Lezen

Ma chanson préférée

Zal ik dit weerzien aankunnen? Resoluut stap ik het druk bezette terras op.  Wij zijn zoveel ouder en hebben niet afgesproken waaraan we elkaar kunnen herkennen. Discreet loop ik voorbij de tafeltjes. Iemand streelt mij in de nek. “Ludwig?”“Mady!”Lichtgrijsblauwe ogen kijken dwars door mij heen.“De enige man op de wereld met zulke groene ogen. Hoe dikwijls ben ik daar in verdronken?”Wij omhelzen elkaar. Fijne naaldhakken maken haar bijna zo groot als ik.Zodra wij  een drankje besteld hebben,  vraagt ze:  “Vertel, wat spook jij uit tegenwoordig?”“Je weet dat ik altijd goed was in talen. Ik werk als tolk voor de Europese Gemeenschap.”Ze glimlacht meewarig,  gaat er verder niet  op in en steekt van wal over haar topjob in de hotelbusiness.Waar is de stralende lach van mijn Mady,  die in de plenzende regen rode kruisstickers verkocht? Zij aan de ene, ik aan de andere kant van de verkeerslichten. “Ach, Ludwigje, ik die vliegangst had, nu ken ik de luchthavens van Tokio, Dubai en Parijs als mijn broekzak. Niet dat ik graag broeken draag, maar in het Waldorf Astoria van New York zwaai ík wel de plak.”Ik wil weten of ze een aardige man leerde kennen, of ze kinderen heeft, hoe die heten? Woont ze in een gezellige buurt, sport ze nog, weet  ze welke films we samen zagen?Niets van dat, wel alles over haar geliefde sterrenrestaurants,  toplounges en luxe boetieks, die ze, ‘thank god’,  nog heeft kunnen bezoeken in de korte tijd dat ze hier verbleef.Ze vraagt niet hoe het mij vergaat, maar stelt vast dat ik in blakende gezondheid verkeer en zonder twijfel  elke dag mijn lijntjes trek in het stedelijk zwembad,  tenzij ik mijn eigen ‘private pool’ bezit?Ik voel mij warempel opgelucht wanneer ze gehaast opstapt, haar vliegtuig vertrekt straks.“Bye, green eyes. Pas goed op jezelf.”“Daaaag.”Flarden van het oude deuntje van Isabelle Aubret schieten mij door het hoofd.  Het werd mijn lijflied nadat ik vijftien jaar geleden afscheid nam van  Mady. “Un premier amour ne s’oublie jamais … leur premier amour était si fort“.  Aubret won er in 1962 het Eurovisiesongfestival mee. In de opgelegde luttele minuten verhaalde ze het allemaal:  waar ben jij gebleven, wat heb jij met je leven gedaan zonder mij?Nu ik eindelijk het antwoord ken, is de tijd rijp om een andere ‘hymne à l’amour’ uit te kiezen, excuse-moi, Isabelle.  

