Lezen

Goed vasthouden

Het was een winderige weekenddag. Dat weet ik nog omdat ik het boekje uit de weekendkrant bij me had. Hierin legt een schrijver wekelijks de link tussen een foto uit de krant en een kunstwerk. Het boekje was die dag de oorzaak van wat er gebeurde, ook al geloofde de patron me niet. Het was trouwens winderig in de betekenis van veel wind. Als u het andere winderige in gedachten hebt, daar waar een geurtje aan zit, moet ik u teleurstellen. Maar we komen er toe. Ik had me aan een tafeltje onder de luifel gezet, vastberaden om het artikel over de foto en het kunstwerk te lezen. Bij de patron bestelde ik een glas gerstenat, dat even later netjes arriveerde. Het was een glas met een voetje. Een dergelijk glas is wankeler dan een glas zonder voet, zo bleek later. Mijn glas was nog vol en ik wisselde een woord met de man naast me. Ik had nog niet door dat de wind op het terras vrij spel had. Tot er plots een windvlaag onder de luifel sloeg. Het magazine van de krant vloog omhoog, recht tegen het glas dat zoals een duiker op een springplank met een salto van de tafel tuimelde. Het glas was gelukkig niet stuk. Wel leeg. De barman kwam op het geluid af en zag me het glas oprapen. “Mijn pint is gaan vliegen”, zei ik. “Nu heb ik al veel gehoord hier, maar dit slaat toch alles”, lachte hij. Mijn buurman gaf me evenwel gelijk en van de barman ontving ik een vers exemplaar. “Goed vasthouden”, zegt hij nu wel eens als hij een consumptie brengt. Niet veel later heb ik het artikel in het magazine nog gelezen. Waar het over ging, weet ik niet meer. Wel dat het die dag winderig was.  

Rudi Lavreysen
16 0

Niet zonder natte voeten

Om zeven uur zondagochtend rinkelt de wekker mij wakker. Op een normale werkdag zou ik nog minstens twee keer snoozen maar nu spring ik opgewekt uit bed. Ik ga met mijn vader naar de grote Noordelijke waterplas, die tijdens mijn jeugd mijn thuis was. Ik huppel van de trap, zet koffie en maak mij klaar. De weersvoorspellingen zien er goed uit maar als rasechte zeemeermin, weet ik dat die niet altijd betrouwbaar zijn. Ik vul mijn rugzak alsof ik op trektocht door de Zwitserse Alpen vertrek: een trui, een regenjas, een sjaal maar ook een zonnebril, een pet en een strandlaken prop ik erin. En niet te vergeten, een extra paar sokken, want al sinds ik pas kon lopen hou ik ervan om tikkertje te spelen met de golven. De trein richting kust zit goed vol. Een jongen met kort blond haar, ik schat hem een jaar of vijf, zingt luid en stampt wild met zijn voetjes op de grond. “Zijn we er bijna, mama?”Vanbinnen voel ik mij even vurig als die kleine jommekeskop, zo zag ik er vroeger ook uit trouwens. Als tweeëndertigjarige blijf ik op mijn stoel zitten. Ik wieg mijn voeten zachtjes heen en weer. De trein vertraagt, met piepende remmen houdt hij halt aan het perron van Diksmuide. Het wiegen van mijn voeten versnelt, nog drie stops. Zee in zicht. In het station van De Panne word ik opgepikt door mijn vader. We cruisen richting strand en halen herinneringen op.Over die keer dat we samen iets voor middernacht langs de waterlijn wandelden, naar elkaar keken met een blik van: “Als jij het doet, doe ik het ook” en vijf minuten later met vuurwerkknallen boven ons hoofd in het lauwe water zwommen met de sterren als enige toeschouwers.Over die keer dat ik als achtjarige per se nog een keer het sop in wou en hij snel achter mij aan liep, zijn bril vergat uit te doen en die verloor in het water. Liever zijn bril kwijt, dan mij.Over die keer dat we samen over het strand huppelden tijdens een zandstorm, en onze ogen pijn deden van het opwaaiende zand en dat we vervolgens de zandkorrels van tussen onze tanden wegspoelden met een warme chocolademelk.Over die keer dat ik als twaalfjarige met hem meezwom naar het diepe, met mijn reddingsboei naast mij kon mij niets overkomen. Vandaag zijn we hier enkel om te wandelen. Hoe graag ik het ook wil, mijn dialysekatheter verbiedt het mij om te zwemmen. Al twee en een half jaar heb ik het zoute zeewater niet meer geproefd, de speelsheid niet meer gevoeld. Maar voor mij geen zeebezoek zonder natte voeten. We trekken onze schoenen uit en lopen in de richting van de horizon het water in. Ik gil de koude uit mijn enkels. De schelpen prikken in de onderkant van mijn voeten, net zoals het leven. Op de tippen van mijn tenen trappel ik verder. Dat ben ik gewoon. Mijn innerlijke kind dwingt me om te flirten met de grenzen van het drooghouden van mijn broek, zoals ik als dialysepatiënt ook geregeld flirt met de grenzen van mijn energie. “Allé kom!” roept mijn vader plagerig. “Waar blijf je?” Hij lijkt te vergeten dat hij met zijn lange benen meer speling heeft dan ik. Vroeger wandelde ik ook steeds in lichte looppas naast hem. Hij heeft de gave om mij met weinig woorden over mijn grenzen heen te helpen. Ik ga naast hem staan en voel hoe de opgerolde randen van mijn broek nat worden. Hij ziet het. “Je bent het nog niet verleerd” zegt hij gniffelend.We nemen een selfie. De arm die hij nu om mij heen slaat doet evenveel deugd als die warme chocolademelk. We keren terug naar het strand, ik volg hem door mijn passen in zijn voetafdrukken op het natte zand te mikken. Het vraagt enige lenigheid. Ik laat me in het zand vallen en tuur naar de opspattende golven. Ooit zwemmen we hier weer samen. Hier komen we later mijn nieuwe nier dopen, dat heb ik mezelf beloofd. De zee maakt mij zacht vanbinnen. Ik denk aan mijn moeder, die er niet meer is. Met haar woonde ik hier. Ook zij hield van de zee. Wij hielden van de zee en vooral van natte voeten.Mijn vader zit naast mij. Samen kijken we naar het eb, die de herinneringen die we vandaag hebben gemaakt, mee-ebt naar het diepe. Het water mengt ze met alle voorgaande. De zee is de lijm die voor mij alle bijzondere momenten goed samenhoudt.Een zwerm meeuwen landt op het woelige water, ze dobberen langzaam verder, op en neer, vooruit en achteruit maar steeds in de juiste richting. Net zoals ik.

