Lezen

Jij streelt de wereld + recensie Tip Van De Week

Jij streelt de wereld Jij streelt De wereld zacht Haar naam Op het papier gedrukt Lachende hondjes Zonder leiband iets Tekenen op je arm   -- recensie Tip Van De Week -- Tony Coppo tipt deze week “Jij streelt de wereld” van “Tony Coppo”.  "Tussen alle fantasierijke, bombastische en uitbundige teksten op dit platform, grijpt de eenvoud van het gedicht van Tony Coppo naar de keel. Met ‘Jij streelt de wereld’ schrijft hij een bedrieglijk simpele tekst, die niettemin een hele wereld aan betekenis oproept. Een oppervlakkige lezing laat indrukken na van identiteitscrisis, de strijd tussen mens en het woord en het verval dat daarmee gepaard gaat. Maar snel wordt duidelijk dat dit een veel persoonlijker gedicht is. De leiband in de laatste regel is een verwijzing naar ballast of trauma: mentaal afval waar de ‘jij-persoon’ geen afscheid van kan of wil nemen. De arm in dit gedicht doelt dus op het onleefbare leven van een mens. Actief en passief worden hier erg goed gebruikt. Alle werkwoorden zijn actief.  Ook de eerste zin zit vol leven en daadkracht: de aangesproken persoon streelt uit angst dat er schade zou zijn aan zijn of haar ego. Dit alles staat in contrast met het passieve vervolg van het gedicht, waarin de jij-figuur ondergaat, ‘gedrukt’ is zoals een stempel of een te vaak gebruikte stylo. De naam en het papier nemen hier de hoofdrol op en verzieken ‘de hondjes’. De versregel ‘Zonder leiband iets tekenen op jouw arm.‘ doet denken aan Willem Elsschot. Tony Coppo gebruikt materiaalmetaforen en het stadsleven om iets te zeggen over de aard van de mens. Slim om in deze zin hier het lidwoord te gebruiken en het woord ‘tattoo’ slechts te evoceren en niet daadwerkelijk neer te schrijven. Het ‘iets’ dat tekent, roept associaties op met een bloedend of rottend lichaam dat daarmee de hondjes onrustig maakt. Een kleine suggestie. In de laatste versregel was ‘jouw’ arm volgens mij treffender geweest. Het expliciet toewijzen van de arm aan de hoofdpersoon, maakt het gedicht des te pijnlijker. De draad van de eerste ( ‘jij streelt) naar de laatste versregel (‘jouw arm’) wordt hierdoor strakker gespannen. Niet alleen klankmatig [αu] is er zo een sterkere link , maar ook het contrast tussen de niet-ambigue ‘jij’ en ‘jouw’ enerzijds en het gebruik van ‘je’ (dat zowel als persoonlijk en als bezittelijk voornaamwoord kan worden gebruikt) in de rest van de tekst anderzijds wordt hier spannender. Kortom, een straf gedicht, dat door zijn lengte en eenvoud doet verlangen naar meer." Disclaimers: - Gedicht: voorpublicatie uit 'Tony Coppo - Het gat gedicht' (2022 - De Bezige Bij) - Recensie vrij naar 'Tip Van De Week' (02-06-21 Uschi Cop - Azertyfactor.be) - Literaire foto van Tony Coppo gegenereerd door GeneratePhotos (AI GAN)

TonyCoppo
119 4

Blond in de skilift

“Wat ski jij goed!” zegt ze terwijl ze bij mij in de lift springt. Het is nochtans niet druk en ze kan de volgende lege cabine nemen. Ze doet dat niet! Mijn tenen jeuken en knellen in de koude plastic botten die gemaakt lijken zodat de wintersportervaring me weken bijblijft.    Blonde lokken ontsnappen uit haar groene POC helm. Ze schuift haar sneeuwbril van haar gelaat naar de bovenkant van haar hardshell stormhoed. Haar blauwe kijkers reflecteren de winterzon en stralen haar warmte terug naar mij. Hoewel het vriest, krijg ik het tropisch warm.    “Dank je voor je compliment,” zeg ik.    Ik bloos. Toch blijf ik haar aanstaren. Haar pupillen spiegelen de Alpen levendiger dan zij echt zijn. Een gebreien sjaal verstopt haar slanke hals en verraadt fijne schouders. Ik moet wat slims toevoegen. Neen. Ik moet dat niet! Morgen neemt de bus me terug naar mijn vrouw en kinderen. Ze vouwt langzaam haar rood gestifte lippen open. Parelwitte tanden tonen zich fier.   ‘Wat ben jij lekker?’ kan ik toch niet zeggen? Ik zou haar jonge vader kunnen zijn. Kleine sproetjes dansen op haar wang als bij een vermenigvuldigingsdans op een huwelijk. Een feest met hamburgers, bier en ijsjes. Geen stijf banket. ‘Jij kan ook goed skiën,’ zou gelogen zijn. Ik had haar niet zien skiën.     Ik besluit: “Ik hou van jouw stijl.”    Oef. Dat kwam er vlotter uit dan ik had verwacht. Ik ben tevreden met mezelf en kan een voldane glimlach niet onderdrukken. De spieren in mijn nek ontspannen als vieren ze een overwinning. Zij schaterlacht.    “Jij bent grappig! Ik geef jou een compliment en jij houdt van mijn stijl?” Ze draait haar stokken in het rond alsof er een bij haar belaagt. We glijden over een bergriviertje bevroren tot stuk ijs. Zou het nog stromen? Of is het vloeien tijdelijk gepauzeerd? Sporen van wild zijn zichtbaar. Een beer gromt maar laat zich niet zien. Het is geen beer maar mijn maag die roept dat ze honger heeft.    “Ik vind je lekker... “    Ik staar dwaas naar haar. Droom ik nu? Begeert zij me ook? Zij vormde toch deze woorden? Vindt dit seksueel ontwakende wezentje mij aantrekkelijk? Mijn brein ziet ons al samen dingen doen die het niet mag verzinnen.     “... lekker skiën hé!”  Ze knipoogt en schuift wat dichterbij. Weer giert haar lach jeugdig opgewekt in de kleine cabine. Ze trekt haar handschoenen uit en legt haar vingers op de mijne. Een rilling glijdt over mijn rug. Mijn maagbeer blijft stil.    “Ik ben in voor een avontuur.” Ik hoor het mezelf zeggen, maar het voelt alsof zij het uitvond.     Haar lippen zijn om op te eten. Om van te smikkelen en te peuzelen zoals een kippenpootje waarvan het laatste vlees op is maar je toch probeert meer te krijgen. Ze wiebelt met haar Rossignol botten onwennig als een debutant aan een piano. Klaar om het geoefende stuk te spelen, maar toch weifelend om de eerste toets in te drukken. Ijsbrokjes glijden van haar broek op de metalen vloer van de lift. De sneeuw heeft vannacht meters wit geschapen. Weilanden verbergen zich onder dikke lagen zacht donsdeken. Het berglandschap vond zich heruit. Ik kan dat ook.    “Jij ruikt naar alpenweelde!” Het zijn mijn woorden die uit mijn mond komen waar ik me over verbaas. Ik heb geen idee hoe alpenweelde ruikt. Ik veronderstel aanminnig en verlokkend. Vertrouwen veinzend draai ik mijn hoofd dichter naar haar. Het eindstation komt in zicht.    Stoer steekt ze haar hand in mijn skibroek en zoent me. Haar lippen brandmerken de mijne. Mijn bretellen sputteren tegen maar blijken geen bescherming. Mijn tong verstijft wanneer ze ruw een haartje van mijn bil ontvreemdt. Ik voel me als een tijger die door een brandende hoepel springt met als beloning een mals stuk vlees. Ze bijt op mijn lip, in het kuiltje van mijn kin en hard in mijn hals.     De laatste examenuitslagen van mijn oudste dochter schieten door mijn hoofd. Zij zal haar eerste bachelor moeten overdoen. Mijn vrouw had gehuild. Ik was kwaad om dat verloren jaar maar nu voel ik genegenheid en vergeving. Ik wil dit overdoen. Dit mag, neen, moet levenslang duren. De ramen van de cabine zijn bedampt en echoën gehijg en gelukskreetjes. Ik sluit mijn ogen en glijd weg in een nieuwe dimensie.    Een snerpend geluid schuift de liftdeuren open. Met dezelfde sierlijkheid hoe ze in de lift wipte, joept ze er uit. Ze neemt haar ski’s, pleurt ze in de sneeuw, springt in haar bindingen en lanceert zich met haar stokken. Zonder om te kijken, skiet ze gracieus van de flank. Ik zit gebonden in mijn stoel. Zwitsers gevloek zet de werking van de lift bruusk stop. Slungelig hangt mijn broek vast aan de sluitingen van mijn botten. Mijn stok is geplooid door het mechanisme. Twee dikke mecaniciens in skibotten bevrijden me uit mijn geknelde positie. In mijn ooghoek zoeft ze met een sprongetje naar een volgende lift. Met mijn reiskoffers in mijn hand en mijn boots om mijn schouders staar ik naar de bergen. De buschauffeur roept dat de bus vertrekt.

