Lezen

Ik; Ilse.

Ik moet zo'n vier jaar geweest zijn , toen het knallend salvo van een jachtgeweer me verjoeg van mijn ouderlijke thuis.Het gedrocht dat me opjaagde was duister en immens woest. Ik zette het daarna op een lopen. Ik bevond me in een lege buurt. Iededereen zat binnen bij flauw kamerlicht weg te dommelen met ramen en deuren potdicht.Geen kat die lucht had van mij. Met mijn rubberen laarsjes aan spurte ik, zo goed en kwaad als dat ging,blind de straat over en kruiste het doornhegje van de buren naast het maisveld.De wind woei wild in mijn gelaat, ik snelde het ongewisse tegemoet.Het koude zweet parelde onder mijn jasje over mijn trillende rugje.Met spleetoogjes en klapperend gebit ging ik snuivend van het snot door met hardlopen. Ik verdween steeds dieper in de landerijen die overwoekerd werden door taaie gewassen. Uiteindelijk stopten de schoten, maar ik was ver van huis gedwaald. Ik bevond me in het hol van Pluto. Alles was ver en vreemd.Ik werd ingesloten door een diepe benauwende nacht. Mijn handen en voeten werden snel klam van de koude en ik hurkte neer om in een bolletje te gaan liggen. De sterren waren veraf maar dicht bij mijn gelaat,fluwelig en zacht. Ik sloot mijn oogjes bij het bleke maanschijnsel en dommelde in.Mijn lange haren kriebelden mijn neusje, met de muis van mijn hand veegde ik de aarde van mijn mond.Het was inmiddels klaar geworden en de zon ging felrood in sluiers gehuld. Maar het gekwetter van de vogels daarboven klonk mij toch zo droef in de oren. Want ik was alleen en nog maar heel erg klein, zei iedereen. Ik zag mijn trieste oogjes weerspiegeld in de dauwdruppels die langs de lange grashalmen omlaaggleden. Op de vochtige aarde stukspatten en verdwenen.Mijn keeltje schuurde droog en ik zoog snikkend van de dauw.Wat heerlijk!Maar hoe vreselijk de honger die ik voelde! Met mijn knuistjes krabbelde ik in de aarde. Daar bevond zich letterlijk vanalles; wormpjes met lange haren, kevers en spinnen.Een tweeledig monstertje met acht poten keek me nors aan. Ik besloot me niet uit mijn veld te laten slaan door het onding en bracht het snel naar mijn mondje waar mijn tanden het vermaalden.Ik at ook nog wat natte aarde en enkele kleine grassprietjes.Daarna legde ik mijn hoofdje en huilde even bitter. Voor eeuwig en altijd alleen op de wereld. Overdag waadde ik verwonderd en suf door hoge gewassen.Ik was voorgoed verdwaald, dat was me zonneklaar. Elk ogenblik knaagde in mijn maagje maar uiteindelijk besefte ik dat honger en dorst mijn zuiver hart niet raakten. Ik was overgeleverd aan dag en nacht die kwamen en weer gingen, aan regen en wind en het ochtengloren. Zo werd mijn aanvankelijke droefenis verwondering om het leven zelve. Alles in de natuur klopte met dezelfde zachte bas van mijn eigen hartje. De tijd vergleed en zo kwam langzaamaan toch uitputting opdagen. Mijn broze levensgeluk werd ernstig verstoord daardoor. Ik begreep als geen ander de impact van ontbering op mijn lichaam dat zou worden geruineerd, het meeste nog door dorst.Ik voorzag