Vic de Bourg
31 1

Eindstreep

Ik zoek je opgeslagen nummer in het telefoontoestel. Als kind kende ik je vorig telefoonnummer uit mijn hoofd. Het begon met het zonenummer '057'. Nu kent niemand nog een telefoonnummer. Vooral niet als dat nummer begint met de letter P. Van 'Pepe'. Ik druk de knop in en de lijn gaat over. Met de hoorn tussen mijn oor en schouder geklemd begin ik de vaatwas leeg te maken. Ik weet dat het vier grote borden, drie dessertbordjes, zes glazen en drie koppen duurt voor ik de hoorn van kant moet veranderen. Het toestel glijdt dan tussen mijn schouder en oor naar beneden. Ik klem de hoorn aan de andere kant vast en begin aan de besteklade. Nog acht messen en tien vorken te gaan en de beltoon zal overgaan in je stem. Gebogen over de vaatwas beeld ik me in hoe jij nu ook gebogen over de bovenste rij bloemen in het plantenrek staat. Aan je onderlip bungelt het peukje van je gerolde sigaret. Voor zover ik het me kan herinneren hangt het er al mijn hele leven. En dreigt het peukje telkens tussen de bloemen te vallen wanneer je met me praat. De bloemen bloeien in volle glorie en zijn ontdaan van elk blad dat is afgestorven. De onderste rij is uitgedroogd. Want daar kan je niet meer aan. Je rug doet pijn en je schouders hangen af onder het gewicht van je lang leven. Een wandelstok houdt je nog recht en geeft je steun daar waar je het nodig hebt. Lang weigerde je de stok te gebruiken. Steun had je niet nodig. Je had brede schouders en wie je nodig had kon op je rekenen. Vandaar dat je schouders zo afhangen. Er werd veel op gesteund. Na twee messen begin ik me wat zorgen te maken. Zal je het kastje waarop je telefoon staat bereiken voor ik alle bestek heb overgeladen van de vaatwasmachine naar de besteklade? Of staar je de telefoon aan vanuit je zetel terwijl je je druk maakt over het feit dat je er niet uit kan. Wat als ik alle bestek heb overgeladen en je neemt niet op. Is dat dan een slecht teken? Of eerder je slecht gehoor dat niet eens merkt dat de telefoon rinkelt. Na de laatste vork houdt de toon in de hoorn op. Ik schrik. Doordat Michel Wuyts me met een uitbundig enthousiasme aanspreekt en me op de hoogte brengt van wie op kop rijdt. Wanneer hij even zwijgt om adem te halen hoor ik jouw zware ademhaling in de hoorn. 'Hallo'. 'Ach, dag zus'. Het verbaast me dat je me hoort terwijl op de achtergrond het peloton voorbijraast. Ik zet me op de keukenstoel naast de lege vaatwasmachine en probeer Michel zijn stem te overtreffen. 'Hoe gaat het?', vraag ik je. 'Ja, het is slecht weer', antwoord je. 'Maar het zal veranderen. De wind zal draaien en de barometer voorspelt beter.' Ik vraag of je nog alles in huis hebt en of je naar de koers kijkt. Een vraag die al werd beantwoord nog voor ik je stem hoorde. Toch vraag ik het je telkens opnieuw. Het is mijn barometer om te weten hoe het met je gaat. Of je nog weet wanneer er koers is. Want toen je de radio niet meer aanzette voor het nieuws verloor je weer wat meer greep op de wereld. De koers houdt je er nog even bij. En is de moeite waard om nog eens uit je zetel te klauteren. Met je stok in de rechter hand en de linker steunend op de stoelen richting de televisie te stappen. Zodat je van dichtbij de koplopers in het oog kan houden. Met je oor tegen de luidspreker aan maak je een pronostiek op. Net voor de eindstreep zet je de tv uit. Wat komt is voor jou niet meer van belang. Van wat was heb je genoten. Vanop de keukenstoel haal ik diep adem om me de longen uit het lijf te roepen en je zo nog wat te vertellen. Maar je haakt in. Midden in mijn zin. Zoals altijd te vroeg. Waarschijnlijk werd je aandacht getrokken door Michel die de laatste meters aankondigt. Of voelde je het in je benen dat je te lang had rechtgestaan. Misschien was het genoeg geweest. En vond je het al veel te lang duren. Wou je de tijd niet rekken en was de enige manier om afscheid te nemen inhaken. Sinds vorige week belde ik iedere dag het nummer dat begint met de letter 'P'. Ik wou weten of je naar de Giro keek. Maar je nam niet op. Je haakte in.

