Lezen

Stationsgesprek

Het is een bloedhete dag en ik ben redelijk vroeg aan het station van het naburige dorp. Onze jongste arriveert er met de trein, wegens geen aansluiting naar ons stadje. Het terras aan de achterzijde van het stationsgebouw ligt voor een groot stuk in de schaduw. Ik heb graag zon, maar een hele dag bakken en braden is aan mij niet besteed. Ik ben dan als een lasagne in een hete oven. Als hij begint te pruttelen, moet je hem eruit halen. Ik heb nog een kwartier. Aan mijn linkse kant zijn twee oudere dames in gesprek met de eigenaar. Dat het warm is en dat het bij de coiffeuse onder de droogkap nog warmer is. De geur van hun haarlak is herkenbaar. Ik zie de bruine bus met de witte dop thuis nog in de kast staan. Aan mijn rechtse zijde zit een grote man met een zomerhoed. "Ik ben zjust in de schaduw gaan zitten", spreekt hij met het smakelijke accent van ons naburig dorp. "Ik hem ne nieuwe vélo gekocht”, gaat hij meteen verder, alsof we oude bekenden zijn. Hij wijst naar de driewieler tegenover ons, vastgebonden aan de lantaarnpaal. "Drie ruggenwervels gebroken", zegt hij. Er gaat meteen een rilling over mijn rug. Hij vertelt over zijn zwaar ongeval en dat een gewone fiets moeilijk is om op en af te stappen. Het is zijn evenwicht waar het nu aan schort. "Ik verschoot van de prijs. Daar kon ik hem niet voor laten staan. Rij hem maar naar buiten, zei de man van de Kringloopwinkel tegen mij. Ik ga eens zien of ik hem thuis krijg”, zegt hij, waarna hij zijn glas uitdrinkt. Hij maakt het slot los en stapt voorzichtig op zijn fiets. Het gaat hem goed af. Ik zwaai nog even. Alsof we oude bekenden zijn.

Rudi Lavreysen
35 0

Het terras

“Je bent te laat,” begroette Eva hem. “Je bent nog niks veranderd in die vijftien jaar.” Het verwijt was hypocriet, dat wist ze wel. Ze was zelf een kwartier te laat. Robin trok een wenkbrauw op; zijn wenkbrauwen waren dikker sinds hij ze niet meer trimde. “Niets veranderd? Jij ziet niet goed. En trouwens, ik zag je uit de auto stappen toen ik aankwam. Je bent hier zelf maar net.” Allebei hadden ze niet degene willen zijn die op de ander moest wachten, zeker als die ander besloot niet op te komen dagen. En toch waren ze hier nu, op het terras, Eva met haar zonnebril in de haren en ogen tot spleetjes geknepen tegen het daglicht, en Robin, breder en hariger dan ze zich herinnerde, maar tegelijkertijd toch heel herkenbaar. Robin plofte neer in een lege stoel en kamde een hand door zijn vetkuif. De schouderlange krullen van voorheen waren verdwenen, net als de zwarte mouwen die zelfs in de zomer voorbij zijn vingertoppen hadden gereikt. “Zullen we het kort houden?” vroeg hij. “Wat jij wil.” Eva bestelde een glas rosé, Robin spuitwater. Zij grinnikte. Hij negeerde haar en sloeg zijn armen overeen. In het zonlicht staken de littekens, die hij nu droeg als oorlogswonden, fel af tegen zijn gebruinde huid. Zijn nagels waren kort geknipt (niet kort gebeten), zijn armen sterk en afgetraind. Dit was niet het lichaam van een angstige tiener, maar dat van iemand die zichzelf heruitgevonden had. Haar ogen dwaalden over zijn gezicht en bleven rusten op zijn lippen, die ze in haar tienerjaren met haar eigen mond nog duchtig had verkend; een tijd waarin baardgroei nog een vreemde onbekende was – voor zover de schrale sprieten op zijn bovenlip als baardgroei telden, alleszins. Vreemd genoeg maakten die hem juist minder man. Als de serveerster even later hun drankjes bracht, bleef haar blik te lang op Robin hangen, haar voorhoofd in een frons. “Valt er soms wat te zien?” bitste Eva, die de halve euro fooi in haar hand weer in haar tas liet vallen. De serveerster mompelde iets onverstaanbaars en maakte zich uit de voeten. Eva zuchtte. “Je ziet er goed uit. Meer dan ooit jezelf. Zag iedereen dat maar.” Robin ontvouwde zijn armen en legde een hand op haar knie. “Dank je,” zei hij, heel even weer dat meisje van zeventien dat Eva’s hart gestolen had. En toen opeens niet meer.  

