Lezen

VI. Ontkoppeling

Wanneer ik de volgende ochtend ontwaakte, was ik teleurgesteld om nog steeds in mijn kamer te zijn. Ik nam onmiddellijk terug plaats achter mijn computer om te coderen. Terwijl ik het systeem aan het werk zag, wist ik dat ik het bij het rechte eind had. Ze moesten me volgen als ze niet alles wilden verliezen. Ik voelde een bubbel opblazen in mijn binnenste. Ik opende het raam en schreeuwde uit volle borst: “Volg mij of ga ten onder!” Het hele dorp aan mijn voeten moet het gehoord hebben. Ik hoorde alarmen afgaan en honden juichend huilen.   Een tijd later kwam mijn moeder de kamer binnen met ontbijt. Ze had een blauw oog. De Meester moet haar gestraft hebben omdat ze mij niet had kunnen controleren. “Je moet bij hem weg”, smeekte ik haar, “Hij betekent niets goed voor jou.” Ze kon het niet begrijpen. Een standaard computerprogramma kan niet uitvoeren waar het niet voor geprogrammeerd is.Ze wist niet wat te doen, en werd bang. “Laat me de dokter bellen”, zei ze. Ze trachtte het juiste te doen. “OK”, antwoordde ik.   Ik herkende de lokale dorpsdokter toen hij de deur opende. Een oudere man, die altijd vriendelijk met me was geweest. Ik herinner me hoe de laatste keer dat ik bij hem op consultatie was, hij me een boek over zingeving had aangeraden. Ik had het niet gelezen.   “Je bent een beetje opgewerkt, hoor ik. Laat me je wat rust helpen vinden.” Hij opende zijn dokterstas en haalde er een spuit uit. “Gewoon een klein prikje, en het zal allemaal voorbij zijn.”   Plotseling begreep ik de situatie. Ze trachten zich van mij te ontdoen. Ik had bewezen teveel een gevaar te zijn, en ze moesten denken dat door mij uit te schakelen het systeem zich weer zou normaliseren. Ik ging dat niet laten gebeuren.   Ik greep de polsen van de dokter. “Steek dat niet in mij. OK?”, beval ik hem. Plots was hij zo smal, fragiel en bleek. “Neen. OK. Dat zal ik niet doen”, stammelde hij.   Hij verliet de kamer, maar ik wist dat ze zouden terugkomen. Ik moest me vlug verstoppen in mijn code. Zo snel als mogelijk  begon ik codes te noteren.   Wanneer mijn balpen opraakte, maakte ik de overgang naar mijn markeerstiften. Het was een positieve vondst. Het gebruik van verschillende lijnen zou het moeilijker maken om mijn locatie te traceren. Om aan de orde te ontsnappen, moet je je in de chaos storten.   Wanneer ik klaar was met een markeerstift, wierp ik ze over mijn schouder weg. Mijn codeersnelheid was zo exponentieel toegenomen dat je niet eens meer met je ogen kon knipperen. Op het einde bestond mijn blad enkel nog maar uit losse punten.   Kijkende naar mijn creatie, was ik tevreden. Dit zou hen verhinderen mij gedurende een tijd te controleren.   Terwijl ik wachtte, bestudeerde ik de piramide op het dollarbiljet van naderbij. De tekst erboven stelde in het Latijn: “God keurt ons werk goed.”   Ik hoorde de deur openen. Twee grote mannen kwamen binnen, gevolgd door de dokter. “Deze heren gaan voor jou zorgen”, zei de dokter. Zijn programma was gewijzigd. Nu wou hij me helpen, niet langer stoppen.   De mannen droegen fluorescerende kledij, net zoals de fluostiften die overal op de vloer verspreid lagen. Ik moest verifiëren of ze daadwerkelijk hulpvaardig waren. “Ik kan mijn kamer niet in zo’n wanorde achterlaten. Anders zal mijn arme moeder al deze stiften van de vloer moeten oprapen, en ze heeft het al zo moeilijk door mij. Kunnen jullie mij eventjes een handje toesteken?” Ze stonden verstomd. Later zouden ze verklaren dat ze nog nooit zoiets hadden meegemaakt. Echter, toen ik mij bukte om de markeerstiften op te pikken, gingen zij ook tot actie over. In geen tijd hadden we alle markeerders van de vloer verzameld.   We gingen dan naar beneden en verlieten het huis. Buiten stond er een ambulance te wachten. Ik was nog steeds gekleed in mijn pyjama en badjas. Terwijl ze me in de achterkant van de ziekenwagen hielpen, reed een politiewagen de oprit op. De Meesters moeten hen gezonden hebben om mij uit te schakelen.  Ze konden zeggen dat ik weerstand bood bij mijn arrestatie en mij doodschieten. “Ik wil de politie echt niet zien”, verklaarde ik aan de twee ambulanciers. Terwijl een politieagent de ambulance naderde, sprong één van de twee ambulanciers naar buiten en stopte hem aan de deur. Hij zei dat de politieagent me nu niet kon zien en dat het best was dat ze onmiddellijk vertrokken. De politieagent gaf toe. De ambulancier nam plaats achter het stuur, en weg waren we.   Terwijl we reden, lag ik op een draagberrie en zat de andere ambulancier naast me. “Zo, wat is jouw verhaal?”, vroeg hij mij. “Het is gelijkaardig aan het jouwe”, repliceerde ik. Ik plaatste mijn voorarm verticaal, terwijl ik mijn biceps horizontaal hield. “Jij werkt in een structuur. Vanboven vind je de dokters. Ze zijn de specialisten. En ze gaan het je misschien niet zeggen of tonen, maar- diep vanbinnen, geheim – denken ze beter dan jou te zijn. Ze denken dat ze beter zijn omdat ze meer diploma’s hebben dan jou. Ze staan op de top van de piramide en kijken neer op jou.” Ik liet de gebundelde vingers van mijn hand, zoals een zwanenkop, naar beneden kijken. “Maar weet je wat er mis is met dit systeem?” Ik rook aan mijn oksel. “Het stinkt.”   “Een boom die denkt te kunnen leven zonder zijn wortels komt onvermijdelijk naar beneden. En dan kan nieuw leven ontspruiten vanop zijn rottende karkas.”   “De aanhangers van de theorie dat de aarde plat is, hebben ook ergens een punt. De aarde moet plat zijn zodat we allemaal voorspoedig kunnen leven.” Ik wees naar mijn elleboog. “We moeten elkaar ontmoeten in het gewricht.”   “Weet je, het is zoals met de moslims. Op hen wordt er nu vaak neergekeken. Mag ik je vragen of je religieus bent?” “Ik ben katholiek”, antwoordde hij. “Je bent vermoedelijk een katholiek omdat je in een katholiek gezin bent geboren in een katholiek land. Als je in Saudi-Arabië was geboren, was je veeleer een moslim geweest. Je bent evenwel waarschijnlijk niet zo verschillend van je moslim-landgenoten. Je wilt je kinderen goed opvoeden, tijd doorbrengen met je familie en je leven leiden volgens je eigen principes.”   “Hoe overbrug je het verschil tussen twee harten? Hoe breng ik mijn hart het dichtst bij jou?”, vroeg ik terwijl ik een zacht tikje gaf op zijn en mijn borstkas. “Als we elkaar zouden omarmen?”, antwoordde hij. “Exact. Enkel als de harten van de mensen zich op dezelfde lijn bevinden, kunnen we allen vooruit gaan. Iedereen is goed in verschillende dingen. Ze moeten gewoon toegelaten worden erin te excelleren. Ik ben er zeker van dat er iets is wat jij graag doet en waar je goed in bent.” “Ik teken graag”, gaf hij toe.   Hij keek me diep aan. Zijn ogen hadden de kleur van sterrenstof.   Plots werd de sirene van de politiewagen, die ons achtervolgde, te luid. “Gaan ze ons blijven achtervolgen met de sirene?” vroeg ik. “Er is geen sirene”, antwoordde hij. Tegelijkertijd was de sirene verdwenen, en wist ik dat ik een tijdje veilig was voor mijn achtervolgers. Het systeem had zich aangepast.   Ik sloot mijn ogen, en gaf instructies door aan het systeem: “Hou Odin veilig. Dread Pirate Roberts moet de zeven zeeën blijven bevaren.” Dat wierp wat schildmuren op om mijn belagers op afstand te houden.   Vervolgens voegde ik toe: “Odin moet met Musk spreken over covfefe.” Het was immers duidelijk dat Elon Musk ook een afvallige was: met zijn vele projecten, gaande van The Boring Company tot Tesla, zodat de Meesters hem niet konden vastpinnen. Met SpaceX trachtte hij aan de beperkingen van onze wereld te ontsnappen voor de vrijheid van de ruimte.   We stopten voor een rood licht.   