TonyCoppo
21 2

Wat Karel nog genoodzaakt was te melden over Pientje

Wel get-ver-dem-me. Het potje, waar Karel zo zorgvuldig zijn straal in had gemikt, zoals voorgeschreven zijn eerste handeling na het opstaan, bleek, bij het openen van de rugtas op het bureau van de huisarts, niet zo goed te zijn dichtgedraaid. Met in zijn ene hand een vochtig dekseltje en in zijn andere hand een halfleeg potje stond hij er verloren bij.    ‘Lekker bezig,’ zei zijn huisarts. ‘Morgen nog een kans, het slaat niet op een dag.’ De arts liep naar een kabinet rechts in de hoek van de spreekkamer, naast het geopende gordijn voor de onderzoeksbank. Zij rommelde in een la en toonde triomfantelijk een schoon en vooral droog potje. ‘Doe je er voorzichtig mee?’ zei ze met een grijns en wees naar de gang. ‘Tweede deur rechts is het toilet als je nú aandrang hebt, maar verwacht je niet meer dan een paar druppels eruit te persen, dan graag thuis afvullen tot het streepje en morgen inleveren.’   “Zeikwijf,” dacht Karel en hij deponeerde de twee natte onderdelen in de prullenbak naast het bureau, waste zijn handen, pakte het schone potje en keek weer in zijn rugzak. Shit, zijn bammetje voor tussen de middag was prut, vettige gele kringen doorweekten het vetvrije papier om zijn lunch. Zijn notitieboekje onderin klonterde als dampend papier-maché.    De arts stond achter hem en zei: ‘Volgens mij heeft u klamme plekken op uw jas.’ Het vrolijke toontje irriteerde Karel. Dit was niet zijn dag, wat zouden zijn collega’s denken? De geur alleen al. Hij zou zijn jas op de gang hangen en niet over zijn bureaustoel, dat hielp misschien.    En het zal vast geen goede indruk maken op zijn Tinderdate. Karel had zijn bed verschoond, zijn kamer gelucht en de afwas gedaan, dan kom je niet stinkend naar pis aanzetten. Uurtje eerder naar huis om te douchen en nieuwe kleren dan maar.  Maar waar Karel het meeste mee zat, waar hij chagrijnig van was, wat zijn dag verpestte en waar zélfs geen tien succesvolle Tinderdates verschil konden maken, was het broodprutje in zijn rugzak. Niet het brood zelf was het probleem, maar de door urine doorweekte eiersalade.   Dit was geen gewone eiersalade. Het was zelfgemaakte eiersalade. In Karels familieclan was dit generaties lang de enige manier om eiersalade te maken. Met een klein beetje paprikapoeder, ui en een klein teentje knoflook voor extra pit. Zelfgemaakte mayo erdoor en stukjes augurk. Het resultaat was een kano door een waterval, veel wendingen en onverwachte schokken, niet zo flauw als die fabriekstroep. Oma Adelheid sloeg hem drie jaar geleden een bloedneus toen ze proefde dat hij de gore moed had om gember toe te voegen, het clanrecept was heilig. De reden van zijn chagrijn was Pientje, niet het heilige recept. In deze portie zat haar laatste ei, de laatste creatie van zijn favoriete rode ADHD kip die altijd vrolijk aan kwam lopen. Pientje was eergisteren door de Pitbull van de buren zó bewerkt dat de dierenarts haar een spuitje gaf. Na een korte sectie op het kippenlijk, bleek het ei, dat gelegd zou zijn als Pluto (hoe verzin je het?) niet was losgebroken, al volgroeid. De dierenarts peuterde Pientjes laatste ei uit het warme kadaver en dumpte het in de groene bak. Karel redde het uit de troep en nam het mee naar huis. En zijn tupperwarebakje eiersalade met het finale ei van Pientje was leeg, helemaal leeg. De laatste lik zat op zijn lunch en plakte nu met vetvrij papier aan de bodem van zijn rugzak.   Hij peuterde alles los en flikkerde de natte kwak brood in de prullenbak. Meestal gaf hij restjes brood aan de kippen, die aten alles. Juultje, Kwik en Tokkie waren nog over, maar om die de resten van de hun neefje of nichtje te voeren ging te ver.  Die kutarts had nog steeds dat arrogante lachje rond haar mond. ‘Morgen inleveren bij de balie, met de deksel vast alstublieft.’    Klote pis.

MCH
14 1

Eenzaamheid

Eenzaamheid, Een woord dat in deze tijd vaak gehoord is. Eveneens is het vaak gebruikt maar nog steeds is het een soort taboe om erover te spreken. Bij eenzaamheid denkt men vaak aan het oude mensje alleen in de leefruimte. De tv staat luid, er komt geen bezoek. Niet van de kinderen want die zijn aan het werk en niet van kleinkinderen. Je hoort er geen gesprekjes, geen luid gelach, enkel de stilte. Eenzaamheid is echter ook die jonge kersverse moeder die alweer een afspraak met haar vriendinnen heeft afgezegd omdat ze vermoeid is. Die zich alles ontzegt voor die schatten van kinderen. Graag zou ze wat bijpraten, of wilt ze een luisterend oor want die engeltjes worden ook wel eens duiveltjes. Vaak ziet men geen eenzaamheid in die kleine jongen. Hij die alleen zit op de speelplaats omdat anderen niet met hem willen spelen. Hij is een beetje ‘anders’ en daarom vreemd en beangstigend. Hoe die jongen het zelf aanvoelt, daar denkt men niet altijd aan. Dit zijn maar een paar voorbeelden van eenzaamheid. Vast en zeker kennen jullie nog andere. Het spijtige is dat het soms zo makkelijk opgelost kan worden door een klein beetje aandacht, een luisterend oor, een vrolijke ‘goede morgen’ en dat is echt zo. Zijn we niet allen eens een keer eenzaam geweest. Dat gevoel dat je snel wegmoffelt door een afspraak te maken met een vriend of vriendin. Niet iedereen kan dat echter en niet iedereen kan met zichzelf communiceren. Dat is geen handicap, dat kan je leren en mag je niet verstoppen.

Rosie DW
14 1

Enig kind

ik hou van mijn vlammend rode rok, mijn vuurrode vest mijn koraalrode kousen je kan niet naast, niet om me heen ik ben niet zoals jij een glimp babyblauw en dan weg   mama  houdt van groen, van haar grasgroene jurk naait ze een miniversie voor mij papa houdt van donkerbruin zoals van een bast waartegen je lekker leunen kan sterk als een stam toen haar groene tak met de eerstgeborene brak   toen het kind van het eerste bed lijkbleek teruggevonden werd     Zwarte lach ik ren de trap af naar beneê want daar ligt de eerste sneeuw pa en ma hebben erin gegraaid ze hebben een witte bal gedraaid ik kijk toe en begrijp niet goed hoe  leuk het is een bal te laten groeien tot een ijsman   ma heeft de grootste klaar pa zegt: stapelen maar bal twee komt boven op bal één en dan speel ik mee: ik zoek knopen voor zijn ogen een wortel voor zijn neus Limburgse kool voor een zwarte lach   als jij er nog geweest zou zijn hadden we samen vast dubbele pret gehad maar jij ligt ergens niet eens in een graf en ik ben sinds jouw dood kind af       De rouwkaart van vader   ik lees je naam boven die van mij voor het eerst op een rouwkaart je keert hiermee het tij   boven die van mij met een kruisje erachter je keert hiermee het tij in de hemel ben je poortwachter   met een kruisje erachter jaren doodgezwegen in de hemel ben je poortwachter even na de geboorte overleden   jaren doodgezwegen je zou mijn broer zijn even na de geboorte overleden terwijl ik jarenlang dacht enig kind te zijn   je zou mijn broer zijn voor het eerst op een rouwkaart even na de geboorte overleden ik lees je naam                            

Greet Langen
0 0

’t Benul dat iedere dag er maar 1 keer is en daar heb je ’t verstand van een kind voor nodig en pasta pesto slierten.

