Lezen

Wie ben ik?

Ik lees een autobiografie waarin de auteur een beschrijving geeft van de huizen waarin hij heeft gewoond. Hij zoekt een antwoord op de vraag wie hij is. Het is een van de stappen op zijn zoektocht. Het zijn maar liefst 21 woningen. Voor mezelf tel ik er 4. Zo vaak verhuizen lijkt me een helse job, zeker met de meer dan duizend boeken die hij heeft. Maar boeiend is het wel. Ook al ken ik zijn huizen en appartementen niet, ik zie ze helemaal voor me. "Vind je dat niet erg?', vroeg een vriend, nadat ik hem had verteld dat ons ouderlijk huis er niet meer staat. Nee, omdat die herinneringen aan het huis zich voor mijn ogen afspelen, zoals een film die je nooit meer vergeet. Een film die zich blijft afspelen. Zo is het kippenhok in het jeugdverhaal dat nu op de schrijftafel ligt in mijn hoofd een getrouwe kopie van het kippenhok achteraan in de tuin, waar vader menig uur heeft gesleten. Niet zoveel als de kippen natuurlijk, maar zijn beestjes kwamen niets tekort. Net zoals de vethaantjes die hij om de paar jaar opzette. In de aanpalende schuur stond een oud gasfornuis waarop hij in een vaalgele kastrol de aardappelen bereidde voor de beestjes. Hij stompte er nog wat sla en andere groenten in, want de dieren moesten gezond groot worden. De geur van de stamppot kwam tot aan het huis. Moeder vond het niks. Als de kastrol niet meer op het vuur kwam en vader zijn bijl tevoorschijn haalde, bleef ze binnen. “Doet ge een beetje voorzichtig Harry?" Maar ze stond wel aan het keukenraam te kijken, zodat ze op haar sloffen snel bij de schuur was, mocht er daar iets gebeuren. Je raakt ze niet kwijt, al die beelden. Ze maken wie ik ben.

Rudi Lavreysen
5 0

Terug naar de Ardennen

Na het afscheid van mijn maatje waren er ineens veel dingen waar ik een beslissing over moest nemen. Of ik wilde of niet. Eén daarvan was de caravan die wij hebben in de Ardennen. Wat wilde ik daar mee. Mijn eerste ingeving was; “die ga ik verkopen, ik ga nooit meer naar de Ardennen.” Ik was bang dat daar veel te veel herinneringen zouden liggen. Te veel mooie dingen meegemaakt, samen met mijn maatje. Het was zijn plekje, hij was daar gelukkig. Niet dat hij dat thuis niet was, maar dat plekje zat toch wel heel stevig in zijn hart. Achteraf gelukkig, verliep het verkopen van een Nederlandse caravan in de Belgische Ardennen niet zo snel als ik had gedacht. Het was ook niet echt het juiste seizoen. Er ging een aantal weken overheen en ik begon wat meer rust te vinden en wat meer mijn eigen draai. En ik merkte dat ik toch wat anders ging denken over een aantal zaken. Want waarom zou ik niet proberen een keer terug te gaan naar de camping. Stef had het daar ook altijd enorm naar zijn zin. En ik ken daar veel mensen. Mensen die ook nu vaak contact zoeken om te vragen hoe het met me gaat. Alleen dat plekje, helemaal in de middle of nowhere, waar wij samen ‘alleen op de wereld’ konden zijn. Dat was wel heel erg eenzaam. Nu is er op die camping ook een gedeelte dat Het Dorp wordt genoemd. Niet direct aan het water maar wel wat drukker bevolkt en dichter bij het chateau en de taverne. Tijdens de wateroverlast van vorig jaar is een aantal caravans ook daar vernield en sommige mensen hadden toen de moed of zin niet meer om opnieuw te beginnen. Wie weet. Misschien was er een plekje voor mij. Na overleg met de eigenaren kon ik zelfs kiezen uit een aantal nieuwe plaatsjes. En die keuze was snel gemaakt. Er is een nieuw beukenhaagje geplant en zij zetten mijn caravan zelfs voor mij op zijn plek. Ok, het is kleiner en niet naast de rivier, maar ik ben er wel heel erg blij mee. Want ik ga me daar denk ik wel veiliger voelen. Zo in mijn uppie. Tenslotte vind ik het sowieso al rete-eng om terug te gaan. Niet zozeer uit praktisch oogpunt maar toch wel om alle herinneringen. De foto van mijn maatje ligt al klaar, die gaat in ieder geval ook mee.    

