Lezen

Mijn focus groeit uit ruis

Ik leg mijn oor tegen de grond, beluister muren en hoeken. Na het ontkoppelen van diverse stekkers en het onderzoeken van toestellen in en rond huis concludeer ik dat het geluid niet van bij mij komt. Toch blijf ik zoeken en raden. Mijn brein denkt controle te kunnen verwerven door het te begrijpen. Maar het is zoals met de diagnose van een ziekte: het benoemen en categoriseren van kwalen, lost ze niet op. Iets begrijpen garandeert niet dat je het kan transformeren. Het geluid is nieuw sinds een aantal weken. Er was al een constant laag gezoem waar ik doorheen de jaren vrede mee gesloten heb, vergelijkbaar met een generator die ergens in de verte staat te trillen, maar nu is dit geluid erbij gekomen. Het nieuwe geluid klinkt als een soort waterpomp die met onregelmatige intervallen aan en af slaat. Het is dat onregelmatige ritme dat het zo doet opvallen. Van het moment dat het geluid stopt, valt de reeds geaccepteerde soort van ‘stilte’ van voorheen weer als een warm deken over me heen. Het stopt telkens slechts voor enkele minuten of seconden. Mijn gekke geest kwam al op het idee om de intervallen van stilte te timen, om te zien of er misschien een patroon in zat. Allerlei absurde ideeën dienden zich aan met de wens om te begrijpen wat ik niet kan veranderen. Als het op omgaan met geluidsoverlast aankomt, voel ik me doorleefd. Levend als een hypersensitief wezen in een druk bevolkte welvaartsmaatschappij, waar iedereen wel over één of andere zeurende machine beschikt die instaat voor comfort of onderhoud, waar eenzame blaffende honden meer regel dan uitzondering zijn en bluetooth speakers vrolijk beats de ether in knallen, heb ik al heel wat training in wat je ‘mindfulness’ zou kunnen noemen, achter de rug. Met enige trots en opluchting dacht ik mezelf verlost te hebben van de frustratie over lawaai. Ik was door processen gegaan en had mijn focus weten te verleggen. Want dat is dan ook het sleutelwoord van dit hele gegeven: focus! Wie zijn focus kan beheersen is een vrij mens, zo klinkt het inzicht dat eruit voortkwam. Maar na een aantal lessen vruchtbaar te hebben afgerond, komt natuurlijk het examen. Het levensspel brengt van tijd tot tijd een uitdaging die ik een ‘bosslevel’ noem. Een level of stadium dat alle voorgaande oefeningen en lessen samenvat in één groot monster van een uitdaging. Alsof het universum wil testen of de transformatie die ik doorgemaakt heb wel gegrond is, stevig geworteld zit. Dit nieuwe geluid test mijn mentale oriëntatie. Het laat zich niet uitblokken met oordopjes, integendeel, ik hoor het zelfs nog beter met afgesloten oren. Ook lijkt mijn huisje als een soort klankkast te fungeren, want ik hoor het ook beter binnenshuis dan buiten. Ik vermoed dat de trillingen via de grond tot mij komen en zo doorheen mijn gebeente vibreren. Er is geen fysieke manier om eraan te ontsnappen, tenzij misschien verhuizen dan, een gedachte die doorheen de jaren wel eens de kop opstak. Maar het idee dat ik niet kan vluchten van triggers zou met mij mee verhuizen. De triggers zouden enkel veranderen, niet verdwijnen. Want de sleutel ben ikzelf natuurlijk, niet mijn omgeving. Paradoxaal genoeg woon ik al op een plek die mensen als ‘rustig’ omschrijven, in een klein huisje in de natuur, maar het blijft wel het immer bedrijvige Vlaanderen. Deze tekst had ik een