Caronaut
32 2

Monoloog van een harpij

Je bouwt mooie muren. Vriendelijke muren. Muren die het zonlicht weerkaatsen of vol bloemen staan. Ik heb nooit gedacht dat een muur mooi kan zijn, dat moet ik je bekennen. Muren zijn voor mij altijd iets vermoeiend geweest, zoals hekwerk in het bos. Iedereen wil zijn stuk land markeren maar het enige dat ze markeren is hun kleinheid. Vogels geven niets om muren, en het toeval wil net dat ik een vogel ben. Je mag me voorstellen als een grote vogel met witte veren en een lange nek. Bijna een zwaan of een ooievaar, maar toch net iets anders. De oude Grieken hadden een woord voor me, harpij. Dat schreeuwden ze tegen me en hun helden gingen naar me op zoek, vanuit Troje en Athene en Sparta. Maar ik kon vliegen. En als ik ergens heen vloog, dan was het wel weg. Ik moet je iets bekennen over wegvliegen, ten eerste, de aarde is rond. Al ga je rechtdoor tot de eindigheid, dan vlieg je in een perfecte cirkel. Verhalen hebben de koppige neiging om gevonden te worden, willen of niet. Zo kon ik, als ik te veel wou vluchten van die helden, precies boven hen verschijnen. Harpij.. Nu wordt de mythologie gebruikt voor videogames, maar toen was het anders. Wat is een videogame anders dan een verhaal? denk je dan. Alles bestaat uit verhalen! Jij ook!Dan geef ik je gelijk. Gigabytes aan verhalen heb ik onder mijn hersenpan opgeslagen. Ik zou je gemakkelijk kunnen bedelven onder de herinneringen, maar dat bespaar ik je. Herinneringen zijn een beetje als drijfzand, je kan ze het best vermijden. Daar is nog nooit iets goed van gekomen. Soms lijkt het niet zo, maar als je zo lang leeft als ik besef je dat . Vaak komen er mannen of vrouwen naar me toe om te praten over vroeger. Dat doen ze terwijl ik mijn vingers blindelings op het toetsenbord leg en de f en de j opzoek. Ik gebruik enkel mijn oren. Oren zijn je beste vriend. De dunne laag tussen ego en al het andere ligt tussen je twee oren. Het is wijsheid dat ik met je deel dat al lang niets meer waard is, maar voor een harpij als ik is dit de waarheid. Ik ben de harpij van de huichelarij, en jij bent een muis dat wil ontsnappen. Je hebt evenveel tijd als een eendagsvlieg, maar je wil de honderdjarige oorlog overleven, hoe denk je dat te doen? Je weet wat men zegt; daden rentenieren. Geen enkele daad is zonder spijt. De kleur van spijt markeert elke pagina van je boek, dat denken de harpijen. Zelfs al kom ik liever een positieve boodschap verkondigen. Maar alles wat je doet, is omdat je iets anders niet wou doen. Daar heb je nooit over nagedacht, hé? Iedereen vermijd het ene om in het andere te belanden. Dat betekend dat je altijd terug op hetzelfde neerkomt. Zoals ik al zei, de aarde is rond. Als het vlak was, dan was het zo eindig geweest. Dan kom je nergens heen en niets zou ooit iets uitmaken. Er zou nooit een reactie zijn, alsof de echo niet meer bestond. Maar nee, de aarde is rond, je moet me geloven. Wij harpijen geloven dat al zolang we bestaan. Denk gewoon aan de ronde planeet en besef dat alles wat je moet doen, is vergeten. Dat is het enige wat je kan doen als je heel wil blijven. Anders kom je terug uit waar je begon. Maar als je wil veranderen gaat dat niet met je mooie, lieve en zachte muren. Muren onthullen je beperkte geest. De zandbak is niet infiniet. Ga zover tot je terug bij jezelf uitkomt, dat is alles. En daar stop ik mee. Ga zo ver tot je terug achter je schaduw staat. Hij heeft jou tenslotte meer nodig dan jij hem.

Stelselmatig
25 0

Jij streelt de wereld + recensie Tip Van De Week

Jij streelt de wereld Jij streelt De wereld zacht Haar naam Op het papier gedrukt Lachende hondjes Zonder leiband iets Tekenen op je arm   -- recensie Tip Van De Week -- Tony Coppo tipt deze week “Jij streelt de wereld” van “Tony Coppo”.  "Tussen alle fantasierijke, bombastische en uitbundige teksten op dit platform, grijpt de eenvoud van het gedicht van Tony Coppo naar de keel. Met ‘Jij streelt de wereld’ schrijft hij een bedrieglijk simpele tekst, die niettemin een hele wereld aan betekenis oproept. Een oppervlakkige lezing laat indrukken na van identiteitscrisis, de strijd tussen mens en het woord en het verval dat daarmee gepaard gaat. Maar snel wordt duidelijk dat dit een veel persoonlijker gedicht is. De leiband in de laatste regel is een verwijzing naar ballast of trauma: mentaal afval waar de ‘jij-persoon’ geen afscheid van kan of wil nemen. De arm in dit gedicht doelt dus op het onleefbare leven van een mens. Actief en passief worden hier erg goed gebruikt. Alle werkwoorden zijn actief.  Ook de eerste zin zit vol leven en daadkracht: de aangesproken persoon streelt uit angst dat er schade zou zijn aan zijn of haar ego. Dit alles staat in contrast met het passieve vervolg van het gedicht, waarin de jij-figuur ondergaat, ‘gedrukt’ is zoals een stempel of een te vaak gebruikte stylo. De naam en het papier nemen hier de hoofdrol op en verzieken ‘de hondjes’. De versregel ‘Zonder leiband iets tekenen op jouw arm.‘ doet denken aan Willem Elsschot. Tony Coppo gebruikt materiaalmetaforen en het stadsleven om iets te zeggen over de aard van de mens. Slim om in deze zin hier het lidwoord te gebruiken en het woord ‘tattoo’ slechts te evoceren en niet daadwerkelijk neer te schrijven. Het ‘iets’ dat tekent, roept associaties op met een bloedend of rottend lichaam dat daarmee de hondjes onrustig maakt. Een kleine suggestie. In de laatste versregel was ‘jouw’ arm volgens mij treffender geweest. Het expliciet toewijzen van de arm aan de hoofdpersoon, maakt het gedicht des te pijnlijker. De draad van de eerste ( ‘jij streelt) naar de laatste versregel (‘jouw arm’) wordt hierdoor strakker gespannen. Niet alleen klankmatig [αu] is er zo een sterkere link , maar ook het contrast tussen de niet-ambigue ‘jij’ en ‘jouw’ enerzijds en het gebruik van ‘je’ (dat zowel als persoonlijk en als bezittelijk voornaamwoord kan worden gebruikt) in de rest van de tekst anderzijds wordt hier spannender. Kortom, een straf gedicht, dat door zijn lengte en eenvoud doet verlangen naar meer." Disclaimers: - Gedicht: voorpublicatie uit 'Tony Coppo - Het gat gedicht' (2022 - De Bezige Bij) - Recensie vrij naar 'Tip Van De Week' (02-06-21 Uschi Cop - Azertyfactor.be) - Literaire foto van Tony Coppo gegenereerd door GeneratePhotos (AI GAN)