𝗩𝗲𝗿𝗵𝗮𝗮𝗹 𝗼𝘃𝗲𝗿 '𝘁 𝗯𝗲𝗻𝘂𝗹 𝗱𝗮𝘁 𝗶𝗲𝗱𝗲𝗿𝗲 𝗱𝗮𝗴 𝗲𝗿 𝗺𝗮𝗮𝗿 𝟭 𝗸𝗲𝗲𝗿 𝗶𝘀 𝗲𝗻 𝗱𝗮𝘁 𝗱𝗼𝗼𝗱𝗴𝗮𝗮𝗻 𝘃𝗮𝗻 𝗺𝗲𝗻𝘀𝗲𝗻 𝗻𝗶𝗲𝘁 𝗲𝗿𝗴 𝗶𝘀 𝘄𝗮𝗻𝘁 𝗲𝗿 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗻𝗼𝗴 𝗮𝗻𝗱𝗲𝗿𝗲 𝗺𝗲𝗻𝘀𝗲𝗻 (𝗲𝗻 𝗱𝗮𝗮𝗿 𝗵𝗲𝗯 𝗷𝗲 '𝘁 𝘃𝗲𝗿𝘀𝘁𝗮𝗻𝗱 𝘃𝗮𝗻 𝗲𝗲𝗻 𝗯𝗶𝗷𝗻𝗮-𝟲-𝗷𝗮𝗿𝗶𝗴𝗲 𝘄𝗲𝗲𝗿 𝘃𝗼𝗼𝗿 𝗻𝗼𝗱𝗶𝗴 𝗲𝗻 𝗽𝗮𝘀𝘁𝗮 𝗽𝗲𝘀𝘁𝗼 𝘀𝗹𝗶𝗲𝗿𝘁𝗲𝗻).𝘌𝘯 '𝘯 𝘧𝘰𝘵𝘰 𝘷𝘢𝘯 𝘮𝘪𝘫𝘯 𝘻𝘶𝘴, 𝘻𝘰 𝘪𝘦𝘮𝘢𝘯𝘥 𝘥𝘪𝘦 𝘯𝘯𝘪𝘦𝘵 𝘰𝘶𝘥 𝘮𝘰𝘤𝘩𝘵 𝘨𝘦𝘸𝘰𝘳𝘥𝘦𝘯. 𝘔𝘢𝘢𝘳 𝘥𝘪𝘦 𝘸𝘦𝘭 𝘩𝘦𝘦𝘭 𝘨𝘰𝘦𝘥 𝘣𝘦𝘨𝘳𝘦𝘦𝘱 𝘥𝘢𝘵 𝘫𝘦 𝘷𝘢𝘯 𝘪𝘦𝘥𝘦𝘳𝘦 𝘥𝘢𝘨 𝘸𝘢𝘵 𝘮𝘰𝘦𝘴𝘵 𝘮𝘢𝘬𝘦𝘯... 𝘻𝘦𝘭𝘧𝘴 𝘸𝘢𝘯𝘯𝘦𝘦𝘳 𝘫𝘦 𝘮𝘦𝘵 𝘔𝘳. 𝘉𝘦𝘯𝘻 𝘪𝘯 𝘱𝘢𝘯𝘯𝘦 𝘷𝘢𝘭𝘵 𝘵𝘪𝘫𝘥𝘦𝘯𝘴 𝘦𝘦𝘯 𝘷𝘦𝘳𝘳𝘢𝘴𝘴𝘪𝘯𝘨𝘴𝘣𝘦𝘻𝘰𝘦𝘬 𝘢𝘢𝘯 𝘫𝘦 𝘷𝘢𝘥𝘦𝘳 𝘦𝘳𝘨𝘦𝘯𝘴 𝘪𝘯 𝘋𝘶𝘪𝘵𝘴𝘭𝘢𝘯𝘥 (𝘦𝘯 𝘫𝘦 𝘣𝘦𝘴𝘦𝘧𝘵 𝘥𝘢𝘵 𝘫𝘦 𝘨𝘦𝘦𝘯 𝘵𝘰𝘶𝘳𝘪𝘯𝘨 𝘸𝘦𝘨𝘦𝘯𝘩𝘶𝘭𝘱 𝘢𝘣𝘰𝘯𝘯𝘦𝘦 𝘣𝘦𝘯𝘵)."Waarom zijn jullie groter dan mij?", mijn zoon Julien aan de eettafel gisteren met een sliert pasta pesto uit zijn bek. Balancerend op één been, te groot voor de kinderkruk en te klein voor de grote-mensen-stoel... dus dan accepteer je als moeder het 'gehannes' aan tafel. "Omdat wij ouder zijn dan jou", wordt het snelle antwoord.Ik zie dat de uitdrukking in Julien zijn ogen nogal vragend lijkt dus ik vul aan. "Ja, ooit waren wij ook zo'n kindje zoals jij." Hij begrijpt het, lijkt het, dus ga ik verder "... en onze ouders waren ook kindjes ooit". Julien gooit zijn handen in de lucht (nét niet met de pasta pesto slierten). "oooh en dat gaat zo de hele aarde door en oude mensen gaan dan dood?". Ja, oude mensen gaan dan dood, en zieke mensen ook. En helaas soms ook mensen die er niet voor gekozen hebben, zoals door een autobotsing. Er wordt verder gegeten, half zittend op de stoel.Komiek... "Dat gaat zo de hele aarde door: geboren worden, je leven, nieuw leven geven, doodgaan". Ofwel.... we zijn allemaal een nieuw begin, en daarmee zijn we dus zelf in staat om iets nieuws op de wereld te zetten.De dag werd gisteren afgesloten met knuffelmomentjes met zoonlief en lieflief en de laatste minuten voor bedtijd met m'n zoon in m'n armen in een donkere kamer. En alsof hij mijn gedachtes kan lezen zegt hij de woorden "Maar mama is niet erg hé dat mensen doodgaan, want er zijn nog altijd heel veel andere mensen."We hollen maar door met nieuwe technologieën, met verlengen van ons leven, met forceren, met ongelukkig zijn of té gelukkig zijn. Met geloven en genieten, met onrust en depressie. We rennen al zeurend rond over onzekerheden en pronken over zekerheden. Als een kip zonder kop op zoek naar zoveel mogelijk ervaringen om in de rugzak te stoppen... We zijn netjes, misschien te netjes, in het omgaan met mensen die slecht voor ons zijn, want weet je 'opvoeding' en 'waardes & normen' enzo..En waar 't mij eigenlijk om gaat in dit vertelsel: iedere dag komt maar 1 keer, en daar is eigenlijk best wel goed over nagedacht.