paar dagen geleden als oninteressant gezeur van een overprikkeld mens geklasseerd en wou hem dan ook half geschreven laten liggen. Ware het niet dat ik online op een artikel botste waarin beschreven wordt hoe een ondefinieerbaar laag brommend geluid een man tot waanzin drijft. Die man was overgegaan tot stappen die voor mij geen optie lijken, zoals het contacteren van instanties. Maar er was alsnog geen verlossend antwoord gekomen. In het artikel werd het probleem serieus genomen, men had er zelfs een term voor: LFG of laagfrequent geluid. Het zijn geluiden tussen de 20 en 125 Hz, lage tonen die zeer grote afstanden kunnen afleggen en dwars doorheen muren en isolatie trillen. Toen ik de reacties onder het artikel opende, vond ik tot mijn verbazing sympathieke bijval in plaats van de ongevoelige kritiek die ik had verwacht. Tal van mensen leken hiermee te maken te hebben. De erkenning en herkenning die ik vond via dit artikel trok me over de schreef om er toch over te schrijven. Het lijkt mij dat de sensitiviteit van het collectief gestaag aan het verscherpen is, dat er met andere woorden steeds meer mensen gevoeliger worden. Die verhoogde gevoeligheid uit zich in de eerste plaats vaak in ongemak, maar het is dankzij dat ongemak dat er uiteindelijk transformatie of vergroting van het bewustzijn kan plaatsvinden. Gevoeligheid krijgt langzaam maar zeker weer een plaats in deze met ratio dicht geplamuurde maatschappij. Het is een traag proces dat mij enige hoop geeft.  Overlevend tussen warmtepompen, windturbines, koelinstallaties, generatoren, compressors, ventilatiesystemen, dreunend vrachtverkeer, servers, ongedierteverjagers, elektriciteitscabines en tal van andere machinerie, krijgt het zenuwstelsel van een fijngevoelig mens dagelijks heel wat te verduren. En dan zijn er nog de ultrasone trillingen die we niet kunnen horen, maar die het lichaam wel opvangt. Geen wonder dat ik zo snel op de grenzen van mijn energievoorraad bots. Er is zoveel dat ik onbewust te verwerken krijg. Iets uitblokken of negeren kost natuurlijk ook energie. Onlangs werd ik eraan herinnerd dat iets uitblokken of negeren niet hetzelfde is als de focus verleggen. Ik vind het niet evident om dat verschil te omschrijven. Het lijkt me dat negatie alsnog een soort van onzichtbare energetische verbinding in stand houdt met het te negeren onderwerp. Het negeren of uitblokken blijft doorgaan zolang het te negeren onderwerp zich voordoet. Terwijl ik het verleggen van de focus als een onafhankelijk zoeklicht kan zien, als een soort spot die zich ergens op richt. Het licht, of de aandacht, die ik op een bepaald onderwerp laat schijnen is niet verbonden aan een externe situatie. Dat licht is er altijd, het schijnt onvoorwaardelijk.  Dat licht is de aandacht of focus die ik ergens aan kan schenken. Ik kom erop uit dat dit het meest waardevolle is dat ik ‘bezit’. Of dat ik ben? Ik zie mijn licht niet schijnen zoals een lamp, maar eerder als een projector, want ik creëer tegelijk ook wat ik zie. Dit projector-gegeven zou ik nog verder kunnen uitdiepen, maar het punt dat ik hier wil maken is: leven is schijnen en creëren. En  meester zijn over de focus is cruciaal in deze wereld om gezond te blijven. Er zijn immers maar al teveel afleidingen, zoveel dat om onze aandacht roept.  