Irina Schrijft
23 2

SSS Dertig

(Gedanken sind frei, aber hüte dich vor der Gedankenpolizei) Verbijsterd staarde Anouk naar het papier dat ze van tafel had gepakt. Het had naast Peter’s hoofd gelegen, onder het pistool waar zijn hand op rustte. Politiemensen in witte pakken pakten behoedzaam alles op en in. De afgelopen weken was Peter er steeds vaster van overtuigd geraakt dat er achter de werkelijkheid een complex complot school. Meerdere malen had hij erop gezinspeeld dat hij de bewijzen daarvoor in handen had. En dat hij die binnenkort wereldkundig zou maken. “Anno 2021 is Brave New World een feit”, las ze. “Kijk één avondje televisie en zie hoe de kasten worden geconditioneerd. Het begint bij de reclame. Eerst de middelste kasten, de beta’s en de gamma’s. Het vrolijke Vinexgezinnetje, helemaal correct. Hij gekleurd, zij blond, de kleine meid beige met krulletjes. Ikea-interieur. Wat smeren ze ons aan?  Fritessaus, pakt hij heel geëmancipeerd uit het keukenkastje.Volgende. Stampvolle kroeg of feestje?  Allemaal ideale consumenten, schreeuwend en bewegend, maar niks zweten, kijk die gozers de dames eens imponeren, geen gezeur over okselmeur. Moslims of macho’s? En allemaal een baardje, onbehaard is blijkbaar het nieuwe impotent.Ha, daar is de oetlul van de supermarkt. AH, Jumbo, ze zijn allemaal hetzelfde, dikkig, dommig, kalig. Speciaal bedoeld voor de onderklasse, dat zie je ook aan die vale blauwe en oranje kleurtjes. En de shoppende mammies maar lachen terwijl ze die zoete en vette zooi inslaan. Voor de kinderen, blijven die ook lekker onderklasse.” “Wat nu? Die gluipkop van Rutte in de reclame? Oh, nee, dit noemen ze nieuws. Tijd voor de adoratie van de alfa-kaste. Kijk ze eens hard werken, weer een persconferentie, die Rutte en De Jonge persen wat af, heel Nederland wordt afgeperst. En een verhaaltje over Covid vieren op Zandvoort, kan die prinselijke vastgoedmafioos met dat rouwmontuur dat niet vertellen, tenslotte is het zijn Scalextricbaan.Kijk, daar is zijn neef ook, even met het vrouwtje naar Nederland gevlogen om wat lintjes op te spelden, vliegt gelijk terug naar Griekenland, gaat natuurlijk bosbranden helpen blussen, of misschien geen tijd, druk-druk-druk met het leiden van het volk, het lijden van het volk zal’m worst wezen, de wereld gaat toch wel naar de kloten, maar zij hebben tenminste een leuke tijd gehad. Wat moet dat…” Een kleurloos ogende man pakte het papier uit haar handen. “Dit moet ik meenemen”, zei hij. “We houden de online schrijversfora in  de gaten, maar dit was toch onverwacht. Misschien moeten we er een afrekening in het revolutionaire milieu van maken Of anders zelfmoord, dat is nog even een dingetje. Ik denk dat het een nulachthonderdeeneendrie-bericht wordt.” Anouk keek hem niet-begrijpend aan. “Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst” zei hij. “Mijn naam doet niet ter zake, is toch een alias. Standaard surveillance-operatie.  Dit document” hij hield het papier omhoog ”heeft een State Security Status van dertig jaar. Wordt dus in 2051 vrijgegeven. Dan leest sowieso niemand meer.”  

