Lezen

De lentetuin

‘Tien jaar, godverdomme. Tien jaar!’ Axl bukt zich, raapt een afgewaaid bloesemtakje op en gooit het nijdig richting composthoop. De geur blijft in mijn neusgaten hangen. Van de bloesem bedoel ik, niet van de composthoop. ‘Allez, is dat nu nog normaal, dat een mens zo lang moet wachten?’ Ik zwijg en nip van mijn groene thee, maar hij is nog heet. Trouwens, ik hoef ook geen antwoord te verzinnen, het is weer een van zijn retorische vragen. Tien jaar geleden kwam hij voor het eerst met het idee op de proppen, en sindsdien struint hij elk jaar de BIS-beurs af voor offertes. De prijzen zijn inmiddels beschimmeld en de technieken hopeloos verouderd. Een zwembad. Ik was er niet voor te vinden. Ik ben meer een natuurmens, ik hou van het groen, de bloemetjes en de bijtjes. Een overbeterlijke romantische ziel. Zo een betonnen gat waarvan het felle blauw pijn doet aan je ogen, verbreekt de harmonie van ons mooi aangelegd gazon en de perfect gemanicuurde klimophaag er rondom. Bovendien heb ik een hekel aan chloor en ik verfoei de belasting die de natuur erdoor heeft. ‘De zon gaat onder, kijk eens hoe mooi de schakeringen weer zijn vanavond.’ Ik ga achter hem staan en sla mijn armen om hem heen. Mijn lippen zweven langs zijn kriebelende nekhaartjes en worden bedolven onder kleine, zoute pareltjes zweet. ‘Roze, een beetje paars, wat blauw en kijk, zelfs een streepje geel en oranje.’ Mijn yogatechnieken om hem te proberen focussen op al het positiefs wat ons omringt lijken deze keer te falen. Hij gromt. ‘Hij had beloofd dat hij hier om vijf uur zou zijn. Het is half zeven en meneer is nergens te bespeuren! Ik heb gisteren godverdomme al die moeite gedaan om de contouren af te tekenen met die planken van de buurman zijn tuinhuis-in-spe, allemaal om het te kunnen expliceren. Een maat voor niks, ja!’ Nu hadden we eindelijk iemand gevonden die ons een volledig natuurlijk voorstel zou doen... Laura is intussen vrolijk in de weer met de kruiwagen, en laadt alle planken netjes in. ‘Hoor eens, herken jij dat geluid? Welke vogel zou het zijn die daar zo vrolijk fluit?’ Ik spurt verwachtingsvol naar binnen en sta in een wip terug buiten met mijn verrekijker. ‘Jij met je vogels altijd! Ik ben tegen jou bezig, zie jij hier een zwembad liggen misschien?’ Onwillekeurig schiet ik in de lach. Laura is klaar en loodst haar koets terug naar de buurman. ‘Wel, nu je het zegt…’ Hij volgt mijn blik en grinnikt. Na een hele middag hitte hebben de planken een blijvende afdruk nagelaten, in exact dezelfde vorm. Onder de laatste zonnestralen springen we hand in hand in het graswater.    

