Lezen

Hoe het gesteld is met mijn gezondheid

Ik geef toe, soms slaagt de twijfel nog eens toe. Maar echt aarden kan hij niet. Het is doorgedrongen dat ik mijn ervaringen en gevoelens niet circulair in vraag kan blijven stellen. Hoe afwijkend mijn conclusies ook mogen zijn ten opzichte van wat algemeen aangenomen wordt, op een gegeven moment moet ik er gewoon op voortbouwen en er consequent naar handelen. En zo bouw ik bijvoorbeeld voort op de stelling die zegt dat de oorsprong van de auto-immuunziekte die me negentien jaar geleden werd toegeschreven enkel en alleen psychisch van aard is. Daarmee bedoel ik dus dat er in wezen fysiek niets mis is met mij. Dat mijn fysieke klachten niets anders dan een uiting van mijn denkwereld, zelfbeeld en andere diep ingeprente overtuigingen zijn. De vele jaren van empirisch onderzoek en wijdvertakte ervaring omtrent dit onderwerp kan ik niet verloochenen. Dit is mijn realiteit, mijn waarheid. Ik schrijf mezelf alle verantwoordelijkheid toe. De hulp komt van binnenuit, er bestaat geen externe bron die mij zal genezen en die zal er ook nooit komen. Ik werd in het verleden wel meermaals opgelapt en ondersteund door medicijnen en behandelingen, maar echte verlossing ligt in mijn handen. Deze woorden vatten ongeveer de inhoud van mijn boek ‘Auto-Immuun: van ziekte naar inzicht’ samen. We zijn nu twee jaar verder sinds dat boek uitkwam. Wat is er veranderd? Ik ben verhuisd, heb al mijn bruggen opgeblazen en ben nooit gestopt met het gadeslaan en bewust programmeren van mijn innerlijke wereld. Ik heb mezelf nog beter leren kennen, valkuilen blootgelegd. De fysieke symptomen zijn er nog steeds, doch minder prominent, minder uitgesmeerd over mijn dagen. Terwijl ik voorheen vooral aan het overleven was, kan ik nu echt leven.   Er zijn echter van die momenten dat de ellende zich lijkt te herhalen. Angstvallig doemscenario’s werend vervloek ik dan mezelf. Ik wist op voorhand dat heling geen lineair proces is, maar het is verdomd frustrerend om bijna 2 decennia lang op dezelfde pijnpunten te botsen. Natuurlijk weet ik ook dat kwaad worden alleen maar meer zelfsabotage betekent. Want dat is wat deze ziekte werkelijk is: zelfsabotage. En dan moet ik mezelf weer tot de orde roepen en eraan herinneren dat zulke uitspraken te hard zijn. Ik zou zachter kunnen zijn naar mezelf toe, want eigenliefde is het ultieme medicijn. Dat weet ik nu wel zeker. Sinds kort ga ik weer bij een psychotherapeut, voor die hardheid jegens mezelf. Ik geef dat deel van mezelf daar een gestalte en ga ermee in dialoog. Ik heb het gevoel over een moeizaam vergaarde handleiding te beschikken en wil therapie aanwenden om deze constructief naar de praktijk te vertalen. Ik weet bijvoorbeeld dat een gevoel van tekortschieten aan de basis van de ziekte ligt. Het is complexer dan het klinkt. Ik voel mij vaak niet goed genoeg waardoor ik mezelf dwing om meer en beter te presteren. Het leek vanzelfsprekend om te zoeken naar de oorsprong van deze overtuiging, maar ik heb vastgesteld dat dit er eigenlijk niet toe doet. Weten waarom ik ziek geworden ben, staat niet gelijk aan weten hoe ik mezelf kan genezen. Het antwoord ligt eerder in zelfobservatie zonder oordeel en het maken van bewuste keuzes. Bij elke keuze die ik maak, vraag ik me af of deze wel liefdevol is naar mezelf toe. Of ik mezelf niet onder druk zet en handel naar wat mijn gevoel ingeeft. Want de diep verankerde ideeën over het personage dat ik neerzet, vormen de voedingsbodem van mijn gezondheid. In de conventionele behandelingen die de medische wereld aanbiedt, ben ik mijn vertrouwen verloren. Alle trucs die ze uit hun mouw konden schudden, heb ik vruchteloos tot mij genomen. Ik vond het ziekenhuis sowieso al een ellendige plek, maar met de hele pandemie hetze is het alleen maar erger geworden. Het voelt soms beangstigend om te beseffen dat ik nergens naartoe kan, dat alle noodlijnen uitgeput zijn.  Maar ik sta er niet alleen voor. Ik ben omringd door mensen die in mij geloven. De relaties die ik aanga dienen mijn zelfrespect en eigenliefde te weerspiegelen, iets waar ik steeds scherper op toezie.