ZINinZICHT.
0 1

De makelaar en het pronkstuk

“Eindelijk bent u daar. Kom binnen. Dit moet snel beklonken zijn!”Het eerste wat Tony zag toen de massief eiken voordeur opendraaide, waren niet haar ellenlange benen, haar blauwe ogen geaccentueerd door mascara of haar blonde haren die krulden tot haar rijke boezem. Het eerste wat zijn adem benam, waren de kolossale ramen die vanaf een etage lager tot het plafond reikten. Zeker vijftien meter hoog en twintig meter breed. Of beter gezegd: het eerste wat zijn hart deed overslaan was het ononderbroken uitzicht dat die vensters boden op de baai van Alcudia, de witte vissersbootjes en twee megajachten cruisend wat verderop. Deze villa was gebouwd op de flank van een berg. Een flank die zijn geheimen verborg vanaf de straatzijde, maar eenmaal men de voordeur open zwaaide, al zijn pracht majestueus tentoonspreidde. Een meesterwerk van de New Yorkse architect die speciaal voor de bekende eigenaars naar Mallorca overvloog. Dat had hij gelezen in het dossier.   “Sta niet zo te gapen, meneer Coppo, u bent met exclusiviteiten toch bekend?”   Haar stem met een slavisch accent klonk als die van een presidentsvrouw: gereserveerd. Haar man was een vermaard kunstverzamelaar: een dikke pater die van klooster tot nonnenhuis hobbelde om vader en moeder overste van hun iconen af te helpen. Als een dwaas liet hij haar hier, gehuld in een gouden jurk die evenveel been toonde al droeg ze een bikini. Haar hakken tikten op de trap naar de zitruimte. Er kon geen toepasselijker woord bestaan: zitruimte: ruimte om te zitten. Veel ruimte om te verpozen. De witte leren fauteuils vormden een grote U zodat makkelijk tien volwassenen pasten met inachtname van de afstandsregels. Of vijftig in een meer intieme setting. Zou zij hier met vijftig ooit gepartyd hebben? Vijftig vrienden die samen staren naar het uitzicht, nippen van een glas Moët Chandon en knabbelen op gefrituurde kaaskroketjes en vers aangesneden Iberico Bellota?   “Ik geniet van een uitmuntend zicht, mevrouw…”   “Katja,” zei ze terwijl ze staarde naar haar voeten, “Voor heren zoals u, is het Katja.” Ze streelde het leder van de immense zetel en stak een kussen achter haar rug waardoor ze haar tepels dwong naar het plafond te wijzen. Hoewel deze grote open ruimte met glazen zijde meer leek op een koninklijke broeikas dan een woning en het buiten vijfendertig graden was, fonkelde een meterslange gashaard achter de fauteuils vlammen over hen. Toch zweette Tony niet, de airconditioning blies met een noordelijke straalstroom over zijn rug.   “Uw optrekje past perfect bij mijn clientèle. Ik heb alvast een kandidaat die op zoek is naar zo’n pronkstuk,” zei hij terwijl hij diep in haar ogen keek, “Een man die onbevangen beslist en schoonheid kan appreciëren.”   “Schat u ook spontaniteit naar waarde?” vroeg ze en krabde aan het kussen alsof ze de kwaliteit van het italiaanse leder wilde illustreren.   “Professionaliteit is waar ik garant voor sta,” zei hij op de toon van een radiospot, “Coppo & Partners heeft geen ontevreden klanten. Ik ga tot het uiterste.” Een helikopter scheerde over de villa, zakte laag over de Middellandse Zee en stevende recht op het grootste megajacht. “Verse kaviaar en wodka,” mompelde hij, “Decadente Russen!”   “Wat zei u, mijnheer Coppo?” vroeg Katja met een tronie als Edvard Munch’s Schreeuw.   “Dat u niet hoeft te twijfelen,” zei hij terwijl hij zich naast haar vleide en zacht haar hand streelde. Ze geurde opgewonden en hij werd ongeduldig als een wolf die zijn prooi rook en wacht op het beste moment om aan te vallen. “Ik ben uw man voor de job.”   Haar blik rolde van zijn zwarte haren, langs zijn neus, over zijn lippen, naar zijn Rolex. Hij wist hoe laat het was. Ze schudde even met haar hand, waardoor twee gouden kettingen rinkelden als de bel voor Pavlov’s hond. Het water liep hem in de mond.   Ze stond op, flaneerde naar de bar, trok een koelkast open, graaide een fles Dom Pérignon met haar linkerhand en twee champagneglazen met haar rechterhand.   “Komt u het uitzicht in de masterbedroom inspecteren?” vroeg ze zonder het een vraag te laten klinken. Haar tong rolde over haar vuurrode lippen en haar heupen wiegden de trap op.  Tony krabde aan zijn kruis, liet een champagneboer, stak zijn overhemd in zijn broek, merkte dat er twee knopen misten, rook aan zijn vingers en stapte in zijn Porsche Panamera. Het grind van de oprit knetterde rond zijn banden. Het contract was getekend. Driehonderdduizend commissie. En het waterbed in de masterbedroom was goedgekeurd. Een pronkstuk voor de liefhebber met kluiten.

TonyCoppo
33 2

Mens, erger me niet...