dat mijn nieren het later zouden begeven en zo zou ik dan ook sterven.Ik werd wanhopiger. Echt geluk is van korte duur en zo ging het ook. De zon scheen inmiddels hard en onvernietigbaar op mijn schedel en maakte me trager dan ooit tevoren.Plots hoorde ik het. Het naderend gekletter van een nieuw groot gedrocht.Toch begreep ik als in een flits dat dit een dorsmachine was! Nu moest ik echt alles op alles zetten en maken dat ik wegkwam! Ik spande elke vezel in mijn lichaam aan en besloot de uiteindelijke terugreis in te zetten. Ik waggelde verder van het lawaai vandaan en besloot door te gaan. Uiteindelijk kwam ik op een stoffig wegdek terecht.Mijn gelaatstrekken waren hard en verweerd maar ik zou niet opgeven. Even verder was een spoorweg die ik voorzichtig overstak.Ik schoof onopmerkzaam langs bakstenen huizen die vreemder dan ooit waren.Langs een stuk weiland waar een log boerenpaard met de klodden manen zwaaiend de vliegen van zich af sloeg.Angstvallig spiedde ik heen en weer. Geen haan die naar me kraaide.Links van mij leidde en keurig getegeld pad naar een massieve deur die toevallig op een kier stond. In elk raam stond een bloempot waarin miniscule paarse viooltjes me lachend groetten.Even verder naast het huisje stond een groene tractor met laadbak waarop een massa aardappels lagen. Snel stak ik mijn hongerige verwaaide kopje om de deur.Wat schamel licht viel in de inkomhal op een groot kader met geschilderde paardebloemen. Toen zag ik mezelf in een flits, onherkenbaar , vuil en bizar, in een spiegel die schuin op het gerafelde tapijt stond.Ik was intens geschrokken werkelijk even de kluts kwijt toen ik plots een scherpe lucht rook als van gezuurde melk.Ik liet me leiden door mijn neus en kwam zo de keuken binnen. Die was dus leeg afgezien van een rossige kater die snel wegstoof.Daar naast een smerig kattenbakje stond op een plakkerige vloer een metalen bus melk.Ik stak mijn beide armpjes afwisselend diep genoeg om zo uit mijn handen rijkelijk te drinken.De melk was vettig en droop langs mijn kin,maar ik dronk in een roes verder met gezwollen oogjes.Even later echter was het spel uit want een rijzige man stond zwaaiend met een borstel achter me en riep luidkeels; Mormel, maak dat je wegkomt , scharminkel hoepel op! Diep gekwetst en geschrokken rende ik naar buiten .Daarna hinkte ik doorheen de zomerse straten snel terug huiswaarts, weliswaar. Na een doodstocht van een dag stond ik kapot maar mooi op het plazoensel van mijn ouders. Daarna ging het snel. Ik brak het huis binnen en mijn broers keken met bolle ogen dwaas naar mij. Mijn moeder omhelsde me even nam mij op en bracht mij naar het bad , want ik stonk enorm. Daarna werd ik naar de verkoelende rust van mijn eigen bedje gebracht.Mijn ouders kwamen nog even bij me en zeiden; We zijn allemaal heel erg blij dat je terugbent maar loop nooit meer weg ,meid! Met sluikse ogen keek ik hen aan .Zij zouden mij nooit begrijpen. Ik draaide me om op mijn kussen en wist dat het leven zelf voor altijd van mij alleen was... .

