Lezen

Ei-beer

Voortgestuwd door een frisse lentebries kuier ik door de smeedijzeren toegangspoort van het park. De gladde bast van de zilverlinden aan de ingang lijkt gelukkig weinig hinder te ondervinden van de grote voorjaarsdroogte, die nu al anderhalve maand duurt. Voorbij het eerste stenen brugje sla ik linksaf, het slingerpad volgend richting Spiegelvijver. Ik merk dat een vrijpostige kruisspin zich ongevraagd nestelt als medereiziger tussen de pagina’s van mijn krant, maar laat betijen.Het park, in die typische Engelse landschapsstijl, ademt nog steeds de sfeer uit die teruggrijpt naar een voorbije eeuw. Terwijl de schaduw van de bomen me afschermt van de vroege lentezon, geniet ik van haar mengelmoes aan geuren, kleuren en geluiden, nu nog onverstoord door menselijk getater. Aangekomen bij de vijver zoek ik mijn vaste plekje op. De witte esdoorn bedekt het stenen bankje onder zijn kruin met zijn typische groenachtige bloemen, die haast een welkomsdekentje lijken te vormen voor de vermoeide wandelaar. Met lichte ergernis stel ik echter vast dat vandaag de helft van mijn plekje reeds is ingenomen door een tenger ogend meisje, gekleed in een lila jurkje – te koud voor de tijd van het jaar én uur van de dag – met iets wat lijkt op een teddybeer met grootheidswaanzin. Het flink uit de kluiten gewassen exemplaar rust op de schoot van het kind, de snuit richting vijver, alsof ze samen een jury vormen voor een naderende troep knobbelzwanen.Met een beleefd knikje richting kind én beer (waarom eigenlijk?) plof ik me neer aan het andere uiteinde van de bank. Het meisje lijkt me te negeren, de blik ferm gefixeerd op het water. Gerustgesteld begin ik te lezen. ‘Waarom leest u die oude krant?’De plotse vraagt sleurt me uit mijn leestrance. Ik kijk opzij en zie dat het kind met vragende ogen naar de voorpagina van het dagblad staart. Ik schat haar niet veel ouder dan acht – misschien negen? – jaar.Een priemende wijsvinger springt tot leven en volgt het traject van haar blik richting datum op de voorpagina. ‘Ziet u, maandag 12 april was eergisteren.’ Haar toon verraadt een zekere trots, omdat het kleine mensenkind iets waargenomen heeft wat het grote vast moet ontgaan zijn.Mijn ergernis wegslikkend sluit ik mijn krant en bekijk zelf de datum – alsof haar opmerking geheel nieuwe info betreft.‘Inderdaad, dat heb je goed opgemerkt jongedame, dit is inderdaad een ouder exemplaar.’‘Leest u altijd oude kranten?’ Mijn half geforceerde vriendelijkheid lijkt ze niet te hebben opgemerkt – of ze negeert het.Even denk ik na over mijn antwoord en besluit gewoon de waarheid te vertellen.‘In een tijdperk waar onze zintuigen overspoeld worden via alle mogelijke toestellen en kanalen met het “hier en nu”, gebruik ik de krant om wat bij te leren over “daar en toen”.’Alhoewel het antwoord helemaal niet op maat is van een kind, knikt ze toch begripvol.‘Mijn mama leert ook veel bij via haar Ei-foon. Kijk, daar loopt ze.’ De vinger verandert van richting en nu pas ik merk ik het schepsel op dat, gevangen tussen water en schaduw, in de verte rondjes lijkt te draaien.‘Nou, ze lijkt druk in gesprek.' Dat is geen leugen. Zelfs vanop deze afstand zie ik de linkerarm druk gesticuleren, alsof ze de vier windrichtingen tegelijkertijd wil zegenen.‘Ze is aan het bel-bekvechten met Stefaan, haar vriendje.’ Ze spreekt zijn naam uit alsof het iets vies betrof dat die ochtend ongevraagd tussen haar boterham was beland. ‘Ze maken veel ruzie én dan bellen ze soms urenlang én dan wacht ik meestal urenlang.’ Die laatste opmerking rolt er droogjes uit. ‘Heb je geen broertjes of zusjes om mee te praten of spelen?’‘Nee … nou, ik heb wel Ei-beer natuurlijk.’ Bij het maken van die opmerking draait ze het hoofd van de beer mijn richting uit, alsof het een formele introductie betreft. Nu pas merk ik het gekende appeltjes-logo, gedrukt op het zilvergrijze voorhoofd, met daaronder in fijne tekst "iBear Pro Max".‘Ei-beer kan zingen, praten, dansen en nog veel meer! Alleen … vandaag niet want zijn batterijtjes zijn plat.’ Haar onderlip vertoont een lichte trilling.Even staar ik nog naar een krantenkop over een vastgelopen cargoschip dat allang weer ergens op de Middellandse Zee ronddobbert, vouw de krant netjes op en draai me in de richting van kind én beer.‘Nu, zingen of dansen kan ik helaas niet, maar als je het goed vindt, wil ik best nog wel even verder met je praten. Ik heet Geert. Wat is jouw naam?’‘Elizabeth, maar iedereen noemt me Elisa,’ zegt ze guitig, terwijl onder - én bovenlip zich omhoog krullen tot een verrukkelijke glimlach.

