Lezen

DE OUDE DICHTER

Naar aanleiding van het verschijnen van zijn gebundelde dagboeken komt de oude, misschien wel, grootste nog levende dichter van ons land langs voor een voorstelling in onze boekhandel. Om aan zijn wensen te voldoen hebben we een hotel voor hem geboekt. Een van de medewerkers van het hotel is een goeie vriend van me die af en toe een kop koffie komt drinken in onze leeszaal annex koffiebar. Hij weet me te vertellen dat de vrouw van de oude dichter is meegekomen en om een aparte kamer heeft verzocht. Het is vrijdagavond en naast de harde kern zit er een heel divers publiek in de koffiebar. Onder de bewonderaars - variërend van soms vreemd uitgedoste jonge snuiters tot oude grijsaards met mutsen of hoeden waar haarplukken weerspannig onder uitsteken - herken ik enkele bibliothecarissen en een aantal al dan niet getalenteerde dichters en schrijvers waarvan tenminste een van hen zichzelf binnen enkele jaren, als in een droom, daar op die begeerde stoel ziet zitten, hoewel het gewoon dezelfde stoel is als alle andere stoelen hier.Iemand fluistert me toe dat de oude dichter het evenement op een haar na heeft afgezegd, wegens het overlijden van z'n broer. Maar ze hadden naar verluidt al jarenlang weinig of geen contact meer met elkaar. De oude dichter schrijdt binnen, vriendelijk maar gereserveerd - zijn vrouw is er niet bij. Hij kijkt eens rond, vraagt waar de poëzie staat en inspecteert de kast. Het is een kast waar we trots op zijn, er staan honderden gedichtenbundels in; ongeveer alles wat de moeite waard en te verkrijgen is, van aanstormende, gevestigde en verscheidden poëten, door de eeuwen heen.Van de oude dichter is dat niet enkel zijn meest recente werk maar ook wat nog steeds bij de uitgever in herdruk is, waardoor hij een behoorlijk stuk van deze kast inneemt.Tenslotte vraagt hij een glas wijn, gaat aan het tafeltje zitten dat daar speciaal voor hem werd neergezet en stalt zijn boeken en paperassen voor zich uit. We bevinden ons al voorbij het aanvangsuur en langzaam valt het publiek stil, weliswaar zonder de minste aanwijzing dat er iets op til is, als de oude dichter even kucht en de eerste zin leest. De lezing is officieel begonnen. Ofschoon nog maar net gestart, blijkt het - door de grote stiltes die de oude dichter laat vallen - vaak moeilijk om vast te stellen of de voordracht nog verder gaat of alweer afgelopen is. Soms doet het geritsel tussen de paperassen en het bladeren in een boek vermoeden dat er nog iets achter komt. Het is dan ook één van de kenmerken van de oude dichter. Dat hij zijn tijd neemt.Langzaamaan raakt hij op dreef en leest voor uit het boek vol gemoedsbewegingen, waarin hij zo rauw in zijn ziel laat kijken dat een recensent liet weten dat hij de blik tijdens het lezen geregeld af moest wenden. Maar het is een lovende recensie, het zijn allemaal lovende recensies, zeg maar onvervalste liefdesverklaringen voor de oude dichter en zijn meest recente, volumineuze boekdeel waarvan iedereen diep onder de indruk is, zowel vriend als vijand. Ik sta aan de bar toe te kijken, als last man standing, naar de bijna religieuze stilte bij het publiek, naar het onmiskenbare ontzag voor deze hogepriester van de woordkunst die hier op deze plaats en op dit moment een bijna goddelijke uitstraling bezit.In sterk contrast met dit alles wipt, telkens de stem helemaal stilvalt, de kleine hond driftig overeind door het losbarstende applaus waarvoor ze nooit enig begrip heeft kunnen opbrengen. Iedere keer stelt ze zich tot doel dit collectief aangedreven monster met man en macht te bestrijden, een gevecht dat ze aangaat in de vorm van hysterisch geblaf en pas staakt als het weer rustig wordt. Waarna ze opnieuw neerzijgt, genietend van haar overwinning op de recente vlaag van verstandsverbijstering. Merkwaardig genoeg ontlokt deze reactie keer op keer veel lachende gezichten bij de aanwezigen, deels opgelucht omdat de zwaarmoedige sfeer hiermee eventjes wordt doorbroken, maar ook omdat ze er een vorm van appreciatie vanwege mijn viervoeter in menen waar te nemen, want aangezien een teckel niet kan applaudisseren, moet ze haar enthousiasme wel uiten via geblaf. Wanneer het al geruime tijd weer stil is, begint de oude dichter aan een volgend relaas, een bijkomende of andere overpeinzing of beslommering die ooit eens in hem opkwam en die zich al dan niet enkel in zijn hoofd heeft afgespeeld.Af en toe steekt hij, zonder op te kijken of het lezen zelfs maar te onderbreken, een hand omhoog met daarin zijn lege wijnglas. Op zo'n moment kan ik mijn oude professie als cafébaas nog eens demonstreren en loop dan, ietwat overdreven plechtig - ik kan het niet verhelpen - met m'n linkerhand op mijn rug en met in de andere hand de fles, op de oude dichter af. De eerste keer vul ik z'n glas voor een derde bij, maar, luider verder lezend steekt hij z'n hand wat hoger, dus vul ik het glas nogmaals aan en opnieuw tilt hij z'n hand iets hoger, alsof zijn dorst werkelijk niet te stillen valt dus vul ik het glas dan maar tot aan de rand, dit alles tot grote hilariteit van het publiek dat daarna geamuseerd toekijkt hoe hij het glas voorzichtig, zonder te morsen, tot aan de lippen brengt en het lezen net zolang onderbreekt als het duurt om de volledige inhoud in één keer naar binnen te gieten. De oude dichter loodst ons doorheen de gedachtengangen van z'n dertigjarig labyrint en spendeert naar het einde toe ook nog enkele woorden aan zijn gestorven broer, om ons daarna te trakteren op enige neergeschreven bedenkingen hieromtrent en andere zaken en zichzelf met vaste regelmaat op een glas wijn vooraleer er tenslotte de brui aan te geven, tot opluchting van het overgrote deel van de aanwezigen die weliswaar heel erg genoten hebben maar nu ook dorst krijgen en uitkijken naar ietwat luchtiger vertier om hun vrijdagavond alsnog in te zetten, vrolijk nakletsend aan één of andere toog met een frisse pint of iets sterkers. Onze koffiebar loopt leeg, iedereen vertrekt en de oude dichter blijft achter met de obligate bewonderaars wiens boeken gesigneerd moeten worden en die hem bedanken door nog een glas wijn aan te bieden, een aanbod dat hij grootmoedig aanvaardt. Ondertussen raakt de oude dichter steeds meer in zichzelf gekeerd, wat maar goed is ook want aan de woorden die hij spreekt valt geen touw meer vast te knopen. Zijn bewonderaars daarentegen, die de tijdens de voorstelling opgelopen achterstand nu in een snel tempo met wijn en bier proberen weg te werken, hangen als vliegen om hem heen, remmingen vallen weg en ze ratelen erop los. Sommigen vertellen hun hele leven, bewieroken de oude dichter voor wat hij al die jaren voor hen betekende, bedanken hem nogmaals met een handdruk of zelfs al eens een schouderklopje en gedragen zich alsmaar familialer. Michael komt me vragen of de oude dichter binnen mag roken. Er zijn maar een handvol aanwezigen meer en het is tenslotte bijna winter, we kunnen de arme man toch niet naar buiten sturen? Maar ik wijs hem erop dat het rookverbod in publieke ruimtes ook voor oude dichters geldt. Even later merk ik dat de oude dichter iets voorovergebogen staat, een sigaret tussen de lippen, met zijn handen een kommetje vormend rond de aansteker alsof een felle wind ook hierbinnen zomaar toe kan slaan, terwijl Michael hem een vuurtje geeft, met een grote grijns opzij kijkend naar mij, benieuwd wat ik daaraan ga doen. Ik moet hem echter ontgoochelen, want ik doe niets, ik laat het allemaal voor wat het is en gun hem zijn pleziertje.Terwijl ook de laatste aanwezigen beneveld raken, getuige de mij onbekende, oude Vlaamse liederen die ze zingen waarbij hun interesse in de oude dichter begint af te nemen zodat deze mompelend verdwaalt tussen de boekenkasten, maak ik aanstalten om af te ronden. Mopperend verlaten ze het pand, met een brabbelende Michael als hekkensluiter, die, als ik zeg dat hij zijn glas niet mee kan nemen, nog snel het laatste restje van zijn inmiddels verschaalde pils achterover kapt. Ik help de oude dichter in zijn overjas, schuif de mouwen over zijn armen, knoop het kledingstuk vooraan dicht en zet zijn pet op z'n hoofd. Ik begeleid hem naar de wagen, mijn arm stevig in de zijne gehaakt hoewel het pas eind oktober is en de wegen nog verre van glad. Hij laat zich welwillend zakken in de passagierszetel van de oude Peugeot 309 die ik, toen iedereen nog in gesprek verkeerde, iets verderop ben gaan halen en met het oog op deze handeling hier voor de deur heb geparkeerd. Ik rol de veiligheidsgordel naar voor, ga ermee rond de buik van de oude dichter en klik de metalen plug in de houder. Daarna neem ik de kleine hond, zet die op de achterbank in z'n mandje, sluit ik de winkeldeur af en ga achter het stuur zitten waardoor het een beetje aanvoelt alsof ik mijn oude vader wegbreng. Ik draai de baan op en moet meteen naar rechts waardoor het hoofd van de oude dichter onverwacht op mijn schouder belandt en daar eventjes blijft liggen. Ik krijg hem pas weer overeind als ik linksaf moet zodat datzelfde hoofd nu tegen het raampje van de passagiersdeur slaat. Geschrokken hou ik de oude dichter daarna zo respectvol mogelijk met mijn rechterhand bij de kraag van z'n jas vast terwijl ik verder in de richting van het hotel stuur. Echt handig is dat niet, vooral niet als je moet schakelen, maar hierdoor verloopt de rest van de rit redelijk vlot en tenslotte parkeer ik de wagen voor het hotel. Ik stap uit, loop om de wagen heen en help de oude dichter met uitstappen.'Isss errr hierrrr misss-sschien nog een drankgeleeegennnheid waar we noggg een klei-niggg-heid kunnnnen nut-t-t-tiggen?' Hij doet zijn best om duidelijk te articuleren maar sommige letters blijven hangen in zijn mond en lettergrepen lijken bergen waar hij moeizaam over raakt. En hoewel er inderdaad nog veel zaken open zijn op dit tijdstip, het is pas iets na elven, heb ik weinig zin om zo'n kroeg met de oude dichter te betreden. Het is overduidelijk dat de man nu enkel nog baat heeft bij z'n bed. 'Er is ook een bar bij het hotel', opper ik voorzichtig, in de veronderstelling dat hij ook daar niets meer zal krijgen vanwege z'n benevelde toestand en hij zich dan tenminste al dichtbij z'n kamer bevindt.'Wiltt u mij dann verrr-ge-zel-lennn bij een laatsste glasssss?'Ik weet dat het onbeleefd is om dit aanbod af te slaan, want dat het een hele eer is meegevraagd te worden door de oude dichter maar de avonden dat ik mistige redeneringen en dronken gewauwel moest aanhoren toen ik nog in de horeca werkte, hebben voor een klein trauma gezorgd waar ik me in gewone omstandigheden niet van bewust ben maar die op zo'n moment opnieuw de kop opsteekt. Was ik zelf dronken geweest, dan was er nu natuurlijk niets aan de hand en zou ik vrolijk zijn meegetrokken om god weet waar te belanden. Een avondje met de oude dichter, wie weet, het zou een mooie anekdote kunnen opleveren. Ondertussen zijn we bij de deur van het hotel aangekomen.'Ik moet u helaas ontgoochelen, het is een lange dag geweest en morgen is de winkel opnieuw open en ik heb nog wat opruimingswerk. Maar ik ben heel blij dat u vandaag bij ons bent langs geweest en wil u graag nogmaals danken voor de boeiende lezing die u gaf.'Hoofdschuddend wuift hij mijn woorden met een verveelde uitdrukking op z'n gezicht weg, draait zich om en loopt mompelend en met onvaste tred naar de deur die leidt naar de bar van het hotel. Zo verdwijnt hij zonder verder om te zien. De volgende dag verneem ik via mijn vriend in het hotel dat ze de oude dichter midden in de nacht de bar hebben uitgezet. En dat er even later een ijselijke gil weerklonk die bij nader inzien afkomstig was van zijn vrouw die wakker werd toen hij bij haar in bed wou kruipen. Waarna ze hem naar zijn eigen kamer hebben gebracht.Ik blader door de aanbiedingen die de uitgeverijen voor het komende voorjaar in petto hebben, kijk wat er straks allemaal verschijnt en wie we nu eens voor een lezing kunnen vragen. Want je moet zo'n voorstelling toch geruime tijd van tevoren plannen. Zodat je voor niet meer verrassingen dan noodzakelijk komt te staan.