Molly
1 0

Stevie Wonderland

  Mensen wel maar dieren niet. Die dragen nooit een masker. Er zijn soorten die zich tooien met gekleurde pluimen. Echt. Nooit vals. Dat is zoals een vlieg niet liegen kan.   De enquête van Meneer de Uil werd fatsoenlijk ingevuld. Er was enkel een draak die om een namaak rolex vroeg. Een lynx die schreef dat hij geen scrabblewoord wou zijn.   Een eekhoorntje twijfelde. Of het de staart had van een vos. Alleen de koekoek wou zijn ware aarde niet laten zien. Vermeldde enkel luiheid als voornaamste zwakke punt.   Mensen wel maar dieren niet. Die liggen altijd zomaar dood. Het is de man die liever in een maatpak slaapt. Voorgoed. De vrouw die uit haar garderobe nog iets koos voor achteraf.   Hallo. Meneer De Uil. Bedankt. Zo leer ik weer iets bij. Het is een kleine oehoe die vergroeide met mijn sleutelbeen. Hij weet heel veel. Echt waar. Mij noemt hij dom en dwaas.   Maar goed. We zijn hier nu. In deze tent van nu en toen. Hier is het begin. Dag meneer de tjoolder met je karretje. Cashewnootjes voor mijn uil. Merci. Voor mij echt niets.   Waarom ben ik gekomen. Liep ik weg uit een verleden. Dacht ik werkelijk dat duisternis voor rust kon zorgen. Dat die schaduw die ik zo verafschuw zou verdwijnen.   Het is de neerslag van een oude wolk met grijze druppels. Welkom kinkel. Zegt nog een tweede keer die malle hottentot. Hij wil mijn uil een keertje aaien. Maar dat wil het beestje niet.   Het kent mijn broos verdriet. Weet dat het mijn oog beroert. Helder zien. Dat kon ik snel niet meer. Al bij de eerste barst. Het wit verloor zijn kleur. Sindsdien zitten de tranen stevig vast.   Als in een spleet. Een kloof. Waarin geen lach bewegen kan. Geloof me maar als ik beweer dat het te veel geworden is. Die ganse reutemeteut en het geroezemoes hier rondom mij.   Ik verkoos om nergens nog deel van uit te maken. Zie mij nu. In deze tent beladen vol met alle wezens uit een nachtmerrie. De circusdirecteur roept plots zeer luid. Er is een special guest.   Steve Wonder komt een liedje zingen. Een macaber melodietje. Voor de blinde mol misschien. Of voor de oren van een spin. En hij begint terwijl ik nog een slok neem. Dat komt ervan.   Want Lazarus zit in dit flesje. Dankjewel. Meneer Illusionist. Merci. Gij uiltje met je losse nek en hart dat mij verdragen kan. Ik ben er klaar voor. Ja. Meneer de Hoogheid. Sandokan.   Loods mij naar het einde van de strijd.       deel 4 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Fanta voor de goudfazant

  Bergappelsienen uit de Himalaya en bier van het merk Lazarus. Meer is niet nodig om te overleven. Dat beweert de Hottentot. Hij zit naast me. Die Afrikaan met zotte muts op de kop.   Die Hottentot hij krabt de ganse tijd al aan zijn strottenhoofd. Hij lijkt me ongezond en terminaal. Een haan met keelkanker. Het wordt intussen aardig donker in mijn achterhoofd.   Eén trommel en trompet verspreiden veel kabaal en wreed geschal. In Kaboel. Zo weet die Hottentot. Daar is het altijd boel. Straks dan zal het mot zijn. Hier. Den duvel is al onderweg.   Dat zeg ik hem zodat hij tijdig vluchten kan. Maar goed. Direct nog niet. De goudfazant wil eerst een coca. En mevrouw de duizendpoot verlangt een fanta in een glas.   De koala wil een rietje voor zijn blikje prik met appelzuur. Genoeg getreuzeld en getuurd. De show mag nu beginnen. Waar blijft hij toch. Is de illusionist zijn wereld kwijt.   Want de vader zit al op die stoel, dat veel te zacht schavot. Het is de moeder met haar pop die niet eens kijkt. Ze paait de ganse tijd haar zuigeling en streelt het valse haar.   Ik neem een slokje Lazarus. Dat brouwsel van alhier. Het echte doorslikken. Dat komt misschien wel nooit. Al vindt dat bier zijn weg gelukkig naar mijn maag.   Hoera. Olé. Gepraat wordt door tumult en ophef overstemd. Hij komt. Hij komt. We klappen met een hand of twee. Meneer illusionist. Hoera. Olé. Je hebt het kistje mee.   Je brengt vijf zwaarden voor mijn hand en straks. Jawel. De circusdirecteur kondigt het aan. Die klooi daar op zijn troon. Hij mag erin. Sta op en kruip. Maar in die doos.   En alles gaat zoals gedroomd. Ik mag de beul. De bloedhond zijn. Die hem naar zijn hemel. Of de haaien helpt.     deel 3 van ‘Cirque sans soleil’ uit de reeks ‘Over eelt en zurkelteelt’

