Lezen

Tip

Navelbreuk

  Neen. Nee. Echt. We nemen ze niet mee die twee. De dieren stemden unaniem. Het is een njet. Zij zijn niet zot. Een zeerob als kapitein is even goed als paté van everzwijn. Neen. Dat kan enkel een uitspraak zijn van mensen en die moeten we niet. Hoe wreed kan een wezen zijn. Vraag het eens aan zo’n kale aap die zich zorgen maakt om zijn kapsel. Om zijn voortuin, de kleur van de voordeur en het merk van zijn sterke drank. Neen. Bedankt. Blijft waar gij zijt in uw getto pretpark holiday resort of hemels hol. Noah is de sinterklaas voor eenieder die denkt gered te kunnen worden zonder stoom af te blazen en het cruiseschip draagt onder in het ruim zo veel vals geluk gestapeld in kartons. Bananen. Meloenen ook. Schatje toch. Ik heb met kurken brochettestokken en een vuilniszak ooit eens zo’n vlotje gemaakt. Het leek op een schuit uit de prehistorie. Denk maar niet dat ik het weet. Hoe het moet. Zo ja. Convectie. 210° en 10 minuten om een pizza mortale te bereiden die mij in de wangen bijt. Bevrijd mij, mi amor, van die smakeloosheid. Neem wat krijt en teken op de rots nog eens zo’n oertekening. Ja zo. Zo wild als je kan. Zo eenvoudig als het mag. Wie is vandaag nog in het bezit van de gitaar van nonkel Bob en als iemand mij redden kan dan is het beertje Colargol oftewel jouw lach. Ze hebben 300 helikopters neergehaald en zijn zo veel zielen simpelweg vergeten. Horrorcrash op de expresweg, aardbeien liefst lichtrood en als er eentje in je schoot valt, mag ik dan zoeken naar de ingang. Als je het kan. Vang me dan nog eens op als ik zink, wanneer de boog een knikje zoekt. Straks. Krijg ik bezoek van de premier. Om me te bedanken. Spindoctor Bernd en dankzij mij wordt de boel straks gered. Ik wens anoniem te blijven. Vooral. Omdat er eerst veel aan vooraf zal gaan. Zondvloed. Navelbreuk. Miserie in het groot. Gewoon. Omdat gij zo driest bezig zijt, gij onmenselijke apensoort. Zelfs de berggeit voelt dat er iets mis is en mijn hondje is de herder van mijn troost. Meer rest mij niet en ik proef van haar. Mijn pizza. Voeg nog niets toe. Als je wilt. Bedenkingen olijven of een glimlach die wat brengt. Soelaas. Misschien vermetelheid.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
103 3

Het geluid van de zomer

Nog meer dan het radiogeluid van de Tour, de bel van de ijskar, echoënde festivalmuziek, het ijsgerinkel in een glas frisdrank of het rietsjesgeslurp van het laatste restje ijskoffie, is het geluid van de zomer dat van de stilte. Of dat was zo. De stilte onder een boom. Of in huis. Of in de tent die twee maanden op het gazon bleef staan. In september zag je nog waar ze had gestaan. De hondsdagen van toen. Je hoorde niets. Naast een krekel in het gele gras hooguit het zacht gerammel met de borden en het bestek in de afwasbak. En helaas het piepende geluid in de kersenboom van de buurman, dat de vogels moest wegjagen. Zogezegd een toon die enkel de vogels konden horen, maar ik hoorde het ook. Ik kon goed fluiten in die tijd, dat wel. De rolluiken gingen naar beneden op het warmste van de dag. Net als de blaffeturen voor de ogen van vader na het middageten. Ik moet hem gelijk geven. Een mens is na een middagdutje een ander mens. Je moest toen niet bewijzen dat je ergens was geweest. Hooguit in een gesprek, maar dan nog. Als je al ergens kwam natuurlijk. Vandaag zoeken we een moment verkoeling en wat ijsgerinkel bij de Parijse terrastafeltjes. Daar is het zelden stil. Want Parijzenaars staan bekend voor hun gekwetter. Al is het natuurlijk Nederlands dat ze spreken. "Daar moet ge kijken. Onnozelaars, echt schandalig.” Je moet er een zijn om er een te herkennen, durf ik denken. In het Engels klinkt dat beter: It takes one to know one. De radicale roepster heeft het tegen de parkeerwachter, die gewoon haar job doet. Een tafel verder rinkelt de telefoon van een man. Zeer luid. "Wienist?", vraag de vrouw naast hem. "Ik pak niet op", zegt hij.

