Lezen

Brooddronken hoofdstuk 20

20   De Lada doet zijn uiterste best om het koppel Sabbe – Onyewu naar de Schaekenstraat te brengen. Uit dankbaarheid naar de wagen toe, die luid protesteert, draaien ze eerst nog eens af richting Sint-Jan, waar Billy in het buurtwinkeltje een slof Camels koopt. Daarna gaat het richting Schaekenstraat langs de Veldstraat. Dit is het hart van stad Kortrijk. Célestine kijkt haar ogen uit. Voor haar is het hart van een stad monumenten, bijna kilometerhoge appartementen, parken en de ene winkelstraat na de andere. In Kortrijk echter betekent dat een aaneenschakeling van soms slecht onderhouden sociale woningen, met in het midden één kerk die een al dan niet geslaagde renovatie heeft ondergaan. Bij één van die sociaal aandoende woningen staat Marjolein in het deurgat. Bij het passeren langs het huis, in de Lada, lacht Célestine haar parelwitte tanden bloot en zwaait naar haar toekomstige schoonmoeder. Marjolein is haar gewoonlijke gemoedelijkheid zelve. Ze zwaait en ook haar tanden, niet zo recht en al helemaal niet wit, ontbloten zich. ‘Wat een leuke vrouw is je moeder,’ zegt Célestine terwijl ze haar hand op het been van Billy legt, die met veel moeite de Lada achterwaarts probeert te parkeren tussen twee even aftandse auto’s in. Uiteindelijk slaagt hij in zijn opzet en stappen ze samen uit. ‘Zij is ook het enige goede in dat kot,’ zegt Billy en hij neemt een teug niet zo frisse lucht. ‘Ruik je dat?’ vraagt hij, ‘dat is Kortrijkse Leielucht. Als je dacht dat die in Gent al stonk, wees bereid om een totaal nieuwe ervaring op te doen. En één of andere ziekte, als je pech hebt.’ Een rat schiet tussen hun benen door en Célestine staat verstijfd. ‘Was dat…?’ ‘Ja, natuurlijk is dat een rat. Je zit aan het water en je zit in Kortrijk. Waarom zou je dan géén ratten hebben?’ antwoordt Billy. Ze wandelen richting het huis. Marjolein opent haar armen om er Célestine in te sluiten. ‘Welkom, Célestine, welkom. Billy heeft niet overdreven toen hij over je schoonheid begon,’ zegt ze. ‘Dag mevrouw.’ ‘Marjolein, alstublieft. Maar kom toch binnen.’ De colonne, want voor twee mensen naast elkaar is er geen plaats, wandelt het huis binnen. ‘Wat gezellig!’ roept Célestine uit terwijl ze haar ogen de kost geeft. ‘Oh?’ Célestine scoort punten bij Marjolein. ‘Ja, die poppen, hier,’ zegt ze en ze wijst naar een koppel poppen, gezeten op meubeltjes van gevlochten riet, waarvan het mannetje precies het snot in zijn neus probeert op te trekken en een bedenkelijk gezicht trekt. ‘Mijn ouders hebben die ook, maar enkel het vrouwtje. Rufus, onze hond, heeft ooit het mannetje tegen de grond gewerkt en opgegeten,’ zegt Célestine. Marjolein lacht, maar alleen wanneer ze ziet dat Célestine het voorval verwerkt heeft en zelf ook grinnikt wanneer ze de anekdote wereldkundig maakt. ‘En wat een mooie poes!’ roept ze uit. Maurits ontwaakt uit zijn gendarmeslaap en kijkt Célestine aan. Hij komt naar haar toe gewandeld. ‘Let maar op, straks krijgt ge een klauw,’ zegt Billy, die instinctief de afstand tussen hem en het beest vergroot. Het is niet dat Maurits een stoute kat is, het is dat Maurits niet graag uit zijn slaap wordt gewekt. Célestine steekt haar hand uit en Maurits snuffelt er eventjes aan. ‘We gaan hier een belangrijke les leren, ma,’ zegt Billy, ‘namelijk dat Maurits niet op vreemden gesteld is.’ Maurits kijkt naar de hand die hij zopas besnuffeld heeft en geeft Célestine een kopje. ‘Kijk nu,’ zegt Célestine, ‘is dat die gevaarlijke sofatijger waar je het altijd over hebt?’ Ze trekt haar hand terug en Maurits gaat op zijn twee poten staan en houdt haar hand vast met zijn poot, de klauwen ingetrokken, om verder te kunnen likken. ‘Krijg nu wat,’ zegt Billy. ‘Zeg, Bill, gaat gij de rest van de beesten nog eten geven?’ vraagt Marjolein. ‘Oh, heb jij nog huisdiertjes?’ vraagt Célestine, ‘die wil ik wel zien!’ ‘Zeg dat ze mijn botten aandoet om naar achter te gaan,’ zegt Marjolein en ze wijst naar een paar gummilaarzen die bij de verwarming staan. ‘Huisdiertjes niet echt,’ zegt Billy, ‘maar je zal ze ooit wel leren kennen, dus waarom nu niet.’ Ze gaan naar buiten, waar Billy naar de koterijen wijst. ‘Hierachter ligt de Groeningekaai,’ zegt Billy. Habiba, de buurvrouw, is ook buiten en ze ziet het koppeltje. Ze roept van achter de omheining. ‘Dag Billy, is dit nu jouw vriendin?’ ‘Ja,’ zegt Billy, die zijn trots amper kan verbergen. ‘Dag juffrouw,’ zegt Habiba en ze steekt haar hand uit, ‘ik ben Habiba El Kaddouri.’ ‘Dag mevrouw El Kaddouri. Mijn naam is Célestine Onyewu.’ ‘Habiba, alstublieft,’ zegt Habiba, ‘en heb je hier beetje naar je zin?’ ‘Oh ja,’ antwoordt Célestine, ‘Marjolein is zó lief. Wat een warme vrouw!’ ‘Reginald al ontmoet?’ ‘Is dat je papa?’ vraagt Célestine. Billy knikt en maakt subtiel een beweging naar Habiba dat hij liever wil dat het over iets anders gaat. Habiba begrijpt de hint. ‘Is het al zo laat? Wel, wel… Omar komt gauw thuis van het speelplein. Tot nog eens, Célestine.’ ‘Dááág!’ Célestine en Billy gaan “het kot” binnen.

Miguel
8 1

Een dag uit het leven van E. (of hoe een meisje van plezier ten prooi kan vallen aan acute ldvd)

   Sinds vanochtend tintelt het onophoudelijk in mijn hoofd en ik vraag mij om de haverklap af of ik niet beter een bronchitis had geveinsd, dan kon ik mij afwezig melden, mij nog eens stevig in het dikke donsdeken wikkelen en tot diep in de namiddag een gat slapen groter dan dat in de ozonlaag. Zo diep zit de pijn dat mijn hart erdoor dreigt te verschrompelen en geen medicijn ter wereld krachtig genoeg is om mij te genezen.    Vandaag zal niemand veel van mijn diensten hoeven te verwachten. Oké, ik zal doen wat er van mij verwacht wordt, het is mijn job, maar het zal op automatische piloot gebeuren, een geconditioneerd handelen – niet meer of minder. Wat er straks ook gebeurt, mijn gedachten zullen samen met de roze wolk waarop ik mij bevind door het luchtruim zweven.    Als E. onderga ik: gewillig en zonder weerwoord. Geloof mij. Wanneer je als een prooidier verstrikt zit in de val genaamd “ldvd”, is dat het beste wat je kunt doen. Roerloos op je rug blijven liggen, ogen gesloten, voor de kleinste prikkel afgesloten.    Gelukkig bestaat er zoiets als koffie om de zenuwen enigszins onder controle te houden. Zonder mijn bakje troost zouden mijn hand- en spandiensten tot mislukken gedoemd zijn. Geen cafeïne staat gelijk aan een minder emotionele en slechts matig empathische versie van mezelf. Met andere woorden: geen mens om van te houden, geen vrouw om graag te zien en geen escorte om het bed mee te delen.    Het is niet uit noodzaak. Ik heb een voltijdse baan waarvan ik oprecht kan zeggen dat ik er niet met tegenzin naartoe ga. Aan luxeproducten geef ik amper geld uit. Ik ben al lang blij wanneer ik kan eten waar ik zin in heb: dat de huur van mijn appartement kan betaald worden zonder tegen een achterstand van enkele maanden te hoeven aankijken, dat ik voor de benzine van mijn bescheiden Duitser niet iedere euro twee keer hoef om te draaien (ik haat te voet gaan of met het openbaar vervoer reizen) en ongebreideld van mijn koffie kan genieten. Rombouts: jij mag mij elke dag neuken!    