier ten prooi kan vallen aan acute ldvd)

   Sinds vanochtend tintelt het onophoudelijk in mijn hoofd en ik vraag mij om de haverklap af of ik niet beter een bronchitis had geveinsd, dan kon ik mij afwezig melden, mij nog eens stevig in het dikke donsdeken wikkelen en tot diep in de namiddag een gat slapen groter dan dat in de ozonlaag. Zo diep zit de pijn dat mijn hart erdoor dreigt te verschrompelen en geen medicijn ter wereld krachtig genoeg is om mij te genezen.    Vandaag zal niemand veel van mijn diensten hoeven te verwachten. Oké, ik zal doen wat er van mij verwacht wordt, het is mijn job, maar het zal op automatische piloot gebeuren, een geconditioneerd handelen – niet meer of minder. Wat er straks ook gebeurt, mijn gedachten zullen samen met de roze wolk waarop ik mij bevind door het luchtruim zweven.    Als E. onderga ik: gewillig en zonder weerwoord. Geloof mij. Wanneer je als een prooidier verstrikt zit in de val genaamd “ldvd”, is dat het beste wat je kunt doen. Roerloos op je rug blijven liggen, ogen gesloten, voor de kleinste prikkel afgesloten.    Gelukkig bestaat er zoiets als koffie om de zenuwen enigszins onder controle te houden. Zonder mijn bakje troost zouden mijn hand- en spandiensten tot mislukken gedoemd zijn. Geen cafeïne staat gelijk aan een minder emotionele en slechts matig empathische versie van mezelf. Met andere woorden: geen mens om van te houden, geen vrouw om graag te zien en geen escorte om het bed mee te delen.    Het is niet uit noodzaak. Ik heb een voltijdse baan waarvan ik oprecht kan zeggen dat ik er niet met tegenzin naartoe ga. Aan luxeproducten geef ik amper geld uit. Ik ben al lang blij wanneer ik kan eten waar ik zin in heb: dat de huur van mijn appartement kan betaald worden zonder tegen een achterstand van enkele maanden te hoeven aankijken, dat ik voor de benzine van mijn bescheiden Duitser niet iedere euro twee keer hoef om te draaien (ik haat te voet gaan of met het openbaar vervoer reizen) en ongebreideld van mijn koffie kan genieten. Rombouts: jij mag mij elke dag neuken!    Lullaby, het escortebureau waar ik ondertussen zo’n drie jaar geleden bij solliciteerde, is een uit de hand gelopen therapie. Ontstaan uit de idee dat ik mijn jeugdtrauma’s op onorthodoxe wijze een halt zou kunnen toe roepen. Het is ijdele hoop gebleken. Alsof ik mezelf door aan seksuele dienstverlening te onderwerpen van onderhuidse kwellingen zou zuiveren, ongedaan maken wat mij als kind allemaal is aangedaan. "Praat het uit met je moeder". Je moest eens weten hoe vaak ik die zin heb moeten horen uit de mond van mijn therapeut. Er valt niet te praten met een vrouw die geen gevoelens heeft, bij wie het schuldbesef ontbreekt, de wil om te veranderen, toe te geven dat ze fouten heeft gemaakt. Met dat soort ingesteldheid worden geen familiebanden hersteld. Op die manier hoeft het voor mij niet. Dan steek ik liever tijd en energie in mensen die ik van haar nog pluim ken. Mannen bij wie ik de moeder kan zijn die ik nooit gekend heb. Dat ik in ruil daarvoor intiem met hen ben, daar heb ik vrede mee. Er zijn veel onaangenamere bezigheden. Bovendien brengt pijpen en neuken geld in het laatje. Makkelijk verdiend geld. Mijn onderhuids onbehagen zal misschien nooit overgaan, maar er is gewoon minder bezorgdheid, minder onrust in mijn hoofd zolang ik deze bijverdienste in stand houd. Ik voel mij beter als ik mijn alter ego speel. Als E. sta ik zelfverzekerd in mijn schoenen en slaag ik erin om wat kleur, in het voor de rest saaie grijze leventje dat ik leid, te brengen. De verhalen die ik van mijn klanten te horen krijg zijn uiteenlopend. Van grappig en soms ietwat vreemd, tot compleet van de pot gerukt… maar meestal intriest. Er huist eenzaamheid in menig man. Gelukkig ben ik gehard door het leven en slaag ik erin, ondanks de vijfentwintig lentes die ik tel, de misserie van mijn klanten niet mee naar huis te nemen. Anderzijds zitten er geregeld grappige, ontroerende en interessante verhalen tussen al de miserie. Gesprekken waar ik vaak iets van kan opsteken. Vreemd genoeg werken ontmoetingen met wildvreemden en de daaruit voortvloeiende conversaties net dat tikkeltje heilzamer dan de gesprekken met een therapeut. Blijkbaar moet je op een soort van gelijkgestemde ladder staan vooraleer je echt in je ziel durft te laten kijken. Wanneer je met z’n tweeën naakt in een bed ligt valt er een barrière weg en wordt er sneller gezegd wat er echt speelt. Welke gebeurtenissen uit het verleden maken dat overleven zo moeilijk wordt. Ik voel mij vaak eerder psychologische dienstverlener dan sekswerkster.    Sinds kort is er een nieuwe man in mijn klantenbestand opgedoken. Hij ligt aan de oorzaak van de tintelingen in mijn hoofd die in een tijdspanne van vierentwintig uur zijn overgegaan naar het weeë gevoel dat nu door mijn gehele lichaam huist en dat niets anders is dan een acute vorm van “ldvd”.    