Vlechtenmeisje
0 2

Al Capone & Elliot Ness

                                                                       1.   “Goedemorgen Chicago. Het is 10 uur ‘s ochtends en een prachtige dag! Ik hoop dat het nieuwe jaar voor iedereen perfect gestart is, welkom, in 1920. Dit is Mami Smith met Grazy Blues...”   “Torrio! Ik heb je 10 minuten geleden gevraagd de nieuwe meisjes binnen te halen, waar zijn ze”? “Sorry Al, ze maken zich nog klaar. Het zijn er mooie hoor, ik heb ze zelf uitgezocht, je zult ze geweldig vinden”. “Daar ben ik zeker van”, grijnsde Capone “Jij hebt daar altijd al een oog voor gehad. Maar maak voort! Ik word ongeduldig”. De zaken gingen goed. Zo goed zelfs dat Capone de afgelopen maand een extra auto gekocht had. In de casino’s werd er lustig gespeeld en gezopen, de arme zatlappen hadden niet eens door dat ze opgelicht werden. “Ah, hier zijn jullie! Welkom dames”. Al draaide zijn hoofd lichtjes opzij en inspecteerde vanuit een hoek. Bij 1 meisje pauzeerde hij zijn blik: “Mooi gerief. Spreek je engels”? “Ik leren elke dag beetje”, antwoorde het meisje. “Goed, prima. Breng haar naar mijn kamer Torrio”. “Geen probleem baas”. Hij pakte het meisje bij de arm en begeleide haar weg. Torrio kwam uit een arm dorp gelegen in Sicilië. Op school kwam hij al snel in problemen. Vechten en discussies met leerkrachten waren dagelijkse routine. Op 16-jarige leeftijd besloot hij dat school hem niets interessant kon leren. Leven, zei hij vaak, dat doe je op straat. Toen hij op een dag van de Amerikaanse droom hoorde dacht hij maar één ding: “ergens leven waar de flikken me nog niet kennen? Klinkt interessant”.  Om 9 uur ‘s avonds reed Torrio Al naar de de Bellevile. “Je hebt toch gebeld he”, snauwde Capone. “Tuurlijk, ze hebben meteen plaats gemaakt baas”. “Goed, want voor bescherming hoor je wat te doen”. Op de achterbank zat Capone. Hij was de krant aan het lezen en dacht na. Hij wou na het eten bellen met de andere leiders van de omringende bendes maar tegelijk voelde hij zich beter als als de rest, dilemma. Aangekomen in het restaurant gingen de deuren al open voor hij aankwam. “Meneer Capone, welkom! We hebben voor u uw tafel al klaargezet, volgt u mij”. De ober werkte er nog maar 4 maanden maar hij had het geld nodig. 3 kinderen en een zieke moeder kosten geld. Toen Capone en Torrio plaats namen bracht hij hun de menu’s en las hij feilloos maar snel de suggesties voor. Hij wist donders goed wie daar zat, tot wat hij in staat was. “Goede keus mijne heren, we beginnen er direct aan”, hij nam de menu’s terug aan en maakte zich haastig uit de voeten. “Wat denk jij ervan”, vroeg Capone. Torrio keek eens rond en haalde zijn schouders op: “de mensen drinken graag, en veel, wie zijn wij om hun dat plezier niet te gunnen”? “Hhm. Ja, zo dacht ik er ook over”. Al bracht het glas wijn naar zijn lippen en nam een slok. “We zullen voorzichtig te werk moeten gaan”, zei hij, “en, mensen vinden die we kunnen vertrouwen”. Hij zette het glas terug neer en keek Torrio diep in de ogen: “Ik ken je al lang Torrio, we hebben al wat gedaan samen. Zoek me een 30-tal mensen die we kunnen vertrouwen en breng ze naar mij, als die politiekers denken dat ze alcohol kunnen verbieden hebben ze het goed mis”. De heren waren net uitgepraat en daar kwam de ober met het eten. “Eet smakelijk heren, deze zijn op het huis”. 3 weken later was de handel van start gegaan. Cafés en restaurants die de alcohol niet in huis wilden halen werden afgeperst tot 3 moorden toe. Torrio had 2 mannen ingelijfd die hun mond konden houden en hun vuisten doen spreken, de tweeling, werden ze genoemd. “Guitaliano, 67 jaar, uitbater van ‘De Bruine Hoek’, Hij wilt niet”, zei torrio. “Goed, we komen eraan”. De 2 mannen kwamen aangereden in een oude maar stevige auto en parkeerde zich aan de overkant. Torrio gebaarde dat ze moesten komen en gaf beide heren een Thompson machinegeweer. De 3 mannen zette zich in positie en voor Guitaliano door had wat er kwam te gebeuren werden alle 3 de trekkers overgehaald. 