SilkeGeerts
14 2

Euthanasie. En de bloemenvorming op haar huid

1 maart 2015 vs. 1 maart 2021. Bijna zes jaar geleden. Om stipt 15:00 op de eerste maart schreef ik op www.marijkegeerts.be de woorden: ‘Marijke… Men zussie… Voor altijd in mijn hart!’. Totaal niet wetende wat de toekomst me zes jaar later zou brengen en totaal niet beseffend – op dat moment – dat de woorden ‘voor altijd’ voor mij een andere betekenis hadden dan voor haar, m’n zus. Excuseer mijn onnavolgbare gedachtekronkel. ‘T is snel neergepend want het moet uit mijn systeem en af mijn schouders. Ik moet vertellen wat er op mijn hart ligt, elke twijfel, elke gemiste kans. Elke niet gestelde vraag. Die eerste maart tweeduizendvijftien. Onbeschrijflijk… Ik word wakker zoals een normale ochtend en ineens komt dat besef achter ’t hoekske kijken. Zoals Julien, mijn zoon, soms achter de deur staat om me te doen verschieten (ich shrik mich sjtief, zoals ze dat dan in Voeren zeggen – mijn huidige habitat na een leven van zoektochten en verplaatsingen). Dus dat besef komt om ’t hoekske loeren, niet zoals Julien om te lachen of te zwanzen; nee, ‘serious business’ dit! Zo’n besef waarvan de haren rechtop gaan staan. Zo’n besef waarvan je kippenvel krijgt. Het besef dat toen, die ochtend van 1 maart, luid en duidelijk zei “Vandaag is de dag dat Marijke de laatste keer haar ogen opent. Vandaag is de laatste dag dat je zus een nieuwe dag zal starten. Vandaag is de dag dat je een laatste keer met je zus kan babbelen.” En wat doe je dan, hartstikke zwanger op dat moment? Je gaat naar de bakker. Want het is zondag. En je ontbijt, want dat gebeurt nu eenmaal. Met een zachtgekookt eitje (4 minuten). En je bent stil, want het is een situatie waarin we ons niet thuis voelen. ‘Voor altijd…’ Ik zou een boek kunnen schrijven over de periode vóór en ná 1 maart 2015. Ik zou een hoofdstuk besteden aan 1 maart zelf. Zelfs na zes jaar voel ik nog exact hoe alles ging. Hoe we met het gezin buiten stonden bij Coda. Hoe we ieder om toer nog even op audiëntie bij Marijke mochten, niet wetende wat die laatste woorden waren tegen de ander. Zo’n beetje geforceerd was dat. Niet helemaal beseffen wat er gebeurde. Of ’t niet accepteren… Het niet wíllen accepteren misschien? Bij mij was het eerder ontkennen van de ernst van de situatie, daar ben ik goed in. Vooral als ik daarmee m’n eigen emoties de baas kan blijven. Dus ik heb dat moment niet met de volle 100% benul beleefd, dat is wat ik wil zeggen. En dat vind ik jammer. Nu, bedoel ik dan, niet toen. Want toen was het gewoon een gesprek zoals ervoor. Zoals die dagen ervoor. Marijke woonde in Coda hospice, in alle warmte van de lieve mensen daar. Coda: een ‘bijna thuis huis’ met een huiselijke warme sfeer. Ik wijk van de rode draad af, die rode draad die er niet is. Weet je nog? Dat andere verhaal? Ik wijk af. Het moet februari 2015 geweest zijn. Met de nichten en neef gingen we een hapje eten bij Danny Vanderhoven in Lanaken. Aan dé ‘chef’s table’ zaten we. Marijke ook. En een handgedraaide dame blanche voor Julie, mijn nicht. Ook 2 baby’s in de buik (niet in dezelfde buik), nog onbekend voor de rest, wel bekend voor Marijke – zo bleek achteraf! En daar ga ik weer van het padje af… Dus het was februari 2015, heerlijk eten en Marijke kwam die avond naar mijn toenmalige woonplaats in Margraten (NL). Marijke bij me in bed, zoals we dat vroeger deden. Ze voelde zich niet lekker de dag erna en werd met de auto naar huis gebracht zodat ze niet met de trein moest. Zou ze toen al geweten hebben dat dát de laatste autorit van Margraten naar Schoten was? Ik was er zelf niet mee bezig, ik kreeg een appje dat ze thuis was en dat haar chauffeur een Schotense koffiekoek voor me zou meenemen. Voor mij, dat hoopje ellende, dat toen met 3 koortsblazen, verstopte neus en migraine op de zetel lag. Met een berg papieren zakdoeken om me heen. “Laat je zakdoeken niet rondslingeren”, appte ze nog. Dus abrupt stond ik op om snel de zakdoeken in een soort van vuilbak te doen (een emmer die toevallig in de buurt stond). Het moet een paar dagen later geweest zijn dat ik bericht kreeg dat ze naar spoed was gebracht. De details zijn me altijd onbekend gebleven, beschermen van ‘het kleine zusje’? De pijn was te hevig en de weken nadien gingen razendsnel en tergend traag voorbij. Razendsnel omdat ik niet volgde wat er gebeurde. Tergend traag omdat ik niet wist wat er gebeurde, en dan word ik ongeduldig, nog steeds. En dat ervaar ik dan als hinderlijk. Zo denk ik erover als ik terugdenk aan toen. Volgende halte voor haar was Coda. “We naderen de eindhalte van dit traject. Gelieve de tram te verlaten.” Ik pakte mijn boeltje in Margraten en ging met een zwangere buik richting Schoten in Mr. Beetle. Logeerde dagenlang op het bedje in de kamer van Marijke. Ik werkte er vanaf mijn laptop, haalde koffie in het verplegingshuisje. Ik ging eens wandelen of ging naar Schoten. Hoe hard ik ook mijn best doe op dit moment, vroeg in de ochtend, het lukt me niet om de details boven water te halen. Rouwen is herinneringen anders leren vasthouden. Laten we ’t daarop houden. Dat moment dat ze nog een avond en nacht naar huis mocht. Daar denk ik nu aan. Vrienden over de vloer en pizza. De inhoud van de gesprekken zijn me ontgaan, wel is me de gezelligheid bijgebleven. Zou ze toen beseft hebben dat het de laatste keer was? Iedereen ging huiswaarts, de laatste keer dat ze de oprit van het huis waar Marijke woont afliepen terwijl Marijke er nog was. ‘s-Ochtends de laatste rit van Schoten naar Coda, voor haar. Die mooie jurk van King Louie aan de kast in haar kamer, de geurstokjes van Rituals op het kastje naast het bed. De bruine schoenen voor bij de jurk, die ze uiteindelijk niet heeft kunnen aandoen vanwege het opzwellen van de voeten. Dat laatste heeft ze nooit geweten. “Marijke, het einde komt in zicht, binnen een paar dagen zal je vertrekken.” De dokter. En met zo’n eenvoud werd zondag 1 maart geprikt. Alsof er simpelweg een afspraak werd gemaakt. Verontwaardigd was ik over de manier waarop met – een voor mij ogenschijnlijke – koelte de datum werd geprikt. “Zondag ok?”, “Ja prima”. Zo is het waarschijnlijk niet gegaan, zo is het wel bijgebleven. Het regelen van de begrafenis – op 7 maart – deed ze zelf, met een beetje hulp. Van muziek tot tekst. Tot locatie (parochiezaal naast de chiro). Marijke regelde het wel. Mijn omgeving, vrienden, kennissen die me wilden steunen; ik irriteerde me eraan, je weet wel hoe ik ben, toch? Laat me met rust en laad me met rust. “‘T is ok. Liever zo, dan dat ik een telefoontje krijg dat ze onder een auto is terechtgekomen.” Dat vertelde ik dan, en ook die zin heeft deze week een extra dimensie gekregen na het overlijden van Loes, een 7-jarige, in het Schotense verkeer. #voorloes. En dan nog een 2-jarige die zomaar het leven losliet zonder enige waarschuwing op het tuinterras bij zijn oma en opa. Baby James, ik ken je niet maar ik denk aan je. Dus voor mij, Silke, was het ok en is het nog steeds ok. Het was een oke-ige omstandigheid om zo mijn enige zus te moeten laten gaan. Mijn hand op haar arm, mijn papa naast me, mijn mama tegenover me, Johan erbij, Dorre, en anderen in gedachten. Teddy – voor mijn ongeboren zoon – onder haar arm. Een spuit en een diepe ademhaling, beetje snurkend. Ik weet nog dat ik daar even om moest glimlachen. Nog een spuit en een zucht. Stilte. Klaar. Finito. Gepiept. Schluss damit. Verleden tijd. En dan de bloemenvorming op haar huid. “Was het dat?” Dit wordt te lang hier en ik snak naar thee. Zit ik hier op mijn telefoon dit neer te tikken met tranen in de ogen. Zes jaar later. Julien heeft een logeerpartijtje met zijn schoolvriendje Yves. “Ik ben bang”, hoorde ik Julien zeggen. “Maar ik ben bij je, en ik kan karate!”, fluisterde Yves terug. En zo gaan de dagen gewoon verder. Hoe fucked up is dit? “Ik ben dood”, zegt de één. “Hoe kóm je er in godsnaam bij?”, zegt de ander. En hij gaat naast de één zitten, legt hem uit wat hij wél is, slaat zijn armen om hem heen, streelt hem, wiegt hem, slingert hem in het rond, valt met hem op de grond – schaterlachend, probeert zich los te wringen, schreeuwt… alles aan hem doet pijn. Want niets is zó ingewikkeld als niet dood zijn. Niet van mijn penTranen wegvegen. Een geforceerde glimlach. Klaar. Finito. Gepiept. Schluss damit. Verleden tijd. En de bloemenvorming op haar huid vereeuwigd in mijn gedachten.