Rino Feys
4 0

Mooi en haai

Ik zit in bikini in de anti-pijn zetel in de zon, op een werkdag. Ik heb weer te weinig mijn gedachten een loop laten nemen, teveel antwoorden ingeslikt, teveel vrolijke praatjes geforceerd, teveel tranen verstikt. Samen hebben ze een stapeltje gevormd in mijn vijfde ruggenwervel. Mijn spieren waren daar niet mee akkoord en leggen me nu al drie dagen lam. Lam van de pijn. En pijn moet je genezen met genot. De bijtjes zoemen. In de struiken zitten vogeltjes te tsjilpen, heel zacht zoals ik het graag heb. En de kip scharrelt wat blaadjes aan de kant. Ik probeer die rust op te zuigen, maar in mijn hoofd spookt die vervelende mail van begin deze week. Woest werd ik ervan. Ik heb teveel geleefd om op het matje geroepen te worden door een onbekwame leerkracht. Dat mijn zoon de afspraken niet naleeft en zijn enthousiasme storend is zou ik geloven als andere leerkrachten dit konden beamen, maar laat nu net het tegendeel waar zijn. Mijn zoon is lief, aandachtig en werkt goed mee. Raar toch dat het in de klas zedenleer uit de hand loopt? Zou het niet kunnen dat mijn vragen over de inhoud van de lessen (zijnde films die niet geschikt zijn voor achtjarigen en waar geen enkel verband te vinden is met zedenleer) zodanig veel irritatie hebben opgewekt dat mijn zoon nu nog meer geviseerd wordt? Zo’n mails verstoren de rust in huis. En als je thuis komt na een lange vermoeiende dag op het werk, omdat de pijnstillers net niet lang genoeg hun werk deden om als een normale mens te functioneren, dan wil je alleen maar rust. Geen kind dat huilend straf zit te schrijven en tussen de tranen door iets brabbelt van “ik heb zoveel energie en ik vind de les zo leuk, ik kan er niet aan doen dat ik zoveel energie heb, ik wou dat die energie op was”. Ook geen wederhelft die dan brult “ja, neem de suikerklont maar eens goed vast, zo gaat hij de boodschap zeker begrijpen”. Thuis zouden we moeten kunnen doen wat we willen, zonder rekening te houden met gefrustreerde juffen en regeltjes van hoe de opvoeding hoort te zijn.    Woest ben ik ook omdat de mooie kat uit de buurt steeds weer de vrijheid van Lucy, mijn kip, beneemt. Zodra Lucy vrij in de tuin loopt ligt ze op de loer, klaar om toe te slaan. Lucy komt dan onder zacht gekakel onder mijn zetel gekropen op zoek naar bescherming. Zo is het toch steeds weer bedenk ik, wezens die denken dat alle terreinen de hunne zijn en wezens die hun plaats en vrijheid afstaan zonder er lang bij stil te staan. Niet dat ik niet van katten hou, integendeel, maar waarom zit moed en vrijheid niet beter verdeeld? En wat met pijn? De ene niks, de andere een leven lang? Mag ik dan hopen dat de portie pijn tenminste in verhouding staat tot de portie geluk die we toebedeeld krijgen? En niet in het hiernamaals wel te verstaan. Over het hiernamaals mogen ze zeggen en schrijven wat ze willen. Ik leef hier en nu. Dat ik leef wordt tegenwoordig ook bevestigd door mijn smartwatch. Ik die weinig of niet met technologie bezig ben, heb sinds kort binnenpretjes nu ik merk dat liefde dan toch een beetje meetbaar is. Die hartslag van mij maakt soms rare sprongen dankzij bijzondere mensen die niet zomaar toevallig mijn pad kruisen, maar wel heel goed getimed op afspraak komen om te zorgen dat pijn en geluk in verhouding blijven. Net als de zon die fijne straaltjes door een dik donker wolkendek stuurt om een “ooo” te laten ontsnappen in plaats van een “aaa”. En van al dat moois word je haai, zelfs zonder pijnstillers. En een haai kan onbekwame juffen beter aan.

Fien SB
59 2

Kom op met die proharmonica, maar misschien volgende week pas

Ze had het kunnen weten. Dat het maandenlang reikhalzend uitkijken naar twee weken vakantie in het prachtige Italië, een voorbode voor deze post-vakantie-depressie zou zijn. Waarom bestaat daar in godsnaam geen naam voor? En maar zoeken op Google naar een verklaring voor het fenomeen. Toch moet ze zich neerleggen bij het feit dat haar gevoel geen officiële erkenning krijgt. Tuurlijk hebben nog mensen daar last van, weet ze, maar ze wil het zwart op wit door iemand anders gedefinieerd zien, want dan bestaat het echt, toch? Anderzijds, weet ze ook, zou een DSM-diagnose ook slechts een illusie van begrip teweegbrengen. Het weekje Toscane en het weekje Elba waren fantastisch. Geen verantwoordelijkheden. Er was uiteraard wel de dagelijkse routine, maar deze keer tenminste tussen de bloeiende oleanders met zicht op baaien met helderblauw water. Ze was weg van het besef dat op reis zijn zoveel leuker is dan de alledaagse beslommeringen. Ze zat er in het moment, zonder verleden, zonder toekomst. Het Colombus-gevoel van nieuwe plaatsen en mensen te ontdekken, de wanderlust, brachten haar in vervoering. Ze zag hoe ontspannen de mensen die hier leven eruit zien, op deze plek waar de zon de geest verwarmt, dieppaarse bougainvilleas de oude steegjes omarmen en zelfs vervallen gebouwen kunst en schoonheid ademen. Beleefde ze dit zo intens doordat het een jaar was geweest van isolatie en beperking van vrijheid? Hoe zou Napoleon het eigenlijk ervaren hebben, het ballingschap op dit mooie eilandje, vroeg ze zich verder af. Ze waande zich even een wereldheerseres in ballingschap op dit geweldige eiland. De mokerslag bij thuiskomst is hard. Het brengt haar op haar knieën. Als (onder)weg zijn helpt om je beter te voelen, bedenkt ze zich de tweede dag na thuiskomt, waarom kan je dan geen eeuwige wereldreiziger zijn? Maar zo is het ons niet aangeleerd. Nee, we zijn honkvast en we go back to the usual business. Haar brein lijkt ontstoken, de etter onzichtbaar maar drukkend tegen haar hersenpan. Ze kan grijpen naar de pillen. Ze weet dat minstens tien percent van de mensen het neemt. Om toch maar in deze opgedragen ratrace te kunnen blijven lopen. Ze had het ook nodig gehad. Maar nu wil ze koste wat kost de bittere pil slikken, en kiest ze ervoor om haar even goed rot te voelen. Even niet ‘yes, we can’. Even ‘nee nu lukt het niet’. Ze kruipt het bed in en voelt hoe belabberd ze zich voelt. Hoe rot het is om dit rotjaar te verwerken, om afscheid te nemen van illusies, te voelen hoe ze een moeilijke beslissing heeft genomen, hoe dingen werden opgelegd wat ze niet wilde. Ze zit het even uit, dat lastige voel. Ze kan volgende week nog altijd naar die antidepressiva grijpen. Maar dan gaat ze ze wel ‘proharmonica’ noemen. Waarom krijgen sommige woorden ook zo’n negatieve connotaties: 'antidepressiva' - om depressief van te worden.  Ze beslist dan om – na een onbepaalde maar te lange tijd doelloos te 'zijn' – foto’s te kijken, van de mooie beelden, waar iedereen lacht, op plaatsen die ze nu enkel in haar gonzende grijze hersenmassa kan terug oproepen. Dat helpt. Dankbaar zijn voor die mooie tijd. Dat helpt. Net als de wetenschap dat ook dit gevoel, weer overgaat. Ook zonder pillen. Been there, done that. https://ikbinnenstebuiten.wordpress.com/2021/09/14/kom-op-met-die-proharmonica-maar-misschien-volgende-week-pas/  