150 kogels boorde zich door de ramen en de oude uitbater viel als een zak aardappelen neer. Het pand was geruïneerd en de het verhaal deed zich snel de ronde. Voor Capone het wist bezat hij een imperium met winsten waar zelfs de President jaloers van zou worden. In zijn kantoor tuurde hij door het raam. “Nog even”, dacht hij, “en niemand kan mij nog stoppen”.  “Over hoe veel geld spreken we per maand”? “12.000 dollar, soms iets meer, soms iets minder”. Capone keek geïrriteerd naar zijn bureau: “De dieven. De mensen hier leven in krotten, zei hij, waar is de overheid? Het zijn wij Torrio, wij, die deze buurt doen draaien. Die varkens verdienen geen rotte cent van ons”. Torrio stond in het midden van de kamer met zijn armen gekruist: “Al de leiders van de andere bendes hebben besloten netjes hun belastingen te betalen, het risico is volgens hen te groot”. Capone bolde zijn vuist en sloeg op tafel. “Bullshit!”, riep hij. “Wat gaan ze doen, he”? Voor een moment sloot hij zijn ogen en dacht na. Na 30 seconden zei hij: “Torrio, onze nieuwe zaken doen het goed, maar alles kan beter. Vanaf nu betalen we niets meer. Dat is gedaan”. “En als de flikken lastig doen?”: vroeg Torrio. “Dan maken we het hen duidelijk dat ze moeten stoppen. Regel het. En laat me voor de rest van de dag met rust”. Torrio knikte:” ja baas”.                                        2.   “Politiebureau Chicago, hoe kan ik u helpen? Ik begrijp het, ik stuur de dichtstbijzijnde patrouille meteen naar uw locatie”. Het was een lichte ochtend met behoorlijk wat mist. De straten waren tot leven gekomen en de mensen buiten bewogen zich haastig naar hun werk. Ook in het politiebureau kwamen extra mensen toe. “Hoe is het hier in de centrale”? “Goeiemorgen meneer Ness”, antwoorde de vrouwelijke operator, “oke, niets speciaal. 1 telefoontje over een mogelijke inbraak”. De vrouw lachte en zei: “een dag zoals de andere dus”. “Goed, ik ga je niet meer storen dan, veel succes nog”. “Jij ook”, antwoorde de vrouw en begon opgewekt terug aan haar werk. Elliot wandelde naar de lift en bedacht zich wat de dag zou geven. Al 8 maanden werkte hij aan een zaak waar maar geen vooruitgang in kwam. “Als het zo blijft duren”, dacht hij, “kan ik op vervroegd pensioen”. Hij zuchtte. “Laat ik mijn papierwerk maar eerst in orde brengen. De bureaucratie wacht niet, tenzij op zichzelf...” “Godverdomme”, zei hij, “dit is de 4de aanslag deze maand”. Hij gooide de krant terug op zijn bureau en keek om zich heen. Zijn partner, Jack, zat in de hoek en haalde zijn wenkbrauwen op. “We weten allebei wie hier verantwoordelijk voor is”, zei hij, “de meisjes die hier illegaal aankomen, de casino’s. Allemaal 1 man”. Elliot draaide zich om naar zijn partner: “en nu worden de straten overspoeld door illegale alcohol, ik zal het maar niet te ver zoeken zeker”? “Nee, dat zou ik ook niet doen”, Jack keek neer met een ontmoedigende blik. “We hebben bewijs nodig”, zei Elliot, “anders heeft het geen zin”. Jack zuchtte: “We moeten hem toch ergens op kunnen pakken? Praten met de bewoners uit zijn buurt? Het personeel uit de restaurants waar hij dineert”? Elliot keek op zijn horloge en merkte op dat het bijna half 1 was. “Laten we iets gaan eten Jack”, zei hij, “die mensen hebben onze gegevens. Als ze ons meer willen vertellen dan dat ze al gezegd hebben tegen de inspecteurs, dan horen we het wel. Chicago Sandwich goed?”  