bobcom
21 0

De weg van het vlees

De weg van het vlees Alleen de slager, Jean Devilder was getuige van de ontmoeting tussen Lob en Aagje op het dorpsplein. Het was erg vroeg op een zondag. De klanten van zijn slagerij vonden die ontmoeting toeval. Jean geloofde daar niet in; hij was ervan overtuigd dat elk levend wezen ooit een ander levend wezen zou ontmoeten dat bij hem paste. Twee mensen of dieren die elkaar tegenkwamen en besloten om samen verder te gaan: dat was beslist geen onvoorzien voorval. Jean zag het gebeuren. De hond, een buldog, was op het pleintje beland nadat zot Marieke was gestorven. Lob was nog een puppy toen Marieke hem in huis nam. Hij groeide op en werd een prima waakhond. Dat had de postbode met zijn broekspijp aan flarden hem zuur verteld. In zijn jonge jaren - toen het vreemde Marieke nog leefde - heette hij Lobje. Zo wist Marieke te vertellen toen ze de eerste keer bij Jean binnen kwam en een stuk vlees voor de hond kocht. Voor zichzelf hoefde ze nooit wat. Jean vroeg zich af of ze van knollen en bieten leefde. Met het opgroeien viel het verkleinwoord weg, eerst werd het ‘Lobbes’, en daarna ‘Lob’. Maar nu was zot Marieke een week geleden gestorven. De dikke doktersvrouw, die meer met dieren inzat dan met mensen, vertelde in de slagerij hoe ze de hond onder een struik bij Mariekes huis had zien liggen. Hoe hij lag te janken. De klanten haalden hun schouders op. De vrouw had hem proberen te lokken, maar hij legde het hoofd op de poten en verroerde geen poot. Voor het stulpje van Marieke was een zwarte wagen voorgereden, enkele mensen droegen het vrouwtje in een eenvoudige kist naar buiten. Kort nadien stuurde de gemeente een bulldozer en werd het krotje van Marieke met de grond gelijkgemaakt. Lob was wanhopig naar het dorpspleintje gelopen, had zich gelaten onder de linde gelegd. Jean vond een buldog een vreemde keuze voor een oud vrouwtje. Een hond die niet vooraan stond bij het uitdelen van de schoonheid, maar wel in de rij van de betrouwbaarheid. Hij glimlachte toen hij begreep dat dit het was wat de twee, het vreemde Marieke en de goedaardige lobbes, aan elkaar bond. En ineens was er dat pienter poesje. Op een dag kwam ze aangewaaid. Jean was voor de derde keer die dag het geld in de kassa aan het tellen toen hij door de openstaande winkeldeur het aanzwellend gebrom van een motor hoorde. Hij keek op en met een luid geraas denderde de motorrijder het pleintje rond, terwijl er in een bocht een zwart bolletje door de lucht zeilde. Dat was Aagje. Jean liep naar achter. ‘Ik heb zojuist een vliegende kat gezien.’‘Je moet eens wat vroeger gaan slapen,’ zei zijn vrouw. Ze was nog klein, de poes, een maand of twee hooguit. Ze vloog uit een boodschappenmand die zich in het zijspan van een motor bevond. In die snelle bocht van het dorpsplein was ze er uit gekatapulteerd, zonder dat de motorrijder merkte van de lancering van het harige projectiel. Ze viel pal onder de hond neer, klauwde met haar pootjes in het ijle, bleef dan versuft liggen. Na enkele minuten keek ze naar boven, schrok hevig en wipte als een veertje op waardoor ze voor de tweede keer tegen zijn kaak vloog. Jean moest glimlachen toen hij zag hoe Lob mistroostig om zoveel kabaal zijn kop schudde. Tot zijn vrolijke verbazing gaf de hond haar een paar ruwe likken. Deze keer bleef ze rustig in zijn schaduw nieuwsgierig rondkijken.Op dat moment besloot de slager om het katje ‘Aagje’ te noemen.Van die dag af trokken die twee samen op. Lob was de neus, Aagje was oren en ogen.De slager zag het angstige en nerveuze poesje opgroeien tot een rustige en zelfverzekerde kat. Haar alertheid en Lobs scherpe reukzin behoedden hen voor allerlei gevaren, of voorzag hen van eten. Het was op zijn minst een vruchtbare symbiose tussen Aagje en Lob, en op zijn best was het een vrolijke, maar diepe vriendschap. Zo leerde de slager hen kennen, als een onafscheidelijk stel, die leefden als kat en hond. De behulpzame, onhandige Lob, en het slaperige alerte