Waar mijn aandacht naartoe gaat, daar gaat mijn licht, energie en levenskracht naartoe. De lage bromtoon die zich nu als extra afleider in mijn leven heeft aangediend, kroon ik tot de zoveelste motivator om mij te focussen. Het had de druppel kunnen zijn die mijn emmer vol prikkels en uitdagingen deed overlopen, maar ik kies er bewust voor om het een stimulans te laten zijn die mij naar binnen drijft. Het herinnert mij aan de kracht van mijn focus en de vrijheid die er is om die op elk mogelijk onderwerp te schijnen. Ik zet daarmee ook de spot op het ongenaakbare in mij: dat wat immer stabiel, stil en oneindig is. Het is mijn essentie die al het vergankelijke ervaart, maar in wezen altijd heel en volledig is.  Ik kan het misschien wel lyrisch verwoorden, maar natuurlijk is er ook weerstand, frustratie en boosheid. Het is van belang gebleken dat deze emoties en gevoelens in beweging blijven. Erin blijven hangen door ze dagelijks te voeden met aandacht is moordend. Ik kan ze op z’n minst als een vruchtbare ondergrond gebruiken. Zo bevat het vuur van boosheid een stuwkracht die de koers van mijn aandacht kan wijzigen. Een boosheid die zegt: ik laat me niet afleiden, leegzuigen of verstoren. En de weerstand en frustratie tonen mij waar er oude energieverslindende patronen liggen waarmee ik mezelf hinder. Patronen die mij zodanig uitputten dat ik het verlangen om iets te veranderen bij mezelf sterker voel worden. Het is de wrijving die de stroom vertraagt en doet stilstaan bij wat er getransformeerd wil worden. Het gaat natuurlijk met ups en downs. De ene dag is mijn focus al wat scherper dan de andere. Het is een proces. Zonder enige rustpunten in dat proces is het niet leefbaar, die moeten er op één of andere manier wel zijn. Tussen alle herrie vind ik gelukkig wel nog gaten of intermezzo’s van waaruit ik alles kan laten bezinken en opnieuw rangschikken volgens prioriteit. In de spaties van het bestaan vind ik de klaarheid die nodig is om mijn focus scherp te stellen. Het is eigenlijk zoals het afstellen van een lens. Iets ontwijken, afblokken of proberen te negeren zijn als vlekken op die lens. Het bekrachtigen en verfijnen van onze projectorlens is een ander werk dat volgens mij zuiverend werkt. Zoals je wel doorhebt, gaat deze tekst niet over geluidsoverlast, maar over innerlijke focus. De geluidsoverlast was in dit geval het middel of de uitnodiging om daartoe te komen. En zo beschouw ik elke externe uitdaging als een motiverende duw richting mijn essentiële Zelf. Ik heb niet het gevoel dat ik alles al helemaal klaar zie, laat staan dat ik dit kan beschrijven zonder mezelf ergens tegen te spreken. Ik vertrouw er hier weer op dat er tussen de lijnen gelezen kan worden. Dat je als lezer doorheen de woorden prikt en daarbij misschien de herkenning voelt die verbondenheid bevestigt. Want de bewegingen van persoonlijke processen deinen steeds uit in de poel van het collectief. https://www.karoliendeman.com/blog/2026/5/18/mijn-focus-groeit-uit-ruisFoto door Dries Luyten

KarolienDeman
0 0
Tip

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
170 7

De eerste vloek