TonyCoppo
130 4

Blond in de skilift

“Wat ski jij goed!” zegt ze terwijl ze bij mij in de lift springt. Het is nochtans niet druk en ze kan de volgende lege cabine nemen. Ze doet dat niet! Mijn tenen jeuken en knellen in de koude plastic botten die gemaakt lijken zodat de wintersportervaring me weken bijblijft.    Blonde lokken ontsnappen uit haar groene POC helm. Ze schuift haar sneeuwbril van haar gelaat naar de bovenkant van haar hardshell stormhoed. Haar blauwe kijkers reflecteren de winterzon en stralen haar warmte terug naar mij. Hoewel het vriest, krijg ik het tropisch warm.    “Dank je voor je compliment,” zeg ik.    Ik bloos. Toch blijf ik haar aanstaren. Haar pupillen spiegelen de Alpen levendiger dan zij echt zijn. Een gebreien sjaal verstopt haar slanke hals en verraadt fijne schouders. Ik moet wat slims toevoegen. Neen. Ik moet dat niet! Morgen neemt de bus me terug naar mijn vrouw en kinderen. Ze vouwt langzaam haar rood gestifte lippen open. Parelwitte tanden tonen zich fier.   ‘Wat ben jij lekker?’ kan ik toch niet zeggen? Ik zou haar jonge vader kunnen zijn. Kleine sproetjes dansen op haar wang als bij een vermenigvuldigingsdans op een huwelijk. Een feest met hamburgers, bier en ijsjes. Geen stijf banket. ‘Jij kan ook goed skiën,’ zou gelogen zijn. Ik had haar niet zien skiën.     Ik besluit: “Ik hou van jouw stijl.”    Oef. Dat kwam er vlotter uit dan ik had verwacht. Ik ben tevreden met mezelf en kan een voldane glimlach niet onderdrukken. De spieren in mijn nek ontspannen als vieren ze een overwinning. Zij schaterlacht.    “Jij bent grappig! Ik geef jou een compliment en jij houdt van mijn stijl?” Ze draait haar stokken in het rond alsof er een bij haar belaagt. We glijden over een bergriviertje bevroren tot stuk ijs. Zou het nog stromen? Of is het vloeien tijdelijk gepauzeerd? Sporen van wild zijn zichtbaar. Een beer gromt maar laat zich niet zien. Het is geen beer maar mijn maag die roept dat ze honger heeft.    “Ik vind je lekker... “    Ik staar dwaas naar haar. Droom ik nu? Begeert zij me ook? Zij vormde toch deze woorden? Vindt dit seksueel ontwakende wezentje mij aantrekkelijk? Mijn brein ziet ons al samen dingen doen die het niet mag verzinnen.     “... lekker skiën hé!”  Ze knipoogt en schuift wat dichterbij. Weer giert haar lach jeugdig opgewekt in de kleine cabine. Ze trekt haar handschoenen uit en legt haar vingers op de mijne. Een rilling glijdt over mijn rug. Mijn maagbeer blijft stil.    “Ik ben in voor een avontuur.” Ik hoor het mezelf zeggen, maar het voelt alsof zij het uitvond.     Haar lippen zijn om op te eten. Om van te smikkelen en te peuzelen zoals een kippenpootje waarvan het laatste vlees op is maar je toch probeert meer te krijgen. Ze wiebelt met haar Rossignol botten onwennig als een debutant aan een piano. Klaar om het geoefende stuk te spelen, maar toch weifelend om de eerste toets in te drukken. Ijsbrokjes glijden van haar broek op de metalen vloer van de lift. De sneeuw heeft vannacht meters wit geschapen. Weilanden verbergen zich onder dikke lagen zacht donsdeken. Het berglandschap vond zich heruit. Ik kan dat ook.    “Jij ruikt naar alpenweelde!” Het zijn mijn woorden die uit mijn mond komen waar ik me over verbaas. Ik heb geen idee hoe alpenweelde ruikt. Ik veronderstel aanminnig en verlokkend. Vertrouwen veinzend draai ik mijn hoofd dichter naar haar. Het eindstation komt in zicht.    Stoer steekt ze haar hand in mijn skibroek en zoent me. Haar lippen brandmerken de mijne. Mijn bretellen sputteren tegen maar blijken geen bescherming. Mijn tong verstijft wanneer ze ruw een haartje van mijn bil ontvreemdt. Ik voel me als een tijger die door een brandende hoepel springt met als beloning een mals stuk vlees. Ze bijt op mijn lip, in het kuiltje van mijn kin en hard in mijn hals.     De laatste examenuitslagen van mijn oudste dochter schieten door mijn hoofd. Zij zal haar eerste bachelor moeten overdoen. Mijn vrouw had gehuild. Ik was kwaad om dat verloren jaar maar nu voel ik genegenheid en vergeving. Ik wil dit overdoen. Dit mag, neen, moet levenslang duren. De ramen van de cabine zijn bedampt en echoën gehijg en gelukskreetjes. Ik sluit mijn ogen en glijd weg in een nieuwe dimensie.    Een snerpend geluid schuift de liftdeuren open. Met dezelfde sierlijkheid hoe ze in de lift wipte, joept ze er uit. Ze neemt haar ski’s, pleurt ze in de sneeuw, springt in haar bindingen en lanceert zich met haar stokken. Zonder om te kijken, skiet ze gracieus van de flank. Ik zit gebonden in mijn stoel. Zwitsers gevloek zet de werking van de lift bruusk stop. Slungelig hangt mijn broek vast aan de sluitingen van mijn botten. Mijn stok is geplooid door het mechanisme. Twee dikke mecaniciens in skibotten bevrijden me uit mijn geknelde positie. In mijn ooghoek zoeft ze met een sprongetje naar een volgende lift. Met mijn reiskoffers in mijn hand en mijn boots om mijn schouders staar ik naar de bergen. De buschauffeur roept dat de bus vertrekt.