KarolienDeman
54 1

Boodschappenlijst – 25 mei 2021

Standaard boekhandel Barniers boek ophalen, grote ontgoocheling en geheime dagboek tegelijkertijd. Ik schrik van de nutteloze strijd tussen waanzin en het collectief. Vastberaden zo lang als de vijand van buiten aan onze poorten rammelt, of in dit geval in een roeibootje, ‘take back control’ schreeuwend de haven van Calais uit peddelt.      Beter om gepeld zonnebloemzaad te kopen, de vogels op de voedertafel worden steeds bonter. Ik riep Boris naar de grote specht, met zijn roodgloeiende gatje en roodverbrande nek, het mocht niet, nu dan maar naar de schreeuwende halsbandparkieten; Raab, Gove, Boris. Ga terug naar jullie oerwouden. Wat voor een vreemde vogels bezoeken me, zag ik gisteren een kruisbek? Ik kruis mijn bek, en zal zwijgen.      1 Pindakaas, 2 havermout. Dit keer voor onze tafel, voor de boterhammen van Jan en zijn stijve pap in de ochtend.      Bananen, Uien en Gember, Oosters, uien zijn gezond, bananen ook, gember vast wel voor iets waaraan ik zo gauw niet denk. Ik kook niet, houd mijn mond.      Kerstomaat, oh ja, die past in het gat in mijn kaak waar een week geleden nog een verborgen verstandskies zat. Ik loop de lijst af, want dit is belangrijk, verder naar beneden staat, 4 blik kerstomaat, verrek dat is wat ik zag, diep in mijn keel. De kaakchirurg wrikte, boorde bot weg en nu loopt het rode sap achter in mijn neusholte naar beneden.      Voor mijn beurt, nooit in de pas gelopen, nog wat dieper staat Sojacream voor currysaus, 1 seitangehakt. Dat hoort bij het gezonde trio van boven. Toe is er dan 2 sojayoghurt, 1 yoghurt en 1 melk. Die laatste twee voor mij omdat ik niet zo streng in de leer ben.     Terug in het lid van Jans lijst; salade, 3 groentes en Olie om te bakken. Dat past, tenminste als je alles op een hoop gooit. WC-papier, 5 Broden en Koffie. Van koffie krijg je soms diarree, vooral voor de middag als de 5 broden aangebroken worden, deze volgorde is bewust gekozen. Het gaat verder; Sojamelk bio zonder en met kalk, Soja vanillemelk. Dat ben ik dan weer, die kalk bemoeit zich met mijn huishouding in de darmen, maar zonder kalk breken de botten. Beter vroeg erbij dan straks niet meer terug kunnen.      Aceto balsamico, Tomaten geconcentreerd, Blikjes sardines, Italië heeft zich in ons eten verschanst, al zijn onze voeten aan de Middellandse Zee afgesneden, de vrienden zijn dood of gescheiden.      Het sluit met Witte wijn, Vis Tortelini, vanavond vieren we 75 milligram minder Lyrica, een mooie naam voor mijn verslavende pijnstiller.  