Lullaby, het escortebureau waar ik ondertussen zo’n drie jaar geleden bij solliciteerde, is een uit de hand gelopen therapie. Ontstaan uit de idee dat ik mijn jeugdtrauma’s op onorthodoxe wijze een halt zou kunnen toe roepen. Het is ijdele hoop gebleken. Alsof ik mezelf door aan seksuele dienstverlening te onderwerpen van onderhuidse kwellingen zou zuiveren, ongedaan maken wat mij als kind allemaal is aangedaan. "Praat het uit met je moeder". Je moest eens weten hoe vaak ik die zin heb moeten horen uit de mond van mijn therapeut. Er valt niet te praten met een vrouw die geen gevoelens heeft, bij wie het schuldbesef ontbreekt, de wil om te veranderen, toe te geven dat ze fouten heeft gemaakt. Met dat soort ingesteldheid worden geen familiebanden hersteld. Op die manier hoeft het voor mij niet. Dan steek ik liever tijd en energie in mensen die ik van haar nog pluim ken. Mannen bij wie ik de moeder kan zijn die ik nooit gekend heb. Dat ik in ruil daarvoor intiem met hen ben, daar heb ik vrede mee. Er zijn veel onaangenamere bezigheden. Bovendien brengt pijpen en neuken geld in het laatje. Makkelijk verdiend geld. Mijn onderhuids onbehagen zal misschien nooit overgaan, maar er is gewoon minder bezorgdheid, minder onrust in mijn hoofd zolang ik deze bijverdienste in stand houd. Ik voel mij beter als ik mijn alter ego speel. Als E. sta ik zelfverzekerd in mijn schoenen en slaag ik erin om wat kleur, in het voor de rest saaie grijze leventje dat ik leid, te brengen. De verhalen die ik van mijn klanten te horen krijg zijn uiteenlopend. Van grappig en soms ietwat vreemd, tot compleet van de pot gerukt… maar meestal intriest. Er huist eenzaamheid in menig man. Gelukkig ben ik gehard door het leven en slaag ik erin, ondanks de vijfentwintig lentes die ik tel, de misserie van mijn klanten niet mee naar huis te nemen. Anderzijds zitten er geregeld grappige, ontroerende en interessante verhalen tussen al de miserie. Gesprekken waar ik vaak iets van kan opsteken. Vreemd genoeg werken ontmoetingen met wildvreemden en de daaruit voortvloeiende conversaties net dat tikkeltje heilzamer dan de gesprekken met een therapeut. Blijkbaar moet je op een soort van gelijkgestemde ladder staan vooraleer je echt in je ziel durft te laten kijken. Wanneer je met z’n tweeën naakt in een bed ligt valt er een barrière weg en wordt er sneller gezegd wat er echt speelt. Welke gebeurtenissen uit het verleden maken dat overleven zo moeilijk wordt. Ik voel mij vaak eerder psychologische dienstverlener dan sekswerkster.    Sinds kort is er een nieuwe man in mijn klantenbestand opgedoken. Hij ligt aan de oorzaak van de tintelingen in mijn hoofd die in een tijdspanne van vierentwintig uur zijn overgegaan naar het weeë gevoel dat nu door mijn gehele lichaam huist en dat niets anders is dan een acute vorm van “ldvd”.    Ik heb ondertussen tweemaal met hem afgesproken. Het is te zeggen, hij heeft twee keer met míj afgesproken. Lullaby gebeld om naar de vrije dagen in mijn agenda te informeren. En ik kan zeggen dat het… ja wat kan ik over hem zeggen? Het is eerder een gevoel waar ik mee gewrongen zit. Het was niet het soort contact dat voor rillingen zorgt. Niet het soort man waarvan ik wild word. Hij was netjes geschoren en hij droeg zijn haar in een dotje. Mannen met baarden en met korte haren zijn meer mijn ding. Maar hij had iets geheimzinnigs. Een soort waas zoals die bij wijlen over de Dijle hangt tijdens een mistroostige dag. Een beetje (gespeeld) timide misschien? Ingehouden, toen hij naast mij op het (liefdes)bed plaatsnam. Houterig de knuffel die hij gaf. Onwennig zijn lippen op mijn mond. Voorzichtig de poging tot tongzoenen… hij ontdooide pas toen hij mijn clitoris streelde en begon te vertellen over zijn schrijverscarrière en kwelduivels die hij ermee probeert te temmen.    Hij schrijft poëzie en proza en heeft een knoert van een jeugdtrauma opgelopen. Laat ik nu net een zwak hebben voor romanciers en getormenteerde geesten. Het is niet voor niets dat ik menig boekenbeurs heb afgeschuimd om een glimp van Herman Brusselmans op te vangen en zelfs met hem in discussie ben gegaan over waarom hij niet een keer écht vertelt wat er zich op Theet 77 heeft afgespeeld. Oké, Herman zijn haren zijn ook lang, en hij is eveneens baardloos, maar wat een charisma straalt hij uit! Waarschijnlijk is het door de combinatie van een ongekend moederinstinct én het verlangen om mysteries op te lossen dat ik halsoverkop verliefd geworden ben. Op een klant notabene!    