Bernd Vanderbilt
0 0

Mijn ontwaken

Ergens in mijn troebele tienerjaren besloot ik om mijn ogen te sluiten. Dat gebeurde geleidelijk aan, niemand, inclusief mezelf, die daar bewust getuige van was. Tot ik mij plots, ingesloten door het duister, in een dokterskabinet bevond. Daar werd mij ingeprent dat blindheid nu deel van mijn leven zou uitmaken. Dat ik ermee moest leren leven. En dat deed ik, al was het slechts halvelings. Met mijn andere helft ontwierp ik verhalen waarin het licht mij weer binnen viel. Gewichtsloos badend in het dons van mijn onbehagen, leerde ik mijn contouren kennen. Piepend en krakend, met opstoten en twijfel, begon ik schemering te zien die uiteindelijk openbarstte en helderheid werd. Mijn ontwaken dat ging, vooral in de eerste fase, gepaard met een enthousiasme dat zich morsig wou overhevelen naar de nabije omgeving. En met verontwaardiging die zich aan vanzelfsprekendheden hechtte. Nu het laaien enigszins geluwd is tot een stabiele vlam, zie ik op welke manier mijn echo’s werden ingekleurd door anderen. Ik begrijp nu waarom sommigen mij de rug toekeerden. Mijn gebrek aan nuancering kreeg geen plaatsje onder de reeds verweerde mantel der liefde. Ik zou hartstochtelijk willen repliceren dat er onder mijn opgelapt gewaad steeds ruimte is geweest voor de uitschieters van mijn naasten. Voor al de oordelen die ik had kunnen vellen maar in plaats daarvan met een streling uitwiste. Want dat was toch de veilige ruimte die liefde werd genoemd? Ik geef toe, ikzelf heb echter ook meermaals een kruising naar een splitsing gebogen. Soms hardhandig, maar meestal geruisloos en zacht verpakt. Want zo gaat dat, boetserend in de klei van het levenspad. Met het niet achterom kijken in mijn achterhoofd zou ik mij bijna gaan verontschuldigen. Maar ik heb geen spijt van verbindingen, noch van losse eindjes. We lopen hoe dan ook doorheen hetzelfde weefsel. Als haakse schakeringen die elkaar bekrachtigen. Dat mijn hart puur is. Dat mijn intentie liefde is. Dat ik mezelf, mijn woorden en daden, nog steeds met een te grove borstel, analyseer en overloop vanuit verschillende perspectieven. Dat ik ervan uitging dat dit geweten was, als een ingelijste spreuk aan de muur van het huis dat onze band ooit was. En dat ik zodus dacht mij beschut te kunnen ontplooien, hortend en stotend, maar wel vrij van oordeel en afwijzing. Zo klinkt mijn gedempt weerwoord vanachter de deur. Met deze mantra vaar ik over.https://www.karoliendeman.com/blog/2023/1/31/mijn-ontwaken