GVN
0 0

Het zinloze schrijven

Ik scheur een nieuw blad uit mijn notitieblok, schroef de dop van mijn vulpen los en laat zijn scherpe punt baden in de blauwe inkt. De vloeibare woorden, die lichtjes schitteren als sterren onder het licht van mijn bureaulamp, trekken zich langzaam maar zeker in hun betekenis, opdat ze nooit meer zouden worden vergeten. Vereeuwigde gedachten die ruiken naar natte inkt en snijden als papier. Het knetterende haardvuur houdt me warm terwijl ik schrijf. De houtblokken barsten open als koude lippen in een strenge winter. De vlammen likken naarstig aan het verharde glas van de kachel en versieren mijn ogen die mee de dans aangaan en zachtjes fonkelen.Een heerlijke warmte die onbeschrijfbaar diep binnendringt. Ik sluit mijn ogen en heel even hoor ik haar stem doorheen het gekraak van openbarstend hout. Verdwijnend in mijn gedachten, om nooit meer terug te komen, schrijf ik rustig verder over haar. Haar lach verschijnt in de vlammen van het haardvuur, en ik hoop slechts een fractie te kunnen neerpennen van de zwoele warmte die alomtegenwoordig is. Ze lacht nog eens en kust me. Verloren in een kluwen van zachte woorden probeer ik haar tot leven te wekken. Maar de inkt van mijn vulpen droogt langzaam op tot ik slechts krassen achterlaat op het papier, en niemand die het ooit zal begrijpen. Diepbedroefd laat ik haar verder bestaan in de onbeschrijfbare warmte van het zachte vuur. Mijn gedachten dwalen af naar toen onze ogen elkaar kruisten, en ik grijp naar een nieuwe pen. De inkt loopt er stroperig uit en glanst op mijn blad als het kabbelende water bij een zonsondergang. Terwijl ik me onderdompel in haar donkerbruine ogen, stroomt de inkt van mijn pen uit in een wilde rivier van woorden waarin ik mijn houvast verlies. Ik geef me over aan haar blik die me laat afdalen in diepten waar ik nog nooit iets voor iemand heb gevoeld. Verdronken in haar ogen open ik de mijne terug en zie ik hoe de houtblokken zijn gekrompen tot slechts enkele hete kolen. Met mijn pen in de hand staar ik naar het maagdelijke witte blad, afwachtend op de juiste woorden."Ik zie je echt graag" en meer kan ik haar spijtig genoeg niet zeggen, laat staan schrijven.  