In het luchthotel op het einde van de Kerkstraat ben ik kind aan huis. Het is een leuk rendez-vous hotel waar bijna de helft van al mijn afspraakjes doorgaan. Op vogelvlucht van mijn fluwelen bastion zoals ik mijn knusse appartement gekscherend durf te noemen.    Vandaag ben ik beschikbaar tot 22 uur. Mijn profiel wordt enkel zichtbaar op de site van Lullaby wanneer ik niet aan de slag ben in de eettent waar ik meer bloed, zweet en tranen laat (en dat voor een loon dat minder is dan de helft van wat ik verdien door in mijn blote billen naast, op, of onder mannen te liggen). Ik werk er in shiften. De vroege zijn het hatelijkst. Ik ben geen ochtendmens.    Aangezien er zonet een of andere pipo zo dom geweest is om een afspraak met mij te maken kan ik niet anders dan uit mijn nest te komen en mij klaar te maken. Lullaby heeft een voicemail ingesproken. Of ik om kwart over drie ter plaatse kan zijn en of ik asap kan terugbellen om de afspraak te bevestigen.    Zal ik mijn rode jurk aantrekken vraag ik mij af? Mannen houden niet van lange broeken. Dan blijft er minder ruimte over voor hun fantasie. Misschien moet ik toch die leuke gele broekrok nemen. Geel is mijn lievelingskleur. Geel is alleen weggelegd voor vrouwen die niet met zichzelf in het reine zijn. Geel is een hoe-je-je-door-het-leven-laveert-weerspiegeling-van-labiele-jonge-dames. Met andere woorden: nog erger dan “ldvd”.    Laat het alsjeblieft dikkenekkerige Ali, ranzige Freddy of groot geschapen Louis niet zijn prevel ik wanneer ik nog snel neus en wangen poeder en richting mijn Duitser stap die zoals steeds trouw als een hond aan de overkant van de straat op mij staat te wachten. Hersenloze hufters kan ik er nu echt niet bij hebben, in mijn tot de rand met intense gevoelens gevulde hersenpan.    Ik speur werktuiglijk over het rendez-vous hotel naar witte wagens. Geen enkele. Ook wanneer ik mijn Duitser het zwijgen heb opgelegd blijft het aan de horizon verdacht leeg. Het doembeeld van een hufter dringt zich op…    Net wanneer ik de hoop heb opgegeven om mijn poëet vandaag te zien en dat het misschien toch geen foute beslissing was om mijn rode jurk in de kast te laten hangen, merk ik een witte SUV op. Hij stuift rakelings voorbij en parkeert gezwind op de enige nog vrije plaats recht tegenover mijn Volkswagen Polo. Mijn adem stokt. Ik hoor hoe mijn innerlijke stem met stomheid is geslagen, voel hoe de aders rond mijn slapen pulseren. Het lijken wel mieren die onderhuidse gangen graven om hun eitjes in veiligheid te brengen. Zweetdruppels parelen over mijn voorhoofd. Ik word misselijk van pure opwinding. Iemand stapt uit. Een bruin lederen jasje… een blauwe jeans… haren in een dotje.    Hij is het. De man waardoor ik al weken met mezelf overhoop lig. De schrijver die mij zonder een woord te zeggen doet zweven, mij rust brengt wanneer hij praat, die mij laat smelten door zijn mysterieuze verhalen, mij beroert met zijn openheid. Ik ben verliefd op de schoonheid van de inkt die uit zijn pen vloeit. Ik weet hier en nu dat hij vandaag, speciaal voor mij weer iets geschreven zal hebben. Dat hij na afloop van ons liefdesspel, bij het afscheid, een enveloppe uit de zak van zijn lederen jasje zal halen. En dan zal ik als een ontroostbare bakvis (een puberend meisje overvallen door kalverliefde) zijn passionele woorden wederom een maand lang herlezen – aftellen naar een volgend samenzijn waarop ik hem opnieuw omhels, al het liefdesverdriet dat diep in mij gevangenzit loslaat.