Het is 3 maanden later en Jack stormt het bureau binnen. Hij drukt haastig meerdere keren op het knopje van de lift. “Komaan”, zei hij, “ga open”. “Vanwaar de haast”? Opgeschrikt keek Jack achter zich om. “Elliot!” Met grote ogen trekt hij hem in lift: “We hebben een kans”. “Een kans?”, Vroeg Elliot. Bij jack verscheen er een glimlach: “je raad nooit wat ik gevonden heb”. Eenmaal in het kantoor van Elliot legde Jack een stapel papieren op tafel. “Weet je nog dat je me vroeg langs te gaan bij die boekhouder”? Elliot knikte. “Wel, het blijkt dat papieren daar niet versnipperd worden als ze weggegooid worden. En de afvalcontainer staat, wel, vrij in het zicht”.  Elliots interesse wakkerde aan: “wat heb je gevonden”? Jack pakte het bovenste blad en las voor: “83.000 dollar winsten. En deze zijn ongemarkeerd, niet aangegeven”. “Zwart geld dus?”, Elliot pakte nu zelf ook een blad en las wat Jack hem al vertelde. Een glimlach vulde zijn gezicht en zijn ogen straalde terug hoop uit. “Zijn we zeker dat deze van Al Capone zijn?” “Ja”, antwoorde Jack, “de bedrijven die hier vermeld staan staan bij ons gekend.”                                                                               3.   “Hoe is de pasta?” “Goed, zoals altijd. Merk je trouwens niets vreemd, Torrio?” Torrio haalde zijn schouders op en keek eens rond. “Wat bedoel je Al?” Capone nam een slok van zijn wijn en zei: “er is meer politie op straat en ik heb het gevoel dat we in de gaten gehouden worden. Kijk eens daar””. Capone wees naar 2 agenten op straat. Die staan er al 20 minuten, niets te doen. En gisteren werden we gevolgd op weg naar the Blue Lagoon. Er is iets gaande”. “Misschien zijn het die smeerlappen uit Evanston”, zei Torrio, “het is geen geheim dat ze op ons grondgebied azen”. Capone dacht na en keek Torrio in de ogen: “weet je nog wat er met Guiseppe gebeurd is?” “Je bedoelt die gast met meerdere stripclubs”? Al knikte. “Uhm, ja, wat ermee?” Al legde zijn bestek neer en zei: “die ‘gast’ is opgepakt door de politie, niet zo heel lang geleden. Blijkbaar had de politie bewijs ontvangen uit anonieme hoek, genoeg om hem achter de tralies te zetten, niemand weet van wie of waar”. Torrio nam een hap van zijn lasagne en zei met volle mond: “spijtige zaak, daar werkte knappe meisjes, nu is het wat minder”. Duidelijk geïrriteerd keek Al Torrio aan: “Snap je het niet? Het zijn die smeerlappen uit Evanston die bewijs naar de politie doorgespeeld hebben. Wie runt die stripclubs nu”? “Uhm, geen idee”, antwoorde Torrio. “Idioot.” Al gebaarde de ober. “Ja meneer?” “De rekening, en snel”. “En mijn lasagne dan?”, vroeg Torrio. “Hou je mond en breng me naar huis, we hebben werk te doen”, zei Al. Met lichte tegenzin legde Torrio zijn bestek neer en pakte hij zijn jas: “goed, we vertrekken.”  “Dus. Het plan is duidelijk?” “Ja baas”. Voor zijn bureau stond de tweeling, opgebeld door Torrio. “Als je hem hebt bel je me op en breng je hem zo snel mogelijk naar mij”, beval Al. “Jullie kennen het adres nog?” “Ja baas, dok 3 in de oude haven”. “Goed, vertrek.” De tweeling stapte de kamer uit en Al keek ze na. Hij leunde voorover op zijn ellebogen en wreef in zijn handen. “Nog even”, dacht hij, “en niemand kan mij nog stoppen”. De tijd tikte voort en tegen iets na 10 ging de telefoon. “We hebben hem, binnen 10 minuten daar.” “Torrio”, schreeuwde Al, “de auto!” Terwijl de luxueuze auto van Al door de straten reed op weg naar de haven ging ook de spanning voelbaar omhoog. “Alles ligt in de koffer”, vroeg Al? “Ja baas, een boksbeugel, baseball bat en u pistool”. “Goed”, zei Al, “goed”. Hij haalde zwarte handschoenen uit zijn zak die hij stevig vasthield. “We zijn er”, zei Torrio. Binnen in een van de hangars zat Graziano, de leider uit Evanston, tot bloedens toe vastgebonden op een stoel. Hij had een blauw oog dat nauwelijks nog open kon en was gestript van zijn kleren met enkel nog een onderbroek en hemdje aan. De mond was hem gesnoerd met een doek door de tweeling. “Graziano!”, zei Al met open armen, “welkom. Wat vind je van Chigago?” Hij deed zijn handschoenen aan en hurkte voor Gaziano. “Wist je dat hier vroeger, toen ik hier net woonde, 5 families aan de macht waren? 