CasaSara
0 0

Grijze haren

“Kijk, dat is Freddy”, zeg ik naar de tv wijzend. “Ken je hem nog?” Hij kwam altijd in het café waar we als jonge mensen menige jeansbroek hebben versleten. “Ze waren toch met twee broers, niet?”, zeg ik. De naam van zijn broer ontsnapt me. “Hij is oud geworden”, zegt mijn vrouw. Hij werkt voor een museum in de provinciehoofdstad en de lokale tv-zender brengt een item over een nieuwe expo. Je kan inderdaad niet naast zijn lange grijze haren kijken. Vroeger waren zijn haren niet zo lang. Of grijs. Plots besef ik dat ik naar mezelf kijk. Alsof de beeldbuis een spiegel is. Ik ben immers net zo oud. Ook bij mij hebben de jaren hun sporen nagelaten. "Heb ik je dat trouwens verteld van Rita?" Ik leg uit dat ze vrijwilligerswerk deed in de bibliotheek. We lazen wekelijks voor uit prentenboeken en Rita was een van de vrijwilligers. "Ik kwam ze een paar weken geleden tegen. We hadden het over mijn vorige werkplek en dat ze nog steeds vrijwilligerswerk doet." "Ik ben nu wel met pensioen. Het geld komt zo op mijn rekening", zei ze. Het klonk alsof ze de lotto had gewonnen. "Maar jij bent toch ook al met pensioen?" Ze meende het. Ze keek me aan en zag een pensioengerechtigde man staan. "Ik was er serieus van geschrokken", zeg ik tegen mijn vrouw. "Zie ik er echt zo oud uit?" "Misschien ziet ze niet meer zo goed", antwoordt mijn vrouw. Dat zou kunnen natuurlijk. Maar wat als dat niet zo is? Ik laat het onderwerp rusten en stap naar de keuken. In de fruitschaal ligt een appel die enkele rimpels vertoont. Op de duur begin je het overal te zien. De gerimpelde appel moet eraan geloven. Ik zet er mijn tanden in. Hij smaakt nog voortreffelijk.

Rudi Lavreysen
18 0

Het meisje dat geluk wou vasthouden

Er was eens een meisje dat geluk wou vasthouden.   Ze vond vele sprankeltjes geluk. Sneeuw. Een regenboog in de zee. Knisperend haardvuur. Stokrozen. Veel likes op facebook. De smaak van foelie in peperkoek. Ze wist dat van haar oma, zij was ook een sprankel.   Ze had al eens geprobeerd om die sprankeltjes te bewaren, in een potje. Maar dat lukte niet goed. Wanneer ze diep viel, vulde haar hart zich met leegte. De sprankeltjes verdwenen. Vooral op ijzig koude decemberdagen, zonder sneeuw. Als ze naar het nieuws keek. Wanneer haar vriendin meer volgers had. Als ze bleef scrollen op haar smartphone. Wanneer ze zich slecht voelde, en ze zag hoe gelukkig anderen waren, was dat niet zo smart van haar. Ze vroeg zich af hoe ze geluk kon vasthouden. Op een nacht droomde ze dat ze een prinses was, die maar niet wilde wakker worden. Tot er plots een kikker haar wakker kuste. Die kikker kwaakte nog net voor haar ontwaken: “Ga bij de ochtendstond naar het bos, daar zal je antwoorden vinden op jouw vraag, kwaak.” Ze ging die morgen, voor dag en dauw, naar het bos. De zon kwam op, de maan wou nog niet gaan. Ze kwam een wezeltje tegen. Die vroeg haar: “Waar ga je naartoe, zo alleen?” “Ik ben op zoek hoe ik geluk kan vasthouden”, antwoordde ze. Het wezeltje keek haar een beetje verdwaasd aan. “Als jij dat weet, mag je het mij komen vertellen.” Dat stelde het meisje eigenlijk wel gerust, dat er nog een wezentje was dat het niet wist. Het pad kronkelde verder. Er kwam naast haar een lief heksje, met een rood kapje, vliegen. Ze leek wel te klein voor die grote bezemsteel. “Waar ga je naartoe?” vroeg het heksje. “Ik ben op zoek hoe ik geluk kan vasthouden.” “Ik kan je helpen,” zei het heksje. “Als je hoofd aan het dwalen is, zing dan dit versje. Het tovert jouw zorgen weg: Iene miene kou, ik hou van jou Ieze wieze wij, het spijt mij Iene miene kief, vergeef me alsjeblief Ieze wieze wel, dank je wel” En poef! Het heksje vloog bliksemsnel weer weg. “Dat moet ik onthouden!” zei ze tegen zichzelf.   Ineens kwam er pimpelmeesje op haar schouder zitten. Het had onderweg haar vraag gehoord, en zei: “In je hart liggen antwoorden, niet in je hoofd.” Het meisje wou een selfie nemen, wie zou anders geloven dat er een pimpelmeesje op haar schouder kwam zitten? “Maak maar een foto met je hoofd. En volg je hart!”, tweette het pimpelmeesje nog. Wat was die lief.   Op de kruising van twee weggetjes stond ze stil. Plots bengelde er een kruisspin boven haar hoofd, die zei: “Doe toch niet zo onnozel! Meisjes zoals jij, die moeten ze een veeg uit de pan geven.” “En waarom dan wel?!” Ze was altijd bang geweest van spinnen, maar deze maakte haar gewoon boos. “Omdat meisjes zoals jij nooit content zijn. Dan hebben ze alles, moeten ze nog klagen.”   Ze maakte dat ze zo snel ze kon wegkwam, weg van de stomme spin. Ze was in de war, struikelde over een steen en bleef even op de grond liggen. Toen kwam er vanachter een paddenstoel, een kikkertje tevoorschijn. Net het kikkertje uit mijn droom, dacht ze. “Wat zie jij er bezorgd uit. Kom, geef mij een kus, dan geef ik het antwoord op jouw vraag!” Ze vond het wel grappig, maar geloofde het niet. “Nee, ik geloof niet in sprookjes,” zei ze al lachend. “Kwaak”, zei het kikkertje, “ik heb toch maar lekker een lach om je mond getoverd.”   Toen zag ze een uil op een tak zitten, die zei:  “We denken over geluk als over een schat vol goud. Dat we pas gelukkig zullen zijn, als we die hebben gevonden. Maar weet je eigenlijk dat je elke dag al goud vasthoudt?” “Maar waarom weet ik dat niet?”, zei ze vol ongeloof. “Omdat je er niet altijd aan denkt. En soms moet je geluk kunnen laten vliegen. Als een ballon. Het maakt dan heus wel iemand anders gelukkig.” “Maar ik weet niet of het nog zal terugkomen. Dan moet ik huilen.” “Je mag ook verdriet hebben, meisje, om wat niet meer is. Dat hoort erbij. En weet dan dat er altijd hoop is.” “Hoop?” “Ja, erin vertrouwen dat het leven nog altijd iets in petto heeft. De sneeuw, die smelt. De bloem, verwelkt. Niets is voor altijd. Toch komt alles altijd terug. Weet je, boven de wolken schijnt toch ook nog de zon?” Wat een wijze uil, mijmerde ze.   Ze stond recht en ging verder. Om de hoek zag ze uit het niets een peperkoeken huisje verschijnen. Het was net groot genoeg voor haar om erin te passen. Er lag papier op tafel, en een pen. In een kooi zat een gele kanarie. Het haardvuur knisperde. Dit moet magie zijn, dacht ze.   Ze zette zich aan het tafeltje en begon te schrijven. Ze schreef de woorden neer, nog voor ze ze bedacht. “Liefste diertjes en heksje, jullie waren mijn sprankeltjes goud vandaag. Ik heb gelachen. En lachen is goud waard. Ik heb me goed gevoeld door pure eerlijkheid. Ik ontdekte dat verdriet en geluk er altijd zullen zijn. En hoop, als je erop vertrouwt. Jij was niet leuk, spin. Maar door jou besef ik nog meer welke leuke wezentjes ik vandaag ontmoette. Ik vergeef je, zoals het lief heksje me leerde.   En kikker, het spijt me dat ik jou niet geloofde. Heel misschien, bestaan sprookjes wel, en ben jij wel mijn prins.”   Dan zette ze het kooitje open. De kanarie vloog weg. Ze liet het deurtje openstaan. Dit ga ik aan wezeltje vertellen. Want zo alleen met dit mooie verhaal, is ook maar alleen, dacht ze.   Ze ging naar wezeltje, en kuste onderweg naar huis, het kikkertje. En ze leefden nog lang, en af en toe, gelukkig.      