Sascha Beernaert
4 0

Hoofdstuk 13: de eindeloze wacht (Fragment uit 'Eindeloze Verte')

Rania, 29 mei 2028, Algiers, 7u40 'De boekhandel van Algiers' door Kaouther Adimi scande ik. Even hield ik mijn adem in. Mijn moeders favoriete boek. Het dateerde van 2017, wist ik. Zelf had ik het nog niet gelezen, al was ma er de wolken van in! Ik wist dat het verhaal een blik gaf op Algerije als toenmalige Franse kolonie in de tweede wereldoorlog. Lang vervlogen tijden, toch bleef het boek me intrigeren, zoals het nu ook weer deed. Ook al had ik élk boek verwacht; elk zelfzorgboek dat maar goed over de plank ging, of een boek dat kon verklaren waarom ik me op dit moment zo naar voelde, dit boek kwam als een mokerslag bij donder aan. Het triggerde het besef dat ik degenen die ik het liefst zag, had achtergelaten… mijn familie.  ‘Oh’, was het enige wat ik kon uitbrengen. Ik voelde Yasmine haar kijkers zich met bezorgdheid op me vastpinnen.  ‘Je mag het lenen, Rania,’ zei Yasmine met enige aarzeling, alsof ze twijfelde of haar woorden enige schade konden aanrichten. ‘Dank je, Yasmine,’ ik keek haar recht aan. Yasmine zag in mijn ogen een blik geladen met emotie, maar ook dankbaarheid. Ze mompelde een ‘ik laat je’ en spoedde haar naar de keuken.  Thee en mijn gedachten lieten zich opnieuw tot één wereld overspoelen.  … Raar, maar waar was het. Het was me gelukt om te focussen…op een boek. Tweehonderd pagina’s had ik in een mum van tijd uitgelezen. Waarom dat dit ma haar favoriete boek was? ‘Geen idee.’ Zo simpel was mijn antwoord. Weinig woorden vormden zich tot een beperkt verhaal. Toch wist het té raken. De zon stond al tamelijk hoog aan de hemel en de temperatuur was razendsnel de hoogte in gegaan. Ik was weer in de werkelijkheid gerold,  gestruikeld al was ‘vallen’ toepasselijker. Waar er voor mijn tocht slechts één vraagteken opgeroepen werd, waren het er nu honderden die krioelden nét boven de leegte van mijn ziel.  ‘Rania’, één vraagteken loste als vanzelf op. ‘Dáár ben je!’ Silas wreef nukkig in zijn haren. Hij schoof een bord met toast en marmelade naar me toe. ‘Hier, ik bracht wat voor je mee, eet op, voor het koud wordt.’ Ik lachtte, kleintjes: ‘bij zo een warm weer?’ Mijn blik geraakte niet hoger dan de lengte van het tuintafeltje. Hem aankijken kon ik al evenmin. Ik voelde Silas’ paar kijkers op me vastpinnen. Het verschroeide me, zodanig dat mijn wangen hazelnootkleurige vlekken vertoonden - een pure hel van ongemakkelijkheid doorging ik, in de - zo leek het toch - 10-tal minuten durende stilte.  Ik besloot het eerste wat in me op kwam met beide handen vast te grijpen - en nam een stevige beet uit mijn toast met marmelade. De geur en smaak van de marmelade kwamen me bekend voor, thuisbrengen kon ik het niet. Op één of andere onverklaarbare wijze had ik de moed om mijn blik met een 30 - tal cm te verhogen, en keek recht in Silas bezorgd paar kijkers. ‘Rania, alles oké? Yasmine en ik maken ons grote zorgen. Ik wil gewoon eerlijk met jou zijn.’ voegde hij als laatste toe, en sloeg zijn blik neer. ‘Eerlijk? zei ik met een nog schorre stem, ‘ik weet het niet.’ Ik voel me heel erg leeg en waar ik vroeger kleur zag, zie ik nu alleen maar donker. Snap je wat ik wil zeggen?’ Silas keek me met grote bedroefde ogen aan, maar knikte. Ik vervolgde: ‘Alsof elk sprankeltje hoop, verdween, enkel slechts één vlammetje moed bleef over, waar ik me angstvallig aan probeerde vast te klammen, totdat ook dat verdween. ‘Zo, zo, voel ik me, Silas.’ hevig begon ik te snikken en stoppen kon ik het niet.  ‘Oh, Rania…mag ik?’ ‘Het is oké’ zei ik tussen de snikken door. Silas naderde en sloeg heel teder een arm om me heen. Zijn andere arm volgde al snel. Hij hield me vast zoals een moeder, vader, broer of zus zijn of haar bloedverwant vasthield. Stevig en ondoordringbaar, alsof elk negatief gevoel door deze wal van liefde weggestoten zou kunnen worden. Alsof enkel de warmte van dit teder gebaar genoeg was om mijn donkere wereld op te fleuren met gedachten als kleurrijke bloemen.  Amine, 29 mei  2028, in de buurt van het opvangcentrum El ' Biar,  12u30 Een vriendelijke ogende oudere dame schepte een portie gekruide puree op mijn bord, net naast de berg aan groenten en een gigantische notenburger. ‘Duidelijk met Zuiderse kruiden.’ lachte Aïscha me grijnzend toe. Nog steeds grinnikend nam ze een hap van haar rijkelijk gevuld bord.  ‘Geen idee wié dit maakt, maar het is héérlijk.’ zei ik, met een mond vol, na alsook een hap geproefd te hebben.  De zaal was gevuld met mensen, allemaal van diverse multi-culturele én sociale achtergronden. Dat zag je in één oogopslag. Een graatmagere jonge tiener zat slechts enkele rijen van me verwijderd. De afstand van hier tot daar leek me onoverbruggelijk in een gevulde ruimte als deze. Het nog jonge kind, een stoer ogende jongen, maar mager en tenger tot op het bot, wist mijn blik te vatten. Hoe de wereld ook aan zijn lichaam vrat, zijn geest was nog onaangeroerd - of zo leek het toch. Telkens maar werd ik geraakt door dergelijke taferelen. Het bord eten dat voor me stond leidde me snel af van de menselijke problematiek die zich alsmaar als een donderwolk beklijvend om me heen wist te sluiten.  … Arm in arm liepen we, alsof we al jaren op dezelfde manier wandelden. Immens genoten we om in elkaars gezelschap te mogen vertoeven. We liepen richting het dichtstbijzijnde park. Natuur leek me de enigste plaats waar ik pas écht kon ontsnappen aan de toevoer van menselijke handelingen en gedragingen, die me op één of andere onuitputtelijke manier telkens wisten te vatten, nét zoals een wereld met virus symptomen, was ik ook daarvoor niet immuun. ‘Kom, Aïsha, daar, kunnen we even zitten.’  Tot plots mijn ogen de zijne opnieuw tegenkwamen. Zijn lach wees op een immense sterkte, zo incongruent met het jonge lichaam dat hem slechts op de been hield. Het was noch dat magere lichaam, noch zijn lach die me wisten te raken, het was die blakende veerkracht die uit zijn ogen straalden. Alsof leven voor hem een zuchtje van gemak was, al wees alles de verkeerde kant op - voor hem. ‘Goed als we erbij komen zitten?’ Aïscha lachte vriendelijk naar de jongen. ‘Geen probleem, hoor.’ lachte de tiener ons toe, en hij ging opnieuw op in het boek dat hij las. Nieuwsgierig en vanuit mijn linkerooghoek trachtte ik in een nonchalante poging een glimps van de kaft op te vangen. Het was geen jeugdboek, allerminst. Het leek op een thriller. Een verfrissende bries kwam opzetten. In deze hitte was het pas écht een verademing. Toch ging het haar op mijn armen recht op staan. Ik zuchtte en liet mijn hoofd loom naar achteren bengelen, zonder enige neksteun leek het alsof ik de wereld droeg, op mijn lichaam. Mijn hoofd? Dat leek uitgeschakeld.  Aïscha leunde tegen mij aan. Het vreemde gevoel bleef. Net alsook de tiener naast ons bleef lezen. … Ik voelde dat hij keek en trok me er niets van aan. Het enigste wat ik nodig had waren de letters uit dit boek die mijn brein voeden. Een gurige galoprispsing wist me haast te vellen. ‘Allemaal door het walgelijke eten deze middag.’ dacht ik. ‘Afgrijselijk.’  