5. Stel je voor. Ik heb veel geleerd toen.” Hij pakte Graziano in zijn gezicht vast en zei bijna knarsetandend: “respect, is hier heel belangrijk. Zonder respect, gebeuren er zaken die...” Capone schudde zijn hoofd en keek neer. Na een aantal seconden keek hij Graziano terug diep in de ogen met een woeste blik: “zonder respect, riep hij, gebeurt er dit”. Hij stond op en gebaarde Torrio voor zijn wapen. “Je hebt een fout gemaakt Graziano, en alhoewel het aan God is om je te beoordelen, kan ik je al wel sturen”. Graziano schudde zijn hoofd en begon zijn lijf wild naar alle kanten te bewegen. Terwijl rolde er een traan over zijn wang en werd hij alsmaar bleker. Hij wou schreeuwen en zelfs smeken, maar dat kon niet.” Mijn wapen”, beval Al. Torrio liep naar Al met het wapen in zijn hand. Hij keek Graziona nog een laatste keer aan en stond op het punt het wapen te overhandigen.   Plots werd het overal licht. De deuren en poorten werden opengegooid en langs alle kanten werd er geroepen. “Politie! Wapens neer!” Torrio keek verschrikt om zich heen en zag minstens 25 politieagenten, allemaal met hun loop op hun gericht. In de seconde waarin dit allemaal gebeurde knakte er iets bij hem. “Nee”, zei hij tegen zichzelf. Hij richte zijn wapen op Elliot en schreeuwde de longen uit zijn lijf. Een luide knal. Toen stilte. Torrio’s lichaam viel met een dof geluid neer op de betonnen vloer en bloed begon een plas te vormen achter zijn hoofd. Jack keek naar het lichaam met rook komende uit de loop van zijn pistool. Elliot keek hem aan en bedankte hem via een knik. “I owe you”, sprak hij. De agenten stonden als een cirkel rond Capone en kwamen met elke tel nu dichter bij hem. Elliot nam het voortouw en stapte, al richtend met zijn pistool, op Al af. “Al Capone, je staat onder verdenking voor belastingfraude, afpersing en moord, alles wat je zegt kan tegen je gebruikt worden in een rechtszaal.” Hij stond nu op een meter van de crimineel die hij al een jaar probeerde te pakken. “Handen”, beval hij, “en omdraaien”. Al stak zijn handen uit en Elliot boeide hem langs zijn rug. “Het is gedaan Capone”, zei Elliot.                                        4.   “Meneer Capone Al. U wordt beschuldigd van het ontduiken van belastingen, 4-voudige moord en het afpersen van meerdere zaakvoerders. Deze rechtbank heeft al het bewijs in handen gekregen en is klaar voor zijn vonnis luidop voor te lezen. Meneer Capone, staat u recht.” Al keek de rechter aan en liet zijn blik toen afglijden naar de grote ramen met uitzicht naar buiten. Hij merkte een vogel op die van tak naar tak in een oude eikenboom sprong en hij dacht terug aan zijn kindertijd. Zijn moeder die hem altijd wou beschermen en zijn vader die zichzelf kapot werkte in de fabrieken. Zijn broers en zussen die hem al 3 jaar niet wouden zien. Hij keek de rechter terug aan en zei op een kwetsbare maar toch zekere toon: “ik zit goed, vertel het me zo maar”.   “11 jaar in een federale gevangenis. Niet slecht”, zei Jack. Elliot begon te lachen en antwoorde: “eindelijk. Ik begon de moed bijna op te geven”. De zon scheen en beide heren liepen de rechtbank uit na het proces waar heel het land getuige van was. 4 uur had het geduurd. “En wat nu?”, vroeg Jack. Elliot keek op zijn horloge en vervolgens naar Jack: “wat dacht je van de Chicago Sandwich?”. 