Ik heb ondertussen tweemaal met hem afgesproken. Het is te zeggen, hij heeft twee keer met míj afgesproken. Lullaby gebeld om naar de vrije dagen in mijn agenda te informeren. En ik kan zeggen dat het… ja wat kan ik over hem zeggen? Het is eerder een gevoel waar ik mee gewrongen zit. Het was niet het soort contact dat voor rillingen zorgt. Niet het soort man waarvan ik wild word. Hij was netjes geschoren en hij droeg zijn haar in een dotje. Mannen met baarden en met korte haren zijn meer mijn ding. Maar hij had iets geheimzinnigs. Een soort waas zoals die bij wijlen over de Dijle hangt tijdens een mistroostige dag. Een beetje (gespeeld) timide misschien? Ingehouden, toen hij naast mij op het (liefdes)bed plaatsnam. Houterig de knuffel die hij gaf. Onwennig zijn lippen op mijn mond. Voorzichtig de poging tot tongzoenen… hij ontdooide pas toen hij mijn clitoris streelde en begon te vertellen over zijn schrijverscarrière en kwelduivels die hij ermee probeert te temmen.    Hij schrijft poëzie en proza en heeft een knoert van een jeugdtrauma opgelopen. Laat ik nu net een zwak hebben voor romanciers en getormenteerde geesten. Het is niet voor niets dat ik menig boekenbeurs heb afgeschuimd om een glimp van Herman Brusselmans op te vangen en zelfs met hem in discussie ben gegaan over waarom hij niet een keer écht vertelt wat er zich op Theet 77 heeft afgespeeld. Oké, Herman zijn haren zijn ook lang, en hij is eveneens baardloos, maar wat een charisma straalt hij uit! Waarschijnlijk is het door de combinatie van een ongekend moederinstinct én het verlangen om mysteries op te lossen dat ik halsoverkop verliefd geworden ben. Op een klant notabene!    In het luchthotel op het einde van de Kerkstraat ben ik kind aan huis. Het is een leuk rendez-vous hotel waar bijna de helft van al mijn afspraakjes doorgaan. Op vogelvlucht van mijn fluwelen bastion zoals ik mijn knusse appartement gekscherend durf te noemen.    Vandaag ben ik beschikbaar tot 22 uur. Mijn profiel wordt enkel zichtbaar op de site van Lullaby wanneer ik niet aan de slag ben in de eettent waar ik meer bloed, zweet en tranen laat (en dat voor een loon dat minder is dan de helft van wat ik verdien door in mijn blote billen naast, op, of onder mannen te liggen). Ik werk er in shiften. De vroege zijn het hatelijkst. Ik ben geen ochtendmens.    Aangezien er zonet een of andere pipo zo dom geweest is om een afspraak met mij te maken kan ik niet anders dan uit mijn nest te komen en mij klaar te maken. Lullaby heeft een voicemail ingesproken. Of ik om kwart over drie ter plaatse kan zijn en of ik asap kan terugbellen om de afspraak te bevestigen.    Zal ik mijn rode jurk aantrekken vraag ik mij af? Mannen houden niet van lange broeken. Dan blijft er minder ruimte over voor hun fantasie. Misschien moet ik toch die leuke gele broekrok nemen. Geel is mijn lievelingskleur. Geel is alleen weggelegd voor vrouwen die niet met zichzelf in het reine zijn. Geel is een hoe-je-je-door-het-leven-laveert-weerspiegeling-van-labiele-jonge-dames. Met andere woorden: nog erger dan “ldvd”.    Laat het alsjeblieft dikkenekkerige Ali, ranzige Freddy of groot geschapen Louis niet zijn prevel ik wanneer ik nog snel neus en wangen poeder en richting mijn Duitser stap die zoals steeds trouw als een hond aan de overkant van de straat op mij staat te wachten. Hersenloze hufters kan ik er nu echt niet bij hebben, in mijn tot de rand met intense gevoelens gevulde hersenpan.    Ik speur werktuiglijk over het rendez-vous hotel naar witte wagens. Geen enkele. Ook wanneer ik mijn Duitser het zwijgen heb opgelegd blijft het aan de horizon verdacht leeg. Het doembeeld van een hufter dringt zich op…    Net wanneer ik de hoop heb opgegeven om mijn poëet vandaag te zien en dat het misschien toch geen foute beslissing was om mijn rode jurk in de kast te laten hangen, merk ik een witte SUV op. Hij stuift rakelings voorbij en parkeert gezwind op de enige nog vrije plaats recht tegenover mijn Volkswagen Polo. Mijn adem stokt. Ik hoor hoe mijn innerlijke stem met stomheid is geslagen, voel hoe de aders rond mijn slapen pulseren. Het lijken wel mieren die onderhuidse gangen graven om hun eitjes in veiligheid te brengen. Zweetdruppels parelen over mijn voorhoofd. Ik word misselijk van pure opwinding. Iemand stapt uit. Een bruin lederen jasje… een blauwe jeans… haren in een dotje.    Hij is het. De man waardoor ik al weken met mezelf overhoop lig. De schrijver die mij zonder een woord te zeggen doet zweven, mij rust brengt wanneer hij praat, die mij laat smelten door zijn mysterieuze verhalen, mij beroert met zijn openheid. Ik ben verliefd op de schoonheid van de inkt die uit zijn pen vloeit. Ik weet hier en nu dat hij vandaag, speciaal voor mij weer iets geschreven zal hebben. Dat hij na afloop van ons liefdesspel, bij het afscheid, een enveloppe uit de zak van zijn lederen jasje zal halen. En dan zal ik als een ontroostbare bakvis (een puberend meisje overvallen door kalverliefde) zijn passionele woorden wederom een maand lang herlezen – aftellen naar een volgend samenzijn waarop ik hem opnieuw omhels, al het liefdesverdriet dat diep in mij gevangenzit loslaat.

Sascha Beernaert
4 0