CasaSara
73 1

Droog

Ik had me voorgenomen om na een dagje Antwerpen de trein van 18u09 huiswaarts te nemen. Diezelfde ochtend had ik voor mijn vertrek enkele weekendkranten gekocht. Het aantal laat ik in het midden, maar mijn gezin vertelt me dat ik gek ben. Ik vertel ze het dan voortaan ook niet meer. Ze zaten veilig in mijn rugzak. Om half zes reed ik met de stadsfiets op het Zuid. Perfect op schema. Maar halfweg de Kloosterstraat voelde ik een druppel op mijn neus landen. Dat betekent ofwel dat het goed gemikt is van de weergoden, maar meestal wil dat zeggen dat er meerdere druppels in omloop zijn. Je kent dat. Al snel is het een plensbui en voor je het weet vallen de katten, de honden en de pijpestelen allemaal tegelijk uit de lucht. Dan kan je ofwel stoppen en schuilen. Ofwel denken: “Ik ben nu toch al nat. Het heeft geen zin meer om te stoppen.” Maar dat is belachelijk, al besef je dat pas achteraf. Bij het Centraal Station gearriveerd, bleek dat ik niet alleen van kop tot teen uitlikte van het Antwerpse regenwater, maar ook dat de inhoud van mijn rugzak (inclusief kranten) zo nat was als Fred De Burggraeve na een valse start. En een krant uitwringen, dat werkt niet. Er restte me geen andere optie dan de kranten te laten drogen. Ik had gedacht om in de trein op elke bank een pagina te leggen, maar met een volle trein is dat iets moeilijker. Thuisgekomen was er aan mijn uitwringbare toestand nog niet veel verbeterd. Ik had al een paar kranten op de verwarming gelegd, maar aangezien die niet opstond, leek het een proces zoals de laatste regeringsvorming te worden. Van lange duur. Bovendien, een gedroogde krant levert frommels op, zodat die eruit begint te zien zoals een mopshond. Het leek me beter is om het droogproces te versnellen. Er viel me iets te binnen. We hebben toch een föhn? Een haardroger. Aan onze jongste, die zich in de badkamer bevond, vroeg ik om het toestel uit te leggen. Moeilijk bleek het niet te zijn. “Er zijn maar twee knoppen”, zei hij. “Dat moet toch lukken hè pa.” Nadat hij de badkamer verlaten had, begon ik met het föhnen van mijn kranten. Hij dacht wellicht dat ik mijn natte haren wou droogföhnen. Al snel had ik een aardige föhntechniek in de vingers. De kunst is om in de hoeken van de krant te föhnen, zodat de pagina’s omhoog waaien. Dan gaat het sneller. De spreekwoordelijke frank viel bij onze jongste al na een paar minuten. Hij weet als geen ander dat vader zijn haar niet föhnt. Toch niet zelf. Bij het opnieuw binnenkomen zag hij me aan de wastafel in de weer met het föhnen van de kranten. Hij had geen oog voor mijn voortreffelijke techniek, maar riep meteen zijn moeder. “Ma, hier moet ge komen kijken, onze pa is de gazet aan het föhnen.” Al snel stond de hele bende in de badkamer. In een gezin zijn er weinig geheimen. Als je niet oplet halen ze de buren en een hele rist nonkels en tantes erbij. Ik meende te zeggen dat ze zo niet moesten kijken, want nog niet zo lang geleden had de butler de opdracht om eerst de krant te strijken, vooraleer hij het dagblad aan zijn baron of hertog serveerde. Ik besloot om ze allemaal de badkamer uit te jagen met de pas geföhnde Standaard.De voorpagina van De Morgen was aan de beurt. Zonder aarzelen begon ik het kapsel van de eerste minister te föhnen. Hij had er duidelijk deugd van.

Rudi Lavreysen
57 3

Het Lange Pad

Voor velen had het een doodnormale dag geleken toen Pepijn door het bos wandelde met het wederkerende geluid van aarde die door zijn laarzen werd verpletterd en mogelijk tientallen mieren deed panikeren. Niemand zou Pepijn ook lang zijn opgevallen, want als je hem zou zien zou je enkel gedacht hebben dat hij een zoveelste wandelaar was die een tochtje deed in het bos. De meesten die hem kenden noemden hem ‘Pepijn de Onzichtbare’ omdat hij vrijwel overal incognito kon lopen zonder dat iemand ook maar een ogenblik zijn kant op zou kijken. Bovendien wist niemand zijn achternaam dus hadden ze unaniem besloten om hem ‘de Onzichtbare’ te noemen. Hij was natuurlijk niet echt onzichtbaar, gewoon heel gewoon. Zó gewoon dat het te veel moeite leek om op hem te letten. Pepijn was zoals een zoveelste blad die op de grond viel in een oneindig bos vol reusachtige bomen. Zijn lange bruine (bijna blonde) haren hingen vaak voor zijn moerasgroene ogen terwijl hij de grond bewonderde. In gedachten verzonken hield hij de riemen van zijn rugzak vast. Er was daar niemand. Enkel hem: Pepijn. Maar die leegte scheen bij hem te passen, althans, het scheen hem niet te storen. ‘Pepijn, wakker worden!’ riep een jonge stem. Hij deed zijn ogen open en zag hem daar staan, zijn kleine broertje, klaar om de lakens van hem weg te trekken. ‘Ugh… Wat?’ vroeg hij geagiteerd. Ze keken elkaar aan als twee wilde vossen die elkaar voor het eerst tegenkomen. Het broertje wou iets zeggen alleen gleed het niet makkelijk van de tong. En toen vielen ze elkaar in de armen, Pepijn voelde enkele tranen druppen op zijn gestreepte pyjama. Het waren niet de zijne. Pepijn vorderde zijn tocht door het bos. Hij had hier al lang gewandeld, tussen de vele eiken- en berkenbomen. De Onzichtbare wist niet echt wat hij hier deed en hoe hij hier gekomen was. Maar was dat echt belangrijk? Is het soms niet beter om gewoon rust te vinden, zonder vragen? Daar was Pepijn van overtuigd, hij genoot daarom van de overvloedigheid groen rond hem. Ook zo werd hij weer in herinneringen gekatapulteerd. ‘Hey, flinke hond jij! Ja jij, flinke hond!’ zij Pepijn toen hij de haren van Prins, zijn trouwe Welsh Terriër, in de war bracht. ‘Zorg goed voor ‘m, oké?’ Een man knikte en nam Prins vast tussen zijn armen. Zijn geweer hing aan zijn rugzak, hij was klaar om ten strijde te trekken. Misschien zou hij Prins nooit meer kunnen aaien. Pepijn herinnerde zich het liedje dat hij zo graag had geluisterd en de tekst galmde door zijn oren: never a frown with golden brown… Langzaam walste hij rond, op dat moment was alles onbelangrijk behalve dat ene lied. Zo kwam het dat Pepijn de Onzichtbare verder ging op de weg tussen de vele houten stammen die klaarblijkelijk een lege lucht prikten. Zijn leven flitste hem voor de ogen. ‘Zou ik nog terug kunnen gaan?’ vroeg hij zich af.

Nova
69 1

La copine

Later verneem ik dat je in het Frans de ‘f’ niet uitspreekt in de plaatsnaam Neufchâteau, net zoals de twee ‘l’-en in ‘fille’ als een ‘j’ klinken. Ik heb me online ingeschreven voor een tiendaagse yogastage in de Belgische Ardennen. De jongedame achter het tafeltje met geplastificeerd bloemetjesdoek zorgt voor de ontvangst van de deelnemers. Ik spreek haar in mijn beste Frans aan, zeg dat ik haar ‘une belle fielle’ vind en blij ben eindelijk vanuit het verre Nederland in ‘NeuFsjatoo’ te zijn aangekomen. Ze lacht beminnelijk. In een onberispelijk Nederlands heet ze mij hartelijk welkom. Tijdens hetzelfde ‘later’ leert de jonge vrouw mij ook dat de ordinaire zeiltjes op de tafeltjes in de taal van Molière ‘toiles cirées’ worden genoemd. Dankzij haar, breid ik dagelijks  mijn ‘vocabulaire’ uit. Naast yoga zijn er allerlei andere activiteiten. Zij neemt de relaxatiesessies voor haar rekening. Dat doet ze simultaan in het Frans en het Nederlands, waardoor ik al snel de delen van mijn lichaam in de Franse taal aanleer. Nooit werd ik zo bevangen door een stem, die bij mij binnendringt van het topje van mijn tenen tot de ultieme zucht bij de ademhalingscontrole. Telkens een gelegenheid zich voordoet, zoeken wij spontaan elkaars gezelschap op. Tijdens boswandelingen loopt de een achter de ander. Bij de maaltijden zit ik tegenover haar. Als de groep bij het uitdoven van het kampvuur naar binnen gaat, zijn wij de laatsten om elkaar een goede nachtrust te wensen. Ik besef dat ik mij nog nooit zo goed heb gevoeld in het gezelschap van iemand. Bij mijn boeking van de stage las ik dat Yoga het openen is van je hart, dat het verblijf een ontdekking of herontdekking is van stukken van jezelf. Het klopt. Ik voel het in de groep, maar sterker nog als ik in haar gezelschap vertoef. Na enkele dagen besef ik dat ik hopeloos verliefd ben, maar mag ik mij opdringen aan dit jonge leven? Meer dan eens beantwoordt ze mijn blikken, bij de minste subtiele aanraking gaat een siddering door mijn lijf. Ik voel dat de wederzijdse genegenheid groeit bij elk samenzijn. De tijd haalt het op mijn verzuchtingen en het einde van de stage is nakend. Ik heb het niet aangedurfd om te verklaren dat ik geen enkele voorwaarde wil verbinden aan een eventueel weerzien of om in de toekomst samen iets te ondernemen. Bij het afscheid zijn haar knuffels voor elke deelnemer even vrolijk en hartelijk. Mijn knuffel duurt iets langer en als ze merkt dat het huilen mij nader staat dan het lachen zegt ze: “Ce n’est qu’un au-revoir.” Er knaagt iets diep in mij tijdens de terugreis. Was dit de aanzet tot een ‘amour inconditionel’ zoals ik mij die altijd heb ingebeeld?  Enkele maanden later gruw ik wanneer ik een mail van haar krijg met een bijlage. In het onderwerp staat: ‘A ma très chère copine’ en in de tweetalige bijlage word ik hartelijk geïnviteerd op de receptie van haar huwelijk met Jean-François.      