Bruno De Waele
5 0

Terminaal

“Frank is terminaal,” zei Sonja tegen Gisèle die net haar nieuwe vakantievilla in Spanje aankondigde met zwembad, vijf slaapkamers en plaats voor een butler én een Thaïs dienstmeisje. Gisèle was een slanke, lange, rimpelige, oude pannelat die straffer kon opscheppen dan Donald Trump.  “Een cappuutje en misschien een tostietje met glaasje wit bij de Pain Quotidien.” Waarom had Sonja ingestemd? Gisèles onderonsjes waren monologen waar haar grootsprekende bek nooit op pauze stond. Het ergerde Sonja zo dat ze de drie woorden eruit smeet als een hulpkreet, een ultieme poging om Gisèles woordenstroom te stoppen.    “Frank?” vroeg Gisèle en ze nipte van haar cappuccino, “Terminaal?”    Tijdens het tuinfeest vorige zomer wilde Frank rattenvergif in de groenteburger van Gisèle stoppen. Of salpeterzuur in haar glas rosé. “Moet je opletten of Gisèle nog zo een grote waffel trekt,” zei hij. Sonja glimlachte om de gedachte, dat hij het eigenlijk had moeten doen.    “Wat lach je?” vroeg Giséle, eerder als bevel dan als vraag.  Sonja trok haar lippen in een streep. “OMG! Jullie komen snel op bezoek naar Spanje. Anders ziet hij het nooit. Klimt hij nog trappen? We hebben een bejaardenkamer op het gelijkvloers, de butler vliegt zolang naar het rommelhok.”    Sonja staarde naar de enge draak die zich haar vriendin noemde. Trok ze werkelijk meteen de aandacht naar haar klotevilla? Gunde ze haar niet even haar verhaal? Wat moest ze erger verzinnen? Frank was niet terminaal, of toch niet meer dan anderen. “Uiteindelijk zijn we allemaal terminaal,” mompelde Sonja.    “Je doet een moord voor de Dorada a la plancha in de Fan Farronear en op de oprit maakt een straatschilder Van Goghs. Die moét een portret maken van Frank, kan je later op je schouw zetten als herdenking,” zei Gisèle. Ze roerde in haar koffietas en liet bij elke vervolmaakte cirkel even het porselein rinkelen. Ze leek niet verbaasd te horen dat Franks laatste dagen geteld waren.     “Neem je snel een nieuwe?” vroeg ze zonder te wachten op een antwoord, “Ik vraag me dat vaak af: Als Jacques sterft, zou ik snel een nieuwe in huis nemen? Jij zit al een tijdje in de meno hé? Een nieuwe man? Ik denk dat ik een jonkie neem, mijn mossel lust er nog van en aan het nieuwe huis in Spanje zal er een zeilboot liggen. Een stoere schipper misschien. Met een kriebelbaard, dat is genieten.”    Sonja zuchtte en stond op: “Ik moet naar de plee.”    “Schat, alweer?” zei Gisèle, “In de dagkliniek repareren ze dat in een uurtje. Ik heb dat niet nodig, maar zou er niet over twijfelen. Niet handig, aandrang krijgen, als je mosseltje net naar adem hapt en klingelt op een boot. En maak het meteen wat strakker, daar houden jonge mosselvissers van.” Gisèle wees met haar magere vingers naar de plekken die gelift konden worden.    Sonja schudde haar hoofd en bedacht zich dat ze onmogelijk zichzelf kon doorspoelen. Straks nog even afzien en Gisèles gedraaf aanhoren, haar uitnodigen voor een tuinfeest volgend weekend, een dringend telefoongesprek faken, excuseren dat ze weg moet en Frank in de Brico rattenvergif en salpeterzuur doen kopen.   -- TIP VAN DE WEEK -- Tony Coppo tipt deze week 'Terminaal' van Tony Coppo.  "De tekst nodigde mij uit om meer te lezen van de auteur. Ik vroeg me af: Is 'Terminaal’ een toevalstreffer of spetteren zijn andere teksten ook van het scherm in beeld en gelaagdheid? Ja hoor, ze zijn heel goed. De bijpassende foto's maken de tekst veel sterker. Bij 'Terminaal' gebruikt Tony Coppo een slechte foto, wat ik jammer vind.Mijn tip: Proza en fotografie gaan hand in hand. Blijf dit consequent doen en kom aub met een bundel (tekst én foto's). Ik ben alvast fan! Ik werk in de maritieme sector aan de middellandse zee en ik weet dat heel wat cliënten op leeftijd, maar kwiek en hupsig troost en hoop kunnen halen uit de teksten van Tony Coppo."

TonyCoppo
46 2

"Ik wil op een dag van iemand houden, zoals die vrouwen in reclames houden van hun yoghurt.", dat zei ik... 't meisje dat toen (nog) geen yoghurtmeisje was.

't Boek kaarten werd alweer door elkaar geschud en 'Patience' werd nóg maar eens gespeeld. Door mij dan, want mezelf bezighouden is de boodschap. En vooral de zenuwachtigheid onderdrukken (achteraf gebleken). Een Duvel werd nog eens ingeschonken: 'Doe mij er ook nog maar eentje'. Gevolgd door een actie van deze man die ik nu mijn lief mag noemen. Een actie die ik niet verwacht had en waar ik uiteraard een kortsluiting van in mijn hoofd kreeg: "Massive error in the brain". Néé dit mocht ik niet laten schieten, dus ik glimlachte maar deed niets anders dan kaarten leggen op de keukentafel, met de Duvel binnen handbereik. Met naast me de man, die ik toen nog niet mijn lief mocht noemen.5 voor 12 was het (in diverse interpretaties de waarheid), ten tijde van de corona-avondklok. Zijn spullen werden genomen en nog steeds met enige kortsluiting volgde ik zijn bewegingen tot aan de voordeur. Ik moest het er toch op wagen en met enig gevoel van moeiteloosheid landde dan toch datgene wat al enige tijd in de lucht hing. In mijn geromantiseerde herinneringen galmde het geluid van de 's-Gravenvoerense klokken door de Rue du Sacristain en werd het moment, stipt middernacht, abrupt verbroken om snel naar huis te gaan (voor hem dan, ik was thuis). Die man, die ik toen misschien nog net niet of net wel mijn lief mocht noemen.Dagen nadien gingen als een trein die te lang van de rails was geweest. Elk moment voelde nieuw en leuk en tof en spannend. But don't be fooled... dit hebben we natuurlijk al eerder meegemaakt. De veiligheidsriem werd goed vastgemaakt en met een argwanende 'engel' op mijn schouder volgde ik ieder moment.  Dit kan niet. Dit overkomt me niet. Er wordt te veel gelachen en er is te veel verliefdheid. Je weet wel, dat smoor zijn! Dit is te goed om waar te zijn en dit gaat 'm niet worden. Maar die man, die ik vanaf toen wél mijn lief mocht noemen, duwde alle weifeling bij me weg. Iedere keer opnieuw als mijn hand zijn hand raakte, en ik de dag mocht starten met hem aan 'mijn' keukentafel. De aarzeling gaf het op... 6 maanden later (binnen 3 nachten, but who's counting) en de twijfel is foetsie (of schuilt die om het hoekje?).Wat ik wil zeggen is dat die man, die ik nog steeds mijn lief mag noemen, 't dekseltje op mijn potteke is. Een hardwerkende toffe pee met gevoel voor humor, verdriet en begrip. En zoonlief? Die vindt hem leuk omdat hij een loods heeft, mét daarin een 'clark' (= heftruck voor de bouw-ondeskundige zoals ik).Ken je die vrouwen in yoghurtreclames, smoorverliefd op hun potje yoghurt? Nou... als je me zoekt... ik ben aan de yoghurt.