SilkeGeerts
13 1

Weg voor altijd

Tara keek naar links en hoorde het oorverdovende lawaai van een passerende trein. Ze voelde de wind op haar handen en gezicht, die ijskoud aanvoelden. In de verte hoorde ze weer een geluid en toen ze ernaar keek zag ze dat er weer een trein het station binnenreed. Hij verminderde vaart en stopte op haar perron. Tara bedacht zich geen moment. Ze sprong op en liep snel de sprinter in. De warmte kwam haar tegemoet. Ze zag dat hij richting Maastricht ging. Tara ging zitten op het eerste plekje dat ze tegenkwam. Voor haar gevoel duurde het eeuwen voor de trein begon te rijden en ze irriteerde zich mateloos aan de vier dames die in de stoelen naast haar luid zaten te discussiëren. Eindelijk voelde ze dat ze vooruit bewoog en eenmaal het station uit zag ze het landschap steeds sneller aan haar voorbijgaan.  De rails was niet helemaal op vlak terrein gebouwd, dus voelde Tara dat de trein lichtjes gekanteld werd. Ralf. Ze voelde druk op haar borst en had moeite om lucht te krijgen. Ze zou er alles voor over hebben om hem nog één keer te voelen. Aan te raken. Hem alleen maar te zien. Ze hoorde niets meer en had het gevoel dat ze een hartaanval kreeg. Waarom hij? Waarom moest het haar verloofde zijn die ging? Haar hart klopte in haar keel. Eindelijk reden ze weer normaal. Het waren de kleinste dingen die haar aan het ongeluk deden denken. Langzaam keerde ze terug naar het heden. Ze voelde dat ze bezweet was en toen ze opkeek zag ze dat er ineens een man tegenover haar zat. Zijn mond bewoog. ‘Wat?’ Vroeg ze. ‘Gaat het oké met u?’ Herhaalde hij. ‘U leek even heel ver weg.’ ‘Ja… Ik ben oké.’ Tara, die nog steeds niet helemaal bekomen was, excuseerde zich snel even naar de toilet. Onderweg zag ze dat de trein stilstond. Ze snakte naar frisse lucht en snelde naar de dichtstbijzijnde deur. Ze dacht even na, maar haar behoefte om uit dit voertuig te gaan was zo groot, dat deze overwon. Met haar tas om haar schouder geslagen stapte ze uit. ‘Vught’ Las Tara. Ze liep naar de uitgang van het station en ging op de trap zitten. Ze wilde naar Eindhoven AirPort. Maar hoe ging ze daar komen? Het enige wat ze tot nu toe had kunnen denken was: WEG. Ze moest daar weg. Wat ze had gedaan was verschrikkelijk. Ze walgde als ze er aan dacht. Ze moest weg. Weg uit Den Bosch en weg uit Nederland.  Tara liep door de koude, stille straten van Vught. Ze voelde zich niet langer veilig. Ze had geen idee hoelang ze daar al liep toen ze ineens tegen een hoog, massaal gebouw opliep. Het was van beton en ze zag voor sommige raampjes tralies. Tara keek omlaag en zag een bordje: ‘Penitentiaire Inrichting Vught’. Weer kreeg ze het warm en voelde ze diezelfde enorme druk op haar borst. Ze kon het gevoel dat ze hier hoorde niet ontkennen. Misschien moest ze het maar opgeven en zichzelf aangeven. Wat moest ze anders? Had ze zichzelf nou echt wijsgemaakt dat ze weg kon rennen van de politie? Misschien was dit nog de beste oplossing. Maar net op het moment dat Tara naar voren wilde stappen, zag ze een paar agenten naar buiten komen. Ze verloor direct alle moed die ze verzamelt had en rende zo snel ze kon weg. Ze rende en rende, voor haar gevoel duurde het wel een uur voordat ze de moed had om te stoppen. Nou ja, eigenlijk had ze geen keus. Haar lichaam was op. Het liefst ging ze hier liggen en stond ze nooit meer op. Maar Tara moest verder. Ze had geen geld voor een overnachting, het kleine beetje dat ze nog had moest ze sparen voor de reis. Ze kroop tegen de etalage van een winkel aan en sloot haar ogen.  Tara droomde die nacht wat er was gebeurd in het ongeluk met Ralf. Ze droomde hoe ze met hem op de parkeerplaats stond voor het café waar ze altijd kwamen. Ze namen net afscheid van hun bevriende stel Marijke en Jonas. Nu stapte Ralf in de auto en ook zij opende haar portier. Ralf reed wel vaker met wat te veel op, dus zorgen maakte Tara zich niet. Tenminste, niet op dat moment. Nu schreeuwde alles in haar dat ze dit niet moest doen, dat ze weg moest uit deze hele situatie, maar haar ledematen luisterde niet. Tara was machteloos. Ze wist dat dit niet goed was, dat nu het verschrikkelijke stuk zou komen, maar ze was als verlamd. Ze kon zich niet verroeren. Hoe moest ze zichzelf en Ralf nou waarschuwen? Maar het was als een film. Ze kon alleen naar haarzelf en Ralf kijken. Ze kon niet uitstaan hoeveel lol ze hadden. ‘Kijk nou uit!’ Wilde Tara roepen, maar er kwam geen geluid uit haar keel. Het regende erg hard, dus het was enorm glad. Ralf reed veel te hard uit zijn enthousiasme en de auto slipte. Hij kreeg net op tijd weer de controle over het stuur wanneer hij zag dat hij een tegenligger had. Met alle macht week hij uit, maar door de gladde weg kon hij niet meer terugsturen. Langs de weg lag een berm en Tara voelde dat ze schuiningen en er als het ware in werden gezogen. Het duurde allemaal in een fractie van een seconde, maar het leek wel uren te duren. Het laatste wat ze voelde was een klap. Daarna werd alles zwart. Tara werd met een schok wakker. Ze was bezweet en haar hart racete alsof hij net de marathon had gelopen. Het duurde even voor ze zich had gerealiseerd dat het een droom was. Ze herinnerde zich weer waar ze was en wat er de vorige dag was gebeurd. Hoe Marijke langs was geweest en ze in deze prut terecht was gekomen. Waarschijnlijk waren ze nu al wel naar Tara op zoek. Langzaam kwam ze uit haar verkrampte houding. Al haar spieren deden pijn van de harde grond. Tara keek om zich heen. Er waren wat lantaarnpalen die brandden en ze kon zien dat ze in een soort klein winkelcentrum lag. Ze had geen idee hoe laat het was, maar ze wist dat wakker blijven geen zin had. Ze probeerde nog te slapen, maar veel geluk had ze niet. Ze kon de slaap niet vatten.  Ze merkte nu pas dat haar maag rammelde en nam wat te eten van de karige voorraad die ze bij zich had. Ze had spijt van de weinige hoeveelheid spullen die ze mee had genomen, maar op het moment dat ze moest vluchten was er geen tijd voor veel overwegingen. God zij dank had ze nog haar fake paspoort meegenomen. Anders had ze nu nooit per vliegtuig naar het buitenland kunnen vluchten. Soms was de drugshandel die Ralf dreef toch nog handig. Ook al had hij haar al tienduizend keer beloofd te stoppen. Er waren steeds weer smoesjes zoals: nog één grote klus, dit is een heel rijke klant, dus dan kunnen we lekker op vakantie in de Bahama’s, oké? Hij keek daarbij altijd zo lief dat Tara hem wel moest geloven. Toch hadden ze voor de zekerheid neppe paspoorten laten maken, voor als ze een keer heel snel moesten vluchten omdat er iets misging. Die kwamen nu zeker van pas. Ze had geen tijd gehad om te kijken welke van haar was toen ze de paspoorten uit de kluis haalde, dus had ze ze allebei maar meegenomen. Ze greep in haar tas en kon in het donker moeilijk lezen. Wel kon ze Ralfs foto onderscheiden. Ze voelde de tranen weer prikken in haar ogen, maar liet ze niet toe. Ze moest nu niet huilen. Ze hoorde het Ralf nog zo zeggen: ‘Als je alleen maar huilt om de dingen die er niet meer zijn zul je nooit gelukkig worden.’ Daar had hij wel gelijk in, maar het maakte het alleen niet makkelijker.  