KarolienDeman
16 1

Getrommel en het trammelant

  Omdat ik in een trommel woon. Niet van een fanfare of dat scheel orkest. De spanning wordt straks opgedreven door geroffel. Maar. Dat wil ik niet. De stokken om te slaan. Ze liggen daar. Er is een stem die alles overroept. Nochtans werd het al aangekondigd door de directeur. Best wel lang geleden.   Zie. Hij zit er al. Die ouwe zonder neus. Op die stoel. Hij kwijlt wat slijm. Man. Wat is er veel te doen en trammelant. In het publiek zit er een gier. Naast die reus met enkel oog dat hij niet droog kan houden. De snotterkop! Hopeloos verdriet en roos plastiek. De vrouw ze heeft een vaal gelaat.   Ze wil ginds achterin haar popje zogen zonder veel gegluur. Maar hoe vermijdt, versnijdt men dolle blikken en de kikker. Ja. Die is er ook. Een ark lijkt in een beek vlak nabij te hebben aangemeerd. De loopplank heeft ze van hun lot verlost en gans vooraan zitten er twee.   Het koppel mieren uit de klaagmuur praat daar vrolijk over winterweer. Mijn god. Wat een bedoening. Uit het bos van Niemendal zijn ze gekomen. Alle dieren, beesten die dat heerschap op die troon aanschouwen willen. Bedaar. Wees stil. De show begint. Mijn trom begint zijn vlies al uit te rekken.   Straks breekt zij weer los. De hel. Verschijnen tien demonen uit het niets. Voor elke vinger één. Als ik ze strek. Dan kunnen ze als vliegen landen. Straks. De eerste mep. Het komt. Geluid in overvloed en hier onder mijn vel. Daar waar de bloedluis slaapt. Zal enkel herrie, heisa heersen.     deel 2 van 'Cirque sans soleil' uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
0 0

Boenke boenke

Het kostte me alle moeite om doorheen het lawaai het gesprek te volgen. Ze sprak luider dan normaal maar haar woorden ebden als losse flodders weg in de muziek. Ik zag dat ze haar best deed, ze articuleerde alsof het spieroefeningen voor de mond waren en ze zich klaarmaakte om een opera te zingen. Niets drong tot me door behalve het lalalala-deuntje van Kylie Minogue en een krijsend figuur dat met allures van een eurocent meezong. Met haar vork prutste ze op haar bord in een hoopje rijst dat tussen de kleurrijke wokgroenten en enkele feloranje scampi’s gekneld lag. Haar bord was een slordig kunstwerk geworden en ik vroeg me af of de paarse bloem die je altijd bij je maaltijd krijgt eetbaar was. Zoiets durf je niet te vragen. De bewegingen van haar hoofd en het rollen van haar ogen benadrukten wat ze wou zeggen, hoewel ik niets had begrepen. ‘Snap je,’ was het enige wat ik hoorde, waarop ik instemmend knikte. Ze gooide haar vork op het bord, veegde in één beweging het vet van haar volle lippen, nam een slok water en legde voldaan de handen rond haar buik. Ik probeerde me dieper te concentreren, ik probeerde de taal die ze sprak op haar lippen te lezen, haar woorden in betekenissen te ontleden en mijn blik te focussen op haar mond maar ik kon het niet helpen. Ik wist niet wat ze zonet allemaal met zoveel overgave en energie verteld had. Misschien werd ik doof, misschien vielen de connecties in mijn hersenen één voor één uit. Misschien was ik al die tijd onbewust afgeleid door mijn eigen gedachten. Dat gebeurt vaak wanneer mensen het te lang trekken, wanneer de monoloog vervelend wordt, wanneer ze eindeloos over zichzelf blijven doorpraten, zichzelf bewieroken of, kan het nog erger, wanneer ze zich als slachtoffer van al het kwaad in de wereld plaatsen. Dan denk ik aan mijn volgende hoofdstukken, mijn personages, mijn invalshoeken en mijn spanningsboog, waar ik nog kan schrappen, wat ik nog kan herschrijven en welke dynamiek ik aan mijn verhaal kan geven. Mijn mentale afwezigheid van vanavond lag ook aan de irritante ‘boenke boenke’-muziek die eerder op de voorgrond dan op de achtergrond speelde. Wat is het plezier om aan een tafel te zitten, een conversatie proberen te volgen die uiteindelijk uitdraait op een onverstaanbare dialoog en waar je voortdurend een instemmend ja dan neen knikte in de hoop dat al dat geknik in het vertelde verhaal klopte. Het restaurant zat vol, stampvol, wat het converseren evenmin bevorderde. Ik die graag luisterde naar wat gezegd werd aan andere tafels. Vanavond niet dus. Ik probeerde haar golflengte te bereiken met een ‘Smaakt, het?’ maar haar woordenwaterval viel niet stil. ‘Neen maar, snap je?’ ging ze verder en greep opnieuw naar haar vork. Ik knikte ja en gaf mijn bescheiden hoofdbeweging ondersteuning met een diepe ‘hmm hmm’. Boenke-boenke-boenke.