Julie de Leeuw
0 1

De Huilende Vrouw

Rue des grands Augustins 26 oktober 1937   Het is koud. Het is wit. Doorwinterd wit. Alles wat ik bezit. Mijn doodse doek, mijn beheerste handen, het vel achter mijn nagels, mijn hele kamer. En buiten is het warm. Daar regeert het vuur al uren, dagen, maanden, jaren, over het hemelwater dat maar blijft vloeien. Zinloos. Een stekende gloed smeult mijn poriën dicht waar normaal de ruimte mijn huid kuste. Het doet pijn. Ik schuil achter mijn canvas. Mijn olieverf verbijt het wachten. Wachten om gebruikt te worden. Trachten om betekenis te krijgen. Ik heb het koud en ik mijmer. Terwijl de hitte van buiten mijn penselen doen smelten en ik niets anders kan bedenken dan tranen. Tranen over mijn wangen. Tranen die nu over jouw welgevormde wangen zullen rollen. Dora! Tranen voor mij. Tranen voor hen. Tranen op een onbeschreven vlek, van geen kwaad bewust. Rust. En al dat wit. Wachtend. Waarop? Weet ik niet. Ik begin eraan. Met jou voor mij uit. Weldra. Ook al gaat het niet alleen over jou. Het gaat over iedereen in die hitte. Over al dat gehuil. En al dat geschuil. Dora! Je maakt me bang. Zwarte vlekken dalen op ons neer! Ook dat maakt me bang. Al lang ben ook jij getuige van de vernieling. Van mijn in stof gelegde stad. Waar de heilige eik en de vrijheid nu branden. Iedereen op de vlucht. Ook ik wil vluchten. Met jou. Dora! Wegzeilen op jouw oeverloze tranen. Voor ik verdrink. In de rivieren die ik steeds weer terugvind in jouw gladde golvende haren. Jaren van verdriet. Van angst. Ze hebben Spanje in een oceaan van pijn en dood doen zinken. Ik wil niet mee ondergaan. Vlucht, Dora! Vlucht met de rest. Iedereen is nerveus. Iedereen is angstig. Iedereen is gekweld. Mijn olie droogt. Te snel! Het is een marteling. Al die dode geuren om me heen. De mensen schreeuwen op straat. De straten schreeuwen door de kamer. De kamer schreeuwt. Dora! En het geschreeuw van de bloemen! De bloemen die jaren naar ons zwaaiden. Ze schreeuwen nu. Dat is het ergste. Ik wil vluchten en toch blijf ik. We moeten blijven hopen. Is het daarom dat ik dit doe? Ik weet het niet. Zeg het mij. Dora! Ik zal je zien. Hier voor me uit. Ik geef je een bloem. Een bloem op jouw mooie hoed. Die terug kan zwaaien. En een vogel aan je oor. Die de tranen weg zal nippen. Dora! Ik zal je zien. Ik zal de boten zien. De golven. De witte handen voor je ogen. Huil nu maar. Dora? Het is in orde. Iedereen zal je zien. Hoe ik jou zie. Ook al gaat het niet alleen over jou. Het gaat over het land. En over zwarte vlekken. Uit de lucht. En over hitte. Iedereen zal huilen. We huilen samen. Voor Spanje.   (opdracht: impressionisme) 