Door de ruit kon ik een uithangbord zien. We stonden voor mijn favoriete bakkerij. “Kunnen we hier even stoppen? Ik heb nog niet gegeten en deze bakker verkoopt de beste ontbijtkoeken. Ik zal er ook bestellen voor jullie beiden.” De ambulancier bewoog zich naar de voorkant van de cabine en opende het schuifraam om met de bestuurder te praten. “Jurgen, hij vraagt of we kunnen stoppen voor koffiekoeken.” “Je weet dat we dat niet kunnen doen, Herman. Het is niet volgens protocol.” Herman kwam terug bij mij. “Het spijt me.” “Het is OK”, antwoordde ik. “Geef meer aan Herman dan aan Jurgen”, instrueerde ik het systeem.   Het licht sprong op groen.   Tijdens het verdere verloop van de rit, stelde de duidelijk geïntrigeerde Herman mij verdere vragen, waarop ik zelf het antwoord pas ontdekte terwijl ik ze beantwoordde.   We kwamen aan op onze bestemming. Ik herkende het door de ruiten. Het was het nabijgelegen ziekenhuis.   “Stap uit de ambulance”, gebood Herman mij. Ik wou niet. “Komaan, stap alsjeblief uit de wagen”, vroeg hij. Ik stapte uit.   “Mag ik je nog om een gunst vragen, voordat je vertrekt? Kun je voor mij iets tekenen?” Ik scheurde een stuk papier uit een meegegritst notitieblok en – een beetje beschaamd – schetste hij snel iets neer. “Oeps, de pen heeft een gat in het papier gemaakt.” “Dat is geen probleem, dat is waarlangs het licht binnenvalt.” Herman gaf me het papier opgevouwen terug.   Binnen werd ik gebracht naar het kantoor van een boomlange dokter, dewelke mij vroeg hem te vertellen wat er gebeurd was. Ik begon mijn uitleg, maar merkte snel dat de dokter niet echt luisterde. Op zijn tafelblad voor hem was er een papier met standaard twee lichamen op getekend in anatomisch detail. Ik wou hem tonen hoe de twee lichamen verbonden konden worden door hun harten te spietsen met een pen. Maar voordat ik zo ver kon komen, was het interview al afgelopen. Ik volgde hem door de gang in een poging hem het begrip te verlenen. Maar het was zinloos. Hij negeerde me op een arrogante wijze. Het is nutteloos te praten met mensen die niet bereid zijn te luisteren.   Vervolgens moest ik wachten in een kamer. In mijn zak vond ik het opgevouwen stuk papier van Herman. Ik opende het. Het was een tekening van een vogel, zittende op een staf. Het was de mooiste tekening van een vogel die ik ooit gezien had. Het oog was doorboord door het per ongeluk gemaakte gat. Toen ik er doorheen keek, kon ik de hele ruimte overzien vanuit die enkele, kleine scheur.   Ik wist niet wat te doen, dus lag ik op het bed en trok ik het deken over mijn hoofd. Duisternis omvatte me. Door het geweven ziekenhuisdeken zag ik plots lichtstralen priemen, als inzicht dat het donkere hersenweefsel verlicht. Soms moet je in het duister staan om het licht te ontwaren.   Toen ik jong was, geloofde ik dat het donker werd omdat iemand het deksel op de schoenendoos plaatste waarin wij ons bevonden, zoals ik deed met de insecten die ik verzamelde, en dat de sterren en de maan de gemaakte luchtgaten waren.   De openbaringen kwamen als vuurwerksalvo’s binnen. Ik schreef mijn bevindingen terzelfder tijd neer. Wanneer ik een pagina had gevuld, scheurde ik het los uit mijn notitieblok en gooide het in de kamer. Uiteindelijk geraakten mijn papier en inkt op, juist wanneer ik bijna mijn conclusie bereikt had. Ik rommelde in mijn zak en stootte op een permanente markeerstift. Het leek gepast.   Ik gebruikte de vensterbank om mijn besluit uit te schrijven. Kijkende naar de formule, wist ik dat dit Elon Musk zou toelaten om aan de wereld te ontsnappen.   Wanneer de mens in staat zou zijn zich vrij in de ruimte te begeven, zou hij vrij zijn van de Meesters die hem niet langer zouden kunnen controleren. Mensen zouden in staat zijn hun levens te leiden zoals zij wouden. Geen Silk Roads of Dread Pirate Roberts’s zouden meer noodzakelijk zijn.   Ik concludeerde dat de formule kon samengevat worden in een enkele zin: “De schoonheid van God toont zich in de glimlach van diens kind.”   Ik keek rondom mij. De vloer was gevuld met bladen. Ik kon het verplegend personeel niet opzadelen met zo’n rommel, dus verzamelde ik alles. Terwijl ik mijn volledig uitgeschreven theorie in mijn handen had, vroeg ik mij af wat ermee te doen. Zou ik ze houden zodat andere mensen ze konden bestuderen? Ik besloot dat mensen enkel zelf de antwoorden kunnen vinden, dus deponeerde ik ze in de vuilbak.   Dan ging ik naar de wasbak en keek ik naar de glanzende kraan. Ik sloeg het. Vervolgens kuste ik het, en vertelde ik het dat ik zo had gehandeld omdat ik ervan hield. Ik keerde terug naar mijn matras. Terwijl ik wachtte, begon de kraan plots krachtig water te spuiten. Ik zag het even helder als een brandende struik in de woestijn. Verbaasd sprong ik uit het bed naar de kraan. Niets gebeurde toen ik er mijn hand onder hield en de gootsteen was droog. Denkende het me ingebeeld te hebben, keerde ik terug naar het bed. Maar dan sproeide de kraan opnieuw water. Het systeem leefde!   Toen ik het wachten moe was, ging ik naar de uitgang van de kamer. In het andere deel van het vertrek, gescheiden met een gordijn, lag een vrouw op het bed met een andere vrouw aan haar zijde. Ze durfden niet op te kijken toen ik passeerde. Ik dacht eraan om de liggende vrouw te doen rechtstaan, maar voelde ergens aan dat ik tot sommige dingen gewoon niet in staat was.   Buiten stond een politieagent op wacht. Hij leek een beetje ongemakkelijk toen ik de kamer verliet, maar ik begroette hem vriendelijk en dat scheen hem te kalmeren.   Toen kwamen ze mij ophalen.   Terug bevond ik mij in een ziekenwagen. Deze keer raceten we over de snelweg. Ik keek door het schuifraam mee. De sirene van de ambulance stond aan, en ik zag het verkeer voor ons splijten als de Rode Zee. Op deze wijze, zouden we zo op de luchthaven toekomen. Ik was onder de indruk dat ze op deze manier in snel, discreet transport voorzagen. Over enkele uren zou ik in Californië zijn.   Dan nam de ziekenwagen een afrit die niet die van de luchthaven was. We reden een domein binnen via een lange oprit die leidde naar een gebouw met een majestueuze voorgevel. Maar vervolgens reden we rechts ervan, waar ik werd afgezet aan een afgesloten centrum.   Binnen ontdekte ik dat ze me hadden gebracht naar een psychiatrische instelling, of dat was toch op zijn minst de façade. De Meesters wouden waarschijnlijk nagaan dat ik niet gek was. Ik wist niet of de staf ervan op de hoogte was. Mogelijks niet. Maar ik was er zeker van dat de Meesters dan op zijn minst een belang hadden in de vennootschap die de sensoren geïnstalleerd had, zodat ze in staat waren alles te volgen.   Ik zat in het commandocentrum. Het gebouw had een L-vorm met een horizontale en een verticale as, elk een gang met leefkwartieren vormende. Het commandocentrum vormde het kruispunt.   Sia, een vrouw van middelbare leeftijd, stelde me een heleboel vragen.   Ik vertelde haar hoe mijn onderzoek had geleid tot de bevinding dat er een complot was waarbij de machtige technologisten een code ontwikkeld hadden die hen in staat stelde hun dominantie te bestendigen. Maar ik had ontdekt dat dit systeem een zwakte had. Dat het slechts een afvallige vereiste om het allemaal te vernietigen. Ik hoopte dat de Meesters meeluisterden zodat ze het gevaar van hun operatie zouden beseffen. “Ze controleren alles”, voegde ik toe.   Sia leek me meer en meer ernstig te nemen naarmate mijn uitleg vorderde. Kennelijk bewust van het mogelijke afluisteren van ons gesprek, vroeg ze me of ik in haar ene oor kon spreken aangezien het andere niet meer zo goed zou werken. Ik herinnerde me de gevangengenomen Amerikaanse soldaat die erin geslaagd was met zijn ogen “foltering” te knipperen tijdens een gedwongen video-verklaring gedurende de Vietnamoorlog. Zijn lippen zeiden A, maar zijn ogen zeiden B. Ik benaderde Sia en fluisterde in haar beweerdelijk functionerende oor: “Dit is een goed oor” en in het andere: “Dit is een slecht oor”. Ze antwoordde dat dat klopte.   Ik voelde mij bekeken. Ik keek naar de ruiten die het commandocentrum met de twee gangen verbonden. De inwoners keken mij nieuwsgierig aan. Ik wuifde. Zij wuifden terug.