TonyCoppo
21 2

Wat Karel nog genoodzaakt was te melden over Pientje

Wel get-ver-dem-me. Het potje, waar Karel zo zorgvuldig zijn straal in had gemikt, zoals voorgeschreven zijn eerste handeling na het opstaan, bleek, bij het openen van de rugtas op het bureau van de huisarts, niet zo goed te zijn dichtgedraaid. Met in zijn ene hand een vochtig dekseltje en in zijn andere hand een halfleeg potje stond hij er verloren bij.    ‘Lekker bezig,’ zei zijn huisarts. ‘Morgen nog een kans, het slaat niet op een dag.’ De arts liep naar een kabinet rechts in de hoek van de spreekkamer, naast het geopende gordijn voor de onderzoeksbank. Zij rommelde in een la en toonde triomfantelijk een schoon en vooral droog potje. ‘Doe je er voorzichtig mee?’ zei ze met een grijns en wees naar de gang. ‘Tweede deur rechts is het toilet als je nú aandrang hebt, maar verwacht je niet meer dan een paar druppels eruit te persen, dan graag thuis afvullen tot het streepje en morgen inleveren.’   “Zeikwijf,” dacht Karel en hij deponeerde de twee natte onderdelen in de prullenbak naast het bureau, waste zijn handen, pakte het schone potje en keek weer in zijn rugzak. Shit, zijn bammetje voor tussen de middag was prut, vettige gele kringen doorweekten het vetvrije papier om zijn lunch. Zijn notitieboekje onderin klonterde als dampend papier-maché.    De arts stond achter hem en zei: ‘Volgens mij heeft u klamme plekken op uw jas.’ Het vrolijke toontje irriteerde Karel. Dit was niet zijn dag, wat zouden zijn collega’s denken? De geur alleen al. Hij zou zijn jas op de gang hangen en niet over zijn bureaustoel, dat hielp misschien.    En het zal vast geen goede indruk maken op zijn Tinderdate. Karel had zijn bed verschoond, zijn kamer gelucht en de afwas gedaan, dan kom je niet stinkend naar pis aanzetten. Uurtje eerder naar huis om te douchen en nieuwe kleren dan maar.  Maar waar Karel het meeste mee zat, waar hij chagrijnig van was, wat zijn dag verpestte en waar zélfs geen tien succesvolle Tinderdates verschil konden maken, was het broodprutje in zijn rugzak. Niet het brood zelf was het probleem, maar de door urine doorweekte eiersalade.   Dit was geen gewone eiersalade. Het was zelfgemaakte eiersalade. In Karels familieclan was dit generaties lang de enige manier om eiersalade te maken. Met een klein beetje paprikapoeder, ui en een klein teentje knoflook voor extra pit. Zelfgemaakte mayo erdoor en stukjes augurk. Het resultaat was een kano door een waterval, veel wendingen en onverwachte schokken, niet zo flauw als die fabriekstroep. Oma Adelheid sloeg hem drie jaar geleden een bloedneus toen ze proefde dat hij de gore moed had om gember toe te voegen, het clanrecept was heilig. De reden van zijn chagrijn was Pientje, niet het heilige recept. In deze portie zat haar laatste ei, de laatste creatie van zijn favoriete rode ADHD kip die altijd vrolijk aan kwam lopen. Pientje was eergisteren door de Pitbull van de buren zó bewerkt dat de dierenarts haar een spuitje gaf. Na een korte sectie op het kippenlijk, bleek het ei, dat gelegd zou zijn als Pluto (hoe verzin je het?) niet was losgebroken, al volgroeid. De dierenarts peuterde Pientjes laatste ei uit het warme kadaver en dumpte het in de groene bak. Karel redde het uit de troep en nam het mee naar huis. En zijn tupperwarebakje eiersalade met het finale ei van Pientje was leeg, helemaal leeg. De laatste lik zat op zijn lunch en plakte nu met vetvrij papier aan de bodem van zijn rugzak.   Hij peuterde alles los en flikkerde de natte kwak brood in de prullenbak. Meestal gaf hij restjes brood aan de kippen, die aten alles. Juultje, Kwik en Tokkie waren nog over, maar om die de resten van de hun neefje of nichtje te voeren ging te ver.  Die kutarts had nog steeds dat arrogante lachje rond haar mond. ‘Morgen inleveren bij de balie, met de deksel vast alstublieft.’    Klote pis.