SilkeGeerts
20 0

Lui & Hoogbegaafd

Jij bent niet hoogbegaafd Slechts door anderen belaagd  Bij mirages aangemeerd, gulzig met wanen ingesmeerd  Met woorden in formatie, in galop, in combinatie,  't is als een tut aan u geblogd verloochend zelfgenot Met een inhoud, om van te zuigen,reeds content,zijn uw gedachtennu al aan het buigen uw zelfperceptie is een waanen 't weerspiegelt als een zwaanjij bent anders, jij bent niet lui,jij bent speciaal, het is geen bui "ik heb de waarheid neergeschrevenin een boek, vol met al je deugdenverpakt in één groot en lekker leugen" ook al ben je werkelijk een leekde wijsheid past u als een kleed en ge hebt het.. ..uzelf aangepocht 't is als een goed.. aan u verkochtmaar in de realiteit,slechts vergeleken met een geitzelfingenomen en bekoren,'t hangt als een stuk vuil aan uw muilge zoekt betere oorden... in aangename woordenen dat is waar de werkelijkheid.. ..u.. echter heeft verlorener is geen quick fix,bekwaamheid kweken is niet niks laat uzelf niets meer voorliegen, stop met dat zelfbedriegen verwerk uw niet-verdiende vreugde, verwen u zo nodig....met verdriet erken uw eigen kwalen, toch.. vereer ze.. niet Verkies waarheid boven wonder,ook al brengt het soms gedonderecht genot, dat kan niet zonder bekeer tot kritische reflectie, keten woorden aan dissectie,inspectie en correctie, Behoedt u voor intentie, vrijwillige inertie, geloof niet blinds,noch onbezonnenin een ander... zijn directie beter is 't leven soms even een gedrocht dan.. voor altijd... ver- gezocht.   Liefst,uw zelfbewuste toekomst  