Jeroen Vanmulder
53 0

Narcissus 2.0

Zijn wijsvinger tapte onophoudelijk op de F5-toets voor schermverversing. Waar blijven die duimpjes nou, vroeg hij zich af. Zo slecht is dit verhaal toch niet? De gehele week had hij de confrontatie met alles en iedereen opgezocht. De resultaten schreef hij minutieus op in zijn zakagenda. Het gebekvecht met de buschauffeur vanochtend spande de kroon tot dusver. Een mens moet toch ongestoord kunnen ontbijten met de voeten op de tegenoverliggende bank? De Romeinen aten ook liggend. Om het drama wat aan te wakkeren had hij de chauffeur een blauw oog geslagen. Een goed verhaal bevat nu eenmaal conflict. Waargebeurd was noodzaak, geen excuus. Uitdieping van de personages was overbodig. In dit verhaal van 250 woorden was het niet nodig om hem als protagonist te beschrijven als blonde, blauwogige gespierde jongeling met kuiltjes in zijn lach en irissen die elk vrouwenhart binnen één seconde tot defibrillatiebehoefte zouden noden. Ach, kwaad kan het ook niet, bedacht hij zich en krabbelde zijn uiterlijk met enige overdrijvingen op het papier. Zijn gefotoshopte profielavatar stond model op het scherm van zijn mobiel. Vergenoegd krabde hij ongemerkt enkele puisten open in zijn nek. Nu nog een plot. Hij walgde tijdens zijn YouTube-research van de vele vloggers met hun “overrated lives”. Ze waren inhoudsloze nummers, wannabees. Hij was avontuur met een persoonlijkheid! Zijn ogen knipperden, vechtend tegen zijn slaap. Uren surfte hij door zijn verhalenpagina’s op jacht naar likes en volgers; zijn welverdiende vloed van waardering. Eenzaam verdronk hij in oververmoeidheid, maar het verhaal werd postuum een wereldhit.