Ik grommel graag. Van ergernis naar ergernis begeef ik me door het wonderlijke doch kleinmenselijke aardse bestaan. Ik deed het als kind en zette het later dapper verder. Zou het ooit stoppen? dacht ik wel eens. Maar ik doe het nog steeds. Ik wijt het aan de omstandigheden die bondig om reactie vragen waarna mijn humeur even snel weer opheldert. De jogger die met zwaaiende armbewegingen langs mij heen rent en me stil doet staan, wanneer er uit de tegenovergestelde richting een jonge vrouw met haar peuter in de buggy aankomt. Mijn grom is sneller dan mijn gezond verstand. Ze zijn gelukkig wel van voorbijrazende aard, de jogger en de grom welteverstaan. Die jonge vrouw heeft niets door. Ze is druk bezig haar smartphone te bespelen. De peuter zeurt en waagt zich aan gymnastiek vanachter die buggygordel. Nog even en het lukt hem; eruit klimmen of vallen? Wat is hier de bedoeling van? ’s Avonds de builen op z’n hoofdje tellen? Toch wandel ik, haar in stilte de les lezend, voorbij. Op allerlei manieren wordt mijn ergernis gewekt. Het zal me maar overkomen: lezen in een artikel, dat het heeft over de mensen dat de regels aan hun laars lappen, nog wel in het zogenaamde betere dagblad. Geheid grijp ik naar mijn smartphone om de redactie eens te vertellen wat ik ervan denk, hardop beter wetend ‘hoe ben jíj door die selectieprocedure geraakt?’ Maar voor ik het verzend, is de lucht weer geklaard. De collectieve verwendheid van het bestaan, kan me ook – spreekwoordelijk – tegen het plafond krijgen. Ik ben toch niet verplicht om regenweer slecht te vinden? Is een flinke windstoot een spelbreker in mijn plannen? Moet ik echt weer luisteren naar het geklaag van deze of andere wandelaar die de mooie natuur moet missen omwille van… natuurelementen? Ga toch wat anders doen, denk ik en nestel me in de zetel met mijn dikke Outlander, blij met de honderden nog ongelezen bladzijden. Bij de vraag “Alles goed met jou?” verstom ik, bijna het puntje van mijn tong afbijtend om niet al te grof te worden. Toch antwoord ik zelfs dan, vind ik zelf, nog beleefd: “Niet alles, maar bij wie wel?” Me verantwoorden over mijn toestand is vermoeiender. Ergernis, als een stouteheersbeestje dat over mijn huid loopt en kriebelt. Zijn stipjes lichten vervaarlijk op. Voor ik als een gek begin te krabben adem ik diep in en uit. Enkel wanneer de stipjes blijven oplichten, waag ik me al eens aan een duidelijke taaltuiting. Zeker als het over ‘mijn zoveel vrije tijd’ gaat. “Ruilen met mij?” heb ik al meer dan eens gevraagd. De verstomming van die andere is dan een cadeau. Doch weegt zelfs die irritatie nu lichter. De dag zit vol potentiële ergernissen en hoe sneller ik er lucht aan geef, hoe beter ik me voel, wetende dat het enkel dat moment is. ’s Avonds leg ik me moe maar tevreden neer, me verheugend op de dag van morgen, vol mogelijkheden om mijn eigen kleinmenselijkheid te verdoezelen met grommelen over die van anderen. Mens, erger me wel. Ik houd van u. AMK.