Kakofoon
93 0

Plastic drugs

“Komt daar weer een nozem buiten,” zei Marcel tegen zijn vrouw die opgeblazen het laatste cijfer in haar soduko invulde en voor de vierde keer vandaag een papiertje demonstratief afscheurde en het opgeloste raadseltje in de lucht zwaaide al was het een winnend loterijbiljet. Hij wees door het raam naar de voordeur van het huis aan de andere kant van de straat. Twee weken geleden loste een vrachtwagen daar eindeloze rijen dozen. Na drie dagen zonder dat de nieuwe overbuur zich liet zien, begon het: een altijddurend komen en gaan van psychiatrische sans-papiers. “Verslaafde maffioso's“ noemde zijn vrouw ze. Ze vermoedde dat de kersverse overbuur handelt in hasj, wiet, XTC en crystal meth, maar Marcel wist het niet zeker: Een uur binnen blijven om dan met een smile en een grote plastic zak weg te wandelen? Een veel te grote zak voor drugs.     “Moet je zien,” zei hij, “Nog éne.” De politie nam zijn vrouw niet meer serieus nadat ze voor de tiende keer paniekerig belde en smeekte om die bende op te rollen. De smerissen beweerden dat ze spoken zag vliegen. Verontwaardigd schold Marcel ze uit voor achterlijke gladiolen, sneuneuzen en onbekwame drollenvangers. Wilden ze hèm oppakken in plaats van die drugsdealer! Hij moest beloven hen niet meer te contacteren.     “Ik moet ’t weten!” Hij kon zijn curiositeit niet meer de baas.     Hij trok zijn vuilste broek, oudste jas en stoffigste schoenen aan alsof hij een dakloze is. “Zo val je niet op bij dat gespuis,” zei zijn vrouw. “Om zes uur eten we, hè!”     Met stevige tred stak hij de straat over. Het regende en het was al duister want de novembernacht zou weldra vallen. Hij sloop rond het grote raam en probeerde binnen te gluren maar zwarte gordijnen beletten alle inkijk. Deze bende was uitstekend georganiseerd en op hun privacy gesteld! Even aarzelde hij wanneer zijn vinger naar de deurbel reikte. Hij ademde diep in en versteende wanneer de bel rinkelde als een ijskreemkar.     “Kom binnen, vriend.” Sterke handen drukten de zijne en sleurden hem binnen. De voordeur knalde dicht in het slot. Hij kon niet meer terug? Help. Wit licht van TL lampen verblindden hem en deden zijn ogen knipperen. Vijf gekleurde plastic tafeltjes met telkens vier krukjes: rode, gele, paarse en oranje. Aan één van de tafeltjes zaten vier vreemdelingen voorovergebogen rond een aardewerken vaas die razendsnel tolde en hun handen met bruine drek besmeurde. In hun bedwelming keken ze zelfs niet naar hem op.     “Doe je jas uit, kies een stoeltje, ik kom zo met mijn karretje.” De grote buurman met tatoeages en dreadlocks glimlachte vals. Marcel beefde maar trok zijn jas uit en ging zitten. Wat een linke boel was dit? De witte muren van dit lab waren besmeurd met posters van zebra’s die vechten met een hyena, walvissen die springen uit de zee en beren die zalm graaien in een rivier. Een foto van een meerkat knipoogde en zei ‘Stay calm and do the thing”. Was dit hun leuze? Marcel was niet kalm en wilde ‘the thing’ niet doen. Nooit raakte hij drugs aan! Was dit het zenuwcentrum van hun kartel? In de films hingen er minder tierlantijntjes en droegen de bazen geen smerige bundels vervilt haar. Een chill pianodeuntje speelde door luidsprekers ingewerkt in het plafond maar het leek niet op zijn plaats. Geniale afleidingsmanoeuvres. Hij mocht ze niet onderschatten!     De buurman rolde een ijzeren karretje naar Marcels tafeltje. Het ding glom en deed Marcel denken aan zijn zeventigste verjaardag. Zijn vrouw trakteerde op een veel te chique diner in de Comme Chez Soi. Daar bolden ze zo kaas naar hun tafel - drie minuscule sneetjes aan vijfenveertig euro! - furieus had hij ze naar de ober zijn hoofd gesmeten. Maar dit karretje geurde niet naar kaas. Rook hij wasco?     “Wil je kleuren, tekenen of boetseren?” vroeg de buurman. Dit was codetaal. Kleuren is LSD? Boetseren hasj? Op het karretje lagen kleurboekjes van K3, leesboekjes van Alice in Wonderland en tientallen barbiepoppen in een houten kist. Eén was onthoofd. Gebruikten ze dit om te trippen? Gaapten ze hiernaar om hun roes te versterken? Zijn vrouw had gelijk: de buurman runt een schunnig drugskot!     “Ik wil niets,” fluisterde Marcel angstig met een schorre stem, “En ik heb geen geld.” Gelukkig lag zijn portefeuille thuis. Deze criminele gang wilde hem zeker bestelen. Naast zijn tafel stond een rek met potten klei, dozen stiften, flessen white-spirit en glazen bokalen vol glitters in felle kleuren. Wat een lef! De ingrediënten zomaar uitstallen? “Zie je wel, ze kochten de politie om,” mompelde hij, “Waarom negeerden die anders mijn waarschuwingen?” Eén van de vreemdelingen keek om en staarde achterdochtig met bloeddoorlopen ogen naar Marcel, die rood kleurde en hoopte dat hij niet ontmaskerd werd.     “Meneer Marcel, relax. Ik stel voor dat u begint met een mooie tekening. Dat ontspant.”     De drugsbaas schoof over het tafeltje een groot vel papier met lijntekeningen van een olifant die parmantig water spuit met zijn slurf en zette een doos kleurpotloden en een schaar voor de neus van Marcel. Was dit een test? Wilden ze dat hij coke versneed met een papierschaar? “Psychotherapeutisch centrum De Sleutel” prijkte in gedrukte letters bovenaan het blad. “Hoe verzinnen ze het?” siste Marcel, “Een creatieve dekmantel voor hun drugshandel!”     “Hier is alvast een plastic zak,” zei een assistent in witte laboratoriumjas, “Kan je straks je kunstwerkjes mee naar je kamertje nemen en aan je vrouwtje tonen.”     “Ik ben succesvol geïnfiltreerd,” dacht Marcel terwijl hij naarstig de poten van de olifant grijs kleurde, “Ooit rol ik dit netwerk op.”