Mare werd wakker met haar ene hand onder haar wang en haar andere in een kom koude bonen. Dat was niet het ergste van die ochtend. Uit de bezemkast kwam een tik. Daarna nog een. Niet hard. Een nagel tegen glas. Mare trok haar hand uit de bonen en rook eraan. ‘ Mooi,’ zei ze. ‘Vandaag beginnen we dus als soep.’ Ze bleef liggen.  Haar bed stond in de keuken sinds de trap drie winters geleden had besloten dat hij een beekje was. Dat soort dingen gebeurde in oude heksenhuizen. Je vocht ertegen, of je paste je meubels aan. Tik. ‘Ik heb je gehoord.’ De kast hield niet op. Mare keek naar het raam. Mist tegen het glas. Geen haan. Dat viel op. De hanen van Berkelwoud kraaiden gewoonlijk uit wrok, ook wanneer de zon zich vergist had. Ze ging rechtop zitten. Haar rug kraakte. Niet magisch. Gewoon ouderdom. Beneden stond de ketel al op het vuur. Ze had hem niet opgezet. ‘Als je weer probeert zelfstandig te worden, giet ik je leeg in de tuin.’ De ketel gaf een klein zuchtje stoom. Bij de poort lag een brood  met een kruis in de korst. Mare wist meteen van wie het kwam. Ze wist ook waar het mes in de lade lag om het aan te snijden. Alleen wist ze niet sinds wanneer brood niet meer aan haar deur werd gebracht. Buiten bewoog iets. Een vrouw op het pad, een kind aan haar rok. Het kind keek naar het huis. Naar Mare. Zijn lip begon te trillen. ‘Niet kijken,’ zei de vrouw. Ze trok hem mee. Mare liet het gordijn vallen. ‘Charmant dorp,’ mompelde ze.  Er werd op de voordeur geklopt. Dat was wel nieuw. Mensen kwamen niet kloppen bij Mare. Ze gooiden stenen, lieten brood achter, fluisterden bij de haag. Kloppen was voor buren. Mare trok haar oude vest aan en ging openmaken. Lena stond op de drempel. De vroedvrouw. Of vroeger de vroedvrouw. Nu was ze vooral botten, muts en ogen die te weinig sliepen. ‘Mare.’ Ze zei haar naam alsof die bitter smaakte. ‘Lena.’ Mare keek haar van boven tot onder aan. ‘Je ziet eruit alsof je drie dagen in een regenton hebt liggen piekeren.’ ‘Ik heb vannacht mijn man weer zien sterven.’ Mare zweeg. Lena had geen man meer. Dat wist ze. Ze wist ook dat hij onder een appelboom lag, met een steen waarop de letters scheef stonden omdat de steenhouwer dronk. Rare dingen wist ze nog. Andere dingen niet. ‘Dat is vervelend,’ zei Mare. ‘Hij is al tweeëntwintig jaar dood.’ ‘Dan is het nog vervelender.’ Lena lachte niet. De vrouw had vroeger een korte lach gehad. Een snik bijna. Mare hoorde hem even in haar hoofd, maar wist niet bij welke dag hij hoorde. Achter hen tikte de kast. Lena sloot haar ogen. ‘Vandaag is het dertig jaar.’ ‘Iedereen begint daarover, behalve mijn geheugen.’ ‘Omdat jij het niet meer hebt.’  Mare leunde tegen de deurpost. ‘Wat niet?’ ‘De reden.’ Mist kroop over het erf. Bij de poort lag het brood als een afgehakte hand.Lena wreef met haar duim over de rand van haar muts. Ze deed dat vroeger ook wanneer een kind verkeerd lag. ‘Mijn kleindochter is zes,’ zei ze. ‘Ze kent de stem van mijn zus. Ze heeft mijn zus nooit gezien. Niemand spreekt over haar. Toch wordt dat kind wakker en zegt ze: Lena, waarom liet je haar buiten staan in de hagel? Ze zegt het met dezelfde stem als mijn moeder.’ Mare voelde iets in haar buik zakken. ‘Kinderen zeggen rare dingen.’ ‘Niet zo. Niet iedere nacht. Niet met woorden die ze niet kan kennen.’ Lena keek haar aan. ‘Niemand hier vergeet. Dat weet je toch? Nee. Jij weet het niet. Jij drinkt thee en moppert op je ketel.’ ‘Mijn ketel verdient dat.’ ‘Mare.’ Daar was het weer. Geen angst. Geen verwijt. Gewoon moe tot op het bot. ‘We dragen alles nog. Elk woord. Elke dode. Elke laffe minuut. Het wordt niet oud. Het gaat niet liggen. Gisteren is hier nooit gisteren geworden.’ De kast zweeg. Mare vond het tikken beter. ‘En ik heb dat gedaan?’ ‘Jij hebt het gezegd.’ ‘Wat?’ Lena keek naar de keuken. ‘Vraag het haar.’ ‘Haar?’ ‘Wat er van je overbleef.’ Mare keek niet om. Ze had geleerd dat je sommige dingen beter eerst liet wachten. Als ze daarna nog leefden, waren ze meestal echt. ‘Wat zit er in mijn bezemkast, Lena?’ ‘Je eerste vloek.’ ‘Dat vroeg ik niet.’ Lena haalde langzaam adem. ‘Jij zit erin. De jonge jij. Het stuk dat alles nog weet.’ Een kraai streek neer op de haag en viel meteen weer opzij, alsof hij zich had bedacht over het leven. Hij krabbelde overeind en vloog weg. ‘Zelfs de kraaien doen raar,’ zei Mare. ‘Maak haar open.’ ‘En als ik dat niet doe?’ ‘Dan komt ze er misschien zelf uit.’ Lena stapte achteruit. Bij het brood bleef ze staan. Ze wilde iets zeggen, slikte het in en liep weg. Mare sloot de deur. De keuken leek kleiner dan daarnet. Het bed stond scheef. De thee dampte niet meer. De kast stond aan de overkant, bruin en lelijk en veel te stil. Vier stappen, hoogstens. Mare ging zitten. Ze sneed een stuk brood af. Karwij. De bakker deed karwij in brood wanneer hij iets goed te maken had. Dat wist ze ook weer. Zij wist te veel kleine dingen en te weinig grote. Ze legde het mes neer. De kast klopte. Geen tik meer. Klop. Alsof iemand vanbinnen met een vuist tegen het hout sloeg. Ze had altijd gedacht dat queesten begonnen aan de rand van een rijk. Nu bleek de hare te beginnen tussen een kom koude bonen en een kastdeur. ‘Ik kom al,’ zei Mare. Ze stond op. Haar eerste stap plakte aan de vloer. Niet door vuil. Door herinnering. Dat voelde anders. Vuil gaf mee. Bij de tweede stap rook ze zure melk. Ze hield stil. Een tafel. Een nat laken. Blauwe lippen. Een moeder op de grond.  Mare klemde haar  hand om de rug van een stoel. De derde stap bracht kindergehuil mee. Niet luid. Juist daarom. Het zat ergens achter het behang en had daar jaren geoefend. Bij de vierde stap stond ze voor de kast. Op de deur waren tekens gekrast. Geen sierlijke runen, geen maanvormige heksentaal zoals in goedkope prentenboeken. Gewoon harde strepen, te diep gezet. Mare herkende haar eigen handschrift. Jonger. Kwaaier. Rond het sleutelgat zat zwart draad. Vloekdraad. Daarvoor had je haar nodig, zout, kaarsvet en iets waar je later spijt van kreeg. Vanbinnen zei iemand: ‘Eindelijk.’ Mare trok haar hand terug. Die stem was van haar. Maar scherper. Met minder geduld en meer tanden. ‘Wie ben jij?’ ‘Dat weet je best.’ ‘Ik weet vandaag bijzonder weinig.’ ‘Open dan.’ ‘Ik laat mij niet bevelen door een kast.’ ‘Je liet je wel bevelen door het hele dorp.’ Mare draaide de knop. Geen bezems. Dat was al een belediging. Op de bovenste plank stond een glazen pot. Dik glas, scheef geblazen, afgesloten met zwarte was. In de pot zat een meisje, zo groot als een vuist. Blote voeten. Gescheurde jurk. Donker haar tegen haar wangen. Eén kant van haar gezicht was gezwollen. Op haar lip zat bloed. Mare keek naar haar en voelde geen herkenning in haar hoofd. Wel in haar maag. ‘O,’ zei ze. Het meisje legde beide handen tegen het glas. ‘Nu wel.’ De keuken verdween. Niet mooi. Geen licht, geen rook. Gewoon weg. Mare stond in dezelfde kamer, maar jonger. De tafel stond anders. De muren waren net gekalkt. Regen sloeg tegen het raam. Op de tafel lag een kind. Vijf jaar, misschien. Klein mondje. Haar nat van koorts. Dood, al wilde de kamer dat woord nog niet gebruiken. Jonge Mare stond ernaast. Zestien. Slap van vermoeidheid. Haar handen rood van wassen en kruiden wrijven. Een man greep haar pols. ‘Maak haar wakker.’ ‘Ze is weg,’ zei jonge Mare. De man sloeg haar. Geen grote slag. Geen verhaalwaardige. Een platte hand, kort en gemeen. Genoeg voor bloed. Genoeg om iedereen in de gang te laten zwijgen. In de deuropening stonden mensen. De dorpsraad. De bakker. Lena, jong nog, met haar muts in beide handen. Niemand zei iets. ‘Bedrieger,’ zei de man. ‘Ik heb gedaan wat ik kon,’ zei jonge Mare. ‘Je hebt haar laten sterven.’ ‘Jullie kwamen te laat.’ Dat had ze niet moeten zeggen. De man greep haar pols. Iemand achter hem zei: ‘Brand haar handen. Dan houdt het op.’ Jonge Mare keek naar de gezichten. Mare keek met haar mee. Ze zag mensen die bij haar waren gekomen voor koorts, weeën, wratten, mislukte liefdes, kalveren die verkeerd lagen, regen die uitbleef. Mensen die haar kind noemden als ze haar te jong vonden en heks als ze iets nodig hadden. Ze stonden daar. Ze lieten de man haar vasthouden. Lena deed haar mond open. En sloot hem weer. Daar brak iets. Niet luid. Niet zichtbaar. Maar Mare voelde het, zelfs nu nog. Een klein ding in haar borst dat ophield met hopen. Jonge Mare tilde haar hoofd op. ‘Goed,’ zei ze. De man liet haar pols niet los. ‘Jullie willen niets verliezen?’ Haar stem was kalm geworden. Dat was het gevaarlijkste aan haar. ‘Dan verliezen jullie niets meer. Geen woord. Geen naam. Geen dode. Geen schaamte. Geen ogenblik waarop je had kunnen kiezen. Alles blijft. Alles blijft vers. Tot iemand eerlijk genoeg is om het terug te nemen.’ Buiten kraaide een haan, midden in de nacht. Toen begon het dorp te schreeuwen. De gang verdween. Mare stond weer voor de kast, met haar hand tegen haar wang. Haar lip bloedde niet, maar ze proefde bloed. Het meisje in de pot keek haar aan. ‘Ze verdienden het,’ zei ze. Mare zei niets. ‘Zeg het.’ ‘Ze waren laf.’ ‘Zeg dat ze het verdienden.’ Mare keek naar de tafel, naar het brood, naar de mok met koude thee. ‘Ik weet niet of verdienen het juiste woord is.’ Het meisje sloeg met haar vuist tegen het glas. ‘Ze zouden onze handen verbrand hebben.’ ‘Misschien.’ ‘Misschien?’ ‘Je verdedigt hen.’ ‘Nee.’ ‘Je klinkt als hen.’ Dat raakte harder dan Mare wilde. Ze boog dichter naar de pot. ‘Ik verdedig niet wat ze deden. Ik kijk naar wat wij deden.’ ‘Wij?’ ‘Jij sprak. Ik liet het dertig jaar liggen.’ Het meisje haalde haar lip op. ‘Jij wist van niets.’ ‘Dat maakte het gemakkelijk.’ ‘Het was het enige goede eraan.’ Daar zat waarheid in. Mare voelde het. De leegte in haar hoofd was niet alleen verlies geweest. Ze had erin kunnen slapen. Ze had thee gezet. Planten gekweekt. Brood gegeten dat aan haar poort werd gelegd. Ze had het dorp vervloekt en daarna de schuld in een pot gestopt. Ze was oud geworden met schone handen, omdat ze de vuile achter een kastdeur had gezet. ‘Als ik je eruit laat,’ zei Mare, ‘komt alles terug.’ ‘Ja.’ ‘Ook jij.’ Het meisje zweeg. Voor het eerst zag Mare hoe klein ze was. Zestien. Een kind met bloed op haar lip, te veel macht in haar mond en niemand naast haar. Mare pakte het broodmes. Het meisje deinsde achteruit. ‘Wat doe je?’ ‘Niet zo kijken. Als ik je had willen vermoorden, had ik geen dertig jaar gewacht.’ Ze sneed in haar duim en drukte haar bloed op de zwarte was. De was siste. ‘Wacht,’ zei het meisje. Mare wachtte. ‘Als je dit doet, mogen ze vergeten.’ ‘Niet alles.’ ‘Genoeg.’ ‘Misschien is genoeg soms genade.’ Het meisje spuwde tegen de binnenkant van het glas. ‘Genade is wat mensen vragen als ze niet willen betalen.’ Mare knikte. ‘Meestal wel.’ ‘Waarom dan?’ Omdat Lena aan de deur stond alsof haar dode man nog in haar armen lag. Omdat een kind droomde met het hoofd van zijn grootmoeder. Omdat schuld geen wieg hoorde te zijn. Omdat Mare moe was van een leven met gaten erin. Ze zei alleen: ‘Omdat ik niet langer leeg wil zijn.’ Het meisje keek naar haar. ‘Dat is egoïstisch.’ ‘Eindelijk iets dat je gelooft.’ Heel even bewoog er iets rond de mond van het meisje. Geen glimlach. Nog niet. Mare legde haar hand op het deksel. De woorden kwamen vanzelf. Niet mooi. Niet plechtig. Ze klonken als iets dat lang onder een steen had gelegen. ‘Wat ik gaf uit woede, neem ik terug uit eigen naam.’ De zwarte was barstte. De pot ging open. Er kwam geen storm uit. Geen blauwe vlam, geen dodenstemmen. Alleen adem. Mare viel. De vloer kwam hard tegen haar knieën. Alles kwam tegelijk terug en niet netjes. De klap. De smaak van bloed. Het kind op de tafel. Het gewicht van een kleine hand die slap werd in de hare. De moeder die spuugde. Lena die keek en niets deed. De man zijn vingers rond haar pols. De woorden in haar mond. De kracht ervan. De schrik achteraf. Het dorp dat stil werd. De eerste ochtend waarop niemand nog vergat waarom hij huilde. Dan de jaren. Mare gaf over op de vloer. Ze bleef zitten tot haar adem weer van haar was. De ketel zweeg. De kruiden hingen stil. In de kast stond de lege pot. Buiten kraaide een haan. Vals. Hard. Veel te laat. Mare lachte. Niet lang. Het deed pijn aan haar keel. Er werd op de deur geklopt. Ze stond op. Haar knieën protesteerden. Haar ochtendjas hing scheef. Er zat thee op haar mouw en braaksel op haar zoom. Lena stond buiten. Achter haar stonden anderen op het pad. De bakker. De vrouw met het kind. De smid. Niemand kwam dichterbij. Niemand riep. Lena had gehuild. ‘Mijn man,’ zei ze. Mare hield zich vast aan de deurpost. ‘Ben je hem kwijt?’ Lena schudde haar hoofd. ‘Nee.’ Ze legde haar hand op haar borst. ‘Hij was dood. Niet aan het sterven.’ Mare begreep het. Dat maakte het niet minder erg. Alleen duidelijker. Het jongetje met het houten paard keek naar Mare. ‘Ben jij de heks?’ Zijn moeder trok hem niet weg. Mare keek naar haar bebloede duim. Naar haar blote voet. Naar het brood bij de poort. ‘Ja,’ zei ze. ‘Maar vandaag niet voor kleine klachten.’ Het kind knikte ernstig. Lena deed een stap naar voren. Toen stopte ze. ‘Dank je,’ zei ze. Lena glimlachte. Voorzichtig. ‘Ik zal het zeggen.’ Mare sloot de deur. De pot liet ze in de kast staan. Leeg glas was ook een herinnering. Ze zette opnieuw thee. Deze keer nam ze twee koppen. Ze zette er één tegenover zich op tafel. Er zat niemand. Toch schoof de stoel vanzelf een stukje naar achter. Mare schonk in. Buiten kraaide de haan opnieuw. Alsof hij oefende. Mare hief haar kop. ‘Op slechte geschenken,’ zei ze. De thee aan de overkant rimpelde, alsof iemand ertegen blies. Later die ochtend vergat iemand in Berkelwoud waarom hij kwaad was. Er gebeurde niets. Geen straf. Geen bliksem. Niemand viel dood neer.  Vier stappen had het gekost. Dertig jaar om ze te zetten. Alleen dat.      

Dominique80
0 0