Vic de Bourg
51 1

Nachtwake

Ik ben dood en ik lig in een kist. Dat wil zeggen: mijn lijk ligt daar. Botweg gezegd. Mijn geest, aanwezigheid zo je wil, het ego zelf dus, is er ook maar ziet het tafereel van buiten mijn lichaam. Het is een bijzondere ervaring om van achter een tafel met bloemen en kaarsen naar jezelf te kijken trouwens. Ik kan niet anders zeggen: voor een dooie zie ik er nog verdomd goed uit. Mijn handen die normaal onhandige en ongecontroleerde bewegingen maken, liggen in serene rust in elkaar gevouwen op mijn borst. Wie had ooit gedacht dat ik zo stil kon zijn! Echt niemand. Tot mijn opluchting zie ik dat mijn nagels keurig gevijld en gelakt zijn in mijn favoriete kleur. Ik zei bij leven altijd al: je handen zijn je visitekaartje. Blijkbaar vonden mijn dierbaren dat ook voor als je naar de hemel gaat. Denkt te gaan. Hoopt te gaan. We gaan het zien. Ik ga het zien. Mijn haren die normaal eigenzinnig alle kanten op springen, krullen nu engelachtig als een aureool om mijn hoofd. Mijn gelaatsuitdrukking herken ik niet helemaal. Zo lief, rustig en zacht voorkomen heb ik nooit bij leven gehad. Het klopt dus blijkbaar wat ze zeggen, dat je geest je lichaam verlaat. En zie hier: ik aanschouw het nu ook. Ik lijk trouwens nog groter dan ik al ben maar dat komt omdat ik zo helemaal recht lig. Ik vind het maar een onnatuurlijke houding. Ik ben altijd gewend geweest om in foetushouding te liggen en nu zie ik dat ik straks stijf als een plank uitgestrekt de grond in ga. Of de oven. Ik heb werkelijk geen idee wat ze met me van plan zijn maar daar kom ik gauw genoeg achter ben ik bang. Wat ik niet snap is mijn kleding. Ik heb mijn lievelingsshirt aan, dat snap ik natuurlijk nog wel. Maar daaronder draag ik een spijkerbroek. Zoiets verzin je toch niet? Spijkerstof vergaat voor geen meter en de verbranding gaat volgens mij ook niet zo snel. Ik kan me vaag herinneren dat ik ooit iets gezegd heb over een spijkerbroek, maar wist ik veel dat ze het serieus zouden nemen? Oh wacht, er komen mensen binnen. Mijn moeder. Ach, ze huilt. De lieverd. Mijn vader kijkt ernstig en heeft zijn arm om haar heen geslagen. Daarachter Wim, mijn lievelingsneef en Bob, zijn broer. Mijn beste vriendinnetje Emma. En daarachter...wat! Nee, dat meen je toch niet? What the hell doet hij hier? Bart. Een oude bekende van mijn ouders. Bart. Of beter: baard. Baardmans. Hij, die donders goed weet dat ik altijd panisch voor hem was toen ik nog leefde en hem altijd meed, staat hier in mijn rouwkamer. Zielig te doen. Alsof het hem kan schelen dat ik er niet meer ben. Met die afgrijselijke, lelijke, onverzorgde, jeukende kriebelbaard van hem waarmee hij mij vroeger bewust een knuffel in mijn nek gaf terwijl ik gillend aangaf dat ik dat niet wilde. Jakkes! Als ik niet beter wist zou ik nu nog misselijk worden, maar ja, dat kan ik uiteraard niet meer. Met de kennis van tegenwoordig had ik hem destijds van aanranding beticht, maar ja, dat is achteraf. Wist ik veel dat ik hem nog tegen zou komen en nog wel postuum ook! Wat, wat doet hij? Ik zie dat hij mijn lijk benadert. Het zal toch niet zo zijn dat hij... Ik wil vanachter de tafel rennen om hem weg te duwen bij mijn kist maar op de een of andere manier ben ik niet vooruit te branden. Ik kijk naar beneden en zie dat ik geen benen heb dus er valt ook niks te rennen. Ondertussen staat Baardmans al bij de kist. Hij leunt voorover en wil mij, mijn lichaam, mijn lieve, serene gezicht met die afschuwelijke baard een laatste kus geven. Over my dead body!!Aangezien ik niet kan rennen zet ik het op een schreeuwen: Mama, mama, maaamaaaa hou Baaaaaart tegen, maar er komt geen enkel geluid uit mijn keel. Ik blijf schreeuwen: maamaa, maamaa, Bart wil, Bart wil, Bart wil..... ‘Ma-de-lon! Ma-de-lon! Ma-de-lon!Vervormde stemmen roepen mijn naam. Wat is dit nou voor onzin? Waarom roepen ze mij? Langzaamaan zie ik het steeds lichter worden. Vier gezichten hangen boven me. Ik herken ze. Mijn man en drie kinderen zitten me met grote ogen aan te staren. Ik ben drijfnat. Maar ook dolgelukkig, want ik ben blijkbaar niet dood maar lig in bed. Weliswaar inmiddels in een waterbed met het hele huis in rep en roer maar so what, Ik ben veilig. Helemaal goed. De oudste vraagt waarom ik om mijn moeder roep want ‘oma is al 5 jaar dood.’ Ik zeg hem dat ik oma zag in mijn droom, maar dat alles nu weer goed is en dat ze nu weer fijn kunnen gaan slapen. Als ik weer rustig heerlijk lepeltje lepeltje lig met mijn man in het donker hoor ik: ‘Wie is Bart?’ ‘Oh, eh, iemand van vroeger, niks bijzonders. Hoezo?’ ‘Nou, het leek alsof je kwaad op hem was. Bang haast. Dat ie iets deed wat jij niet wilde.’ ‘Klopt. Maar schat ik wil nu slapen. Ben dood en doodmoe.’ ‘Dat is goed, maar morgen wil ik het over hem hebben.’ ‘Dat is goed schatje. Ik ook. Me too. Me too.’