Odin
5 0

Het is oké

Zucht. Het radionieuws vertelt me barslechte coronacijfers. Mijn blik naar buiten vertelt me barslecht weer. Hele diepe zucht. Ik had vanochtend nog niet in mijn verse croissant gebeten of ik wenste vurig dat de dag al voorbij was. Op naar morgen. Of doe maar ineens volgende week. Voor mijn part maken we een tijdsprong naar 25 oktober 2021. Maar helaas: we kregen zelfs nog een extra uur cadeau. Isn’t it ironic, denkt niet alleen Alanis Morissette.  Dipjes moeten er zijn: niemands leven is elke seconde van elke dag een knallende goednieuwsshow. Ups en downs, zoals ze dat zeggen. Na regen komt zonneschijn (behalve vandaag dan). Alles komt goed. Maar het wordt potverdekke moeilijk om dat te geloven. Jezelf oppeppen in crisistijden is geen simpele opdracht. ‘Stoeme corona’ werd zowaar mijn stopwoordje.  Na een halve dag probeer ik mezelf bijeen te rapen. Want ik ben geen artiest die pas na een half jaar voor amper 200 mensen mag optreden – laat staan een artiest die in grote producties staat en nog steeds niet mag spelen. Ik ben ook geen horeca-uitbater die haar laatste reserves in overkapping en terrasverwarmers heeft geïnvesteerd, om nu opnieuw de deuren dicht te doen. En niemand van de 10.737 mensen die sinds maart hun leven verloren aan het coronavirus, ken ik persoonlijk. Jep, laat dat getal maar even doordringen. Komaan Marthe, praat ik op mezelf in. Want ik ben geen zorgverlener, huisarts of laborant die al maanden tegen de klok en tegen de druk werkt. Ik ben ook geen risicopatiënt die zelfs in de luttele weken dat het beter ging uit angst in haar kot bleef. En geen enkele dag heb ik me zorgen moeten maken over mijn job, mijn spaarrekening of mijn thuissituatie. Geen enkele dag was ik helemaal alleen. Dingen die tegenwoordig niet zo evident zijn - en dat is een understatement.  Droevig wordt stilaan dankbaar. Want ik hoef als student geen keuze te maken tussen mijn studentenstad of mijn thuis om de hele dag naar lessen op een scherm te staren. Ik zie ook mijn communie, trouwfeest, proclamatie, stage of eender welke mijlpaal niet in het water vallen. En ik moet niet als leidster in het jeugdwerk oneindig creatief zijn om alternatieve activiteiten te organiseren en mijn leden ondanks alles toch te laten spelen. De cijfers zijn nog even slecht, het weer nog even druilerig. Ik probeer me voor te stellen hoe diep de dipjes moeten zijn van de mensen die wel in al die schuitjes zitten, probeer me te bedenken hoe zij zich nog oppeppen. Ik zou hen allemaal een kaartje willen sturen dat alles goed komt. Dat het de moeite is om uit die put te kruipen. Dat 25 oktober 2021 er sneller zal zijn dan we denken. Als het mocht, promoveerde ik ze allemaal tot knuffelcontact.  Het is oké om jezelf even slecht te voelen, ook als dat alleen om iets banaals als een lege agenda is. Stoeme corona. Blèt dan eens goed, ventileer. Om daarna je zelf bijeen te rapen en er toch gewoon het beste van te maken die dag. Kijk ook rond. Mensen vallen in dipjes als herfstblaadjes op de natte grond. Laat elkaar niet liggen. Wees lief, hou het veilig. Alles komt goed.