Erwin Abbeloos
52 0

Brooddronken hoofdstuk 24

24   De deurbel gaat. Maurits springt van de zetel waar hij lag te soezen sinds Billy en Célestine naar het kot waren en stormt de trap op, naar Jimmy’s kamer. Niemand maakt echt aanstalten om de deur te openen. Noch Jimmy, die boven de kat gaat halen, noch Marjolein die voor de tigste keer die korte avond de borden en stoelen kaarsrecht op elkaar afstemt. Had ze geweten wat het was, ze had zichzelf op de borst kunnen kloppen een marginale versie van Feng Shui uitgevonden te hebben. Billy zelf is langs het achterpoortje de ketel in de Leie gaan leeggieten, op de voet gevolgd door een nog steeds rillende Célestine. De deurbel gaat opnieuw en Jimmy en Marjolein beseffen, elk samen maar toch apart, dat er geen ontkomen aan is, willen ze de avond redden. De tijdsspanne tussen de twee beldrukken is lang genoeg om repercussies te hebben, maar te kort om nu al effect te hebben. Met andere woorden, dit heeft géén gevolgen voor het feest, maar de dagen er op zouden wel eens beeld zonder klank kunnen zijn – of erger. Als ogen doden konden, dan is er zopas in de Schaekenstraat een afrekening gebeurd. Maar dat doen ze niet dus verder dan een giftige blik in Marjoleins richting komt het niet. Reginald gunt haar slechts dat en gaat dan naar de eetkamer annex keuken, op de voet gevolgd door Jules. Reginald heeft een pakje onder zijn schouder. Rood met een gouden lint rond. Het fonduestel pruttelt. Het is donker en de kamer wordt slechts verlicht door het sporadisch knipperen van de kerstverlichting van een strategisch geplaatste kerstboom. Zowel boom als verlichting zijn te ver heen maar doen dapper hun dienst, zoals ze al dertig jaar doen. ‘Waar is zijn negerin?’ vraagt Reginald terwijl hij een sigaret opsteekt. Jules grinnikt. Een vette grinnik die het midden houdt tussen een beginnende hartaanval en een paard met obesitas. Hij waggelt naar zijn vaste plaats aan het hoofd van de tafel, omdat er geen plaats is voor een tweede stoel. ‘Billy en Célestine zijn uw ketels van uw keuns gaan uitgieten. Ze heeft het zelfs aangeboden,’ zegt Marjolein. ‘Zoveel te beter,’ antwoordt Reginald, ‘als die domme kalle bij die vette leegaard wil blijven, gaat ze toch het werk moeten doen.’ ‘Ge gaat toch uw manieren houden hé, als ze binnen zijn?’ zegt Marjolein. Reginald antwoordt niet. Hij heeft daar ook geen tijd voor, want Jimmy komt de trap af met de kat op zijn schouder. ‘Allez, nummer twee is daar ook,’ zegt Reginald. ‘Pa. Pepe Jules.’ Jules bromt iets, maar wat het juist is, heeft iedereen, als ze dat al hadden gewild, het raden naar. Het kan zowel een groet zijn als, wellicht dichter bij de waarheid, een verwensing. ‘Waar zit uw broer?’ ‘Weet ik veel, ik ben net de kat gaan halen naar…’ Te laat realiseert Jimmy zijn fout. ‘Hoeveel keer heb ik al gezegd dat ge de deur naar boven moet toe doen en toe laten?’ Reginald haalt uit naar Maurits. De kat zet zijn nagels in de schouders van Jimmy en lanceert zich richting de porseleinen poppen van Marjolein. Het vrouwtje wankelt een tijdje, om dan kennis te maken met de vloer. Ze barst in stukken vanéén. Zonder één kik te geven, als een automatisme, neemt Marjolein stoffer en blik. Als ze al huilt vanbinnen, is ze getraind om geen teken van zwakte te geven. Ze veegt de pop bijéén. Ondertussen gaat de achterdeur open en staan Billy en Célestine in de keuken. Deze laatste ontdoet zich van de rubberen laarzen en stapt kordaat op Reginald af, met uitgestoken hand. Reginald kan niet anders dan deze schudden. ‘Dag meneer Sabbe. Ik ben Célestine. Célestine Onyewu. Aangenaam.’ Achter haar rug wisselen Billy, Marjolein en Jimmy blikken uit, alsof ze net een halsmisdaad heeft begaan. ‘Zeg maar… zeg maar Reginald.’ Reginald gaat naar de keuken en wast zijn handen. ‘Dat is dus mijn pa, Célestine. Die gaat dus nooit zijn handen wassen nadat hij gaat gaan pissen of schijten, zelfs niet voor het eten. Maar godbetert als hij een zwarte de hand schudt. Dan wél, natuurlijk.’ Billy schudt het hoofd. Célestine kust hem op de wang. ‘Alsof ik dat niet had verwacht. Maar ik heb hier zoveel andere redenen om er een leuke avond van te maken. Jij, je broer, je mama, je opa… Laat hem maar in zijn sop koken, schat.’ Jules knort van het lachen. ‘Dacht ge echt dat pa de ergste was?’ vraagt Billy. ‘Ik denk dat de olie nu wel warm genoeg is,’ zegt Marjolein, ‘aan tafel.’