Erik van der Velden
10 1

De brancard

‘Heeft u nog een allerlaatste vraag?’ Misschien zeg ik het te bot. Ik wil ervan af zijn, dat gezever, dat traineren, het toekomen en terugtrekken. Dat je elkaar aftast, ok, geen probleem, sterker nog dat hoort in mijn werk, maar dit? Ik vervolg: ‘Op een gegeven moment nemen we de volgende stap: een stap naar voren en doorgaan, of een stap naar achter en dan zwaaien we elkaar uit, net zulke goede vrienden.’ Ik neem de laatste slok van mijn koffie en wil opstaan.   'Hoe zit het met het servicelevel? Wij eisen een hoge servicegraad. Daar betalen we voor.’ De man emmert door alsof ik niets gezegd heb.   ‘Ik garandeer een foutloze uitvoering,’ herhaal ik voor de tweede keer vandaag, voor de elfde keer deze week en ik weet niet hoeveelste keer in de afgelopen drie weken. Overigens, dat betalen van hem, daar zijn we nog niet aan toegekomen. Het is praten, praten en praten.    ‘Dat heeft u eerder gezegd en dat zeggen ze allemaal.’ Met zijn trillende linkerooglid en getrommel op de tafel blijft hij doorzeuren. Als een koude vis kijkt hij mij aan, onbereikbaar. Het lijkt alsof het geluid dat ik uitbreng hem net aanraakt maar de woorden niet binnendringen. Hij werkt knap op mijn zenuwen, het duurt niet lang of ik doe hem wat aan.    ‘Wat wilt u weten?’ vraag ik. Achter in mijn hoofd streep ik de deal door. Na weken aftasten, onderhandelen, onderzoeken en referenties leveren zijn we niet dichter bij elkaar gekomen. Zwijgend kijkt hij in mijn ogen. Nee, niet ín mijn ogen, hij staart alsof hij dóór mijn ogen en dwars door mijn hoofd naar buiten kijkt.    ‘Ik heb u mijn referenties gegeven,’ zeg ik, ‘en wacht nog op de uwe, maar ben bereid de service te leveren.’ Ik schuif mijn telefoon naar hem toe en zeg: ‘Bel iedereen die u kent en vraag naar mijn achtergrond en trackrecord. Ik lever prima werk, zonder fouten.’ Zijn ogen flitsen kort naar de telefoon. Zijn handen ratelen, maar bewegen niet in die richting. Hij loert weer naar mij, met dat oogtrillertje. Hij hapt nu ook een beetje als een vis, alsof hij met zijn mond bellen blaast.   Hij kan ook niemand bellen. Elke potentiële opdrachtgever trek ik na en niemand kent hem. Hij is geen ervaren onderhandelaar en de stiltes in onze gesprekken zijn niet strategisch. Het zijn geen comfortabele stiltes die je inzet om rustig te reflecteren op het gesprek en waarbij je voorsorteert op de komende samenwerking. In onze bedrijfstak is vertrouwen belangrijk, stiltes gebruiken we om dit vertrouwen af te tasten, om te voelen hoever het vertrouwen is gegroeid. Zijn stiltes meten leegte, die geven de afstand tussen ons aan. De stilte die hij nu laat vallen en jaren lijkt te duren voelt als argwaan. Niets wat ik zeg is goed genoeg. Hij wil horen wat ik niet zeg, maar wat is dat? Ik schuif mijn stoel naar achter en sta op, van mij hoeft het niet meer. Hij schrikt op alsof hij wakker wordt uit een dagdroom, zijn blik is verlicht en minder visachtig.   ‘Kunt u een beetje mikken?’ vraagt hij. Het rillen van het oog is gestopt.   Wat is dit nu weer? Deze vraag is impertinent. Ik leun met mijn vuisten op tafel en buig naar hem toe.   ‘U vraagt de bakker ook niet of hij kan kneden en de slager niet of hij een barbecue kan aansteken,’ zeg ik. ‘U kent mijn werk en resultaten.’   ‘Geef nou maar antwoord,’ zegt hij als een puberende kwismaster tegen een kwijlende dementerende in het bejaardentehuis.   ‘Ik mik als de beste, tot nu toe achtennegentig procent score,’ zeg ik. Ik heb zin om een getal te noemen, en achtennegentig klinkt mooi, het rolt als een trein over de rails. Zo heeft elk getal wat. Vierentachtig remt af, drieënveertig deint op en neer terwijl vijfenvijftig een bepaalde cadans heeft. Achtennegentig rolt, vandaar dat ik dit noemde, het slaat natuurlijk nergens op. Ik kan niet eens schieten, daar heb ik een mannetje voor. Ik moet er niet aan denken, een ontploffende kop of een weggeschokt lichaam, bah. In het organiseren is mijn score perfect, ik maak geen fouten en mijn mannetjes ook niet.   ‘En die laatste twee procent? Daar maken wij ons zorgen over.’   ‘Wij?’ vraag ik te scherp. Hij spreekt drie weken over wij, maar het is een loner. Moeilijk doen en schermen met een grote organisatie om indruk te maken. Bluf is ok, maar je moet het kunnen onderbouwen: nooit heeft hij tussendoor gebeld met anderen, nooit is via-via een bericht uit het circuit doorgegeven dat we haast moeten maken. Hij is alleen, geen “wij”, dat was na de eerste week duidelijk. En dit is zijn eerste opdracht, of poging tot opdracht geven.   Dat is het! Onzekerheid. Niet wantrouwen, hij is onzeker. Hij is volledig maagdelijk in deze, dit knulletje komt uit een andere bedrijfstak. Waarschijnlijk is deze trillende en tikkende holle vis een ambtenaar bij de gemeente Knutterpalen, of bankbediende met uitzicht op ontslag, of werkt hij als consultant voor investeringen in zonnepanelen en windenergie, zoiets.   ‘Geen zorgen, die laatste procenten finish ik in het ziekenhuis,’ verzin ik. Ik ben klaar met dit geneuzel.   ‘Maakt u hem daar af?’ vraagt hij.    ‘Nee joh, de alarmcentrale van de ambulance zit in mijn zak, ik bepaal waar ze hem heen chauffeuren.’ Mijn fantasie komt los. ‘En bij het ziekenhuis naar keuze draaien twee jongens van mij triagedienst op de spoedeisende hulp. Als hij bloedend als een verse biefstuk wordt binnengereden, bepalen mijn jongens dat opa Coppo met een splinter in zijn teen, tante Justine met hoofdpijn en Tony zijn maagzweer eerst mogen. Teiltje onder de brancard en klaar zijn we.'   ‘Waar kan ik tekenen?’ roept hij enthousiast. ‘Als u dat voor elkaar krijgt, dan lukt het zeker.’   ‘We tekenen niet,’ zeg ik en schud zijn hand ter bezegeling van de deal. ‘Niets op papier. U fourneert volgens de richtlijnen de pecunia en binnen een maand na ontvangst beschikt u over de landgoederen van uw vader.’