SeppeDB
8 1

Twee Meisjes

We praatten over kinderen die verkracht waren geweest. Esther, mijn vriendinnetje, tien jaar oud, en ik, toen negen. Zo liepen we hand in hand, tijdens een daguitstap van de scouts in de Ardennen. ‘Verkracht’ zeiden we op zachte toon, stiekem, want kinderen horen niet te praten over zulke dingen. We vertelden elkaar wat we al wisten, en we herhaalden het een paar keer: allemaal waren ze dood teruggevonden – in kelders, in tuinen, op zolders, in stukjes gesneden volgens Esther, volgens mij opgerold, zoals snoepveters in verpakking. Het verband tussen verkrachting en moord was voor mij niet duidelijk, het klonk gewoon niet logisch: kon je niet gewoon alléén maar iemand verkrachten? Waarom niet verkrachten, en dan weer verder met je leven, en zij met het hare? Waarom gingen al die meisjes dood? De armen gehaakt in elkaar, liepen we achter de andere kinderen langs de Samber, en dachten diep na. Het moest wel zo zijn, concludeerde ik met enige trots over mijn vondst, dat je stierf van seks. Niet de ‘goede seks’ – die waar je het had voelen kriebelen in je buik, die waar kindjes van komen, die waar je eerst een paar nachten in je blootje slaapt, naast iemand die je heel graag ziet. Nee, het was de slechte seks. De seks waarbij je in een bosje of een busje werd geduwd door een vreemde man, die zo kwaad was dat hij je kleren scheurde. Als je op zo’n manier moest seksen, natúúrlijk was het dan niet leuk. Mijn vriendin en ik knikten, ja, dat begrepen we wel. Seks was gevaarlijk. Je ging dood als je het niet plezierig vond. Maar het zat natuurlijk nog ingewikkelder in elkaar. Want wat dan, als je het een beetje leuk vond en bleef leven? Wat als de verkrachter kwaad werd, omdat je niet enthousiaster had gereageerd? Teleurgesteld, na alle moeite? Die meisjes die het al overleefden, konden we ons voorstellen, hadden waarschijnlijk al een vijs los. Zo’n meisje dat verkrachtingen leuk vond, was waarschijnlijk ook een kwaaie, eentje die niet graag kleedjes droeg en haar tong uitstak. We kenden er zo genoeg bij de scouts, meisjes met wilde haren die niet wisten wanneer ze hun mond moesten houden, die kregen er vaak nog het hardste van langs. Ja, we konden het ons zo voorstellen: Na de seks had zo’n meisje hem in het gezicht gespuwd, hem geschopt in zijn ballen, gegooid met modder en takjes. Stom, natuurlijk. Dan viel het niet te verbazen als je kop werd ingeslagen. Toch vonden we het erg, ook al waren ze gemeen en vies. Dan had je een verkrachting overleefd, en verpestte je het nog. Alsof je niet even kon doen alsof je het lekker vond, alsof je niet even vriendelijk kon blijven. Misschien vond hij je dan aardig, wou hij het nog eens met je doen, en liet hij je leven. Het was zo simpel! Een keurig meisje zou het kunnen, als ze maar niet doodging onderweg. Mijn nieuwe inzichten brachten duidelijkheid, maar ook frustratie. Hoe, in godsnaam, kwam het, dat niemand die gedachten eerder had gehad? Ik schudde mijn hoofd. Volwassenen, ze waren zo ontzettend traag. Fluisterend vertrouwde ik mijn vriendinnetje toe: ‘Meisjes zoals wij moeten gewoon genieten van de seks. Da’s wel moeilijk, want het is natuurlijk heel erg vies.’ Maar soms moest je je koppigheid maar aan de kant zetten. Niet onnozel doen. Die vieze spruiten op zondag slikte je toch ook maar door. Mijn vriendinnetje knikte. Zij dacht er juist hetzelfde over. Wij zouden nooit zo stom zijn om te gillen en te slaan. Nee, wij zouden het perfecte verkrachtingsslachtoffer zijn, stil en gewillig, daar was geen twijfel aan.