Annemagenta
5 0
Tip

De perfecte reis

‘Rugzakken klaar?’ 8 vrouwen springen recht, ruimen trui, picknickdoos en zakdoekjes op en zwieren hun rugzak terug in stappositie. Gerd, de enige man in het gezelschap, staat al gepakt en geriemd, klaar om te vertrekken. Zijn oranje T-shirt blinkt in het zonnetje. De reisbegeleider Ludo vervolgt met lange benen het kronkelende pad naast het bruisend riviertje. Tussen worteltakken en losse stenen zoeken 10 paar bottines hun weg door het groene bos. Het is dag 2 en de sfeer zit erin. De babbelende leerkrachten over lessenroosters en tienerproblemen overstemmen het water geklater. Een andere reisgezellin doet haar echtscheidingsverhaal. Nog 3 wandeldagen te gaan. Ik zet me in de achterhoede. De natuur is mijn drijfveer. Het ruikt naar vers geregend groen... en zweet. Ik hoor Gerd zijn voetstappen vlak achter me.   ‘Ga maar even voor Gerd, ik wil graag even achteraan lopen’. Gerd bromt een beetje en lacht’ Ik wil mijn schapen goed in het oog kunnen houden’. Ik huiver licht. Ik heb ruimte nodig.    ‘Ik zal wel roepen als ik in de ravijn val’ grap ik terug. ‘We zijn in de Ardennen, niet in het hooggebergte’ grom ik in mezelf. Gerd steekt me voorbij. Af en toe kijkt hij zijdelings naar achter.  Ik adem diep in en volg de groep op afstand. Wat doe ik toch weer in deze groep onbekenden? Juist ja, rust zoeken in de natuur met alle dagen prachtige wandelingen. Het avontuur had me tot deze reis verleid en het was ook alweer zo lang geleden dat ik er een week even tussenuit was. Het ging me deugd doen, zo had ik gedacht. Na de lange maanden alleen thuiswerken achter de pc, van de ene videoconferentie naar de andere, zou een week bewegen, met anderen rondom mij, in de natuur de perfecte tegenpool vormen.    De groep stopt. Ludo staat paraat in het midden van het riviertje om ons te wijzen op welke steen welke voet terecht moet komen, om ons handje vast te houden. Ik schuif aan tot ik als laatste licht van de ene steen naar de andere wip voordat hij instructies kan geven. Aan de andere oever staat de groep bijeen. Ik land er middenin. ‘Rugzakken klaar?’ Met dit zinnetje zet Ludo op kop de wandeling weer in. Het oranje T-shirt sluit de rij.  ‘Ik denk dat ik op deze vakantie niet aan gewicht zal bijkomen’ probeer ik als gespreksopener. Griet naast me lacht. ‘Je hebt je chocoladesaus bij het ijsje gisteren niet volledig opgemaakt. Vond je het niet lekker?’ Oh My God. Hoor ik dit echt?   ‘Ik had genoeg, het hoefde voor mij niet meer chocoladesaus te zijn’. Griet begrijpt het niet ‘Je kan toch nooit chocoladesaus te veel hebben?’ lacht ze terug.   ‘Ja, dat is dan voor mij anders dan voor jou, dat kan he’.   ‘Ja, ja zo is dat’ antwoordt Griet. We stappen verder in stilte. Zijn dit de gesprekken die ik deze week ga voeren? Is dit het gezelschap waar ik naar op zoek ben? Ik distilleer de stilte uit het gepraat. Zag ik een roofvogel boven mij? Met brede vleugels, vrij vliegend, speurend naar een prooi, geluidloos.  Singing pants verbreken mijn gemijmer. Een outdoor wandelbroek ruist bij elke stap van... hoe heet zij ook alweer? Stella? Gerda? Ik denk dat ik de klinkers juist heb. Ik kom het later wel te weten.   Het pad versmalt en kronkelt verder tussen dichte hoge varens. Nog nat van een regenbui voelen ze fris aan. Mijn bottinnen blijken waterdicht als we wat verder door het natte hoge gras stappen. Ik had me goed voorbereid. Tijdens een werkpauze had ik ze goed ingespoten met een speciaal voor deze reis gekocht product. De dag voor het vertrek was ik nog aan het werk. Na al de meetings was ik nog snel anti-mug spray gaan kopen. Ludo had ons last minute gewaarschuwd dat dit nodig kon zijn.   Achter mij wordt luid gelachen ‘Door al die muggenspray die jullie opsmeren hoef ik dat al niet meer te doen’ lacht Evelien luid. ‘Ik loop gewoon tussen jullie en de geur maakt dat ze ook niet naar mij komen’. Dezelfde zinnen met dezelfde luide lach sprak, of beter riep, Evelien gisteren ook. Ik ben benieuwd naar morgen.  Ludo stopt. We houden een kleine pauze. Ik zwier mijn rugzak af en zoek me een plek wat verder achter bomen en struiken. Ik zet me neer voor een plasje. In stilte volg ik de warme straal en het beekje dat over het mos naar beneden loopt. Een toilet mis ik niet.   Als alle vrouwen hun plaspauze beëindigd hebben leest Ludo nog een tekst voor over de vos.   Diep in het bos, op het groene mos, de raaf en de vos, ik laat het los.   In mijn hoofd maak ik er een dom gedichtje van. Ik wil doorstappen. Nog 6 km te gaan en nadien doen we een terrasje. De koffie roept.  ‘Rugzakken klaar?’ Daar gaan we weer. Mijn benen doen hun werk. Na een stevige klim volgt een lang recht stenen pad dat het naaldwoud doormidden klieft. ‘Nu volgt een oneindig saai lang stuk’ roept Evelien. Ze doet deze reis voor de tweede keer en vindt het leuk om de route vooraf aan de groep kenbaar te maken. We hebben 2 begeleiders zo lijkt het soms. Of 3, er is ook nog het oranje T-shirt.   ‘If you’re happy and you know it clap your hands’. Ik zet een staplied in. Ik vertik het om dit pad saai te laten worden. Er wordt aarzelend meegezongen met het eerste nummer. Maar een kilometer verder wordt enthousiast ‘De boom staat op de berg’ mee ingezet. We marcheren, lachen en zingen uit volle borst. Ook de Afrikaanse nazing liedjes komen aan bod. Mijn verre scoutsverleden borrelt op.  ‘A piri piri tumba - A mussa mussa mussa - A luelue - A lue ma luambalue ‘ Het zingen verstomt als we de start van een vlonderpad naderen. We houden halt en er volgt weer een verhaaltje van Ludo.   Van waar komt de turf, zo spreekt grote smurf, een olifant met slurf, ik wandel en ik durf.  Het gedichtje stopt in mijn hoofd. Turf rijmt niet zo makkelijk. Ik neem foto’s. De gebogen lijn van het licht houten vlonderpad naar de horizon met berkenboompjes aan weerszijden zal goed scoren op Instagram.   ‘Rugzakken klaar?’ Ik laat mijn smartphone terug in mijn broekzak glijden en merk dat ik vooraan op het vlonderpad sta. De vrijheid roept. Niemand loopt voor me. Ik zet er flink de pas in. Het vergezicht over de vlakte lijkt oneindig. Op het hout liggen hagedisjes te zonnen. Ze ritsen weg in het gras naast het pad. Ik kom eraan. Zou ik een foto nemen? Snel, zodat de eerste van de groep me niet helemaal inhaalt. Ik draai me om en zet de groep op de foto. Nog eentje van het weidse groene landschap. Snel stap ik verder over het houten pad. Er dwarrelen plannen door mijn hoofd. Zal ik een cursus gaan volgen? Mijn skilessen verderzetten? Terug gaan joggen? Met mijn tante afspreken en een terrasje doen, een muziekoptreden bijwonen? Ik neurie stiletjes voor me en merk de glimlach bij mezelf. Dit moment hou ik bij. Helemaal van mij.  Mijn houten pad loopt ten einde en de weg splitst. ‘Nog 20 minuten, we houden nog even pauze’. ‘Wie kent de letterzetter? Het kleine boomkevertje... ‘. Ludo vervolgt zijn verhaal.  De letterzetter, is een kleine etter, de vlinder is veel netter, ik rijm me weer te pletter. ‘Rugzakken klaar?’. De groep doet wat hij moet doen.  Terug aan de auto’s ruil ik mijn modderbottinnen voor zachte sandalen. We strijken neer op het terras voor koffie en biertjes.  De tofste foto’s post ik op Instagram. Mijn volgers liken en ik like hen. Ik zie vrienden hun namen passeren en ben even terug in mijn eigen leven. Ik lepel de slagroom van mijn cappuccino op.  Wat zullen we vanavond eten? Kathy heeft het menu en leest voor. ‘Als voorgerecht carpaccio van kabeljauw, daarna eend met appelsien konfijt en als dessertje sorbet’. Het was warm in het restaurant gisteren. Ik plakte van het lawaai, de drukte en het gebabbel. Het is even wennen na maanden alleen eten. Met deze reis haal ik mezelf mijn grot uit. Dat had ik afgesproken met mezelf. Met 3 auto’s rijden we naar het hotel. We hebben vaste plaatsen in de auto. Ik zit naast Evelien in haar nieuwe SUV firmawagen. Ik adem de muziek in als een dorstige na een woestijntocht. Radiohead landt in mijn ziel. ‘But I' m a creep, I' m a weirdo, What the hell am I doin' here? I don't belong here’ . Op de achterbank lachen Kathy en Stella met de ‘overbekoeide’ weiden. De luide lach van Evelien galmt in mijn linkeroor. Ik droom dieper weg. Het landschap flitst voorbij. De ‘friterie’, het kleine cafeetje, de supermarkt, het hotel.   ‘Tot half zeven, dan is het briefing op het terras!’. Ik haast me naar mijn kamer en laat het bad vollopen. Vanuit het badkamerraam schittert het meer achter de bomen. Met een favoriete play-list en een stuk rijstvla van bij het ontbijtbuffet meegesmokkeld duik ik in het badschuim. Mijn voeten slorpen het warme water op en ik de lekkere vla!  ‘Een wit wijntje voor mij graag’. De 2 tafels vullen zicht met frisse dames, gewassen haartjes, blije gezichten. Ik heb de ramen al op kip gezet. Hopelijk komen er geen kouwelijke gasten aan het raam zitten.   ‘Morgen wandelen we 14km, afwisselend door bos en hei en langs de stuwdam. Wandelstokken kunnen helpen maar het is niet noodzakelijk.’ Ludo laat het plannetje voor de volgende dag rondgaan. ‘Ontbijt om 8u en we vertrekken om 9u.’ Stipt, denk ik erbij. Mooi georganiseerd.  De wijn is koel en zacht. De gesprekken hectisch en druk. ‘Ik werk in IT maar niet technisch, ik plan projecten, ik doe analyses en testen en zorg voor opleidingen, voor 600 eindgebruikers, verspreid over heel Vlaanderen’ vertel ik trots. Ik zwijg over de stress die mijn job meebrengt. Anne werkt op een school, Evelien heeft een belangrijke functie bij een groot bedrijf. Slechts flarden van het gesprek komen binnen. Bieke is psychologe en Monique is directrice van een kleuterschool. De verhalen versmelten zich tot één brij geluid. Na de eend hap ik lucht op het terras. De stilte sluit zich rondom mij. Ik ruik de frisgroene natuur en de natte stenen na de regenbui. Even pauze tot het dessert. Terug binnen val ik midden in het geroezemoes. ‘Dat deed deugd, even frisse lucht maar nu is het tijd voor het dessert’ glimlach ik.   Bieke vertelt over de nieuwe wellness bij haar in de buurt. Die ga ik boeken! Met een vriendin! En ook een dag aan zee zet ik in mijn hoofd op de planning. Na deze wandelreis heb ik nog een week vrij. De sorbet smelt fris in mijn mond. Met nog een tasje thee erbij leun ik tevreden achterover.   ‘Slaap wel, tot morgen’ wuif ik even later moe naar de groep. ‘Tot morgen!’  Op mijn kamer leest mijn roman me weg naar een wereld vol romances, intriges en bedrog. Mijn ogen vallen toe. De kilometers wandelen hebben hun werk gedaan.  ‘Goedemorgen’. Al voor 8 uur zitten we aan de tafels aan het ontbijt. Met koffie, thee en hetzelfde ontbijtbuffet start dag 3. ‘Goedemorgen Judith’, Kristel nodigt me uit op een vrije plek naast haar.  ‘Lekker geslapen?’. Kristel knikt terwijl ze een hap van haar broodje wegslikt. ‘Ja, het is hier heel rustig’. We zitten wat krap, gezellig dicht bijeen, bijna als op een vliegtuigstoel. Kristel maakt een sandwich met kaas, augurkjes en mosterd. Ik vouw een toastje met confituur dubbel. Lekker en licht voor de lunch straks. ‘Dat heb ik nog nooit gezien’ roept Evelien over de tafel heen. ‘Iemand die een toastje dubbelvouwt, haha!’. ‘Je gaat hier nog veel dingen voor de eerste keer zien’ grap ik terug. Lachend maken we onze picknick verder gereed.   Op het toilet zucht ik even diep. Een moment voor mij alleen. Waar is mijn rust en vrijheid? Misschien zijn groepsreizen mijn ding niet meer.  Maar alleen in een bos wandelen... Alleen aan de PC zitten... Alleen eten... Dat hebben we gehad. Waar blijft mijn prins op het witte paard? Alvast niet op deze reis, in deze groep. Ik schiet in een lachbui en sta op. Terug naar de groep.   Het is tien voor negen. Iedereen staat paraat aan de auto’s. Ik stap in op mijn vaste plek. Evelien start de SUV. Ik soes nog even weg. In een andere wereld start nu de werkdag. Op 2 uur rijden van hier staat mijn bureau, is mijn wereldje op mijn appartement, klinkt mijn muziek, groeien mijn planten, wacht mijn zonneterras met boeken, zijn de vriendinnen en lonkt de zwemvijver in het park vlakbij. Ik zou mijn garage eens moeten poetsen. En langs de carwash. Zou ik een nieuwe matras kopen? Deze hier slaapt precies beter. En ineens een groter bed dan de twijfelaar waar ik nu in slaap? Maar ach, het bed is voor mij alleen, al vele jaren. Meestal toch. Hoe zou het met Frederic zijn? Zou ik nog eens afspreken of hou ik hem wat op afstand? Wie zou ik meevragen naar het muziekoptreden volgend weekend? Een vriendin is altijd makkelijker dan een vriend. Geen gedoe over blijven slapen achteraf.   ‘Daar zie je de stuwdam van Robertville’. Eenmaal uit de auto start de wandeling met een nieuw verhaal van Ludo.   De groep trekt me vooruit. Ik zet me er middenin, laat me verder kabbelen op de gesprekjes en geniet van de vergezichten. Inspiratie voor nu en thuis versmelten zich.  Stuwdam vol water,  straks volgt weer getater, maar ik heb hier geen kater, thuis is voor later.    Lutgart Messens  16/8/2021                   