Aagje. Op een dag zat Jean op zijn knieën de vitrine van de koeltoog te reinigen, de winkeldeur stond open, het warme meizonnetje kwam net zoals het geld weldadig binnen, en zijn vrekkige moeder had enkele weken geleden haar laatste adem uitgeblazen. Wat kon er nog verkeerd gaan?Toen hij puffend met het zeemvel in zijn knuist weer rechtkwam zag hij Aagje op de drempel staan. Met haar kopje een tikje schuin monsterde ze hem. De slager moedigde haar glimlachend aan, gaf een vriendelijk knikje, en knipoogde eens. Tot zijn verbazing knipoogde die zwarte deugniet terug.Jean liep binnen en grabbelde in zijn toog, nam er een schijfje kalfsworst uit. Hij hield het in de lucht en zwaaide er mee, boog door zijn knieën, en stak het in de richting van de aarzelende poes.Maar Aagje kende haar wereld, en bleef lief op de drempel staan kijken. Beetje bij beetje kwam hij dichterbij, en legde het stukje kalfsworst behoedzaam op de drempel. Toen bleef hij toekijken. De poes bewoog niet. Hij keek haar een tijdje peinzend aan.‘Wel poes, lust je het niet?’Maar Aagje bleef hem vragend aankijken. De slager zuchtte, ging terug naar de koeltoog en nam een ander stukje vlees.Toen hij zich weer omdraaide was de poes mét het stukje vlees verdwenen.Een beetje verder zaten kat en hond broederlijk het stukje kalfsworst op te eten. Jean schudde het hoofd en klopte zijn zeemvel uit.De hond verzwolg zijn stukje in één hap, en keek weer droevig in zijn richting.Dit had hij nooit meegemaakt. Jean krabde eens in zijn spaarzame haren. Hij hield het hoofd schuin, en floot tussen het spleetje van zijn tanden.Wanneer hij de volgende dag luid zingend zijn etalage stond te poetsen, was die zwarte belhamel daar opnieuw. Ze hield het hoofd schuin, toen hij glimlachend knipoogde beantwoordde ze dat met een trage knipoog.Grijnzend nam hij een mooi stuk worst tevoorschijn, en hij probeerde opnieuw Aagje dichterbij te lokken, weer bleef ze beleefd op de drempel wachten en hield het hoofd halsstarrig scheef.‘Wel, wel,’ grinnikte hij, ‘jij bent een speciale poes!’ Hij wist wat hem te doen stond. Hij wandelde naar de deur, legde het stuk worst op de drempel. Net zoals de dag daarvoor wachtte de poes. Hij dus ook. Hij wachtte een kwartier, maar de poes bewoog niet, ze knipperde niet eens met haar ogen. Toen kreeg hij een idee. Hij wandelde naar zijn koeltoog zeggend dat hij een ander stukje vlees ging halen, en toen hij de helft van de afstand afgelegd had draaide hij zich schielijk om. De poes had niet eens bewogen, en het leek wel of ze hem uitlachte. Een eindje verder lag de hond met de kop op de poten. Grinnikte die ook niet? Toen hij zich omdraaide om zijn vrouw als getuige te roepen en zich weer omkeerde was de kat verdwenen. Hij ging naar de deuropening. Daar zaten beide dieren enkele passen verder samen het stuk worst op te smullen. Het leek wel of er op dat onmogelijk trieste gelaat van die buldog een grijns verscheen. De dag daarop zat de hond wat dichter als was het om hem uit te dagen, maar de poes bleef netjes op de drempel, en hield zich aan hetzelfde scenario.Zo bleef de slager die hele zomer de sluwste trucjes uitvinden om de poes te betrappen op het moment dat ze het stukje vlees in haar bek nam. Het was toverij, bedacht de slager. Hij bleef, ondanks het succes van beide dieren, toch argwanend. Het was en bleef tenslotte een zwarte kat. Die brachten ongeluk. Jean vertelde zijn wedervaren aan ieder die het horen wilde, de mensen werden nieuwsgierig en nooit tevoren draaide zijn zaak zo goed als die zomer. Sommige klanten bleven tot een halfuur na sluitingstijd toekijken of die kat niet stiekem zou toeslaan. Niemand slaagde erin om haar op heterdaad te betrappen. Iemand beweerde dat de oude Frans, die aan de overzijde van het pleintje woonde, het een keer had gezien, maar die lag de helft van de tijd stomdronken op de sofa voor zijn raam te snurken dus dat geloofde niemand. Aagje en Lob werden in de omgeving bekend als het meest succesvolle paar