IantheC
29 0

Het Slecht

Met lange, wapperende jas en sneakers zonder sokken loop ik onze straat door. Verwar mijn wervelende verschijning niet met nonchalance. Integendeel, de waarheid is dat ik gejaagd ben, zoals een te lang opgesloten dier in quarantaine, met uitgedroogde poten, teveel ontsmet. Ah, die buitenlucht, waar een mens nog diep kan inhaleren. Vergeet de frisse lucht, ik snak ernaar mijn longen te verschroeien. Ik was nooit een échte roker, trillend van de zenuwen voor de gesloten deuren van een trein in halve stilstand. Als ik rook, rook ik, en als ik niet rook, rook ik niet. Het zijn de woorden van Sartre, niet de mijne – vrij vertaald, weliswaar. Het is een slechte gewoonte, ongetwijfeld, aangevuld door zoveel andere – boter, suiker, ontkenningsgedrag, witte wijn op vrijdagavond. Klunzig reken ik het pakje af in de enige winkel van de straat die nog open is, de dagshop. Normaal gezien een spijtige vlek van neonverlichting in het verder toeristvriendelijke straatbeeld – nu een eenzame vuurtoren. ‘Mint?’ vraagt de vriendelijke man me aan de kassa. We proberen afstand te houden, maar dat is in de kleine ruimte, tot de nok toe gevuld met alle mogelijke zonden van de wereld, moeilijk – ‘Ja, Mint,’ zeg ik, en ik gris het pakje van de net ontsmette toonbank. Alsof het al niet vernederend genoeg is. Wanneer ik er buiten op het pleintje alvast één opsteek en kijk naar een hoop afvalzakken, bedenk ik me dat het roken me bovendien niet knapper maakt. Toch niet voor tien uur, zonder rode lippen. Juist wanneer ik de rook uitblaas, lopen twee jongens met hoodie, skateboard en mondmasker me in een grote boog voorbij. Ik kan er niet omheen. Als mid-twintiger met vaste job en bleke huid zie ik er alleen maar lachwekkend uit,  mijn ‘streetcredit’ totaal foutû. Zeven euro en een smetteloos sociale status, verspild aan een diep onnodig kwaad. Ik neem nog een haal, steek mijn tong uit naar de zwerfhond op de hoek: Ik ben echt de enige niet. Ik heb er zelfs een woord voor: Het Slecht. Het Slecht is dat stukje mens dat ieder in zich heeft, groter of kleiner, luid of bedeesd, maar zonder uitzondering mismaakt. Denk maar niet dat je erboven staat – niemand ontsnapt eraan. Sommigen dragen het als een ereteken, zoals één van mijn vrienden. Overdag is hij heel aimabel, reciteert Russische schrijvers, leest braaf in zijn wetboek en praat alleen op licht sarcastische toon. ’s Nachts daarentegen, gaat hij het liefst nog dronken en schreeuwend op pad, grijpt hij jonge meisjes bij de haren, halsstarrig op zoek naar iemand die hem in elkaar kan slaan. Een vriendin van me heeft geniale hersenen en geweldig veel stijl. Met een knap Engels lief en collega’s die haar bewonderen, ligt het leven aan haar voeten. Voor haar is het sigaretje waar zij aan zuigt haar zelfbeeld, dat zo donker en wreed is dat het bijna terug interessant wordt – iets waar ze waarschijnlijk haar bestseller over zal schrijven, waardoor ze de volgende jaren terug vastzit. Of je met je vreemde verlangens nu anderen lastigvalt of niet, één ding is zeker: Het Slecht is altijd volkomen onnodig en ongewenst – maar hoe hard je ook poetst en schrobt, jezelf op dieet zet en die ene vriend mijdt – je bent besmet, besmet door je eigen viezigheid. Zelfs mijn grootmoeder, recent heilig verklaard, speelde vals bij patience. Ik intussen, sta met mijn gehalveerde sigaret aan de vuilbak in de wind, en voel me misselijk. Ach, verdorie.