MCH
16 1

En toen was de wereld van mij.

Knallen regenen uit de lucht zoals vuurwerk en veroorzaken een schoolplein vol geschreeuw. Ik kijk naar rechts als ook Aisha het uitroept. Er steekt een pijl uit haar rug. Om mij heen vallen nog meer mensen om. Bloed stroomt over Aisha’s rug. Ik hurk om een kleiner doelwit te vormen en ga beschermend voor Aisha zitten. Geen EHBO training bereid je voor om een pijl uit iemands rug te verwijderen. Ik breek de pijl zo kort mogelijk af en gooi het uiteinde opzij. Voorzichtig til ik Aisha op, ervoor zorgend dat de kop van de pijl niet verder in haar rug kan komen. Warm bloed druipt langzaam op mijn kleding en maakt mijn handen plakkerig. Ik ren de school in en sluit ons op in een leeg lokaal. Met grote ogen draai ik mij naar mijn vriendin toe. We zijn ook zo verdomd kwetsbaar. Onze rug en buik en nek en hoofd zijn allemaal niet bedekt. Geen wonder dat ze deze menigte als doelwit hebben gekozen. Aisha kijkt mij bang aan. Ik schud mijn hoofd.  “Daar kan niets aan gedaan worden,” zeg ik. Even fronst ze, dan kijkt ze paniekerig mijn kant op.  “En nu?” fluistert ze. Ze heeft niet lang meer. Ik pluk takken van de kamerplant die in de hoek staat en schuif tafels tegen elkaar. Ik leg haar op de tafels en leg het groene boeket in haar handen. Haar pupillen vullen haar hele irissen.  “Ga ik... Dood?” vraagt ze. Dan hoest ze en spuugt ze bloed uit. De tafels zijn rood en plakkerig. Ik knik.  “Mijn ouders…” zegt ze. Ik knik weer. “Ik zal het zeggen. Ik zal zeggen dat je van ze houdt.” Ze sluit even haar ogen en probeert dan nog een keer diep adem te halen, maar het lukt niet.  “Dag Aisha,” zeg ik en ik loop het lokaal weer uit. Het is hem gelukt. Ik ga meteen door naar buiten. Het is chaos. Bosjes mensen staan bij elkaar te huilen, wie niet dood is, is wel gewond. Ik trek mijn schouders op en loop tussen de menigte door. Voor deze ene keer krijg ik geen rare blikken. Ze merken mij niet eens op. Mooizo. Een schaduw valt over de tieners. Ik kijk omhoog en glimlach naar de donkerrode gloed. Ik wist het. Ik fluit en de draak land op de weg. Nu zien mijn schoolgenoten hem wel. Ik ga op de nek van de draak zitten. We stijgen op en gaan richting het bos, naar Blake.  “Dus je hebt hem, het vingertopje,” zeg ik. Hij knikt en laat een sleutelhanger voor mijn neus op en neer slingeren. Het is een 3D geprinte vingerafdruk, gemaakt van zacht rubber. Mijn moeders vingerafdruk, voor altijd in een sleutelhanger veranderd.  “We moeten gaan,” zegt Blake nors en hij kijkt mij even aan. Ik kijk boos terug. “De machine staat in het bos, de vingerafdruk was inderdaad hetgeen dat de machine kon activeren,” zegt hij dan. Ik knik gerustgesteld en volg hem naar de draak. Als we eenmaal vliegen grijnst hij zijn gele, scheve tanden bloot. Ik schuif zo ver mogelijk van zijn dikke lijf vandaan en adem door mijn mond om zijn geur niet in te ademen.  “Op naar de baas,” mompelt hij.  “Ik ben de baas,” zeg ik. Hij vloekt en ik glimlach. Ik klop op de flank van de draak. Ze zullen denken dat ik mezelf niet ben, dat een heks uit de tijdreis in mijn plaats is teruggegaan. Die pap en mam, ze zullen het hópen.  