Toen het een beetje lichter begon te worden stond Tara op en liep in de richting van het treinstation. Hoewel het haar benauwde, had ze geen andere keus, ze zou wel met de trein moeten. Een ander vervoersmiddel had ze niet en een taxi was te duur. Gelukkig ging de reis beter dan de vorige rit. Ondanks het onprettige gevoel, was er niets vervelends gebeurt. Wel hadden een paar mensen haar raar aangekeken, wat ook niet zo gek was, haar haar was immers ongekamd en haar kleding vies. Ze had zich daarom ook in de wc omgekleed en geprobeerd om zonder borstel haar haren een beetje te fatsoeneren. Daarna was ze languit in een stoel gaan zitten en was ze een beetje ingedut. Ze was wakker geworden van de man die eten verkocht en dit luidkeels liet merken, en gelukkig maar, want ze zag achter hem de conducteur komen om alle kaartjes te controleren. Snel had ze haar weinige bezittingen bij elkaar geschraapt en was de coupé uitgelopen. Het was de bedoeling dit zo nonchalant mogelijk te doen, maar in werkelijkheid bonsde haar hart in haar keel. Ze liep naar de wc en sloot de deur. Na ongeveer een kwartier hoorde ze dat ze waren aangekomen op station Eindhoven. Ze had nog gewacht totdat de trein helemaal stilstond, voordat Tara langzaam de deur open deed. Er was niemand te zien dus liep ze snel de trein uit. Ze ging de roltrap af en liep naar links. Ze keek eenmaal aan de achterkant naar buitengekomen welke bussen er hoe laat gingen en zocht een plekje tussen de mensenmassa. Het was nog vroeg, zo rond half negen, dus er waren vooral mensen die op dit moment naar hun werk gingen. Voor hun was dit een doodgewone dag, een uit duizend andere precies dezelfde dagen. Maar Tara’s leven stond sinds een dag op haar kop. Als ze nou gewoon terug kon gaan in de tijd, als Marijke nou gewoon één dag later naar haar huis was gekomen, was ze er al niet meer geweest, ze was al langer van plan om naar haar moeder op Kreta te gaan voor een vakantie, maar het kwam er maar niet van. Echter toen Ralf verongelukte wist ze zeker dat ze wat tijd bij haar moeder nodig had. Die éne dag, had letterlijk het verschil gemaakt, tussen leven en dood. Het bleef zichzelf maar opnieuw afspelen in haar hoofd, ook al probeerde ze het uit te schakelen, het was als haar droom, ze kon niets doen. Ze móést kijken. Ze zag hoe ze haar bagage voor het ruim al klaar had en naar de foto van Ralf keek. Er sprongen spontaan tranen in haar ogen. ‘Waarom hij? Waarom moest hij opslag dood zijn na één stom ongeluk? Waarom mocht ik niet in zijn plaats zijn gegaan? Hij is dood en het enige wat ik heb zijn een paar schrammen. Waarom is het leven zo oneerlijk? Ik heb nu niemand meer.’ Dacht ze. Tara hoorde beneden de deur dichtslaan. ‘Tara? Tara kun je even komen? Ik- ik moet met je praten...’ Het was de stem van Marijke. Tara had haar niet meer gezien sinds de begrafenis 2 dagen geleden. Ze vond dat Marijke afstandelijk deed tegenover Tara. Ze was haar niet eens komen redden toen het haar te veel werd tijdens haar speech. Ze kon haar tranen niet meer in bedwang houden. Het was Jonas die uiteindelijk naar haar toe kwam om de rest van Tara’s speech voor te dragen. Marijke zat daar maar, als verdoofd met tranen die over haar wangen rolden. Kon ze dan niet zien dat dit nog zoveel erger was voor Tara? Marijke was een vriend kwijt, maar Tara de liefde van haar leven. Ze zuchtte en pakte de grote tas die ze mee ging nemen als handbagage. Ze legde de foto er zorgvuldig in en raapte al haar moed bij elkaar. Langzaam stond ze op en liep de trap af. Marijke stond een paar meter van de voordeur verwijderd met haar handen op het hengsel van haar handtas. Alsof ze van plan was een bom te doen ontploffen en dan snel te vluchten. Ik had alleen geen idee dat dat ook zo was. Marijke stapte naar voren. Schoorvoetend begon ze: ‘Luister Tamara,’ Tara wist dat het wel heel serieus moest zijn als ze haar bij haar volledige naam noemde. ‘Ik wil je iets vertellen waarvan ik niet wist of ik het wel moest doen, maar ik vind dat je het recht hebt om te weten hoe het echt zit. Het is namelijk zo...’ Tara zag dat ze haar tranen probeerde in te slikken. Marijke aarzelde en wachtte even, maar begon toen te vertellen: ‘Ralf en ik hadden een affaire. We waren van plan weg te gaan. Naar Amerika. Hij kon daar...’ De rest hoorde Tara niet meer. Het was alsof Marijke het laatste kleine beetje dat over was van haar hart had verbrijzeld. Tara had liever gehad dat ze binnen kwam en een mes in haar hart stak. Dit was veel erger. Ze voelde de boosheid, pijn en vooral alle machteloosheid die Tara al had opstapelen tot een grote hoop, en wat Marijke toen zei was de enige vonk die nodig was om iets wat eerst enkel een weerloze stapel brandhout was, te laten ontvlammen tot een hellevuur. ‘Ik ben zwanger en ik- ik weet dat Jonas geen kinderen kan krijgen, dus is Ralf de va-‘ Een woede waarvan Tara niet eens wist dat hij in haar zat nam haar hele lichaam over. Ze zag niets meer, behalve Marijke. Ze hoorde niets meer, behalve haar eigen hartslag die met 200 slagen per minuut door haar lichaam raasde. Het enige wat Tara dacht was dat ze stond tegenover de duivel. Ze kon niet meer nadenken. Het volgende moment dat ze zich kon herinneren keek ze Marijke aan, die blijkbaar iets zei, aangezien haar mond bewoog, maar Tara hoorde niets... ze voelde een brandende pijn opkomen uit haar keel. Ze moest vast haar longen uit haar lijf hebben geschreeuwd, maar ze herinnerde zich niets. Haar vuisten deden pijn en waren bebloed. En nog steeds zag Tara maar één gevaar. Één vrouw die met enkele woorden meer schade had aangericht dan alle soldaten op de hele wereld bij elkaar konden. Nu was er nog maar één ding wat Tara moest doen om ervoor te zorgen dat dat gevaar voor altijd geweken was.  Ze voelde dat ze overal zweette. Ze voelde onder haar een koude harde ondergrond. Hoe ze daar was gekomen wist ze niet meer. Langzaam keerde Tara terug naar het heden. Ze opende haar ogen en zag dat er een vrouw van middelbare leeftijd over haar gebogen stond die haar mond bewoog en een telefoon aan haar oor had. Tara moest wel weer een paniekaanval hebben gehad. Heel langzaam drong het tot haar door waar ze was. Ze was aan de achterkant van het station in Eindhoven. Er stonden een heleboel mensen om haar heen en de vrouw met de telefoon in haar hand keek bezorgd. Tara kreeg door dat de vrouw 112 gebeld had. Maar dat kon niet! Dan kwamen ze erachter dat ze voortvluchtig was! Ze moest hier weg. In haar paniek stond ze snel op en rende met haar spullen zo goed en zo kwaad als het ging weg. Ze rende zonder een idee te hebben waar ze naartoe ging. Ze voelde diezelfde kant in zichzelf naar boven komen als toen. Toen Marijke daar voor haar stond. Het was een donkere kant van haarzelf waarvan ze nooit had geweten dat ze hem had. Een duivel in haar die het roer overnam.  Eindelijk stopte ze met rennen en stond stil. Rustig Tara. Wordt rustig. Dit is een drukke stad en mensen mogen niks doorhebben. Ze probeerde zichzelf te kalmeren. Wat moest ze nu doen? Hoe wilde ze bij het vliegveld geraken? De bus? Nee, ze had al geen pinpas en OV-chipkaart meegenomen omdat de politie die kon traceren. Met de trein kon ze nog zwart rijden, maar met de bus was dat veel te opvallend. Een auto of de fiets? Hoe moest ze daaraan komen? Langzaam begon Tara’s hoofd te panieken. Ze voelde door haar hele lichaam stress en wist niet wat ze moest doen. Eerst weer kalmeren, dacht Tara.  Ze zocht ergens langs de weg een plekje met gras op en ging zitten. Ze keek voor zich en zag het enorme Philips stadion staan. Ze wist nog dat ze helemaal in het begin van hun relatie met Ralf hier naar een concert was geweest. Alle herinneringen kwamen weer als een stroom terug. Wat miste ze hem. Ondanks het verhaal van Marijke kon Tara niet ontkennen dat ze nog steeds ontzettend veel van hem hield toen hij stierf en nu. Ze had zich nu al duizend keer afgevraagd of hij ook van haar gehouden had. Was het allemaal voor de show? Of was het verhaal van Marijke een leugen? Het enige wat ze niet kon verklaren was, als het verhaal van de verhouding verzonnen was, waarom Marijke dat dan in hemelsnaam zou beweren. En zonder antwoord op die vraag, had ze geen andere optie dan het wel te geloven. Wat moest ze nu? Had het überhaupt wel zin om door te gaan zonder hem? Maar Tara wist ook dat ze geen keus had. Ze moest door. Denk na Tara. DENK NA!  ‘Hallo? Gaat alles goed?’ Tara keek op. Waarschijnlijk moest ze er wel heel wanhopig uitzien, want de vrouw die voor haar stond keek nogal bezorgd. Tara nam haar goed in zich op. Ze leek haar rond de 25. Ze had een lief gezicht en haar lange bruine haren stonden alle kanten op. Ze droeg een simpele spijkerbroek met een groen T-shirt en had twee volle boodschappentassen bij zich. Tara realiseerde zich dat ze al een paar seconden het meisje aan zat te staren en stond snel op. ‘Ja, het gaat wel.’ Dit was natuurlijk een antwoord dat om een uitleg vroeg, maar ze wist niks meer te zeggen. Twijfelend keek ze naar de grond. ‘Kan ik je helpen?’ Vroeg het meisje. Tara keek naar haar gezicht en zag oprechte behulpzaamheid. Er was iemand die haar wilde helpen! ‘Nou, ik moet naar het vliegveld, maar ik weet niet zo goed hoe. Ik wil niet met de bus omdat…’ Bedenk iets! Wat dan ook, maar zeg iets! Dacht Tara. ‘Omdat ik daar wat nare ervaringen mee heb gehad.’ Ze probeerde het zo kalm mogelijk te zeggen, maar vanbinnen was ze totaal aan het panieken. Was dit geloofwaardig? Ze keek de vrouw aan. Haar gezichtsuitdrukking was zowaar nog bezorgder geworden. ‘O wat vervelend! Kan ik je misschien brengen?’ Het voelde als een geschenk uit de hemel. Dit was de perfecte oplossing! Het zou natuurlijk beleefd zijn om eerst te weigeren, maar Tara kon het risico niet lopen dat de vrouw haar aanbod zou intrekken. ‘Zou je dat willen doen?’ Vroeg ze. ‘Ja natuurlijk. Mijn huis is hier niet zo ver vandaan dus dan kom je vast nog op tijd.’ Antwoordde het meisje. ‘Dat zou echt geweldig zijn, dank je wel.’ Het meisje begon te blozen. ‘Ik ben Isabel, loop je mee?’ Tara pakte haar eigen tas uit het gras en bood aan een van de twee boodschappentassen te dragen. Voor de zekerheid stelde ze zichzelf voor als Marion, de naam op haar paspoort.  Ze liepen in zo’n tien minuten naar Isabels appartement. Onderweg praatten ze over niks belangrijks. Tara vertelde dat ze naar het buitenland ging om haar moeder te bezoeken en Isabel vertelde over de stad Eindhoven en hoe ze er terecht was gekomen. Als Tara er bij nadacht was dit de eerste keer dat ze zich had kunnen ontspannen sinds het ongeluk van Ralf. Ze dacht even nergens anders aan. niet aan de gruwelijke dingen die waren gebeurd, maar gewoon het hier en nu.  ‘Momentje, ik pak even de sleutels en zet mijn boodschappen even in de koelkast, oké?’ Vroeg Isabel. Tara knikte en bleef voor de flat staan. Ontspannen ademde ze de frisse Nederlandse lucht in. Het zou lang gaan duren voor ze dat weer kon doen. Toch voelde het goed, een nieuw begin was precies wat ze nodig had. Dus genoot ze nog even extra van dit moment. Voor ze het wist stond Isabel alweer naast haar. ‘Klaar om te gaan?’  Isabel had een klein rood autootje, wat Tara niets verbaasde. Het weinige wat ze tot nu toe van haar wist kwam er zeker mee overeen. Eenmaal het drukke stadsverkeer uit draaide Tara haar raampje open en genoot van de wind door haar haren. Het ritje duurde haar dan ook veel te kort, maar opgelucht was ze wel. Eindelijk, ze was er. Isabel zette haar af bij de Kiss and Ride en stapte nog even mee uit. ‘Echt als ik je nog ooit kan bedanken zeg het maar.’ Begon Tara. Isabel leunde terug de auto in om het dashboardkastje open te maken en haalde er een kaartje uit. ‘Je kunt me als je weer terug bent trakteren op een kop koffie.’ Was haar antwoord met een lach op haar gezicht en ze gaf Tara het kaartje. Die zag dat erop stond: ‘Massagesalon Isabel’ en het telefoonnummer stond in de hoek erbij geschreven. ‘Dat zal ik doen.’ Tara pakte haar tas uit de kofferbak en liep zonder omkijken naar de vertrekhal. Wetend dat ze dat nummer nooit ging gebruiken.  Nerveus wachtte ze bij de gate. Alles was tot nu toe goed gegaan. Ze had een goedkoop vliegticket kunnen scoren naar Heraklion en niemand had haar paspoort in twijfel getrokken. Toch was ze nerveus, wat als het op het laatste moment nou nog misliep? Niet aandenken. Toch moest ze nog driekwartier door zien te komen in deze stress, want dan pas vertrok het vliegtuig. Nu ze niemand had om tegen te praten en niet op wilde vallen kon ze bijna niet anders dan te verdrinken in haar eigen gedachtes. Weer zag ze het voor zich. Hoe ze vol in paniek naar boven was gerend. Denk! Wat moest ze doen? Wat kon ze doen? De politie bellen? Nee, dat was geen optie ze moest weg, ze walgde van zichzelf. Hyperventilerend ijsbeerde ze door de slaapkamer. Ze voelde overal zweet. Haar handen zaten onder het bloed. Ineens werd ze kotsmisselijk van zichzelf. Ze leunde met haar handen tegen de muur aan en bleef staan. Ze moest rustig worden anders ging ze flauwvallen. Hoe deden ze dat ook alweer? Een zakje. Ze had iets nodig om in te ademen. Ze rukte een shirt uit de kast en drukte hem op haar mond en neus. O nee, dit was een polo van Ralf. Ze ademde zijn geur in. Het was overheerlijk en walgelijk tegelijk. Wat miste ze hem, maar ze was ook nog nooit zo boos op iemand geweest. Walgend gaf ze over op het tapijt. Snikkend zakte Tara tegen de muur. Nee, ze mocht hier niet blijven. Weg. Ze moest hier zo snel mogelijk weg. Ze raapte al haar laatste kracht bij elkaar en stond op. Ze keek naar de tas op het bed. Ze wist wat ze moest doen. Ze was nu meer vastberaden dan ooit. Ze liep naar de badkamer en waste haar handen en gezicht. Ook haar kleren waren bebloed. Ze trok ze uit en liep terug naar de slaapkamer. Zodra ze binnenkwam rook ze de geur van braaksel, maar dat was wel het minste waarover ze zich druk maakte. Snel deed ze wat aan en smeet willekeurige kledingstukken in haar tas. Ze trok de kledingkast open en haalde hun kluis eruit. Met trillende handen opende ze het slot. Snel gooide ze de paspoorten en wat los geld in haar tas. Ze hing hem over haar schouder en liep naar de trap. Tara aarzelde, ze wilde absoluut niet geconfronteerd worden met haar daden, maar dit was de enige uitgang. Vastbesloten liep ze naar beneden. Niet naar rechts kijken. Niet naar rechts kijken. Gewoon vooruit lopen richting de keuken. Nu begon bij Tara de tijdsdruk toch echt op te spelen. Het was vaag wat er precies was gebeurd, maar aan haar zere keel te voelen had ze geschreeuwd. Misschien had iemand wel de politie gebeld. Ze pakte zo snel ze kon een fles water en de schare voorraad eten die ze nog in huis had. Boodschappen doen was nou niet bepaald haar prioriteit geweest de afgelopen dagen. Ze wist dat ze weg moest uit dit land, dan kon ze misschien nooit meer terugkomen, maar had ze wel nog haar vrijheid. Ze moest naar het vliegveld, met de trein. Het station was niet ver van hier, daar kon ze naartoe lopen. Tara rende naar de achterdeur en maakte de fout om nog één keer om te kijken voor ze de deur achter zich dichttrok. Ze keek recht in het gezicht van Marijke dat wezenloos voor zich uitstaarde, met een bebloed mes naast zich en steken in haar hart en buik.  Tara liep snel door naar haar plek. Rij 28, nummer A. Ze stopte haar schoudertas in het rek boven haar en ging zitten. Rust zou ze pas hebben als ze in de lucht waren, of veilig geland op Kreta, of misschien als ze haar moeder zag… Ze wist niet of ze ooit nog rust zou kunnen vinden en haarzelf vergeven voorlopig nog niet. Ze zou voor altijd spijt van het beëindigen van niet één, maar twee levens. Langzaam zag Tara de auto’s kleiner worden en de huizen verdwijnen. Ze sloot haar ogen en zag voor het eerst niet meer het plaatje van Marijke voor zich. Ze zag een toekomst. Het was alsof al haar problemen samen met de wereld klein waren geworden. Nee, vergeven kon ze niet, maar misschien wel vergeten.