TonyCoppo
82 3

De missie van Sint Amandus

“O, heilige AmaanHelp mij de drank te laten staan” Een ongebruikelijk verzoek aan de schutspatroon van de kasteleins. Doorgaans zijn kroeguitbaters hun eigen beste klanten. Een rappe peiling wijst uit dat de smeekbede uit het Noord-Franse Coucy komt: een oord dat ik ken, zo’n duizend jaar geleden heeft een devote volgelinge zich daar aan mijn reliekschrijn vastgeketend. Ze beweerde dat ze dankzij mijn voorspraak weer kon lopen. Ik heb het laten begaan, we waren tenslotte op een fundraising tour omdat een van mijn kloosters was afgebrand. Maar goed, “that was then and this is now”. Ik besluit voor een poosje het eeuwige met het tijdelijke te verwisselen en een bezoek te brengen aan mijn supplicant. Een bezoekje aan de Cloud om me te informeren hoe ik mij anno 2021 moet uitdossen levert een schat aan informatie op. Zoveel mogelijkheden om iemand te zijn! Ik kies na enig aarzelen voor een mainstream uiterlijk: ik word een donkerblonde dertiger met  halflang haar, gladgeschoren en een ietwat gezette lichaamsbouw. Ik had natuurlijk kunnen kiezen voor een vrouwelijk uiterlijk, een donkere huidskleur of een affiniteit met mijn eigen geslacht, maar dat zou mijn missie wellicht wat lastiger gemaakt hebben. Niks vooroordeel: ik heb vrouwen, kleurlingen en gays onder mijn beste vrienden, maar dat geldt niet voor alle bewoners van de eenentwintigste eeuw.  En met een beetje overgewicht hoef je niet meteen met Jan en Alleman te wedijveren. Bij mijn persona past een donkerblauwe Citroen Cactus, waarmee ik me zonder veel moeite vertrouwd maak. Omdat het leven in deze nieuwe tijd een stapel paperassen en documenten vereist, voeg ik ook een allespas aan mijn uitrusting toe. Dat is een document dat alles is wat de houder het wil laten zijn. Van paspoort tot rijbewijs, van diploma tot covidverklaring. Is natuurlijk niet voor iedereen weggelegd, maar voor Ons Van Boven een onmisbaar uitrustingsstuk. Ongemerkt materialiseer ik met mijn autootje op de stille buitenweg naar  Coucy; ik rijd het plaatsje binnen en parkeer mijn Citroen bij Hotel Bellevue, annex Restaurant La Pomme D’Or. Terwijl ik nog achter het stuur van mijn autootje zit te bedenken hoe ik mijn missie aan zal pakken – want het is inmiddels een missie geworden – komt er een droefgeestig ogende man het hotel uitgesloft. Hij neemt mij en mijn auto op, aarzelt even en komt vervolgens mijn richting uit. Ik laat het raampje zakken en groet hem vriendelijk. Hij vraagt:”Bent u van plan hier te overnachten? Want op deze plaats mogen alleen auto’s van hotelgasten staan, en dan nog slechts voor het in- en uitladen van bagage.” Hij lijkt de veertig enigszins voorbij, een melancholisch gezicht met twee bleekblauwe ronde ogen die permanente verbazing uitdrukken. Dit zou zomaar de man kunnen zijn die mij heeft aangeroepen. Zijn adem riekt weliswaar niet naar drank, maar hij heeft verder wel de nodige kenmerken van de professionele innemer. Bleke huid, slappe wangen, lippen die gemaakt lijken om zich om een borrel heen te stulpen, de forse neus aan de rode kant. Zijn kostuum oogt flets: het zwart niet diepzwart, het witte overhemd meer off-white, het vlinderdasje bij zijn boord laat de vleugeltjes hangen. Ik zeg hem dat ik inderdaad in het hotel wil overnachten, en in het restaurant dineren. Of hij een kamer en een tafel voor mij heeft? Het lijkt of de professie het even overneemt van de depressie: een glimlach, een vonkje interesse in de ogen. Hij opent het portier en zegt: “Natuurlijk, mijnheer hartelijk welkom. Uw bagage?” Ik zeg dat ik dat kleine koffertje zo wel pak, en volg hem, het hotel in. Mijn allespas vervult beurtelings de rol van paspoort, covidreisbewijs en creditcard, en ik krijg de sleutel van kamer 9. Nadat ik mijn auto op de cour heb gestald loop ik de brede eiken trap op naar mijn kamer. Die is klein, heeft uitzicht op het plein voor het hotel en ruikt naar groene zeep met een vleugje chloor. Douche, apart toilet, een krap bemeten “grand lit” met aan weerskanten een nachtkastje en een tafeltje met een fauteuiltje, alles in pretentieloos eiken uit de streek. Een Franse hotelkamer zoals er tienduizenden zijn. Tijd voor een nadere verkenning. Ik loop de trap af en vind mijn herbergier in het restaurant. Hij leunt op het buffer, in zijn rechterhand een glas – absinth, aan de kleur te zien. Ik vraag of hij mij een Duvel wil brengen en ga aan een tafeltje zitten. Als hij mijn bestelling neerzet, vraag ik of er veel te doen is. “Behalve u één gast, meneer. Helaas”. Ik wil weten of dat helaas de gast