Miguel
5 0

Brooddronken hoofdstuk 23

23   De sfeer in het huis is omgeslagen van een leuk bezoekje naar die ongeduldigheid wanneer je mensen verwacht voor een feest. Dit nog eens verzwaard door het feit dat geen van de verwachte mensen, zijnde Jules en Reginald, eigenlijk echt gewild zijn in het huis. De tafel is gedekt. Voor zes plaatsen borden, voor vijf fondueprikkers. Het fonduestel aangesloten, de tv uitgeschakeld. Célestine en Billy zijn in het kot waar het konijn en de haan zitten. ‘Wat een mooi konijn,’ zegt Célestine. ‘Schoonheid heeft hier geen thuis,’ zegt Billy, ‘het maakt ook geen reet uit hoe het beest er uit ziet. Kweken moet ze doen. Anders heeft pa er geen nood aan en dan…’ Hij wijst naar de hoek van het kot. Aan roestvrij stalen haken hangen karkassen van drie konijnen, de buiken geopend en net als een vlieger een houten kruisje er in, zodat de wonde open blijft. Hun bloed valt in klodders naar beneden, het meeste opgevangen in een emmer. Zonder verpinken trapt Billy tegen de emmer. ‘Hij is vol genoeg,’ zegt hij, ‘ik zal ‘m straks uitgieten in de Leie. Als het donker is.’ Célestine houdt haar hand voor haar mond. Voor haar zijn het drie huisdiertjes die opgehangen zijn, hun snoetjes van het vel ontdaan, een dertigtal centimeter bungelend van de grond. ‘Dit is… dit is toch barbaars?’ ‘Het merendeel van de konijnen is bestemd voor de verkoop aan collega’s van pa… Hij heeft ze allemaal verkocht maar ze moeten nog versneden worden.’ ‘Versneden?’ ‘Ja, pa heeft het mij ooit geleerd als kind. Ik kan een konijn versnijden, ja. Zo hoort dat nu eenmaal.’ ‘Vind jij dat oké?’ Billy haalt de schouders op en neemt een ketel mee. In de ketel zit maïs en nog wat andere graansoorten. ‘Als ge hier al problemen mee hebt, dan heb je Armand nog niet gezien.’ Hij opent de deur van het kot. In het duister zit een haan, blauw-met-goud van kleur. ‘Dat is een kip?’ vraagt Célestine. Billy knipt het licht in het kot aan. ‘Zeg nooit zomaar kip tegen een vechthaan,’ zegt hij, ‘specifiek is dit een Brugse vechter.’ ‘Een Brúgse vechter? En jij weet dat?’ Door Célestines stem klinkt ongeloof. Alsof haar vriend zulke dingen niet hoort te weten. ‘Ja, ik weet dat. Heeft uwe pa u nooit meegenomen naar het voetbal of zo?’ Nu haalt Célestine de schouders op. ‘Ja, als klein meisje. Eén keer. Maar het zei me niets dus hij pushte me niet.’ ‘Wel, toen dat ik nog thuis woonde, was het regelmatig elke zondagochtend naar het hanengevecht.’ ‘Hánengevecht? Is dat niet verboden?’ ‘Hier wel,’ zegt Billy en hij gooit een handvol graan naar een haan die wel korte lellen maar verder de fysiek van een imposante haan heeft, ‘over de grens niet. In Frankrijk mag dat nog, in de Nord.’ ‘En wat moet ik me daar dan bij voorstellen?’ ‘Gewoon, twee hanen die in een ring tegen elkaar staan en dan er op los pikken en slaan met hun sporen.’ ‘En dat doet jouw vader dus?’ zegt Célestine. Haar hele houding schreeuwt één woord uit: ongemak. Billy daarentegen is wel wat weer gewoon en vertelt heel stoïcijns. ‘Ben jij daar zelf wel eens naar toe geweest?’ vraagt Célestine. ‘’t Zal wel zijn. Ik had vroeger ook een haan.’ ‘Jij?’ ‘Tuurlijk. Alhoewel,’ zegt Billy terwijl hij nog een hand graan naar de haan gooit, ‘voor mijn verjaardag kreeg ik een haan, onze Nestor. Van onze pa. Maar ’t was eigenlijk meer een cadeau voor zichzelf.’ ‘En toen?’ Célestine heeft het koud, maar met de temperatuur buiten, amper boven het vriespunt, heeft het niets te maken. Ze rilt, ze huivert. ‘Lang heeft het niet geduurd,’ zegt Billy, ‘gelukkig maar. De andere had sporen. Dat doet het een beetje sneller gaan. Nestor heeft niet lang moeten afzien.’ ‘Sporen?’ Billy wijst naar twee ringen van leder, met een grote nagel aan vastgemaakt. ‘Ja, sporen. Ze doen dat rond de poot. Dan komen hun slagen harder aan.’ ‘Maar dat is vreselijk!’ Célestine kokhalst. ‘Nu, zeg dat maar niet vanavond tijdens het diner, onze pa en zijn beesten, dat…’ ‘Ik wil hier weg,’ zegt Célestine, ‘terug naar binnen. Hier is teveel leed geweest, ik voel dat.’ ‘Wacht tot ge een tijdje binnen in huis zijt. Ge hebt nog niets gevoeld,’ zegt Billy op een onheilspellende toon. ‘Ik begin te denken dat je gelijk had, Billy… Of dat je serieus aan het overdrijven bent.’ ‘Kom,’ zegt Billy en hij doet Célestine uitgeleide uit het kot, terwijl hij de emmer meeneemt, ‘ze gaan er nu alle moment zijn.’ Hij neemt de emmer mee en knipt het licht uit.

Miguel
3 0