Imane
0 0

Vakantie in La Ciotat

Andrea’s vingers zochten de verroeste ijzeren grendel nadat de oude poort met een enorme zwaai dicht knalde. Ze schoof de pal in het kreunende slot, draaide zich om en zonk snikkend door haar knieën, haar rug tegen het vermolmde hout. Zo bleef ze minutenlang zitten terwijl ze haar sidderende lichaam onder controle probeerde te krijgen.     De ramen van het huis wierpen met grote gele ogen strepen over het verwilderde gras en het smalle betonnen pad van de tuin. Rond een eettafel met blauwwit geëmailleerd blad stonden vier ijzeren tuinstoeltjes met sierlijke krullen. Op de tafel wapperden de randen van servetjes op en neer. De windgong in de olijfboom klingelde zenuwachtig een metalen lied. Andrea sloot de ogen terwijl de avondbries haar voorhoofd streelde. Het maakte haar rustig, deed haar langzaam weer bij zinnen komen. Ze slaakte een diepe zucht en ze liet zich langzaam op de grond zakken, de armen rond de knieën. Hij is weg, dacht ze. Hij is eindelijk weg. Ze zuchtte en streek het loshangende haar uit haar ogen.     Ze had hem nochtans zien komen toen ze even opkeek uit het boek dat ze las. Een breedgeschouderde donkere schaduw, die met gedecideerde pas het doodlopende steegje in was gewandeld dat uitgaf op de toegangspoort van de tuin. Ze had zich vrolijk gemaakt over zijn lichaamsbouw, bijna even breed als lang. Hij hield zijn gespierde armen een eindje van zijn lichaam, wat houterig omdat hij niet vlot kon bewegen. Een overtrainde bodybuilder, had ze gedacht, misschien een buurman die goeiedag kwam zeggen? De buren waren zeker op de hoogte dat ze het huisje voor drie weken van haar vriendin had gehuurd. De man stapte door de poort en kwam met een onverwachte snelheid op haar af. In een mum van tijd stond hij vlak voor haar. Hij bekeek hij haar van kop tot teen.     ‘Hallo,’ zei hij. Zijn stem klonk diep en gejaagd. Hij stak een zware, harige hand uit.     ‘Mijn naam is Karl.’ De man sprak Duits. ‘Ik zag jou van ver in het licht, het enige licht in de straat en ja, ik weet niet wat ik dacht! Je leek wel een engel. Ik werd letterlijk naar jou toe gezogen! Wat een mooie vrouw ben je, met dat blonde haar!’      Hij zette nog een stap vooruit en stond nu zo dichtbij dat zijn gezicht geen twintig centimeter verwijderd was van dat van haar. Hij greep haar hand en schudde die onhandig. Andrea keek in zijn dicht bij elkaar staande ogen en hapte naar adem. Dit was geen buurman. Deze man had hier niets te zoeken.      ‘Ik ben sinds een paar dagen hier,’ zei hij ‘Uit Zwitserland.’ Hij zag haar blik. ‘Met de bus.’     ‘Ha,’ antwoordde Andrea flauwtjes ‘Een toerist dus, zoals ik.’ Haar Duits was niet erg goed, maar goed genoeg om zich verstaanbaar te maken.      Zijn gezicht was hoekig, alsof het was gebeiteld uit een ruwe rots. Hij lachte zijn vergeelde tanden bloot.       ‘Ja,’ zei hij ‘Een toerist, noem het zo maar. Jij spreekt mijn taal! Ben je Franstalig normaal? Of wat? Of van waar BEN je?’ Hij brulde het plots uit van het lachen.    Andrea deinsde achteruit.     'Karl,’ zei hij weer ‘Karl is mijn naam. Ik mag eigenlijk niet alleen weg, zeker nu niet. Mijn begeleider zal boos zijn. Hè, na die busreis wil je wat rondstappen. Te lang stilgezeten, weet je. En toen zag ik jou. In dat licht … mijn engel!’     Hij ontblootte nogmaals zijn tanden in een brede grijns. Ze stond met haar rug naar het  verlichte huisje. Ze kon niet weg. De tuinpoort stond nog open, maar deze vreemde man barricadeerde de weg tussen haar en de rest van de wereld en het zag er niet naar uit dat hij haar door zou laten.     Met zijn plompe harige hand wees hij naar de tafel.      ‘Kom, laat ons wat zitten en praten.’       Andrea toverde een vage glimlach op haar gezicht.     ‘Ik wil wel even met je praten, maar ik kan je niets aanbieden,’ probeerde ze.    Hij wuifde haar opmerking weg, schoof een tuinstoel achteruit en ging zitten.       ‘Dat is niet erg, hoor,’ zei hij ‘Je voelt toch dat dit niet zomaar is!’ Hij keek haar aan en zijn ogen glinsterden.       ‘Mijnheer, ik heb …’ Hij liet haar niet uitspreken.      ‘Het is Karl en ik denk dat dit niet zo maar een toevallige ontmoeting is. Dit is voorbestemd. Ik moet bij jou blijven, geloof ik!’ Hij gooide zijn hoofd in zijn nek en zijn bulderende lach sneed door haar hoofd. Hij stak zijn harige hand uit en legde die op haar schouder.    Ze verstijfde en schoof een eindje van hem vandaan terwijl ze hem zenuwachtig aan de praat hield. Hij vertelde over zijn geboorteland, zijn geboortestad Bern, over hoe hij na zijn ontslag in de psychiatrie was beland, over de therapie die hij kreeg, zijn reis naar hier. Ze knikte af en toe begripvol, maar  intussen maalden haar gedachten rusteloos door haar hoofd. Haar handen beefden, haar mond was kurkdroog. Hoe kreeg ze in hemelsnaam die kerel buiten. Hij praatte in horten en stoten en soms verhief hij zijn stem met zulke kracht dat ze dacht dat hij haar iets ging aandoen. Met één zwaai zou hij haar tegen de grond smijten, op haar trappen en haar vernietigen. Wat was hij eigenlijk van plan? Haar hart bonsde wild in haar keel. De kerel was een gek. Ze was helemaal alleen, haar gsm lag binnen op de keukentafel achter een gesloten deur.      Karl staarde een tijdje stilzwijgend voor zich uit, diep in gedachten verzonken. Plots richtte hij zich op, keek rond en focuste zich weer op haar.       ‘Lijkt wel een mooi huisje, niet? Ik wil wel eens gaan kijken.’ Hij boog zich voorover en kuste haar op de mond.      ‘Dat wil ik niet!’ riep ze, terwijl ze met de rug van haar hand over haar mond veegde.      ‘Elke duivel heeft een engel nodig,’ antwoordde Karl. Binnen in het huis klonk het breken van glas. Zonder verder nadenken stond ze op en wees in de richting van de voordeur.       ‘Ik roep mijn man,’ zei ze. Vooraleer Karl kon reageren riep ze met luide stem, ‘Tim … Ti…im!’ Binnen ging een nieuwe lading glas tegen de grond. Karl sprong in paniek overeind en keek haar ontzet aan.      ‘Oh, er is nog iemand hier dan?’      ‘Ja, natuurlijk!’ zei ze. ‘Tim, mijn man en Peter, mijn schoonbroer. Ze zijn alle twee boven, ik kan ze halen als je dat wilt!’ Haar onderlip trilde.      ‘Misschien moet ik dan toch maar gaan?’ mompelde hij aarzelend, ‘Ik wil geen ruzie krijgen. Ik wist niet dat je een man had, misschien vindt hij het niet zo leuk om mij hier te zien.’ Er klonk twijfel in zijn stem. Zijn kleine ogen priemden in die van haar en hij keek haar onderzoekend aan. Ze deed alle moeite om vriendelijk naar hem te glimlachen.  Please, laat hem vertrekken, laat hem weggaan, dacht ze.      ‘Ja, je kan maar beter gaan,’ zei ze. Haar stem klonk vlak, ‘Mijn man houdt niet zo van mensen die hij niet kent en ik wil hem eigenlijk liever niet storen.’      ‘Ok dan’ zei hij. Hij draaide zich om en stapte weg, door de poort, het steegje in. Hij sprak geen woord meer, keek niet eens meer om. Ze keek hem na tot de diepe duisternis hem opslokte en sloeg dan de poort dicht. Toen Andrea uiteindelijk wat bekomen was, liep ze naar het huisje en opende de deur. Een bol met ros haar sprong op tegen haar, blafte en piepte.    ‘Chips, ik ben nog nooit zo blij geweest om jou te zien!’ Hij wist van geen ophouden, opgelucht dat hij eindelijk buiten kon. Hij zag hoe ze keek naar het glas dat hij in de keuken had omgestoten en jankte hartverscheurend met zijn bek dicht, kop hoog in de lucht als een wolf. Andrea streelde door zijn dikke pels en stelde hem gerust. 'Het is niet erg, Chips,het is oké.’ Hij likte met zijn grote roze tong over haar neus. 'Je bent mijn reddende engel.' Ze veegde het glas bij elkaar, nam een oude krant uit de papierbak en vouwde die open, klaar om het glas ermee in te pakken. Haar oog viel op een foto op pagina drie. Ze wreef met woeste gebaren de gekreukte krant glad. Vorige week werd een onbekende man dood aangetroffen in de haven van La Ciotat. Wie inlichtingen kan veschaffen, wordt verzocht zich te melden bij de plaatselijke autoriteiten. De rest vervaagde, Andrea’s hoofd tolde. Ze herkende de man op de foto maar al te goed. Het was Karl.             

Kristin Huyghe
0 0