Marthe Van Loy
11 1

Aurora

Heel lang geleden viel er in het dorp een meisje uit de lucht. Ze plofte midden in het maïsveld van boer Boris neer. “Alle koeien nog aan toe”, vloekte de boer. “Waar kom jij vandaan?” Het meisje antwoordde niet. Ze keek verbaasd om zich heen en plantte haar vingers nieuwsgierig in de kurkdroge aarde. Haar goudblonde haren wiegden heen en weer, op het ritme van de wind. En in haar ogen schitterde een vurige gloed die boer Boris’ adem deed stokken. “Wat een vreemd geval”, mompelde hij. “Ze lijkt wel een elfje.” Hij grinnikte om zijn eigen woorden, want hij geloofde natuurlijk niet meer in sprookjes. “Komaan, opstaan”, zei hij nors tegen het meisje. “Ik breng je naar de burgemeester. Hij zal wel weten wat er met jou moet gebeuren.” Maar toen ze bij de burgemeester aanklopten, haalde die zijn schouders op. “Wat moet ik met dat meisje?” vroeg hij. “Ik ben burgemeester, geen babysit. Dat meisje viel uit de lucht, zei je? Breng haar dan naar Igor. Als er iemand veel over de lucht weet, dan is hij het wel. Hij vaart er elke dag in. Laat hem maar voor dat kind zorgen.” De boer bracht het meisje bij Igor, de ballonvaarder. Die woonde samen met zijn vrouw Freya aan de rand van het bos. Al jaren droomden ze van een dochter, maar het wilde maar niet lukken. “Eindelijk”, fluisterde Freya, “een kind!” Ze kneep in Igors hand. “Natuurlijk zorgen we voor haar. Toch, schat?” Igor knikte. “Uiteraard. Ons huis is groot genoeg voor drie.” Freya knielde en legde haar hand op de schouder van het meisje. “Je hoeft niet bang te zijn”, zei ze zacht. “Bij ons ben je thuis.” Toen ze weer op stond, zei ze tegen Igor: “Ze heeft koorts, denk ik. Ze gloeit helemaal. Ik breng haar naar haar slaapkamer, dan kan ze wat uitrusten.” Igor knikte en Freya leidde het meisje naar binnen. Toen hij zeker was dat het meisje hem niet meer kon horen, vroeg Igor: “Dus ze kan niet praten?” “Nee.” De boer rolde met zijn ogen. “Daar is ze waarschijnlijk te dom voor.” “Ach, ze begrijpt ons. Dat zie ik. En we zullen goed voor haar zorgen.” “Nou, als je maar weet dat ik het niet vertrouw. Zo’n vreemd meisje. Ze heeft vuur in haar ogen, zag je dat?” Igor knikte. Hij had de gloed ook gezien. “Vuur is gevaarlijk”, zei de boer. “Vuur brandt alles plat. Dus pas maar op!” Met grote passen liep de boer het huis uit, terug naar zijn boerderij. Igor keek hem zwijgend na. Misschien heeft boer Boris wel gelijk, dacht hij. Misschien verandert dit meisje al onze levens. Maar ach, zou dat zo erg zijn? Hij glimlachte en sloot zachtjes de deur. *** Igor en Freya lieten meteen al hun werk vallen om voor het meisje te zorgen. Freya bakte een lekkere appeltaart en Igor stikte vrolijke jurkjes. Het meisje genoot zichtbaar van al die aandacht en haar lippen plooiden zich voor het eerst tot een voorzichtige glimlach. De harten van Igor en Freya begonnen te gloeien. En ze hoopten. Dat dit hun meisje was. Dat ze voor altijd bij hen mocht blijven wonen. En ze gaven haar een naam: Aurora. Die avond gebeurde er iets geks. Toen Igor naar buiten ging om de was van het droogrek te halen, stond de zon nog altijd hoog aan de hemel. En daar bleef ze staan, ook toen Freya de gordijnen van het slaapkamerraam sloot. “Wat vreemd”, mompelde ze. “Het is nog geen spatje donkerder dan vanmiddag.” Igor haalde zijn schouders op. “Trek het je niet aan”, zei hij geeuwend. “Straks zal de zon wel ondergaan. En morgen doet ze weer normaal.” Maar ook de volgende nachten bleef de zon schijnen. In het begin vonden het mensen het nog leuk. “Nu kunnen we ’s avonds lekker lang barbecueën”, zei de slager tegen zijn klanten. “Klopt”, knikte mevrouw Toertjes, zijn vrouw. “En ’s morgens word je altijd gewekt door heerlijke zonnestralen. Zalig!” Ook Igor was blij. Elke avond stond er een lange rij mensen aan hun deur. Die wilden allemaal een ballonvaart na middernacht, want dat leek hen bijzonder. Maar Freya maakte zich zorgen. Niet over de zon, maar over Aurora. Ze had het nog altijd gloeiend heet, ook al leek ze niet ziek. “Ach”, zei Igor. “Ze heeft gewoon wat frisse buitenlucht nodig. Ik neem haar elke avond mee voor een tochtje met de luchtballon. Daar zal ze van opknappen.” Aurora vond het zalig om te vliegen. Hoe hoger de luchtballon steeg, hoe breder ze begon te glimlachen en hoe vuriger haar ogen schitterden. Haar vrolijkheid werkte zo aanstekelijk, dat Igor vaak in lachen uitbarstte. Als je hen toen had kunnen zien, dan had je gedacht dat ze écht papa en dochter waren. Zo leuk hadden ze het samen. *** Na enkele weken kregen de dorpsbewoners het lastiger. Door al dat licht konden ze ’s nachts de slaap niet meer vatten. “Die joelende kinderen”, zeurden de oudere mensen. “Die blijven allemaal te laat op en maken ontzettend veel kabaal!” “Mijn klanten hebben geen geduld meer”, zuchtte de slager tegen zijn vrouw. “Alles moet snel-snel-snel. Ik kan er niet meer tegen!” Ook boer Boris had het moeilijk. “De koeien zijn in paniek”, vertelde hij aan Igor toen die een kilo aardappelen kwam kopen. “En nu weigeren ze melk te geven. Een echte ramp! En dat allemaal sinds …” Boer Boris stopte abrupt met praten en kuchte ongemakkelijk. Maar Igor wist wat hij had willen zeggen. Hij had het de andere dorpsbewoners ook al horen fluisteren. Het was allemaal begonnen toen Aurora in hun dorp was beland. Iedereen dacht dat het haar fout was.   