MCH
14 1

Eenzaamheid

Eenzaamheid, Een woord dat in deze tijd vaak gehoord is. Eveneens is het vaak gebruikt maar nog steeds is het een soort taboe om erover te spreken. Bij eenzaamheid denkt men vaak aan het oude mensje alleen in de leefruimte. De tv staat luid, er komt geen bezoek. Niet van de kinderen want die zijn aan het werk en niet van kleinkinderen. Je hoort er geen gesprekjes, geen luid gelach, enkel de stilte. Eenzaamheid is echter ook die jonge kersverse moeder die alweer een afspraak met haar vriendinnen heeft afgezegd omdat ze vermoeid is. Die zich alles ontzegt voor die schatten van kinderen. Graag zou ze wat bijpraten, of wilt ze een luisterend oor want die engeltjes worden ook wel eens duiveltjes. Vaak ziet men geen eenzaamheid in die kleine jongen. Hij die alleen zit op de speelplaats omdat anderen niet met hem willen spelen. Hij is een beetje ‘anders’ en daarom vreemd en beangstigend. Hoe die jongen het zelf aanvoelt, daar denkt men niet altijd aan. Dit zijn maar een paar voorbeelden van eenzaamheid. Vast en zeker kennen jullie nog andere. Het spijtige is dat het soms zo makkelijk opgelost kan worden door een klein beetje aandacht, een luisterend oor, een vrolijke ‘goede morgen’ en dat is echt zo. Zijn we niet allen eens een keer eenzaam geweest. Dat gevoel dat je snel wegmoffelt door een afspraak te maken met een vriend of vriendin. Niet iedereen kan dat echter en niet iedereen kan met zichzelf communiceren. Dat is geen handicap, dat kan je leren en mag je niet verstoppen.

Rosie DW
14 1

Enig kind

ik hou van mijn vlammend rode rok, mijn vuurrode vest mijn koraalrode kousen je kan niet naast, niet om me heen ik ben niet zoals jij een glimp babyblauw en dan weg   mama  houdt van groen, van haar grasgroene jurk naait ze een miniversie voor mij papa houdt van donkerbruin zoals van een bast waartegen je lekker leunen kan sterk als een stam toen haar groene tak met de eerstgeborene brak   toen het kind van het eerste bed lijkbleek teruggevonden werd     Zwarte lach ik ren de trap af naar beneê want daar ligt de eerste sneeuw pa en ma hebben erin gegraaid ze hebben een witte bal gedraaid ik kijk toe en begrijp niet goed hoe  leuk het is een bal te laten groeien tot een ijsman   ma heeft de grootste klaar pa zegt: stapelen maar bal twee komt boven op bal één en dan speel ik mee: ik zoek knopen voor zijn ogen een wortel voor zijn neus Limburgse kool voor een zwarte lach   als jij er nog geweest zou zijn hadden we samen vast dubbele pret gehad maar jij ligt ergens niet eens in een graf en ik ben sinds jouw dood kind af       De rouwkaart van vader   ik lees je naam boven die van mij voor het eerst op een rouwkaart je keert hiermee het tij   boven die van mij met een kruisje erachter je keert hiermee het tij in de hemel ben je poortwachter   met een kruisje erachter jaren doodgezwegen in de hemel ben je poortwachter even na de geboorte overleden   jaren doodgezwegen je zou mijn broer zijn even na de geboorte overleden terwijl ik jarenlang dacht enig kind te zijn   je zou mijn broer zijn voor het eerst op een rouwkaart even na de geboorte overleden ik lees je naam                            

Greet Langen
0 0

’t Benul dat iedere dag er maar 1 keer is en daar heb je ’t verstand van een kind voor nodig en pasta pesto slierten.