Anemos
28 2

De Steen

‘Moet u niet werken?’ duwde de zorgvuldig gestapelde gedachtestenen van Ernst van Dealenmaete omver, ‘u staart al zeker een uur het raam uit,’ schopten de stenen zo door elkaar dat hij niet meer wist wat in zijn hoofd omging en geërgerd monsterde hij een rossige, gedrongen man van middelbare leeftijd die zijn handen afveegde aan een blauw houthakkersshirt. Tussen de knieën klemde hij een dikke zwarte leren map en deze stak hij, na het afvegen van zijn handen, onder zijn linkerarm.    ‘Ik kwam van het toilet en ik dacht zo, laat ik mezelf introduceren: John Voorduk.’ De toiletganger stak zijn hand uit. ‘Mijn vrienden noemen me Dukkie.’   Ernst negeerde de hand en probeerde zijn gevallen gedachten bij elkaar te sprokkelen en terug te stapelen.   ‘U heeft een hokje met Wifi gehuurd en dan denk ik automatisch: wat zou zo’n degelijk gekleed heer voor werk doen. Wij digital nomads moeten elkaar leren kennen vind u niet?’ ratelde John door, zijn rechterhand doelloos voor zich uitgestoken. ‘Op maandag en woensdag huur ik meestal de eerste kamer bij de receptie.’ De uitgestoken hand zwabberde naar het einde van de gang en verdween daarna in de zak van zijn verschoten spijkerbroek. ‘Dinsdag en vrijdag werk ik vanuit Hotel Emsvaart, kent u dat? Wifi is niet zo goed als hier, maar de koffie is beter én veel interessante mensen.’ Hij knikte tevreden. ‘Het nadeel is dat je aan een tafeltje in de lobby moet werken, voor een meeting moet je apart een zaaltje reserveren.’ Hij keek weer naar Ernst. ‘Ik zie u denken, wat doet deze jongen op donderdag? Dan werkt onze John, Dukkie voor u, lekker thuis: mijn moeder gaat eerst naar volksdansen, dan koffie drinken met haar vriendinnen en ‘s middags de stad in, heb ik de hele dag het huis voor mezelf. Maar u heeft nog helemaal niet verteld wat u doet.’    ‘Ik dacht na,’ zei Ernst, ‘en u stoorde mij.’   ‘Ah, mijnheer is intellectueel.’ John legde de zwarte map op tafel en klopte op een fluoriserend groen logo met in oranje letters “Crea Commerce”. ‘Zelf werk ik in de creatieve sector in combo met commercie. Social Channel Sales en dergelijke. Kan ik voor u ook doen, marketing… én online content genereren… doe ik ook. Hij ritste de map los en vouwde deze open. ‘Voorbeelden zien wat ik voor u kan betekenen?’ Hij bestudeerde Ernst en concludeerde: ‘U heeft een website nodig, of een upgrade van uw bestaande, dat zie ik zo. Uw soort werk heeft een stevige virtuele presence nodig. Wat doet u ook al weer precies voor werk als ik vragen mag?’   ‘Ik ben schrijver.’ Ernst was zijn gedachten kwijt, de laatste stenen verkruimelden in zijn hoofd.   ‘Moet u dan niet typen?’ John wees met typbewegingen van beide handen naar de dichtgeklapte Lenovo model 2014 van Ernst. ‘Dat doen schrijvers toch?’ Hij schoof de laptop naar zich toe. ‘Overigens, zal ik mijn creaties online laten zien? Beter dan op papier vindt u niet?’ Hij klapte de laptop open en vroeg: ‘Wachtwoord?’ Ernst duwde de laptop weer dicht.   ‘Analoog he? Dan had ik u toch goed ingeschat.’ John knikte voldaan. ‘En denker. U schrijft filof…, filosi…, filosofie neem ik aan?’ Hij rommelde in de map en pakte een stapeltje fel gekleurde bladen met fotos, tekst en dikke strepen.    ‘Verhalen.’   ‘Denkt u daar over na? Om een verhaal te maken moet u toch typen?’   ‘Ik construeerde een scène.’   ‘Ah! Een filmschrijver. Dan heeft u helemaal een pakkende website nodig. Voor je “Hollywood” zegt, heb ik een website voor je in elkaar geknutseld. Mag ik je zeggen? We doen tenslotte bijna zaken.’ John spreidde bladen met ontwerpen van websites voor een Opel Manta vereniging, gebreidetruien.eu, een yogaschool, een wiki over modeltreinbanen en een senioren hardrenclub, op tafel uit. ‘Wat aansprekende voorbeelden, speciaal voor degelijke old-school heren.’ Hij roffelde met zijn knokkels op tafel en eindigde met een klap van beide platte handen. ‘Zijn ze gaaf of niet?’   ‘Elk verhaal heeft scenes.’ Ernst zuchtte diep. ‘Het is een afgeronde deelvertelling met een eenheid van plaats en tijd. Met een begin, middendeel en eind.’    ‘Aan wat voor scene dacht je?’   ‘Een schrijver die gestoord wordt en iemand met een steen de hersens wil inslaan.’   ‘Een Crime Story, insane! Hoe loopt het af?’   ‘Wij schrijvers hanteren het adagium: “Show, don’t Tell”. Als u een steen zoekt, show ik het einde.’

MCH
22 1

Origins

Ik herinner me de grote lijnen van mijn jeugd. Mijn vader had een propere kelder. Hij zorgde altijd dat het opgeruimd en stofvrij was. Misschien dat hij er daarom zoveel tijd doorbracht. Ik mocht er zelden komen, en toen ik hem eens vroeg wat hij daar eigenlijk deed, zei hij. 'Ik schrijf gedichten.'Hij legde me uit wat dat was in zijn woorden. Met zijn donkere ogen op mij gericht en een kwajongens glimlach. 'Eigenlijk is alles een gedicht.'Toen ik het nog steeds niet begreep gaf hij me een voorbeeld. Een gedicht van (min of meer) een woord.                                            AF                          AF                                             WIJ                 WIJ                                                 ZING      ZING                                                          AF Blijkbaar kon zoiets. Wat hij me eigenlijk gaf -besef ik nu- was niet per se een voorbeeld van een gedicht, maar toestemming. En ik wou ook een gedicht schrijven. Dagenlang ploeterde ik, maar ik kreeg niets op papier. Mijn vader vond dat amusant. 'Je moet schrijven wat je in je diepste voelt.'Ik vertelde hem dat ik niet wist wat ik voelde en hij glimlachte. 'Probeer het over enkele jaren eens opnieuw.'Ik besef nu dat hij altijd over pijn schreef.