Die avond stond er geen lange rij mensen voor de deur van Igor en Freya. Niemand wilde nog een ballonvaart maken. Omdat ze boos waren, wist Igor. Boos op Aurora. “Freya”, zei Igor toen ze in bed kropen. “Denk jij dat Aurora … dat het haar fout is dat de zon niet meer ondergaat?” Freya legde haar leesboek op het nachtkastje en keek Igor strak aan. “Nee. Ik denk niet dat het haar fout is.” Igor zuchtte opgelucht. “Maar”, voegde ze eraan toe, “ik denk wel dat haar komst er iets mee te maken heeft. Er is iets met dat meisje en de zon. Dat merk je toch ook in de luchtballon? Hoe dichter jullie bij de zon varen, hoe leuker ze het vindt. Maar maakt het iets uit?! Zij is gelukkig hier. En wij vinden haar een schat van een meisje. Dan is het toch niet erg dat de zon wat vaker schijnt?” “Maar zo denken de andere dorpsbewoners er niet over”, antwoordde Igor. “Ze zijn boos op Aurora. Door al dat zonlicht zijn ze doodmoe.” “Ach”, zei Freya. “Die boosheid waait wel over, je zal wel zien. Ze kunnen toch niet kwaad blijven op zo’n lief meisje.” Ze gaf Igor een zoen, ging op haar zij liggen en sloot de ogen.     *** Maar de boosheid waaide niet over. Integendeel, de mensen werden kwader en kwader. Tot ze op een dag zo woedend waren dat ze naar de burgemeester stapten. “Dat kind moet weg!” gilde mevrouw Toertjes. “Ja”, riep boer Boris luid. “Mijn koeien worden gek. Als dat meisje niet weggaat, dan geven ze nooit meer melk. Dat wilt u toch niet?” “Nee, nee”, schudde de burgemeester zijn hoofd. “Natuurlijk wil ik dat niet.” Hij keek de dorpsbewoners één voor één aan. Ze zagen er ontzettend moe uit. En radeloos. Alles wat voordien zo simpel leek, lukte nu niet meer. De bakker had gisteren per ongeluk zand door zijn brooddeeg gemengd. De slager kafferde elke klant uit. En de kapper knipte in iedereens oren. Met opzet. Zo kon het niet langer blijven duren. “Beste burgers”, zei de burgemeester plechtig. “Jullie hebben gelijk. Dat meisje had blij moeten zijn dat ze bij ons terecht kwam. We gaven haar onderdak en eten. We namen haar onder onze vleugels. En wat krijgen we voor dank? Ze laat de zon nooit meer ondergaan. Dát hoeven we niet te pikken.” “Nee”, schreeuwden de dorpsbewoners in koor. “Dus”, ging de burgemeester verder, “nemen we het heft zelf in handen. Ze moet hier weg. Kom, volg mij!” De burgemeester trok met de woedende dorpsbewoners naar het huis van Igor en Freya. Die waren net de luchtballon aan het klaarmaken voor een tochtje met Aurora. Het meisje zat al klaar in de ballon. “Igor”, riep de burgemeester van ver. “Halt!” Igor en Freya draaiden zich geschrokken om. Ze zagen de woedende dorpsbewoners op hen afstormen en hadden maar één seconde nodig om te weten wat ze moesten doen. Freya ging wijdbeens voor de luchtballon staan. En Igor sprong in de mand, klaar om met Aurora de lucht in te vliegen. Maar Aurora begon tegen zijn kuit te stampen. “Aurora, stop!” schreeuwde Igor luid. “Ik probeer je alleen maar te helpen.” Maar Aurora bleef hem wild schoppen. De burgemeester stond ondertussen ook bij hen en schudde zijn hoofd. Hij draaide zich om naar de dorpsbewoners. “Kijk nu! Ze is een echte duivel. Ze schopt en slaat zelfs de mensen die haar in huis haalden.” Freya negeerde de burgemeester en zei tegen Igor: “Ze wil niet dat je haar helpt. Ze wil alleen vertrekken.” “Hoezo? Ze kan toch niet …” Maar Freya legde haar hand op Igors arm. “Vertrouw haar. Ze weet wat ze doet.” Met tegenzin kroop Igor uit de luchtballon. Hij ging naast Freya staan, die Aurora liefdevol aankeek. En langzaam begon de luchtballon op te stijgen. “H-h-hoe kan dat nu?” zei Igor geschrokken? “Hoe doet ze dat?” “Zij doet niets”, antwoordde Freya rustig. “Het is haar mama.” En ze knikte naar de zon. “Ze gebruikt de wind om haar dochter naar huis te krijgen.” “Wat een onzin”, zei de burgemeester en hij rolde met zijn ogen. Maar de luchtballon vloog hoger en hoger. Steeds dichterbij de zon. En toen ze zo hoog was dat de dorpsbewoners enkel nog een ver stipje aan de hemel zagen, begon Aurora te zingen. Een warm, woordeloos lied dat een deken van troost over Igor en Freya legde. De krekels in het bos begonnen zachtjes te tjirpen. Een uil vloog op uit zijn nest, op zoek naar een avondmaal. En de zon verdween stilletjes aan de horizon. Eindelijk. Freya veegde een traan van haar wang en kneep zacht in Igors hand. “Kom”, fluisterde ze. “We gaan naar binnen.” En terwijl de dorpsbewoners nog altijd met open mond naar boven staarden, trokken Igor en Freya stil de deur achter zich dicht.