Eten was al iets dat me twee jaar, drie maand en 11 dagen van de ene dag op de andere dag verleed leek te zijn. Ik had het niet meer nodig. Of zo leek het toch. Ik wist allerminst dat dit niet waar was. Toch had ik er een lak aan. Allah beloonde enkel degenen die geloofden. Al bad ik niet meer, geloven deed ik wel. Al geloofde ik niet in een geloof, ik geloofde in wetenschap. Ik geloofde in het intellectuele, dat ons aan de top van de voedselketen wist te brengen, en ons zo onderscheidde van andere zoogdieren. Ik geloofde in letters, in zinnen, in woorden. Wat ik later wilde worden? Alles waar je maar een scheenshopper voor moest zijn. Met mijn 13 zomers wist ik ook al figuurlijk tegen enkele schenen te schoppen - letterlijk ook soms, daar was ik uiteraard niet trots op. Was het niet tegen de relschopper of de klasclown, dan was het wel die ene leerkracht die het op mij gemunt had. Een vat op me krijgen konden ze echter niet.  Toen was zij er geweest, met haar bliksems van ogen. ‘Zij’ met de heldergroene ogen. Zo was mijn verhaal begonnnen. Ik wist dat het ging eindigen bij datzelfde paar kleur kijkers. Al had ik nooit verwacht dat het zo snel zou zijn, want een zelfde paar kijkers zat naast mij. … ‘Amine, Amine!’ Aïsha klampte zich aan me vast. ‘De jongen, de tiener. Hij is buiten bewustzijn.’ Verschrikt keek ik links van me. Ze had gelijk! Haastig nam ik zijn tengere en veel te magere pols vast, en drukte mijn duim om enige hartslag te meten. ‘Aïscha. Bel. Een. Ambulance.’ Aïsha deed onmiddelijk wat ik zei en verwijderde haar even, toen ik de eerste zorgen toediende.  … 15 min. Zo lang had het geduurd. Zo lang had ik hartmassage toegediend. Een AED was er evenmin aanwezig geweest. In een park waar er nochtans één moést hangen. Ergernis bekroop me als een demon die me teder, duister koud omhelsde in het donker. Amine, 29 mei 2028, 16u23 thee-en koffiehuis, Algiers Hij heeft het niet gehaald. Het spijt me. Geen enkele hulp kon nog baten. Het team deed hun uiterste best. Diep aangeslagen. Paulo. ‘Paf.’ kwaad sloeg ik mijn hand op de tafel. ‘Nee,’ stamelde ik uit; verslagen door emotie. Onmiddellijk voelde ik haar warme hand op mijn schouder. ‘We gaan - nu.’ zei ze vastberaden en kalm. Dat was het enigste wat me weer bij mijn positieven haalde - en op de been hield: ‘ zij’. Mattéo, 29 mei 2028, Centre Hospitalo Universitaire MUSTAPHA, 16u45 Terwijl ik panisch de zwarte vlekken op de spiegel witte tegels telde, kwam ze bij. Een verpleger kwam nonchalant binnengewandeld. Zijn dreadlocks waren haastig vastgeknoopt in een beschermkap, toch wist er één te ontsnappen en al wat ik kon doen was er gefixeerd naar staren.  Terwijl hij glimlachte naar haar, checkte hij de buisjes die vastgeknoopt waren aan haar lichaam. De monitoren en apparaten naast haar gaven zaken aan waar ik totaal geen weet van had.  ‘Meneer, u bent haar echtgenoot?’ vragend en ook weer niet, richtte hij zijn aandacht plotsklaps naar mij. Even schrok ik, al herstelde ik me snel, charmant glimlachend zei ik al even nonchalant als hij was binnengewandeld: ‘Nee, ik ben verantwoordelijk voor de opvang van Algerijnen die op een legale wijze een buitenlands paspoort aanvragen. Ik vond haar volledig uitgeput en buiten bewustzijn bij mijn woonst.’’  De wangen van de verpleger kleurden in allerlei tinten donkerrood, aarzelend herstelde hij zich:’ Uh, oké, heeft u al contact gehad met de politie. Weet u wie deze persoon is? Had ze iets van papieren bij haar, ID?’ zonder ook maar enige ademruimte te laten, perste hij het laatste woord er haast snakkend naar lucht, uit. De laatste restjes aarzeling verdwenen in de kolkende hitte van een vragenvuur, dacht ik weemoedig.  ‘De politie is inderdaad al op de hoogte. De jongedame in kwestie heeft geen papieren, noch een ID op zak.’ Zoals een ballon die langzaam aan leegloopt, verdween alle kleur uit zijn gezicht. Zuchtend tussen zijn tanden, zei de verpleger ‘Raphaël’, toonde zijn naam tag die scheef op zijn uitrusting kleefde aan: ‘Oh, god, nog ééntje.’ ‘Hoe erg is het?’ vroeg ik hem recht op de man af. ‘Worden er statistieken bijgehouden?’  