IantheC
11 3

Een Uit De Hand Gelopen Spel

'Dit spel heeft als doel jullie bewust te maken van de keuzes die jullie gemaakt hebben.’ De Vijftiger kijkt de tafel rond. Een enkeling die net niet oplette, fluistert nog een halve zin tegen een ander. Een houten kruk kraakt. Vanavond zijn het alleen maar grote namen, iedereen aan deze tafel heeft zichzelf al overtroffen – op papier. Op papier waren ze interessant, en dus zijn ze uitgenodigd, om vanavond ook interessant te zijn. Iemand kucht. De Vijftiger zegt: ‘jullie hebben allemaal een pseudoniem gekozen. Leg je keuze uit aan de groep.’ Eén voor één hernoemen ze zichzelf. Lolita wordt Vladimir. Dorian in de hoek wordt Oscar. Woutertje kiest voor ‘Max’. Iemand denkt: Ik ken jullie al, wat doet een ander woord ertoe? Zij gebruikt als pseudoniem haar eigen naam. ‘Je neemt het te serieus,’ zegt een doorgaans opgewonden vriend. ‘Het is maar een spel.’ Hij kiest voor ‘Friedrich’ en doet nog een suikertje in zijn koffie. Even dreigen de gemoederen te verhitten wanneer Manfred op het idee komt zichzelf ‘Lord Byron’ te ridderen. ‘Het is toch maar fictie!’ sputtert hij tegen. – ‘Zo gemakkelijk was het om te wisselen van naam,’ onderbreekt de Vijftiger, en hij knipt met zijn bevlekte inktvingers. ‘Zijn al jullie boeken vóór dit moment nu wees? Of bevrijd, door de dood van hun auteur?’ ‘Zijn het nog steeds onze verhalen?’ – ‘Heel juist, Roland. Zijn het nog jullie verhalen?’ ‘Ja natuurlijk, wij hebben ze geschreven,’ zegt Arnon. ‘Zegt de vrouw die al drie keer verwisseld is van naam!’ De tafel begint te rumoeren. ‘Zolang de waarheid maar verteld wordt, maakt het mij niet uit welke naam onder mijn schrijfsels staat,’ zegt Anne. ‘Dan zet ik mijn naam eronder,’ zegt Adolf. De avond wordt een bloedbad – ook de Vijftiger sterft.

IantheC
7 1