bedelaars en niemand van de drie personages, de kat, de hond noch de slager, voelde zich genoodzaakt om enige verandering in hun ritueel te brengen. Op een donderdagochtend in september slofte de slager naar zijn brievenbus. Hij opende die met een lichte glimlach die wegtrok toen hij de bekende bruine belastingomslag ontdekte met daarop zijn naam ‘Jean Devilder’, en de inhoud ervan begon te lezen. Eerst keek hij bedenkelijk, toen trok hij wit weg, en liep tenslotte paars aan. Zwaaiend met die bruine omslag liep hij met grote passen vloekend naar achter.Een half uur later werden zowel de buurt als de klanten in de winkel opgeschrikt door een ijselijk gebrul, toen een kletterend geluid, zoals een mes zou klinken dat op een stenen vloer valt, en meteen daarop kwam Jean vloekend en met grote passen naar buiten gelopen, zijn hand onder het bloed. Toen hij de open monden van de verbaasde klanten merkte klapte de zijne dicht. Zo keken ze elkaar enige seconden aan, toen riep hij: ‘Ik heb me gesneden!’De slagersvrouw toverde een dappere glimlach tevoorschijn en sleurde Jean naar achter om de hand te verbinden. De klanten keken elkaar met opgetrokken wenkbrauwen aan wanneer ze zijn gejammer hoorden.De derde resem vloeken kwam later op de dag, een uurtje voor sluitingstijd, toen zijn lieve vrouw hem voorzichtig op de hoogte bracht van de komst en erger: het nakende verblijf van zijn schoonmoeder. Die tang zou hem minachtend monsteren als een te vet achterkwartier. Net als die dag toen hij met haar dochter trouwde. Hij was nooit een goede partij geweest, hij had niet het vereiste diploma, was van arme komaf. Ze was bovendien vegetariër.En juist op het moment dat hij met de hakbijl in zijn handen woedend naar buiten keek om te zien of dat kadaver van een schoonma nog niet de straat in kwam waggelen, merkte hij de zwarte kat op de drempel. Die zat hem lieftallig te bekijken en wierp hem een knipoogje. Hij wierp wat terug: met een zwaai vloog de zware hakbijl door de lucht.‘Jij bent de oorzaak van al die tegenslag, jij vuile zwarte kat, jij ongeluksbrenger!’ De bijl zoefde door de lucht en miste op een haar na de kat die recht veerde, een halve meter de lucht insprong, en naar buiten spurtte, recht de straat over, ze zag niet eens de zware truck aankomen, remmen piepten, iemand gilde en met een klap belandde Aagje in de goot.Ze klauwde enkele seconden hulpeloos met de pootjes in het ijle, en toen bleven die stil. Lob had dit tafereel met stijgende verontrusting gadegeslagen. Toen Aagje voor dood bleef liggen, en in haar ogen een heel dorp wegstierf, krabbelde hij jankend recht en viel met ontblote tanden, een grauw en een grom de slager aan. Jean deinsde achteruit de winkel in, wou de deur nog dichtgooien maar hij was te laat.Hij gleed uit over iets glibberigs en sloeg met zijn hoofd op de marmeren toogbank en Lob stortte met een kletterend lawaai over hem heen in de vitrine van de koeltoog, glas zweefde naar alle kanten, Jean hoorde zijn vrouw gillen, er was een kluwen en een gehijg rond hem, toen was er niets meer. Overal droop bloed. Er vielen nog enkele glasscherven en toen werd het doodstil in de winkel. De slagersvrouw gilde, het hoofd van haar man lag in een vreemde hoek opzij, en keek in de richting van de deur. In de keel van Lob stak een messcherp stuk glas, en donker vocht gulpte uit de slagader. Uit de huizen kwamen vrouwen naar buiten. De chauffeur van de truck stapte uit zijn cabine. Een buurman begon met zijn mobieltje te telefoneren. De truckchauffeur wees naar Aagje. Iemand riep iets over die dekselse kat. Andere mensen wierpen boze blikken in de richting van de hond wiens huid nog rilde. Lob zuchtte nog één keer en bleef stil liggen.Een ambulance kwam met zwaailichten aangestoven. Er werd gemompeld en gewezen.De twee witte uniformen liepen met de slager op de berrie naar de wagen. Aan de achterzijde ervan wisselden ze een blik en sloten de deuren. Als een gillende kat vloog de ambulance weer richting stad.  