We gaan naar het geheime lab. Het lab van mijn ouders, waar ze zich verdiepen in tijdreizen. Nog geen verdwaalde stofkorrel zou binnen kunnen komen. Zelfs journalisten wagen het niet om in de buurt te komen, bang voor de camera’s. Weten mijn ouders veel dat de beveiliging één gat heeft: mij. Weten zij veel dat ik, hun bloedeigen dochter, al de geheime informatie steel. Het lab moet nu leeg zijn, iedereen zal op de sprookjesfiguren af zijn gegaan die ik heb losgelaten met mijn tijdmachine. Mijn ouders zullen voorlopig druk bezig zijn en niet aan hun eigen tijdmachine denken.  Blake gooit de sleutelhanger naar mij. Ik haal een steen uit de muur, doe de geheime deur open, wandel de gang in en loop op de verroeste stoel af. Ik draai hem om en duw mijn moeders vingertop tegen de poot. De stoel zegt bliep bliep. Ik zucht. De namaak vingerafdruk werkt. Een geheime deur in de wand gaat open en de nepdeur verder in de gang licht kort groen op. Ik knipper om te wennen aan de felle tl buizen. Dan sla ik rechtsaf, linksaf, derde rechtsaf en ik ben op bekend terrein. Ik loop langs mijn vaders kantoor, langs mijn moeders lab en ik passeer de bibliotheek. Dan kom ik in het verborgen trappenhuis. Een herinnering kruipt omhoog en ik glimlach.  “Het zou heel veel betekenen als je dit doet.” Vlinders vulden mijn buik. Ik moest bijna overgeven van geluk. Hoe kunnen ze zo dom zijn? Dit was fantastisch. Het was onecht. Mijn ouders wilde mij als proefpersoon naar het verleden sturen. Omdat ik hun project zo interessant vond. Ze moesten eens weten. Ze moesten eens weten dat ik hun tijdmachine precies had nagebouwd. En nu zou ik leren hoe ik hem moest gebruiken. De tijd was aangebroken. Ik stapte de machine in, op weg om een heksenjacht mee te maken.  Alles gebeurde precies zoals in de geschiedenisboeken stond. Het was vlak en de figuren hadden een vaag randje. Ik kon de papier pagina's bijna zien. Het hele kwartier dat ik er was heb ik mij doodgeërgerd aan mijn ouders domheid. Dit was geen tijdreizen. Dit was VR, natuurlijk veel gaver dan VR, maar het zou pas echt gaaf zijn als het andersom kon. En met andere boeken.  Daar staat hij, de originele tijdmachine. Of beter gezegd: de originele ultra-VR-machine. Want wat hadden pap en mam nou gedaan? Ze hadden een nieuwe dimensie gecreëerd waar woorden uit boeken, waar verhalen tot leven komen. Zoiets als je verbeelding. En verbeelding bestaat al, hoe kúnnen ze dit een doorbraak noemen? Wat ik heb gedaan is pas revolutionair. Ik plug een usb stick in het ding en duw Blake aan de kant. Meteen komen er trollen, draken en andere monsters uitgekropen. Mijn programma werkt. Ridders, bewapende oermensen en afrikaanse legers stromen weg en vernielen het hele gebouw. De codes die ik geschreven heb zetten jou niet in een boek of verhaal, maar zetten de letters om tot levende wezens uit de boeken en verhalen. Ik draai mij om naar Blake. “En nu?” vraagt hij. Ik grijns.  “Fase twee,” zeg ik. Ik loop naar buiten, het dak op, de politie heeft ons al omsingeld. Helicopters vullen de lucht. Overal om mij en Blake zie ik rode en blauwe zwaailichten. Ik laat een harde boer en fluit dan op mijn vingers. Mijn leger komt eraan, mijn draak, pratende leeuwen, echte heksen, oeroude tovenaars. Ze vegen de blauwe pakjes zo omver.  Pap en mams eigen creatie heeft al hun werk vernietigd. Nu ligt de wereld aan mijn voeten. 

Ellis
34 1