De man kleurde roder dan rood.       Eindeloze Verte - Wattpad Eindeloze Verte won in 2019 een Watty Award, de officiële wedstrijd op het platforum 'Wattpad'. Het is momenteel lopende, al is het doel om dit verhaal ten laatste in 2026 uit te geven. "Vinden ze de weg naar elkaar terug?" De Middellandse Zee.Vluchtelingen en uitdagingen voor Europa.Een verdwenen zus en een verscheurd gezin. Algerije, 2028Een recente, zware aardbeving, die vele slachtoffers en ravage met zich meebrengt, is voor Rania de druppel. Een teken dat het genoeg geweest is. Dat het zo niet meer verder kan. Dat leven zonder enige zekerheid geen zin heeft. Toch?  Verderop in Algerije komt Amine tot de ontdekking dat zijn zus zomaar, zonder enig spoor na te laten, verdwenen is.  Wanhopig maar vastberaden dat ze nog in leven is, besluiten hij en hun ouders haar achterna te gaan. Aan de hand van hun verhalen komen we meer te weten hoe hun leven plotsklaps maar niet geheel onverwachts veranderde.  Beiden geven echter niet op, op hun dromen en toekomst. Dit is hun verhaal: over hun vlucht en de zoektocht naar een beter leven. Een actueel toekomstverhaal dat zich afspeelt in verschillende leefwerelden. Een fictief, maar realistisch verhaal van hoop en dromen, pijn en leed, liefde en vriendschap en een onverwachte boodschap. Alle rechten voorbehouden (c)    

Zonsondergangdromen
132 1

Het belang van uitgestalde patisserie in het leven van een chaoot

Nooit mag ik het belang van mijn ogenschijnlijk betekenisloze tripjes naar de bakker onderschatten. En dan heb ik het niet over dagelijks brood. Zonder een bezoek aan de bakker ben ik verloren als het aankomt op bepaalde sociale verplichtingen. Sinds lange tijd ben ik onderworpen aan de in de vitrine uitgestalde patisserie om mij te herinneren aan nakende Vlaamse feestdagen. Reeds vele malen ben ik door het oog van de naald gekropen door op de allerlaatste dag mijn vrouw een gelukkige moederdag te wensen met een pateeke van de bakker, wiens koeltoog me die ochtend glashelder liet doorschijnen dat het die dag moederdag was. De veelal roze of rode pateekes liegen er niet om. De meeste hebben een glazuren hart met het woord MAMA in het midden geschreven. In hoofdletters van suiker of chocolade, zodat ook slechtzienden of lijders aan daltonisme de boodschap niet zou ontgaan. Hetzelfde geldt in februari. Hoewel mijn vrouw en ik niet zoveel belang hechten aan Valentijn, bedank ik de zeemzoeterige taartjes van bakkerij André om mijn geheugen op te frissen. Wanneer ik koningstaarten achter het glas zie, is het tijd om mijn broer te feliciteren met zijn verjaardag. Liggen er pruimentaarten, haal ik mijn beste wensen boven voor twee goede vrienden, wiens verjaardagen rond Aswoensdag liggen. Ik ben ze nog nooit vergeten. Dank u, pruimentaart! Omgekeerd kan ik mijn liefste echtgenote ook wat jennen wanneer zij dat obligatoire pateeke vergeet op Vaderdag. Dat ik zelf slechts een half uur vóór mijn geveinsde teleurstelling in haar op de hoogte ben, vertel ik er uiteraard niet bij. Zo heb ik mijn gespeelde verontwaardiging al jaren aan een stuk kunnen perfectioneren. Dat kan ook altijd van pas komen op andere momenten, denk ik dan. En dan is er nog Verloren Maandag. Op die dag verkoopt menig Antwerps bakker worstenbroden en appelbollen als zoete broodjes. Ik kan me herinneren dat we dat vroeger steevast als avondeten kregen bij ons thuis op ’t Zuid. Waarom heet dat eigenlijk in godsnaam Verloren Maandag? Naar het schijnt moesten ambtenaren in de late middeleeuwen op die dag niet werken. Bij deze wil ik een pleidooi houden om hier weer een officiële rustdag van te maken. Ik voel me toch al verloren op die dag.

Lennart Vanstaen
9 1