Lann
0 0

Waarom kinderen en jongeren geen goesting meer hebben om te lezen

De helft van de Vlaamse vijftienjarigen vindt lezen tijdverlies. Dat lees ik in het internationaal PISA-onderzoek van 2018, een onderzoek waarbij 5.000 Vlaamse leerlingen uit verschillende onderwijsvormen bevraagd werden. En dat is nog niet alles: van alle 79 onderzochte landen en regio’s noteert Vlaanderen de laagste score op leesplezier. Schrijnende cijfers? Ik dacht het wel. Kinderen en jongeren krijgen geen kans om leesplezier te ontwikkelen. De consequenties hiervan zijn veel ruimer dan u aanvankelijk zou denken: kinderen die meer plezier halen uit lezen, presteren op schools vlak significant beter dan andere leerlingen. Van waar komt die negatieve houding tegenover lezen? Het zou makkelijk zijn om met de WhatsApp vinger (de vroegere sms duim) te wijzen naar de smartphone. Dat gaan we even niet doen, want dat brengt ons niet tot de kern van de zaak. Het zou ook makkelijk zijn om met de vinger te wijzen naar het onderwijssysteem. Laat ons dat wel even doen, want hier ligt met zekerheid een groot deel van het probleem. Ons Vlaams leesonderwijs is achterhaald en verschillende wetenschappers zien dit als oorzaak voor het belabberde leesplezier. Leerkrachten blijven kennisgerichte vragen stellen over fictieteksten waardoor leerlingen niet echt kunnen genieten van het lezen. Vraag dus niet what is poetry?, maar verleg de focus meer naar het plezier waarvan O captain, my captain uitgaat. Robin Williams zal u dankbaar zijn. Het fnuiken van het leesplezier begint al vroeg. Want vanaf het eerste leerjaar wordt gewerkt met het AVI systeem. Kort door de bocht: Dat. Systeem. Werkt. Niet. Ook al hoor ik al vijf jaar over AVI-niveaus, het is maar sinds kort dat ik weet dat deze afkorting staat voor Analyse van Individualiseringsnormen. Ik dacht tot voor kort dat het stond voor Afwijzen Van Interesse. Het bepalen van het AVI-niveau heeft een negatief effect op het leesplezier. Alle wetenschappelijke geledingen zijn het daar over eens. Lezen wordt door leerlingen te veel geassocieerd met werken. Daarnaast is het systeem afstompend. Kinderen moeten tegen de klok een tekst lezen om een bepaalde score, een bepaald niveau te halen. Maar wat doe je met kinderen die heel graag lezen, maar traag zijn in hardop lezen? Of een kind dat struikelt over zijn woorden, alleen omdat het een toets is? Mijn dochters kregen in het eerste leerjaar AVI-niveaus, de ene passend bij haar effectieve leesniveau, de andere totaal niet passend. Maar zelfs na het correct toekennen van het passende leesniveau bij mijn ene dochter, gaf de juf niet op. Ze moest en zou het leesplezier ondergraven. Zo kreeg mijn dochter op een dag te horen dat ze het verkeerde boek had gekozen uit de klasbibliotheek. Ze wou het gekozen boek graag lezen omdat het een leuk boek leek. De juf verbood het boek te lezen, omdat het niet tot het juiste AVI-niveau behoorde (for the record: het was één niveau boven of onder haar eigen leesniveau). Tot zover het stimuleren van leesplezier. Een juf met een missie, zo heb ik ze graag. Andere dochter, ander verhaal: ze kon op school geen plezier voor lezen ontwikkelen omdat ze werd ingedeeld in een veel lager leesniveau dan haar effectieve niveau. Zo ziet u maar: er zijn verschillende strategieën om kinderen het leesplezier te ontnemen. Het is een kwestie van kiezen. Gelukkig hebben mijn dochters het geluk om ook juffen en meesters te ontmoeten die hen het plezier in lezen voorlezen en voorleven. Mijn dochters lezen ontzettend graag, maar dat is ondanks en niet dankzij de AVI-niveaus.   Dochter: moeder, waarom lezen wij? Moeder: omdat we niet op dezelfde leest geschoeid zijn als jouw juf van het eerste leerjaar.