Stelselmatig
19 1

Stilte die in beweging komt

Oververhit plof ik neer op een rotsblok. Terwijl ik een paar slokken water drink, screenen mijn ogen de langgerekte Andes. Ik bewonder de capriolen van de koeien en hun kalfjes in de schaduw van de fiere bergtoppen en heuvels. In de verte hoor ik de uitgelaten stemmen van de kinderen uit het dorp. Ik geef ze in gedachten een naam. Mijn soepele vingers wrijven over mijn reisschrift.   Tussen twee boomstammen in de vallei bengelt een veelkleurige figuur in papier-maché aan een touw. Zestien door de zon getaande benen bewegen in slow motion, draf of galop. De voeten zijn gevlucht uit hun nauw aansluitende sokken. Ricardo, Pedro, Fernando en Rafael giechelen in koor. Rosa, Gabriela, Juana en Luz trappelen van ongeduld. Hun zwarte haren zijn gevlochten of gebonden in een paardenstaart met een feestelijke strik. Om beurt worden ze geblinddoekt. Juana, la chica del cumpleaños, mag de spits afbijten. “No veo nada,” roept ze opgewonden. “Uno, dos, tres, cuatro, cinco, seis, siete, ocho, nueve, diez.” Na de verplichte draaiingen slaan ze erop los met een knuppel. “Alhi?” “Venga chica!” “A la derecha, a la derecha”. “Da la vuelta, da la vuelta.” “Alhi, alhi.”   Wanneer het hoofd na de vijfde poging eraf zwiept, gaat de marteling verder tot ook één arm eraan moet geloven. Het gebergte slokt het triomfantelijk gejuich op. Een harige man beweegt het touw omhoog en omlaag terwijl zijn borstkas gedwee het ritme volgt.   Na een fatale klap van de stevig gebouwde Pedro belandt de verminkte figuur met een plof op het gras. Handen grijpen naar de stortvloed van snoepjes en cadeautjes. “Quiero mas dulce,” krijst Gabriela. Een groot deel van Superman wordt hevig platgedrukt. Zijn kop dient als speelbal en één van zijn benen laat zich oostwaarts meevoeren met de rivierstroming.   Ze eten snel de lekkernijen op en gaan dan over tot het volgende spelletje. Met veel show proberen ze een bontgekleurde sombrero zo ver mogelijk weg te werpen. Per meter verdienen ze een punt. Fernando verzamelt als eerste acht punten. Hij krijgt een kroon en bepaalt wat ze verder spelen.   De Sombrero-koning laat zijn vrienden even sudderen en geeft dan duidelijke instructies. Met veel gejoel plaatsen ze zeven plooistoelen naast elkaar, afwisselend met de rugleuning naar voren en naar achteren gekeerd. Hierrond wordt gedanst en meegezongen op uitbundige Mariachi-muziek die uit enorme luidsprekers schalt. Telkens wanneer de muziek abrupt stopt, lachen de overblijvers voluit en neemt de afvaller met tegenzin een stoel weg. Uiteindelijk wint het feestvarken Juana maar het is de koning die opnieuw het volgend spel mag kiezen.   Fernando kiest ervoor om te dribbelen en te drijven. De meisjes hebben hier wel zin in, behalve Juana. Ze begint te jammeren en loopt weg.   Mijn ogen, oren en noterende vingers hongeren naar meer, maar ik heb nog een lange tocht voor de boeg. Ik gooi mijn spullen in mijn rugzak en vervolg mijn weg naar vrijheid. Onderweg bedenk ik een meer nobele variant van de klassieke stoelendans, waarbij aan het einde van de rit Juana en haar vrienden samen op één stoel overeind proberen te blijven.   Mijn gedachten reizen terug naar de lievelingsspelletjes uit mijn jeugd: verstoppertje, zakdoekje leggen, schipper mag ik overvaren, touwtje springen, hinkelen. Zoals de Amerikaanse journalist Ron Olson schreef, “My childhood may be over, but that doesn’t mean playtime is”.

Fatiha Berrazi
24 1