Lumes
205 1

Le spleen

“Ik moet plassen. Ik moet echt plassen en ik heb geen zin om binnen te gaan.” Sylvie had Jan meegetrokken achter het tuinhuis waar ze al een tijd hurken naast het gestapelde hout. Brahim moet zoeken, speurt de struiken naast het huis af. Els wordt snel gevonden. “Oei, wat gaat ge dan doen?” “Hier plassen natuurlijk.” Ze kijkt hem slim aan, draait een kwartslag, trekt haar rok omhoog en schuift haar slipje naar beneden. “Francis gezien! Jasper gezien!” Brahim is nu plots vlakbij, gaat het tuinhuis in. Ze houden zich stil, de slip tussen Sylvies enkels gespannen. Hij gaat weer weg, richting garage. Vindt Lara achter de diftar.” Ze houden hun adems in. Brahim is ver genoeg. Een dikke straal klettert op de aangestampte aarde. De urine stroomt als doorzichtig lava, zoekt oneffenheden, versnelt dan en vindt Jans slippers. Hij verzet zich niet, blijft versteend in hurkmodus, ziet het oranjepaars van de zomerwolken boven deze wonderlijke plaspauze hangen. Sylvie richt zich half op. Haar paardenstaart haakt in een uitstekende tak van de haagbeuk. Ze trekt haar slip naar boven, fatsoeneert haar rok. “Voilà!.” Dat zegt ze. “Voilà!” “Waarom lacht ge? Ge hebt toch niet gekeken hè?” “Haha voilà, gij durft nogal.” “Dat houdt toch niets in.” Sara is de laatste die gevonden wordt. Behalve Jan en Sylvie dan.   “We zijn onzichtbaar,” fluistert ze. Hij rilt een beetje. “We zijn onzichtbaar,” lipt hij. “Kom geef mij uw handen.” Hij geeft zijn handen als een kommetje gevouwen. Ze blaast er haar lauwe adem over, wrijft haar duimen over zijn handpalmen. Haar ogen zijn rivieren. Ze kijken naar het verlichte huis, horen gelach en stoelen die verschuiven. “Kom, we gaan binnen,” zegt Sylvie. Muziek wordt opgezet. Er wordt meegezongen. Le spleen n'est plus à la mode, c'est pas compliqué d’être heureux. Tout, il faudrait tout oublier. Straks zullen ze dansen. De kerkklok slaat tien uur. Het regent licht. Jan wil niet meer gevonden worden. “Ja, zegt hij, we gaan binnen.”

Christophe Vansteeland
50 0

Luchtspiegeling

‘Niet dat ik het erg koud heb in mijn onvolprezen Blankenberge, ook al draag ik de sjaal, die ik dagelijks omsla, of het nu winter, zomer, herfst of lente is, maar toch voelt dit zeebriesje eerder fris aan en zou ik de krakkemikkige oudjes die nu op de dijk en de pier wandelen willen aanraden zich warm genoeg te kleden, alhoewel ik mij niet echt wens in te laten met de gezondheid van die schare schuifelende schlemielen, laat staan dat deze aangespoelde kustbewoners mij ook maar een moer kunnen schelen.’Zo ben ik op het bankje op de zeedijk aan mijn tekst begonnen voor een nieuwe schrijfwedstrijd: maak een volzin van honderd woorden in de trant van Chr. Vekemans. Ik tel het aantal woorden, het zijn er negentig. Nog tien woordjes inlassen en hier en daar wat rommelen aan de interpunctie.Veel tijd krijg ik niet. Plots steekt een heuse storm op die zo hevig wordt, dat ik mijn volle gewicht in de strijd moet gooien tegen het beuken van de noordwesterwind.Dat gewicht ligt in ponden net onder de tweehonderd, dus denk ik ‘wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen’, maar dat is buiten de beaufortwaarde gerekend van deze windkracht.Mijn deelname aan de wedstrijd kan ik vergeten, mijn ‘callepinke’ met mijn pennenvruchten is uit mijn handen gerukt.Ik wordt opgetild, voel mij licht worden als een veertje en vlieg over de pier de volle zee in, richting Engeland.Waar er aan de kust nog een dreigend donker wolkendek hing, klaart de hemel nu volledig op en zoef ik gezwind door het blauwe luchtruim. Onder mij zie ik tankers en containerschepen varen maar ook zeilboten.  Ik herken de ferryboot waarop passagiers mij toewuiven.Plots beland  ik in een mistbank, maar het blijkt enkel een verloren schaap van een wolk te zijn, die mij omsluit. Dan duiken zij voor mij op: ‘The white cliffs of Dover’. Meteen klinkt het riedeltje van wijlen Dame Vera Lynn door mijn hoofd.Geen tijd voor sentimenteel gedoe, aan een rotvaart vlieg ik in geen tijd boven Cardiff en boven de groene heuvels en het sprookjesachtige Snowdonia. De naam doet mij denken aan tante Sidonia en professor Barabas. Hoe dikwijls vloog zijn Gyronef niet met mijn striphelden over verre wereldzeeën, net zoals ik nu vlieg?Ik drijf het binnenland in en vlieg boven de suburbs en het centrum van Londen. In de London Eye hebben toeristen mij opgemerkt en zwaaien naar mij, terwijl ik opgeschrikt wordt door een formatie jets die mij in de kleuren van de Union Jack wentelen. Net nu ik hier overvlieg doet de Queen haar ‘Trooping the Color’ met aan het slot een ‘flypast’ van haar ‘R.A.F.’Ik kuch de ziel uit mijn lijf en vind dat het nu welletjes geweest is met mijn vliegkunst. Al snel wordt ik gedreven naar de oostkust en bevind mij aan de Noordzee boven Great Yarmouth. Ik ken deze plaats van ergens.Natuurlijk, hier vroeg mij die man aan de hotelreceptie iets dat ik niet verstond. Na de derde trage en overdreven gearticuleerde herhaling verstond ik dat hij vroeg of ik een ‘Early morning tea’ verlangde? Het bleek  de  lokale sympathieke manier te zijn voor het geven van een ‘wake up call’.Het suizen van de wind is weg, ik lig in een queen sized bed. Het kamerraam staat open. Ik hoor het zachte ruisen van de zee. Er wordt op de deur geklopt. Een roodharige lieverd opent de deur en zegt: “A jolly good morning. Your tea, sir. Cooked breakfast  will be served at your best convenience.”  

Vic de Bourg
17 1

Jaap, de ballen, heeft ie last van, in de mond, niet slikken!