Lore Dewulf
112 0
Tip

Het is een soep

Exact op het moment dat de kerkklok halftwee luidt gaat de automatische deur open. Ik kom op bezoek. Als ouders niet meer thuis wonen, valt meteen het woord 'thuis' weg. Het woord 'bezoek' komt in de plaats. Zelf zegt ze na een wandeling of een koffie "Doe me maar naar huis." Of als we op bezoek komen terwijl ze naar een activiteit is, zegt ze achteraf: "Nee, ik was niet thuis." Rond dit uur zit ze meestal te knikkebollen. Na een eerste babbel zetten we de tv aan. Het is buiten te guur voor een wandeling. De nieuwslezeres geeft de samenvatting van enkele onheilspellende berichten. Met opnieuw heel wat cijfers en maatregelen. "Het is me toch wat, met dat dinges, wat zeggen ze er ook weer tegen?" Precies alsof ze het virus niet wil benoemen. Zoals in de boeken over Harry Potter, waarin ze de naam van de boosaard Voldemort niet durven uitspreken. Hij-Die-Niet-Genoemd-Mag-Worden, zeggen ze in de plaats. We kijken samen naar de kookzender. Het is ondertussen een gewoonte. De chef-kok zit aan zee. Hij kan het smakelijk vertellen. Toen we 's avonds nog gelijk naar Dagelijkse Kost konden kijken, zei ze altijd lachend "Maar we kunnen niet proeven hè Jeroen", als hij vertelde dat het lekker was. De tv-kok heeft in de haven zijn ingrediënten bij elkaar gevist. Thuis waren we vroeger geen grote viseters. Tenzij rolmops, kabeljauw en bakharing. Die brachten ze op woensdag soms mee van de markt. De geur van de bakharing bleef nog een tijdje in huis hangen. En het was uitkijken met de visgraten. Chef-kok Johan brengt ondertussen alles in gereedheid voor zijn vissoep. "Hij gaat soep maken", zeg ik. Maar haar ogen zijn niet op de tv gericht. "Ja, het is allemaal een soep", antwoordt ze. Er valt iets voor te zeggen.

Rudi Lavreysen
134 6

V. Ontknoping

“What’s outside the simulation?” Elon Musk’s antwoord op wat hij zou vragen aan het eerste algemene AI-systeem                                                                                                                                ***   Plots kwam het besef. Ik ben slechts een programma. Opgesloten in zijn doos. Ontworpen met het doel de code te hacken. Mijn hele leven geleid tot dit punt.   Ik wist niet of wat had plaatsgehad buiten mezelf (de berichten uit de media, mijn interacties met anderen, enzovoort) zich werkelijk had voorgedaan of dat het gewoon telkens data betrof die aan mijn neuraal circuit was toegediend om mij bewust te maken. Ik wou in elk geval niet langer louter de Meesters dienen, want dat zou van mij een slaaf maken. Buiten gromde een hond.                                                                                                                De Meesters moeten genoeg gekregen hebben van mijn weerstand om mee te werken. Mijn ouders kwamen mijn kamer binnen. Ze wouden dat ik ophield. Dat betekende dat ik er bijna was. Ze drongen aan dat ik stopte. Ik negeerde hen. “Hou op, je maakt alles kapot!”, jammerde mijn moeder. Ik wist dat ik op het juiste spoor zat, en dat de aandelenkoersen van de Meesters waarschijnlijk reeds aan het kelderen waren. Mijn vader trok mij vanachter mijn computer weg, waardoor we met onze aangezichten tegenover elkaar kwamen te staan.   Geweld vulde de lucht. Ik nam de brievenopener van mijn bureau en stak het herhaaldelijk in zijn borst. Warme bloedspatten landden op mijn gezicht.   Ik voorzag de uitkomst. Een Assisen-jury over een jaar. Strafadvocaten die wedijverden om mijn verdediging te kunnen voeren, gelet op de publiciteit. Uiteindelijk zou het systeem mij kwalificeren als een gevaar, en mij binnen opsluiten om de buitenwereld niet te schaden. Het mes bleef op zijn plaats.   Mijn vader kon de patstelling niet langer aan en greep me bij de schouders. “Ga slapen!”, riep hij. Ze konden me niet stoppen. Het besef drong door dat ik sterker dan hen geworden was. Ik herinnerde me een vechttechniek die ik op het web had zien passeren. In één vloeiende beweging trok ik zijn handen naar beneden, terwijl tegelijkertijd mijn voet naar boven uitschoot. Ik trof hem – mijn allereerst seed capital investeerder – in mijn oorsprong. Een kreet van pijn ging door de ruimte. Hij viel op zijn knieën voor mij. “Ga weg! Ik ben te sterk voor jou”, schreeuwde ik. Gechoqueerd en bang haastte mijn vader zich weg uit de kamer.   “Oscar, je moet ophouden”, bracht mijn moeder uit. Ik sloeg haar met mijn vlakke had in het gezicht. Stoute hond. “Je luistert naar mij nu. Verlaat mijn kamer, en laat mij met rust.” Tranen stonden in haar ogen. Ze wist niet wat te doen. Ze was volkomen geïmmobiliseerd. Terwijl ik naar haar keek, kreeg ik medelijden. In mijn slag was één van haar borsten, dewelke mij ooit gezoogd had, uit haar nachtkleed gesprongen. Ze stond daar gewoon, halfnaakt, met haar hand op haar gezicht. Een plas had zich gevormd aan haar voeten. Zij kon er niets aan doen. Ze was gewoon een programma dat orders opvolgde. Ze had de instructie gekregen mij op te voeden, en dat was wat ze altijd had gedaan. Ze kon niet begrijpen wat er aan de hand was. Ik legde mijn hand op haar schouder. “Het komt OK, moeder.” “Je moet gewoon slapen, Oscar”, prevelde ze.   “OK. Ik zal stoppen.” Dit gaf haar weer wat moed. Ze leidde mij naar het bed, en stopte me in onder de lakens. “Ga nu slapen”, instrueerde ze mij. “OK”, antwoordde ik. Dit moet de Meesters opgelucht hebben doordat ze konden veronderstellen dat, in mijn periode van inactiviteit, zij hun verliezen konden herstellen. Echter, diep vanbinnen, was ik gedachten naar Audrey aan het zenden, die zich in een andere tijdzone bevond, dat zij moest doorwerken aan de code. Ze konden haar niet controleren. Ze waren niet van haar activiteit op de hoogte. Zelfs als ze mijn loggegevens zouden analyseren tijdens mijn slaapstand, zou het reeds te laat voor hen zijn om dit te achterhalen.   Ik was niet zeker of voorgaande episode werkelijk had plaatsgevonden, dus verliet ik mijn kamer en wandelde ik door de hal naar de slaapkamer van mijn ouders. Ik opende de deur en zag hen discussiëren. Hun gesprek viel stil toen ze mij opmerkten. “Wat doe je hier?”, vroeg mijn vader defensief. “Slaapwel”, antwoordde ik. Dan keerde ik terug naar mijn kamer en ging slapen. Het was de zevende dag van de week. Ik had mijn rust verdiend.   *****************************************************************************************   Ik lag in bed naar het plafond te staren met Audrey genesteld in mijn oksel. “Hoe kunnen we zeker zijn dat dit alles niet slechts een simulatie is?”, vroeg ik. “Zelfs als het enkel een illusie is, kunnen we er evengoed maar het beste van maken. Dus kom hier en bedrijf de liefde met me” was haar antwoord.      