Machteld
19 0

Onder de boom, met een sigaretje

Ernst van Dealemaete, schrijver van "Lady Lovelove’s Poolboy" en vele andere succesvolle romantische pockets, spreidde een zeiltje over een steen. Midden op de heide, onder een dikke eik, de enige boom in de omtrek, pauzeerde hij. De thuis gedraaide sigaret stak hij rustig aan. Hij plaatste zijn achterste op het zeiltje en leunde tegen de stam. Door zijn oogharen zag hij de lichtpaarse gloed van duizenden bloemetjes.   ‘En ja hoor,’ klonk een slank geluidje. ‘Daar hebben we d’r weer een.’ Ernst keek rond. In een automatisch gebaar pakte hij zijn leesbril uit het borstzakje van zijn overhemd. Een klein groen vlaggetje wapperde naast zijn voeten. Hij draaide voorzichtig op zijn knieën en drukte zijn neus zo dicht mogelijk bij het vlaggetje. De leesbril vergrootte het vlaggetje tot een muts. En die muts wiebelde op het hoofd van een knokige kabouter. De kabouter trok aan zijn pijp, nam deze uit zijn mond en prikte in de neus van Ernst.    ‘Met wie heb ik de eer?’ vroeg Ernst.   ‘Slabelaar,’ zei de kabouter. ‘Kleuntje Slabelaar.’ Hij snoof de sigarettengeur op. ‘Lijkt wel geroosterde rabarber.’ Hij maakte een duwend gebaar in de lucht. ‘Kan je effe naar achteren? Je staat in mijn Aura.’   ‘Sorry.’ Ernst duwde zich omhoog. ‘Ik ben Ernst.’   ‘Je bent ernstig?’ vroeg Kleuntje. ‘Wat scheelt eraan jong?’   ‘Ik héét Ernst.’   De kabouter schokte van het lachen. ‘Jullie langnekken hebben maffe namen.’ Hij wees op de eik. ‘Trek in een bakkie flabbers? Vers gezet.’   Tussen de boomwortels, oplopend tot ongeveer een centimeter of vijftien boven de grond, was een uitsparing. De gladde en felrode rand stak scherp af tegen de ribbelige en grijzig-mossige stam.   Ernst bukte tot bij de uitsparing en mat met zijn blik of hij zou passen. Zachte muziek zweefde naar buiten: gitaar? pizzicato viool? harp? Duidelijk was het niet, het klonk prachtig.   ‘Dat wordt krap,’ zei Ernst.    Hij was verbaasd. Niet over de kabouter of de klanken uit de boom. Dat was het juist. Hij was verbaasd dat hij daar niet verbaasd over was. Die dubbele-loop gedachte maakte hem duizelig. Of de duizeligheid kwam doordat hij voorovergebogen stond, dat kon ook.   ‘Wacht even,’ zei de kabouter, hij duwde zich langs de dikke neus van Ernst en verdween in de stam. ‘Kom maar!’ klonk het gedempt.   Ernst stak zijn hoofd tot aan zijn nek naar binnen. Kleine handjes pakten zijn oren en een soort haak prikte aan de binnenkant van zijn neusgaten.   ‘Kwa, vloe, bisch!’ riep Kleuntje.   Ernst werd aan oren en neus de eik ingetrokken en botste tegen een zachte wand. Hij richtte zich op. Ernst zat in een schemerdonkere zaal verlicht door honderden kaarsen. Trommels en fluiten vulden de muziek aan. Het swingde als een tiet. De zachte wand bleek een hangend tapijt met daarop dansende kabouters rond een kampvuur. De zaal was groter dan de boomomtrek. Ook dit verbaasde Ernst niet, wat hem weer verbaasde. Het duizelde. Op meerdere plekken hingen tapijten met kleurige afbeeldingen.   ‘Mooi?’ vroeg een dun stemmetje. Ernst zag een kaboutervrouwtje met een platte rode muts. ‘In de winter knopen we tapijten, als je er een wilt hebben geef je een gil.’ Ze wenkte en Ernst kroop achter haar aan. ‘Ik ben Maasch, aangenaam kennis te maken. Kleuntje heeft je flabbers beloofd, hoor ik.’   ‘Lekker,’ zei Ernst die geen idee had wat flabbers zou kunnen zijn, hij had vertrouwen in zijn nieuwe vrienden.   Maasch riep naar een groepje kabouters: ‘Hebben we een bokkel?’ Ze wees op Ernst. ‘Die langnek wil flabbers, een normaal formaat nups lijkt te klein.’   Een lachend gepiep steeg op. Twee kabouters keerden een bak, iets kleiner dan de hand van Ernst, een lucht van wasmiddel en stijfsel steeg op uit het dampende wegstromende water. Met een doek poetste een dik kaboutertje met een blauwe jurk de binnenkant van de bak tot deze glom. ‘Flam!’ riep Maasch. ‘Hebben we voldoende?’   ‘Meer dan genoeg,’ zei het dikke kaboutertje. Ze stak haar duim op en een lange rij kabouters liep langs Ernst naar de bak. De kabouters hadden in elke hand een kan met dampende vloeistof. Deze kannen waren niet groter dan een vingerhoed maar voor de kabouters was het flink sjouwen geblazen. Ernst rook munt, kamille, lavendel en chocolade. Dit aroma kwam niet gemixt bij Ernst binnen, het leek alsof de afzonderlijke geuren als in een carrousel een-voor-een zijn neus bereikten, ronddolden en weer wegzweefden om plaats te maken voor de volgende.   De bak vulde zich tot de helft en Flam hief haar armen zei: ‘Genoeg, anders hebben we zelf niets.’ Ze wenkte Ernst. ‘Kijk uit met je lompe klauwen, je voorganger beukte dat ding omver.’   Hij pakte met duim en wijsvinger de bak (beter gezegd het bakje) en nipte aan de drank. Het smaakte zoals het rook en groenblauwe kleuren draaiden om hem heen, even zweefde hij boven een lagune in de tropen. Hij smakte zijn lippen en zei: ‘Wow.’   ‘“Wow”, zegt ie,’ Flam keek vriendelijk lachend rond. ‘Horen jullie dat? “Wow”.’   ‘Ik heb het gehoord, Flam,’ zei Kleuntje. ‘Je hebt jezelf overtroffen.’   Van alle kanten renden kabouters naar Ernst. Hun wapperende mutsen maakte van de ruimte een veelkleurig golvend mozaïek. Ze stopten Ernst vettige grijze brokjes toe. Een handvol van het spul kneedde Ernst tot een bolletje en nam een hap. ‘Wow,’ zei hij weer en hij likte het laatste restje vocht uit de bak. ‘Wow.’   Kleuntje keek trots naar zijn grote kameraad. ‘Blijf lekker zitten, Ernst,’ zei hij.   ‘Is hij verdrietig?’ vroeg Miesch.   ‘Zo heet die knul,’ antwoordde Kleuntje.   ‘Arm jong,’ zei Miesch. Ze klopte moederlijk op zijn enkel. ‘Neem het er goed van.’  Ernst keek rond, het schemerde. De donkerpaarse heide mixte door witte mist. Tijd om naar huis te gaan. Hij schoot de uitgedoofde sigaret weg en stond op.    Je had zo van die dagen waarbij alles op zijn plaats viel en van die plaatsen waarbij alles klopte.   Dit was zo’n dag en dit was zo’n plaats.