Rudi Lavreysen
2 0

Cocktalesaus

  Mag ik alstublieft niet meer moeten nadenken. Ja zo. Dank u wel. De volgorde de logica het spel van wel of niet, misschien toch maar vergetelheid. Ik wil nog enkel lauwe dagen, luwte en een duwtje in de rug van het geluk. Kon ik het mij nog maar percies herinneren. Beter. Zonder die kloven, eelt en vele barsten. Het is niet mijn gelaat, noch het vel dat mij nog bindt, het zit veel dieper. Riep daar iemand in de achtergrond om hulp? Hij is gewoon die ravijn ingetuimeld. Eén dag stilte dan. Vergeet het brandhout dat je maakt van bomen, eerlijke gedachten, stop eens aan die overweg, daar waar dat boemeltreintje reed. De sporen zijn verwijderd. Er is een pad gelegd, papaver bloeit en uit de wilg zijn kop schieten de takken in de lucht. Er staat witte koe met zwarte plekken naast een zwarte stier met wit behaarde ballen. Sinterklaas is niet in aantocht. Geloof me maar. Bootje varen alover de zee. Mijn mamaatje kan garnalen pellen terwijl ze met haar linker pink de neus leegpeutert en niets laat vallen. Geen wartaal. Gewoon. Woorden zoals ik ze braak en als er sprake is van onmacht dan weet mijn moeder dat goed. Ik ken dat! Het zal mij nooit meer gerust laten. Dat verleden. Het leven en mijn hobbelpaardje op de zolder krijgt al jaren hooi van gemengd met distels, berenklauw. Alles went. Behalve de leugen en het is daarom. Ik luister niet meer. De haag rond mijn tuin, de stekels en de meidoorn. Ik snoei ze in mijn blote bovenlijf en zelfs mijn handen zijn niet bang meer van hetgeen mij steken wil. Er is een zenuw hier en daar die dat beweert. Je voelt dat toch niet meer. Zo. Alles is losgekoppeld en de egonaut zit in al een tijdje klaar in zijn capsule. Hij nam een pil tegen de mensheid, denkt de zwaartekracht te overwinnen. Duw op deze rode knopje en ze komt gezwind. Het is mijn lief. Topless. Stewardess. Een stukje bloemkool met cocktalesaus. Voor U meneer. Ik mag haar tepeltjes kussen. Dank U wel en in het vrachtruim slaapt hetgeen verging. Daar rust mijn hondje. Straks mag het deurtje open. Dan zullen we vrijen en samen dat beestje strelen.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
3 1

Bloemkolenkind

  Er zat nog een bloemkolenkind verborgen onder het snoeigoed. De krullen. De frêle botjes. Bijna versnipperd. Heeft de grijparm nog net op tijd losgelaten of iemand op de rode knop gedrukt? Op ware grote is alles verwaarloosbaar, behalve de onschuld en terwijl ik mij buig over een melkdistel om een bij in de ogen te kijken, de strepen te tellen, voel ik het gebeuren. Er wordt aan de einder getrokken, aan de ledematen want ze liggen daar op een hoop de lijken. Straks is men alles kwijt. De tel, de richting en in het doel staat een man. In maatpak. Met zonnenbril. Hij heeft een smeltend gelaat. Voor mij één bolletje framboos. Nog wat vanille en suikerstrooisel voor het maagzuur. Sorry. Ik zal niet betalen. Ik doe niet meer mee. Zoek het maar uit en knip het uit voor god. Dat simpel kruiswoordraadsel. Niets verveelt. Dat zegt de mier die heen en weer loopt met gevallen brood. Waarheen is niet de vraag en ik zal een varkenshartje stoven. Thuis. Voor mijn hondje. Met wat rijst, brokjes wortel, nog een paar dingen voor dat beter leven. Het bloemenkolenkind is dan al heel erg moe. De strijd. De dag. Ze waren zwaar en in een bord met melk wast het de voetjes proper, weekt zijn vel, de ziel wilde eens proeven van die zuivel voor een kalf. Het komt niet goed. Dat weet ik ook maar zwijg voorlopig nog. De bodem warmt. De lijken worden in een rij gelegd, dan toch geteld. De vlaggen zijn besteld, het potje pruttelt al en straks bij nacht, als alles zich herhaalt, dan waakt mijn hondje wel, over de bloemen, kolen en het kind.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
2 1