betreft, en ik zie zijn gezicht betrekken. “Moeilijkheden?” vraag ik, in een poging meer aan de weet te komen. Hij aarzelt, trekt dan een stoel bij en gaat zitten. “Ach, ik kan het u wel vertellen. Over een paar maandjes is het toch afgelopen.” Ik zwijg, wachtend tot hij verder gaat. “Weet u, ik ben de laatste van het hotel. Léon de Belfort. Ik run het samen met mijn Victorine, die de keuken doet. En gisteravond, bij het diner wilde de gast haar spreken. Ik dacht dat hij haar een compliment wilde maken – haar gebraden reebout is voortreffelijk – maar hij deed haar een voorstel voor hem te komen werken. Naar het schijnt runt hij een grote hotelketen. Hij hield haar een poosje aan de praat, en na het eten vroeg hij mij om een aperitief met hem te drinken. Na een halve fles Calvados vroeg hij mij om Victorines contract te ontbinden, en na nog een halve fles stelde hij voor erom te kaarten. Hij haalde een spel kaarten uit zijn zak, en aan het eind van de avond had ik alleen nog het hotel. Mijn Victorine zou met hem mee gaan, en het restaurant kan ik sluiten. Hij is nu met haar onderweg, laat haar zijn een van zijn luxehotels zien. Vandaag is voor mij het begin van het einde.” “Hoe heet die horecamiljonair?” vraag ik geïnteresseerd, want ik begin een vermoeden te krijgen dat hier meer aan de hand is. “Tan”, antwoordt Léon toonloos. “Hij heeft zich voorgesteld als Simon Tan. Was een beetje aan het rondreizen, en belandde hier, zei hij. Maar of dat echt zo is...” Ik wil weten wat hem meer aan het hart gaat: zijn keuken of Victorine. “Ach, weet u, we werken al bijna twintig jaar samen. En het was vaak ook best meer dan collegialiteit. Als het hotel leeg was, en de keuken alleen voor ons moest draaien, dan wilden we ook de bedden wel eens uitproberen. Dan deden we of wij onze eigen gasten waren, die zich een dagje uit veroorloofden. Maar de afgelopen jaren, met die covid en zo, is daar nogal de klad in gekomen. En dan komt er zo’n ellendige miljonair ....” Op dat moment gaat de deur van het restaurant open, en als op afroep komt het onderwerp van gesprek binnen, gevolgd door een struise blondine met krulletjes, die zich duidelijk op haar best heeft uitgedost. Tan is een elegante verschijning,  gekleed in een blauw kostuum, helrode stropdas, glad achterovergekamd zwart haar en het getrimde vijfdagenbaardje dat in het hier en nu blijkbaar verplicht is voor iemand die wat wil voorstellen. Maar ik besef meteen dat hij meer is. Ik ken hem onder vele pseudoniemen, en Simon Anton Tan is daar maar eentje van. Aan zijn gezicht zie ik dat hij mij ook herkent. Er glijdt een schaduw overheen, en even fonkelt er woede in de donkere ogen. Maar de mond maakt een glimlach, en hij groet vriendelijk. “Goedemiddag, heren”, zegt hij minzaam. “Ik zie dat het restaurant vanavond nog andere gasten heeft.” Léon knikt, zwijgend. Victorine kijkt van de een naar de ander, loopt vervolgens naar het buffet. “Dan zal ik me maar even in mijn domein terugtrekken”, zegt ze. “Want vanzelf bereidt het eten zich niet.” Ik loop op Tan toe, en steek mijn hand uit. “Ik zal me even voorstellen” zeg ik. “Amand van Maastricht”. De ander reikt mij een zorgvuldig gemanicuurde hand. “Simon Tan”, zegt hij. “Op vakantie?” “Ja en nee” zeg ik. “In mijn branche is het hele leven een vakantie, maar ben je ook constant bezig met dingen rechtzetten.” Onze blikken  kruisen elkaar, de openingszetten zijn gedaan. Tan heeft zich verontschuldigd, moest even op zijn kamer een aantal dingen afwikkelen. Léon zit op zijn kantoortje te somberen – ik hoop dat hij niet meteen naar de fles grijpt – en Victorine is in de keuken bezig, het avondeten klaarmaken. Ik gok zo maar dat ze zich voor Tan van haar beste kant wil laten zien en dat het ons aan niets ontbreken zal. Ik heb me eveneens teruggetrokken op mijn kamer om mijn strategie te overdenken. We zullen gevieren eten: met twee personeelsleden en twee gasten is het meer chambre d’hote dan hotel-restaurant, en toen ik dit arrangement voorstelde was iedereen het er mee eens,. Ook Tan, al was het dan schoorvoetend. Om half acht zitten we dus met zijn vieren aan de ronde tafel bij de schouw in het restaurant. Tan heeft voorgesteld een Moet & Chandon te openen, en hij heft het glas “op een mooie toekomst  voor alle aanwezigen.” Ik zie Léons gezicht verstrakken, maar hij zwijgt. Victorine kijkt naar hem, het lijkt alsof ze zich ineens realiseert dat de belofte die voor haar in vervulling gaat voor hem een vonnis is dat voltrokken zal worden.  