𝗩𝗲𝗿𝗵𝗮𝗮𝗹 𝗼𝘃𝗲𝗿 '𝘁 𝗯𝗲𝗻𝘂𝗹 𝗱𝗮𝘁 𝗶𝗲𝗱𝗲𝗿𝗲 𝗱𝗮𝗴 𝗲𝗿 𝗺𝗮𝗮𝗿 𝟭 𝗸𝗲𝗲𝗿 𝗶𝘀 𝗲𝗻 𝗱𝗮𝘁 𝗱𝗼𝗼𝗱𝗴𝗮𝗮𝗻 𝘃𝗮𝗻 𝗺𝗲𝗻𝘀𝗲𝗻 𝗻𝗶𝗲𝘁 𝗲𝗿𝗴 𝗶𝘀 𝘄𝗮𝗻𝘁 𝗲𝗿 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗻𝗼𝗴 𝗮𝗻𝗱𝗲𝗿𝗲 𝗺𝗲𝗻𝘀𝗲𝗻 (𝗲𝗻 𝗱𝗮𝗮𝗿 𝗵𝗲𝗯 𝗷𝗲 '𝘁 𝘃𝗲𝗿𝘀𝘁𝗮𝗻𝗱 𝘃𝗮𝗻 𝗲𝗲𝗻 𝗯𝗶𝗷𝗻𝗮-𝟲-𝗷𝗮𝗿𝗶𝗴𝗲 𝘄𝗲𝗲𝗿 𝘃𝗼𝗼𝗿 𝗻𝗼𝗱𝗶𝗴 𝗲𝗻 𝗽𝗮𝘀𝘁𝗮 𝗽𝗲𝘀𝘁𝗼 𝘀𝗹𝗶𝗲𝗿𝘁𝗲𝗻).𝘌𝘯 '𝘯 𝘧𝘰𝘵𝘰 𝘷𝘢𝘯 𝘮𝘪𝘫𝘯 𝘻𝘶𝘴, 𝘻𝘰 𝘪𝘦𝘮𝘢𝘯𝘥 𝘥𝘪𝘦 𝘯𝘯𝘪𝘦𝘵 𝘰𝘶𝘥 𝘮𝘰𝘤𝘩𝘵 𝘨𝘦𝘸𝘰𝘳𝘥𝘦𝘯. 𝘔𝘢𝘢𝘳 𝘥𝘪𝘦 𝘸𝘦𝘭 𝘩𝘦𝘦𝘭 𝘨𝘰𝘦𝘥 𝘣𝘦𝘨𝘳𝘦𝘦𝘱 𝘥𝘢𝘵 𝘫𝘦 𝘷𝘢𝘯 𝘪𝘦𝘥𝘦𝘳𝘦 𝘥𝘢𝘨 𝘸𝘢𝘵 𝘮𝘰𝘦𝘴𝘵 𝘮𝘢𝘬𝘦𝘯... 𝘻𝘦𝘭𝘧𝘴 𝘸𝘢𝘯𝘯𝘦𝘦𝘳 𝘫𝘦 𝘮𝘦𝘵 𝘔𝘳. 𝘉𝘦𝘯𝘻 𝘪𝘯 𝘱𝘢𝘯𝘯𝘦 𝘷𝘢𝘭𝘵 𝘵𝘪𝘫𝘥𝘦𝘯𝘴 𝘦𝘦𝘯 𝘷𝘦𝘳𝘳𝘢𝘴𝘴𝘪𝘯𝘨𝘴𝘣𝘦𝘻𝘰𝘦𝘬 𝘢𝘢𝘯 𝘫𝘦 𝘷𝘢𝘥𝘦𝘳 𝘦𝘳𝘨𝘦𝘯𝘴 𝘪𝘯 𝘋𝘶𝘪𝘵𝘴𝘭𝘢𝘯𝘥 (𝘦𝘯 𝘫𝘦 𝘣𝘦𝘴𝘦𝘧𝘵 𝘥𝘢𝘵 𝘫𝘦 𝘨𝘦𝘦𝘯 𝘵𝘰𝘶𝘳𝘪𝘯𝘨 𝘸𝘦𝘨𝘦𝘯𝘩𝘶𝘭𝘱 𝘢𝘣𝘰𝘯𝘯𝘦𝘦 𝘣𝘦𝘯𝘵)."Waarom zijn jullie groter dan mij?", mijn zoon Julien aan de eettafel gisteren met een sliert pasta pesto uit zijn bek. Balancerend op één been, te groot voor de kinderkruk en te klein voor de grote-mensen-stoel... dus dan accepteer je als moeder het 'gehannes' aan tafel. "Omdat wij ouder zijn dan jou", wordt het snelle antwoord.Ik zie dat de uitdrukking in Julien zijn ogen nogal vragend lijkt dus ik vul aan. "Ja, ooit waren wij ook zo'n kindje zoals jij." Hij begrijpt het, lijkt het, dus ga ik verder "... en onze ouders waren ook kindjes ooit". Julien gooit zijn handen in de lucht (nét niet met de pasta pesto slierten). "oooh en dat gaat zo de hele aarde door en oude mensen gaan dan dood?". Ja, oude mensen gaan dan dood, en zieke mensen ook. En helaas soms ook mensen die er niet voor gekozen hebben, zoals door een autobotsing. Er wordt verder gegeten, half zittend op de stoel.Komiek... "Dat gaat zo de hele aarde door: geboren worden, je leven, nieuw leven geven, doodgaan". Ofwel.... we zijn allemaal een nieuw begin, en daarmee zijn we dus zelf in staat om iets nieuws op de wereld te zetten.De dag werd gisteren afgesloten met knuffelmomentjes met zoonlief en lieflief en de laatste minuten voor bedtijd met m'n zoon in m'n armen in een donkere kamer. En alsof hij mijn gedachtes kan lezen zegt hij de woorden "Maar mama is niet erg hé dat mensen doodgaan, want er zijn nog altijd heel veel andere mensen."We hollen maar door met nieuwe technologieën, met verlengen van ons leven, met forceren, met ongelukkig zijn of té gelukkig zijn. Met geloven en genieten, met onrust en depressie. We rennen al zeurend rond over onzekerheden en pronken over zekerheden. Als een kip zonder kop op zoek naar zoveel mogelijk ervaringen om in de rugzak te stoppen... We zijn netjes, misschien te netjes, in het omgaan met mensen die slecht voor ons zijn, want weet je 'opvoeding' en 'waardes & normen' enzo..En waar 't mij eigenlijk om gaat in dit vertelsel: iedere dag komt maar 1 keer, en daar is eigenlijk best wel goed over nagedacht.