MCH
25 2

Machtssymboliek

Sommige beelden verdienen een degelijke analyse en vaker dan men het vermoedt, omringt een wezen zich met attributen die diepere aspiraties symboliseren. Zo staat de zandloper (ook bij piraten) symbool voor het in de macht hebben van de eindigheid van het leven. Dit object dient ter afschrikking en wordt met dit oogmerk bewust als eerste geplaatst. Een lege kandelaar betekent dan weer dat men meester is van de duisternis. Zit men temidden van twee lege kandelaars, dan wordt benadrukt dat men het obscure in balans probeert te houden. Een pot met kleurpotloden staat symbool voor het in de macht hebben van de regenboog, van de kindertijd. Twee gouden pennen, rechtopstaand, één links en één rechts, betekenen dat men de stabiliteit van overtuigingen beheerst, dat men een evenwichtige band heeft met hogere sferen. De ring wordt aan de middelvinger gedragen. Opnieuw evenwicht troef en ook de twee fabergé-eieren staan mooi in symmetrie. Ook hier weer één en al balans. Het leven en de heropstanding worden beheerst. Er is hierbij weloverwogen gekozen voor twee artefacten van Maison Fabergé uit Sint-Petersburg, met als doel een bezwering of provocatie. De betekenis van het pepermolentje, helemaal in het midden, is voorlopig nog onduidelijk. Het staat vermoedelijk in verband met die twee Russische eieren. Verdere studie zal hieraan gewijd worden.   bron : "Slavische symboliek in tijden van onrust", Ignace Somers, eindverhandeling aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, 1991.   uit de reeks 'Kleinood'

Bernd Vanderbilt
31 1