Ze neemt een slokje en zegt: “als entree heb ik een zalmmousse gemaakt, die gaat mooi samen met de champagne”. Ze loopt naar de keuken, terwijl Tan haar met zijn blik volgt. De zalmmousse is overheerlijk, en wordt aanvankelijk zwijgend genuttigd. Een paar keer lijkt het of Victorine of Léon iets zeggen willen, maar zich op het laatste moment bedenken. Uiteindelijk wend ik me tot Tan, en vraag hem naar zijn bezigheden. Hij glimlacht, en zegt dat zijn métier in grote lijnen hetzelfde is als dat van Léon en Victorine, maar op een wat grotere schaal. Zijn imperium strekt zich over diverse landen uit, en varieert van vijfsterrenluxe tot intieme kasteelwaliteit. Ik vraag geamuseerd of ik dan aan een Amerikaanse president uit het recente verleden moet denken, maar Tan laat zich niet zo makkelijk strikken. “De doelstelling van elke hotelier is het mensen naar de zin maken,” zegt hij. “In mijn familie zijn we daar al heel lang mee bezig, ik zet gewoon de traditie voort.” Ik antwoord dat genoegen niet het enige is dat telt. Het gaat er ook om welke prijs je de mensen daarvoor laat betalen. Victorine stelt voor om de volgende gang te serveren, en ruimt samen met Leon af. Terijl Tan en ik zwijgend tegenover elkaar zitten, brengen Victorine en Léon de volgende gang op tafel: entrecote, gegrilde groene asperges en een peperonata. Léon loopt nog even naar achteren om een passende wijn te halen, en komt terug met een pomerol. “Chateau Hosanna” lees ik op het etiket, en ik moet inwendig grinniken. Zonder het te weten heeft Léon zijn en mijn opponent een kleine poets gebakken. Ik knik, en zeg: “Mooie keus, Léon. Wist je dat chateau Hosanna en chateau Pétrus dezelfde eigenaar hebben?” Léon kijkt me niet-begrijpend aan, maar ik meen een spoortje van irritatie op Tan’s gezicht te ontdekken. De entrecote is een culinair juweel, mals en geraffineerd van smaak, en de asperges en peperonata maken het gastronomisch palet compleet. Léon heeft de wijn ingeschonken, en ik besluit dat het tijd is voor de tweede ronde van mijn offensief. Terwijl ik mijn glas hef, zeg ik: “Victorine, ik breng een toost uit op jou en je culinaire talent. In de keuken en in het leven is het vuur vriend en vijand tegelijk: een vloek en een zegen. Niemand weet dat beter dan de heilige Laurentius, die  zelfs tijdens zijn vuurmarteling nog de spot met zijn beulen dreef. Zijn embleem is het rooster waarop hij stierf, moge dat embleem jou in je keuken geluk brengen.” Dit zeggende haal ik een zilveren roostertje uit mijn zak, en leg het voor de verblufte Victorine op tafel. “Er zitten magneetjes aan” zeg ik. “Je kan het op elke koelkast bevestigen.” Léon kijkt mij verbouwereerd aan, de blik van Tan is uitdrukkingsloos. Hij heeft nu door wat de inzet is en is daar niet blij mee. Wat aanvankelijk een routineoverwinning leek, blijkt nu bevochten te moeten worden. Gladjes zegt hij.”Een waardig compliment en een mooi gebaar. Ik sluit me daar graag bij aan.” Hij vermijdt mijn naam te noemen, maar heft het glas “op Victorine”. Victorine zelf is volkomen verbijsterd, pakt het zilveren roostertje op, betast het en legt het vervolgens terug op tafel. Regelmatig dwaalt tijdens het hoofdgerecht haar blik naar het roostertje, naar Lèon, naar mij en naar Tan. In stilte eten we gevieren ons hoofdgerecht op. Als dessert serveren Victorine en Léon een bosvruchtenbavarois, die eveneens in stilte wordt genoten. Het lijkt alsof ieder met zijn eigen gedachten bezig is, hoewel ik hoop dat de gedachten van Victorine en Léon dezelfde richting zullen uitgaan. Maar omdat je nooit blind kan varen op je eigen hoop of het benul van de mensen heb ik wel een slotoffensief ingecalculeerd. Terwijl Victorine afruimt en Léon koffie gaat zetten pak ik een spel kaarten uit mijn zak, en leg ze op tafel. “Wat dacht je ervan, Lucifer? Zullen we onder het genot van een kopje koffie en een Calvados een kaartje leggen? Ik denk dat je de inzet wel kunt raden. En ter informatie: deze kaarten zijn persoonlijk vervaardigd door Caspar, Melchior en Balthasar, de beschermheiligen van de speelkaartenmakers. Wel?” Mijn tegenspeler kijkt mij aan. Even flakkert er vuur in zijn donkere ogen, dan zegt hij: “Laat maar zitten, Amandus, deze slag is jou. Die koffie zie ik niet verschijnen – onze gastheren hebben blijkbaar wat anders aan hun hoofd. Mochten ze nog opduiken, vertel ze dan dat ik een dringende zakelijke oproep kreeg. En jij mag morgen mijn rekening vereffenen: één overnachting, twee diners, een fles Calvados.” Hij staat vermoeid op en loopt naar buiten. Zijn kamer zal morgen vermoedelijk leeg en ongebruikt zijn – net als de mijne.

bobcom
23 1