SilkeGeerts
14 2

Euthanasie. En de bloemenvorming op haar huid

1 maart 2015 vs. 1 maart 2021. Bijna zes jaar geleden. Om stipt 15:00 op de eerste maart schreef ik op www.marijkegeerts.be de woorden: ‘Marijke… Men zussie… Voor altijd in mijn hart!’. Totaal niet wetende wat de toekomst me zes jaar later zou brengen en totaal niet beseffend – op dat moment – dat de woorden ‘voor altijd’ voor mij een andere betekenis hadden dan voor haar, m’n zus. Excuseer mijn onnavolgbare gedachtekronkel. ‘T is snel neergepend want het moet uit mijn systeem en af mijn schouders. Ik moet vertellen wat er op mijn hart ligt, elke twijfel, elke gemiste kans. Elke niet gestelde vraag. Die eerste maart tweeduizendvijftien. Onbeschrijflijk… Ik word wakker zoals een normale ochtend en ineens komt dat besef achter ’t hoekske kijken. Zoals Julien, mijn zoon, soms achter de deur staat om me te doen verschieten (ich shrik mich sjtief, zoals ze dat dan in Voeren zeggen – mijn huidige habitat na een leven van zoektochten en verplaatsingen). Dus dat besef komt om ’t hoekske loeren, niet zoals Julien om te lachen of te zwanzen; nee, ‘serious business’ dit! Zo’n besef waarvan de haren rechtop gaan staan. Zo’n besef waarvan je kippenvel krijgt. Het besef dat toen, die ochtend van 1 maart, luid en duidelijk zei “Vandaag is de dag dat Marijke de laatste keer haar ogen opent. Vandaag is de laatste dag dat je zus een nieuwe dag zal starten. Vandaag is de dag dat je een laatste keer met je zus kan babbelen.” En wat doe je dan, hartstikke zwanger op dat moment? Je gaat naar de bakker. Want het is zondag. En je ontbijt, want dat gebeurt nu eenmaal. Met een zachtgekookt eitje (4 minuten). En je bent stil, want het is een situatie waarin we ons niet thuis voelen. ‘Voor altijd…’ Ik zou een boek kunnen schrijven over de periode vóór en ná 1 maart 2015. Ik zou een hoofdstuk besteden aan 1 maart zelf. Zelfs na zes jaar voel ik nog exact hoe alles ging. Hoe we met het gezin buiten stonden bij Coda. Hoe we ieder om toer nog even op audiëntie bij Marijke mochten, niet wetende wat die laatste woorden waren tegen de ander. Zo’n beetje geforceerd was dat. Niet helemaal beseffen wat er gebeurde. Of ’t niet accepteren… Het niet wíllen accepteren misschien? Bij mij was het eerder ontkennen van de ernst van de situatie, daar ben ik goed in. Vooral als ik daarmee m’n eigen emoties de baas kan blijven. Dus ik heb dat moment niet met de volle 100% benul beleefd, dat is wat ik wil zeggen. En dat vind ik jammer. Nu, bedoel ik dan, niet toen. Want toen was het gewoon een gesprek zoals ervoor. Zoals die dagen ervoor. Marijke woonde in Coda hospice, in alle warmte van de lieve mensen daar. Coda: een ‘bijna thuis huis’ met een huiselijke warme sfeer. Ik wijk van de rode draad af, die rode draad die er niet is. Weet je nog? Dat andere verhaal? Ik wijk af. Het moet februari 2015 geweest zijn. Met de nichten en neef gingen we een hapje eten bij Danny Vanderhoven in Lanaken. Aan dé ‘chef’s table’ zaten we. Marijke ook. En een handgedraaide dame blanche voor Julie, mijn nicht. Ook 2 baby’s in de buik (niet in dezelfde buik), nog onbekend voor de rest, wel bekend voor Marijke – zo bleek achteraf! En daar ga ik weer van het padje af… Dus het was februari 2015, heerlijk eten en Marijke kwam die avond naar mijn toenmalige woonplaats in Margraten (NL). Marijke bij me in bed, zoals we dat vroeger deden. Ze voelde zich niet lekker de dag erna en werd met de auto naar huis gebracht zodat ze niet met de trein moest. Zou ze toen al geweten hebben dat dát de laatste autorit van Margraten naar Schoten was? Ik was er zelf niet mee bezig, ik kreeg een appje dat ze thuis was en dat haar chauffeur een Schotense koffiekoek voor me zou meenemen. Voor mij, dat hoopje ellende, dat toen met 3 koortsblazen, verstopte neus en migraine op de zetel lag. Met een berg papieren zakdoeken om me heen. “Laat je zakdoeken niet rondslingeren”, appte ze nog. Dus abrupt stond ik op om snel de zakdoeken in een soort van vuilbak te doen (een emmer die toevallig in de buurt stond). Het moet een paar dagen later geweest zijn dat ik bericht kreeg dat ze naar spoed was gebracht. De details zijn me altijd onbekend gebleven, beschermen van ‘het kleine zusje’? De pijn was te hevig en de weken nadien gingen razendsnel en tergend traag voorbij. Razendsnel omdat ik niet volgde wat er gebeurde. Tergend traag omdat ik niet wist wat er gebeurde, en dan word ik ongeduldig, nog steeds. En dat ervaar ik dan als hinderlijk. Zo denk ik erover als ik terugdenk aan toen. Volgende halte voor haar was Coda. “We naderen de eindhalte van dit traject. Gelieve de tram te verlaten.” Ik pakte mijn boeltje in Margraten en ging met een zwangere buik richting Schoten in Mr. Beetle. Logeerde dagenlang op het bedje in de kamer van Marijke. Ik werkte er vanaf mijn laptop, haalde koffie in het verplegingshuisje. Ik ging eens wandelen of ging naar Schoten. Hoe hard ik ook mijn best doe op dit moment, vroeg in de ochtend, het lukt me niet om de details boven water te halen. Rouwen is herinneringen anders leren vasthouden. Laten we ’t daarop houden. Dat moment dat ze nog een avond en nacht naar huis mocht. Daar denk ik nu aan. Vrienden over de vloer en pizza. De inhoud van de gesprekken zijn me ontgaan, wel is me de gezelligheid bijgebleven. Zou ze toen beseft hebben dat het de laatste keer was? Iedereen ging huiswaarts, de laatste keer dat ze de oprit van het huis waar Marijke woont afliepen terwijl Marijke er nog was. ‘s-Ochtends de laatste rit van Schoten naar Coda, voor haar. Die mooie jurk van King Louie aan de kast in haar kamer, de geurstokjes van Rituals op het kastje naast het bed. De bruine schoenen voor bij de jurk, die ze uiteindelijk niet heeft kunnen aandoen vanwege het opzwellen van de voeten. Dat laatste heeft ze nooit geweten. “Marijke, het einde komt in zicht, binnen een paar dagen zal je vertrekken.” De dokter. En met zo’n eenvoud werd zondag 1 maart geprikt. Alsof er simpelweg een afspraak werd gemaakt. Verontwaardigd was ik over de manier waarop met – een voor mij ogenschijnlijke – koelte de datum werd geprikt. “Zondag ok?”, “Ja prima”. Zo is het waarschijnlijk niet gegaan, zo is het wel bijgebleven. Het regelen van de begrafenis – op 7 maart – deed ze zelf, met een beetje hulp. Van muziek tot tekst. Tot locatie (parochiezaal naast de chiro). Marijke regelde het wel. Mijn omgeving, vrienden, kennissen die me wilden steunen; ik irriteerde me eraan, je weet wel hoe ik ben, toch? Laat me met rust en laad me met rust. “‘T is ok. Liever zo, dan dat ik een telefoontje krijg dat ze onder een auto is terechtgekomen.” Dat vertelde ik dan, en ook die zin heeft deze week een extra dimensie gekregen na het overlijden van Loes, een 7-jarige, in het Schotense verkeer. #voorloes. En dan nog een 2-jarige die zomaar het leven losliet zonder enige waarschuwing op het tuinterras bij zijn oma en opa. Baby James, ik ken je niet maar ik denk aan je. Dus voor mij, Silke, was het ok en is het nog steeds ok. Het was een oke-ige omstandigheid om zo mijn enige zus te moeten laten gaan. Mijn hand op haar arm, mijn papa naast me, mijn mama tegenover me, Johan erbij, Dorre, en anderen in gedachten. Teddy – voor mijn ongeboren zoon – onder haar arm. Een spuit en een diepe ademhaling, beetje snurkend. Ik weet nog dat ik daar even om moest glimlachen. Nog een spuit en een zucht. Stilte. Klaar. Finito. Gepiept. Schluss damit. Verleden tijd. En dan de bloemenvorming op haar huid. “Was het dat?” Dit wordt te lang hier en ik snak naar thee. Zit ik hier op mijn telefoon dit neer te tikken met tranen in de ogen. Zes jaar later. Julien heeft een logeerpartijtje met zijn schoolvriendje Yves. “Ik ben bang”, hoorde ik Julien zeggen. “Maar ik ben bij je, en ik kan karate!”, fluisterde Yves terug. En zo gaan de dagen gewoon verder. Hoe fucked up is dit? “Ik ben dood”, zegt de één. “Hoe kóm je er in godsnaam bij?”, zegt de ander. En hij gaat naast de één zitten, legt hem uit wat hij wél is, slaat zijn armen om hem heen, streelt hem, wiegt hem, slingert hem in het rond, valt met hem op de grond – schaterlachend, probeert zich los te wringen, schreeuwt… alles aan hem doet pijn. Want niets is zó ingewikkeld als niet dood zijn. Niet van mijn penTranen wegvegen. Een geforceerde glimlach. Klaar. Finito. Gepiept. Schluss damit. Verleden tijd. En de bloemenvorming op haar huid vereeuwigd in mijn gedachten.

SilkeGeerts
13 1