simondupee
14 0

Uit het leven gegrepen

'U hebt vijf minuten, echt niet langer.' De norse verpleegster in haar witte schort en sneakers beent de kamer uit en laat ons alleen. Ik staar naar de man in het hoge ziekenhuisbed. Alles is hier wit en schoon, alsof er geen zonde is, geen pijn, geen verdriet. Wat is hij mager geworden. Het doet me ongelooflijk veel pijn hem zo te zien. Er ligt een vage glimlach om zijn mond, die ik me nog zo goed herinner van vroeger. Soms opent hij even zijn ogen, om ze dan snel weer dicht te doen. Het is die lach, die geheimzinnige blik in zijn ogen – de lip een beetje opgetrokken, de wenkbrauwen iets de lucht in – die hem nog steeds zo aantrekkelijk maakt. Maar niet meer zo als vroeger. Er steken gele, verbrokkelde tanden uit zijn mond. Zijn gebruinde huid lijkt wel leer, het hangt in rimpels op zijn sterk verouderde gezicht. Hij is pas vijftig jaar oud, maar heeft zichzelf compleet verwaarloosd. Hij opent weer zijn ogen en kijkt me aan. Heel even maar. De mond vertrekt tot een rechte streep. Zijn handen met de onverzorgde nagels ballen zich op het witte laken tot vuisten. Er trekt een rimpel in zijn voorhoofd. Is het verkeerd geweest om hier te komen? Had ik er beter aan gedaan om het verleden te laten rusten? Ik was achttien, hij drieëntwintig. Veel te jong, volgens mijn ouders. Oud genoeg om mijn eigen beslissingen te nemen, volgens mij. Hij trakteerde me op een ijsje, bij het buffet in het zwembad waar we elkaar voor het eerst ontmoetten. Het was liefde op het eerste gezicht. Halsoverkop zijn we verloofd. De bruiloft was bescheiden, onze eerste woning veel te klein. We hadden geen geld, maar we waren gelukkig. We dansten door het leven, jong, onbezonnen. Een baantje hier, een klusje daar. En toen de verhuurder ons de huur opzegde, volgde de wereldreis in onze oude camper. De handen op het laken ontspannen zich weer. De grote blauwe ogen staren me even aan. Er drupt een traan op het beddengoed. Hij wilde kinderen, veel kinderen, een schoolklas vol als het even zou kunnen. We lachten er samen om. Ik had nog niet nagedacht over kinderen krijgen, maar vond het wel best. Samen met hem kon ik de hele wereld aan! We stonden met de camper in Frankrijk toen ik voor het eerst wist dat ik zwanger was. Wat waren we gelukkig! We praatten over de toekomst, iets wat we tot dan toe bijna nooit deden. We leefden bij de dag. We zochten een dokter op die ook wat anders sprak dan Frans. Met een eerste foto van de kleine hummel op zak – waar we eigenlijk niks op zagen – reisden we door naar Italië. Daar vonden we beiden een baantje als schoonmakers in een groot warenhuis. Mijn buik groeide langzaam, ik voelde me geweldig. Toen gebeurde het. 'S nachts werd ik wakker met vreselijke buikkramp. Van ons weinige geld liet hij een taxi komen die ons naar het ziekenhuis bracht. En daar werd ons eerste jongetje geboren om even later te sterven. Veel te klein en veel te vroeg. Hij wilde er niet over praten. Zo snel mogelijk moest er een nieuw kind komen om de eerste te vergeten. Maar steeds ging het mis. Meestal na drie maanden, één keer pas na zes en een halve maand. We gingen terug naar Nederland. Mijn ouders vroegen of er nog geen kinderen kwamen en we maakten flauwe grapjes dat we geen tijd hadden. Hij had geen contact met z'n ouders, al lang niet meer. Ik voelde me kapot. Mijn lijf was doodmoe van alle zwangerschappen, mijn hart lag in rafels. Hij zei niets, wilde er niet over praten. Tot de dag dat we 12 jaar getrouwd waren. Voor mij volkomen onverwacht deelde hij me mee dat hij weg ging. Hij kon niet langer leven met een vrouw die geen kind levend op de wereld kon zetten. Vijftien jaar geleden. Het leven ging verder, maar vergeten ben ik hem nooit. Gisteren werd ik gebeld dat hij in het ziekenhuis lag te sterven. Helemaal alleen. Vijftig jaar oud en helemaal kapot. Drugs en drank. Ze konden geen ander adres vinden, dan dat van mij, zijn ex-vrouw. Midden op de straat was hij in elkaar gezakt en meegenomen door een ambulance. Of ik misschien even langs kon komen? Of ik afscheid wilde nemen, of ik wist of hij verder nog familie had? Of kinderen misschien? De verpleegster steekt haar hoofd om de hoek van de deur. 'Nog één minuut,' commandeert ze en beent weer weg. Hij opent zijn ogen en probeert te spreken. Zijn lippen vormen woorden, maar er komt geen geluid uit zijn mond. Er rolt nog een traan over zijn bruingebrande wang. Ik veeg hem weg met mijn pink. We hebben nooit echt gepraat en nu kan het niet meer, nooit meer. 'Het ga je goed,' fluister ik met een verstikte stem, 'ik vergeef je'. De vijf minuten zijn voorbij, ik ga de kamer uit. De ongeduldige zuster brengt me naar een kantoor. Andere witte mensen stellen me vragen over hem die ik niet kan beantwoorden. Voor deze vijf minuten hebben we vijftien jaar lang geen contact gehad. Dan stap ik weer naar buiten in een wereld vol kleur. Ik zuig mijn longen vol met zuurstof en loop naar de overkant van het ziekenhuis. De zon schijnt, de vogels fluiten. Er groeien madeliefjes en paardenbloemen in het gras van het parkje. Ik slik mijn verdriet weg en alle herinneringen. En als ik haar lieve stem hoor, lach ik, alsof er niets is gebeurd. “Hoi mama! Was het leuk? Papa zei dat ik een ijsje krijg als je er weer bent! Wil jij er ook één?”