'Misschien padellen?' zei zijn vrouw. Frank bouwde met zijn vork een dam in de aardappelpuree om de vleessaus te verhinderen de erwten te overspoelen. Hij keek op. De tijd trok rimpels in haar zoals de zee in het zand wanneer eb vloed aflost. Het leek tachtig jaar geleden dat ze discotheken platwalsten, hoewel hij morgen pas zijn veertig kaarsjes uitblies. Hij frunnikte aan het plastieken heft van het Ikeavork - het zilveren bestek bewaarde ze in de dressoir voor kerst met haar ouders. Hij wilde een gehaktbal prikken, bedacht zich en zwaaide zijn vork wild in de lucht. 'Wat zeik je? Je weet dat ik niet graag speel,' hij onderbrak zijn zin. "Met ballen" ging hij zeggen. Hij was wèl een ballenman. Hij hield van witte, zwarte, gele, oranje, rode en bruine. Maar dat kon niet meer. 'Het zou je goed doen,' zei ze. Met haar vork prikte ze naar een erwt die angstig wegrolde en de tanden ontvluchtte. 'Terug onder de mannen.' Wat een lef. 'Jaap,' zei Frank, 'heb ik vermoord met een harde stoot.' Hij liet zijn vork vallen van een hoogte die - volgens de normale werking van het universum -  het Ikeabord zou breken. Het Zweeds ding gaf geen kick.  Hij haatte zichzelf sinds die noodlottige nacht. Gretig stootte hij, maar na vijf Duvels was zijn zicht troebel, en zijn jarenlange ervaring zoek. Zijn banaan mislukte compleet: De bal drong in Jaaps keel en net zo snel als die in zijn strottehoofd drong, viel Jaap omver en knalde met zijn hoofd tegen de rand van de tafel. Hij stierf op slag, zei de schouwarts achteraf. 'Je vriend stierf een jaar geleden,' zei zijn vrouw monotoon, net als duizend keer eerder. 'Jaap zijn grote bakkes was niet jouw probleem.' Jaaps tronie hing, sinds zijn vrouw hem sloeg, als een vuilbak in een pretpark die op negenvoltbatterijen schreeuwde: 'Vuil hier, mijn plezier.' Toch kon Frank er zich niet overzetten. Sinds die ambulanciers vloekten en hij zijn verhaal vijf keer bracht - de eerste keer tegen cafébaas Ronny, de tweede keer tegen de ambulanciers, de derde keer tegen zijn advocaat, de vierde keer tegen de rechter en de vijfde keer tegen zijn vrouw achter glas met gaten - geloofde hij er zelf niet meer in. Hij vermoordde Jaap, welwillend, met een trick waar hij drie jaar op zolder stiekem op oefende en hij die nacht voor de eerste keer mee uitpakte. 'Ronny,' snikte hij, 'moedigde me aan.' Ronny bood hem die vierde en de vijfde Duvel aan van het huis - niet van zijn gewoonte. Ronny huurde een detective om te zoeken met wie zijn vrouw hem bedroog. Van dat bedriegen was Ronny niet zeker maar omdat zij op de eerste zondag van de maand niet meer met hem naar boven wilde, vermoedde hij het ergste. Die Sherlock Holmes kwam snel met conclusies. Het was iemand die hij kende, een dichte vriend. Plots vielen de puzzelstukjes in mekaar - lange uitleg kort - Ronny's vrouw smoste met Jaap. Toen Frank die avond met Jaap aan de toog hing en opschepte over zijn nieuwe trick, greep Ronny zijn kans. De cafébaas spoorde Frank aan zijn risicovolle act te demonstreren, gaf Jaap zijn mobiel om vanuit een speciale hoek alles te filmen en beiden stonken er met vier dronken ogen in. 'Voor mij geen ballen meer,' zei Frank, '‘T zijn vuile dingen.' Hij knipperde, veegde zijn droge mond droger met zijn servet en merkte dat zijn erwten in een quasi perfecte driehoek als spelbegin lagen. De gehaktballen op zijn bord lachten hem uit en riepen: 'Knal ons in haar strot.' Hij onderdrukte de drang om met de steel van zijn lepel als keu een trekstoot uit te halen.  Franks vrouw staarde verlangend naar de gehaktballen, nam haar mes, hakte er één doormidden en zuchtte. 'Iets zonder ballen? Hardlopen? Windsurfen?' Ze keek misprijzend naar het hoopje miserie aan de overzijde. 'Darts?' Frank tuurde naar haar baard, vroeg zich af waarom ze gelebloemenblouses droeg, zag ze huppelen in een strak, zwart lederen topje in de Zillion. Eénentwintig jaar jonger en drieëndertig kilo lichter kon ze nog huppelen, nu stampt ze de dansvloer kapot. Hij wreef het zweet van zijn voorhoofd, krabde aan zijn bierbuik, voelde zijn ballen jeuken en dacht aan Jaap aan de biljarttafel. Die Jaap kon ze potten.

TonyCoppo
43 2

Terug in het bos

Gefrustreerd keek Ernst van Dealemaete (schrijver van Lady Lovelove’s poolboy nr. 1 t/m 17) naar het halve A4’tje. Met een dubbele regelafstand en in Times Roman 12pt. voldeed het perfect aan de eisen van een professioneel schrijfsel. Maar opmaak verklaarde niets over inhoud. Pas één alinea van 150 woorden over de avonturen van kabouter Kbut en het was al een verschrikking. Na drie keer herschrijven was zelfs Ernst niet meer geïnteresseerd in de beukennootjes roostertechniek van de puntgemutste. Verder was het verhaal niet. Zijn rode potlood hing werkloos in zijn hand, deze bagger was te slecht om één streep door de tekst te halen. Zijn koekoeksklok sloeg tien keer, halverwege de ochtend en Ernst zat helemaal vast. Een ding hielp tegen writers block: terug het bos in en nieuwe inspiratie opdoen. Of het dezelfde boomstronk was wist Ernst niet, maar ergens hier in de buurt zag hij vorige week een kabouter. In een schoenendoos schepte hij een handvol aarde, deed er plukken gras in en maakte met paar takjes een klein huisje. Hij spreidde zijn zakdoek uit op het vermolmde hout, ging er op zitten en stak een joint op. Met een kleine lasso in zijn hand zou hij net zo lang wachten totdat de kabouter het veldje overstak. Deze keer ging het mormeltje mee naar huis.   Hij inhaleerde diep en sloot de ogen. Het struikgewas ritselde en op een doorzichtige blauwe wolk vloog een ouderwets geklede heer uit de coniferen. Hij schoof een dik rechthoekig brilmontuur verder op zijn neus en groette Ernst vriendelijk.    ‘U zoekt iets dat u zittend niet zult vinden,’ zei de heer en hij wees op de struiken. ‘Vlak bij de grond is het antwoord dat u zoekt.’    Hij kriebelde aan zijn borstelige snor en vloog voor Ernst onder de struiken door. Ernst rolde van de stronk, stopte zijn zakdoek weg en ging op handen en knieen achter de wolk aan. De vriendelijke vlieger wees naar voren en verdween tussen het groen. Ernst zijn lichte linnen broek kreeg vieze en groene strepen en kleine takjes haakten in zijn grijze krullen, maar hij zette door. Wiet of niet: dit was de kans op een briljant verhaal. Schuivend op zijn buik wurmde Ernst zich tussen twee jonge dennenboompjes en stootte zijn neus aan een opgeblazen, groene paddestoel met een roze dak. Uit een schoorsteen kringelde rook. Tussen andere gekleurde paddestoelen schoten blauwe wezentjes met witte broekjes en mutsjes heen en weer.   ‘Vreemdeling! wat smurf jij hier?’ riep een krakende stem. ‘Je smurft ons bij de lunch.’    Bij het rechteroog van Ernst stond een oud, bebaard, blauw kereltje van een paar centimeter hoog met een rode broek en muts. Ernst was sprakeloos. Links van hem speelde een mannetje als een slangenbezweerder op een trompet alsof hij Ernst probeerde te betoveren met zijn getoeter. Een bebrild mannetje liep naar de zwijgende Ernst, haalde een boek onder zijn arm vandaan en begon met een piepstemmetje voor te lezen. Ernst volgde het verhaal van het irritante mannetje niet helemaal, maar blijkbaar ging het over hem.    Ernst kroop verder en probeerde omhoog te komen. Hij stootte zijn hoofd aan een laaghangende tak en schoof een stukje op. Goed op de boomtakken lettend stond hij op. Onder zijn linkervoet kraakte het brilletje van de betweter en hij glibberde van het geplette kereltje.    ‘Shit!’ Riep Ernst en hij sprong snel opzij. Zijn rechtervoet plette hierbij een meisje met lang goudblond haar en de idioot met zijn toetertje.   ‘Wat de fuck man!’ De oude dwerg in het rode pakje schopte hem tegen de enkels. ‘Kijk uit waar je je poten smurft!’ Hij zwaaide naar een dwerg met een hartjes tattoo en wees met zijn duim naar Ernst.   De tattoodwerg pakte Ernst bij zijn benen, zwaaide hem drie keer boven zijn hoofd en liet los. Ernst vloog over de huisjes, de lage struiken, kaatste als in een flipperkast tegen tientallen bomen en bleef hangen in een boomtop. Krakend brak de tak waar Ernst zich aan vasthield en stuiterend van tak naar tak donderde hij naar beneden. Hij knalde hard op zijn hoofd. Ernst zijn kop bonkte alsof hij tussen de toetsen van een reuze typemachine zat en opende zijn ogen. De laagstaande zon schemerde over de schouder van een oude stinkerd in een zwarte monnikspij die met zijn pukkelige gezicht dicht bij Ernst zijn eigen gezicht kwam.    ‘Waar zijn die blauwe kutdwergen!’ riep Ernst vertwijfeld.   'Smurfen?' zei Gargamel 'Heb je die mormels gezien, welke richting moet ik uit?'   Ernst had nooit een goed richtingsgevoel en door de klap op zijn hoofd was het laatste restje verdwenen, hij wees een beetje onbestemd tussen de struiken. Gargamel rende, met zijn ranzige kat achter hem aan, het struweel in.

MCH
28 1