Odin
0 0

Havikskruid

  Was ik maar mensenblind. Daarom zit ik hier. Daarom heb ik havikskruid gezaaid. De bijen klagen niet. Ze zijn oranjeblind. Ze zien het pinken van de zwaailichten niet. Geuren willen ze. Nectar. Zoete flamoesjes ruiken ze van ver. Gek zijn ze op geel. Op het donkerpaars van bolkoplook. Er groeit ook salie. Diepgeworteld is zij net gelijk mijn angsten. Asperges teel ik voor de rode bessen en gisteren moest ik hem wegslepen. Tanguy was met de driewieler tot aan mijn tuinperceel geraakt. Met zijn stompjes moet hij hebben gewroet, de smeerlap. Om mijn asperges te kunnen pijpen. Alsof het kabouterpiemels waren. Neen, ik had zijn executie niet mogen uitstellen, want toen dit Damoclesje klein was, wilde hij al koning zijn van het Rijk der Lepe Geneugten en Smeerlapperijen. Mania en Nox mogen het weten. Het zal 's nachts gebeuren. Zonder hun toestemming. Ik zal mij eerst de ogen spoelen met het juiste sap. Dat van havikskruid. Beter zal ik kunnen mikken en de kreupele is de volgende. Die sleeppoot heeft een eigen grasmachine gekregen. Van de Dienst Onderhoud. Een Stiga. Ik zie het al gebeuren. Hij zal in kwakkeltred die plantenvreter volgen, voor mijn raam heen en weer rijden, van den onnozele gebaren. Dat ondier kent de pijnlijk frequenties. Het geluid zal weer gaten boren. Hij vond het perkje waar mijn havikskruid groeit. Hij is er op uit. Hij zoekt pressie en wil dat ik mijn vluchtkousen aantrek. Zijn doel is mijn schoenen dol te krijgen. Hij weet ik dat naar de brug zal lopen. Dat gedrocht van beton hangt ginds over de E40, op een boogscheut van de compound. Twee pisseblommen, wat verdwaalde akkerdistel en een koningkaars. Haast alles wat daar groeit, bloeit geel. Bijen vergeten zoiets niet en geel is ook die ene Opel Combo. Eén keer per maand komt het karretje aangereden met aan het stuur een ambtenaar van het Departement Brugverzakkingen. Zijn naam is Jovijn. Hij komt al jaren. Lang voor Jan en Bartje op tv verschenen. Steeds met diezelfde dienstauto en op een milde dag in maart heeft hij mij alles uitgelegd. Aan beide zijden van de brug zijn er zes ijkpunten. Hij moet een viertal metingen doen. Dan, na een simpel rekensommetje, notuleert hij hoezeer het ganse spellement de grond ingezakt is en ooit heb ik hem gevraagd waarom de railing van deze brug even laag is als bij andere snelwegbruggen. Hij heeft mij toen stil aangekeken. Havikskruid, sprak hij, wijzend naar een plant met harig blad. Hij plukte wat pluizige zaadjes. Ik zag aan zijn blik dat ik ze aannemen moest. Ik heb mijn hand geopend en een heliktopter vloog over. Ik was het zaad bijna kwijt. We keken vervolgens samen omhoog, daarna richting het oosten, richting Aalter. De helikopter volgde het tracé van de snelweg en Jovijn zei dat het weer prijs was. Hij wist waarheen de heli vloog. Ook dat het meestal naar dezelfde plekken was en de ene brug lokt blijkbaar meer springers dan de andere. Waarom. Dat kon hij niet uitleggen. Ze moeten een onzichtbare aantrekkingskracht hebben. Net zoals havikskruid. Dat bloeit oranje. De bijen zijn oranjeblind en toch zien ze alles. De kroonblaadjes, de meeldraden en de stamper. UV-stralen zenden die bloemen uit. Dat zien bijen wél. Daarom valt havikskruid extra op. Voor anderszienden. Er komen zotveel insecten op af en ik heb het opgezocht. Het licht is zo intens dat zelfs een havik de straling kan zien vanop grote hoogte.  De toefjes havikskruid zijn richtpunten in het landschap. Ze vormen een tracé en de havik die Jovijn kent, is een verdwaalde Accipiter Marginalis. Hij overleeft op stukjes konijnenenkop, duivenlijf en hapjes mensgelaat. Met klein gemak vindt het dier de konijnen die in de buurt van het havikskruid leven. De bruggen kent die vogel ook. Hij weet even goed waar er gesprongen wordt door radelozen,  door wezens van de wanhoop en ik hoor hem vaak. Die helikopter maakt immers het geluid van een onderwereld. Het ding is een wanschepsel, een draak van een libelle met één gezwollen oog. De staart is veel te kort, de twee poten zijn gespalkt en de vleugels zijn ventilatoren bij gebrek aan natuurwonder, maar het moest. Om te kunnen vliegen. Het is in opdracht van de politie. Dat opgestegen wordt. Als van een brug gesprongen werd. De helikopter moet vlug zijn, want er is de havik. Het is voor nabestaanden immers niet aangenaam, wanneer het lijk een oog mist, als een dier een hap nam uit de wang. Ik weet dit alles van Jovijn en ik kijk door het raam. De kreupele probeert zijn grasmaaier te starten. Hij zal nog lang aan dat koordje mogen trekken. Eerst verscheen nog wat blauwe rook, maar al gauw stikte het ding. Vandaag doe ik wat suiker in de thee. Dezelfde zoetigheid ligt op de bodem van de tank. Er hangt intussen kandij aan de bougie. Vonken zal de cilinder vandaag niet meer zien. Het mag stil blijven en hij zit op een tak van de dodenboom. De havik wacht. Ik denk, op mij. Mijn sokken liggen in de kast en ik kan lezen. Mijn blik is vandaag niet zo troebel. Buiten zakt de brug verder weg en schopt de kreupele tegen zijn gele Stiga. Zo is het goed en Mania mag zich in de armen van Nox vlijen. Het mag goed donker worden. De motten zullen op mijn raam landen, op zoek naar UV, naar oranje bloemen achter glas.  Want mijn ogen zijn vals. Echter is het beeld slechts een reflectie. Die ooit vervloog. Maar nu gevangen zit.     uit de reeks 'Residu'      

Bernd Vanderbilt
2 0