Janneke71
0 0

Alles komt altijd goed

Be careful what you wish for. Nochtans ben ik niet het type persoon dat zulke clichés apprecieert. Ik sla de bladzijde van de krant om. Mijn man, daarentegen, houdt wel van bijzondere woordspelingen. Het liefst op van die lelijke, blauwe tegeltjes. Daar zullen de zeven extra lentes voor iets tussen zitten.     ‘Nog koffie, schat?’ onderbreekt Paul mijn gedachten. Ik schuif mijn kop richting de koffiekan. Ik kan de subtiele trilling waarmee hij de tassen nog eens volgiet niet negeren.       ‘Dankjewel, lieverd,’ zeg ik. ‘De koffie smaakt heerlijk.’ Als je ons op dit moment zou zien zitten – de beverige handen van mijn man en de niet afgewerkte keuken buiten beschouwing gelaten – zou je denken dat we het perfecte koppel zijn. Schijn bedriegt. Nog eentje voor op een tegel. De laatste weken lijkt er geen einde te komen aan ons gekibbel. Over geld voornamelijk. Daar brengen de vijf minuten van gisterenavond ongetwijfeld verandering in.   We staan op het punt om samen te vertrekken. Een onmogelijke karwij. Zo eentje waarvan je op voorhand weet dat het een verloren zaak is. Ik heb me wel eens afgevraagd of dat genetisch bepaald is, te laat komen. Hoewel ik daar vroeger – voordat ik Paul leerde kennen – geen last van had. Besmettelijk dus.       ‘Weet je waar mijn autosleutels zijn?’ roept hij. Mijn zucht vormt een rookwolk. Ik antwoord al lang niet meer. Ik trek mijn capuchon wat strakker en loop naar de wagen. Je voelt je lekkerder in een Peugeot. De anders zo grappige sticker op de achterruit zorgt nu voor een wrange smaak in mijn mond. Ik trek aan de deurklink van de passagierskant in de hoop dat de verlossende tsjoeptsjoep van de sleutel met afstandsbediening het portier opent, maar bij zo’n oude Peugeot 205 is dat ijdele hoop.       ‘Nog even de post uithalen.’ Een tweede zucht spreidt een rookpluim de ijskoude lucht in. Geen vredesgebaar. Paul opent de witte autodeuren in stilte. Stilte is niet zijn moedertaal. Hij laat de motor ronken en vertrekt. De banden gieren. Duidelijk niet genoeg lawaai, want hij steekt van wal.       ‘Jozefien, hoe gaan we dit in Godsnaam betaald krijgen?’ Er belandt een stapeltje op mijn schoot. Bij het zien van de enveloppes met venster breekt het zweet me uit. Alsof ze je met dat gevoel van doorzichtigheid willen waarschuwen voor wat komen gaat.       ‘Al die facturen!’ tiert Paul.       ‘Kunnen we het daar later over hebben?’ bedaar ik hem. ‘Ik bereid me liever voor op onze belangrijke afspraak vanavond.’       ‘Jo!’ Zo noemt hij me alleen als het menens is.       ‘Hoe kun je daar zelfs nog aan denken? We krijgen de facturen van ons huis niet eens betaald. Laat staan dat we…’ Hij staakt het vuren. De tranen staan in mijn ogen. Als er iets is waar mijn man niet tegen kan, zijn het tranen. Om het met een tegeltje te zeggen. In een huwelijk mag men kijven, maar de liefde moet blijven.       ‘Jo,’ zegt hij iets zachter. ‘We zullen het er toch een keer over moeten hebben.’ Ik zwijg. Paul zet de radio op. ‘Don’t stop believing,’ schalt door de boxen. Zonder aarzelen, zap ik. Ik geloof al lang niet meer. Mijn geloof is meermaals op de proef gesteld. De eerste keer zo’n 30 jaar geleden. Toen ik erachter kwam dat Sinterklaas niet echt bestond. De laatste keer, toen we na drie jaar oefenen – zo noemen ze dat dan – de diagnose kregen dat we geen kinderen zouden kunnen krijgen. Op een avond schotelde ik Paul adoptie voor. Het moet tussen het voor- en hoofdgerecht geweest zijn. Hij was zo lief geweest om een verrassingsetentje te bereiden. Om mijn zinnen te verzetten. Ik denk dat ik op dat eigenste moment zijn zin verzette. Maar, hij had ingestemd en dus rijden we nu naar het adoptiebureau. Ik werp een steelse blik op Paul langs mij. Het is intussen donker, maar de straatverlichting toont met regelmatige flikkering zijn strakke gelaat.       ‘Paul, ik begrijp… een kind adopteren is niet niks. De stapels rekeningen maken het er niet gemakkelijker op. Maar dit is wat ik wil. Wat wij graag willen,’ vul ik aan. Dit keer is het zijn beurt om te zwijgen.       ‘Als we nou een keer de Lotto zouden winnen, dan…’       ‘Daarvoor moet je natuurlijk eerst meespelen,’ forceert hij een glimlachje. Op dat moment schokt de auto. We vliegen een meter de lucht in. Zo voelt het althans. De auto tolt naar de zijkant van de weg.       ‘Wat was dat?’ breng ik verschrikt uit.       ‘Owee, als dat een wild dier is. Mijn oldtimer!’ jammert Paul. Hij stapt uit en ik verwacht me aan een tirade. In plaats daarvan blijft het oorverdovend stil. Tot plots een angstig gesis.       ‘Jozefien, kom snel, het is een fietser.’ Mijn hart staat even stil. Zo’n moment waarop je lichaam twijfelt of het moet verstijven of vluchten. Ik schiet in actie en stap de auto uit. Paul zit geknield langs het bewegingsloze lichaam.       ‘Oh, God, is hij… wat moeten we doen?’ stamel ik. Voor deze benarde situatie bestaat ongetwijfeld een gepast tegeltje, maar ik kom er nu niet op. Mijn gedachten schieten alle kanten op.       ‘Bel de ambulance,’ sist hij weer. Ik besef dat ik in al mijn haast mijn handtas vergeten ben. Mijn oog valt op de fiets met fietstas. Ik loop ernaar toe in de hoop dat ik een gsm zal vinden.       ‘Paul,’ fluister ik. ‘Kom eens. Je gelooft je ogen niet.’       ‘Bel die ambulance nu, Jo,’ kaatst hij terug. ‘Hij ziet er echt niet goed uit.       ‘Paul, hier komen, nu!’ zeg ik fel. Hij maakt zich los van het lichaam.       ‘Wat heb je daar?’ stokt zijn adem. ‘Dit is… snel… pak die tas… de auto in!’ Zonder aarzelen, doe ik wat hij zegt en we vervolgen onze weg.   Ik slurp van de koffie en vouw de krant dicht. Op de voorpagina lees ik de vetgedrukte kop opnieuw: Dader plofkraak dood teruggevonden. Van buit ontbreekt elk spoor. Ik knipper met mijn ogen en kijk richting Paul. Sometimes they come true.

Dorien Van Den Broek
5 0