Lezen

Agorafobie

ze gelooft in karma en de markteconomiehaar dag is een kogeltrein, ze leeft sneller dan haar schaduwweer een zon aan spaandersik sla het licht op in mijn kijkdoosverblind de opgebrande collega nieuwsgierigheid straft meteenvoor de mooiste dagpauwoog voer ik mijn klinkende betoogik denk: het spijt me, escapisme is een voorrecht voor de rijkenmaar ik wens niet te bezwijkenonder het zuchtende beton, hypotheken wegen door kies een outfit, moeder zwaluwvandaag klimmen we naar dagoba’sop muilezels sluipen we door het nauw van de siqom te oreren in namaakstedeneen hellas van kartonmijn koninkrijk voor een beeldenstormnu het doek valt over reizen laatste raki voor de avondklokturen naar een spookrivierabij het kasteel van de koopmanflamingo’s in het zoutmeereen bevroren reiger in het riet val je mee nergens heen?kies een audi, vader ransuilom te cruisen langs een kruisweg in minhoalles staties nu geschraptgelukkig had je eraan gedacht ze in te scannen met een apphallo, hier simon van deliveroouw gestoofde spijt wordt koudde wijn nu zuurde kater voor overmorgende cijfers swingen de pan uiteen ragtime donkerroodroerloos op een stoelverleren we elkaaruit het hoofd, uit het lijf sanseveria, blijf in uw potmaar ik wil nog tempels zienverloren beschavingen terugfluiteneen terrorist influisterenhoe onbeduidend hij/zij oogt naast een virus, een rottend systeemeen zwerver die sterft zodatiedereen kan leven zonder filtereen sloppenwijk verdwijntvoor de aanleg van een pleinwaarop geen mens durft te blijvenhet zuichtende beton, door mijn schuld door mijn schuld

Gert Vanlerberghe
32 0

het palladium en de paladijnen: verhalen van een dolle mens

Terneergeslagen als de naargeestige ochtendschemering stond ik aan de wastafel in mijn appartement sudoku’s op te lossen. Onderwijl schrobde ik met Oral-B 3D White Luxe Stralende Glans aan mijn dentale carrosserie zoals een gepensioneerde dat met bruine zeep doet tussen zijn huidplooien. Ziet u, de tanden zijn de poort naar de ziel en op de mijne was een beetje eelt komen te staan. Ik trachtte de immense leegte in mezelf te vergeten door lege rasters met getalletjes te vullen. Maar het hielp niet en ik kreeg de rigor vitae ook niet weggepoetst. Geen werk, geen geld. Geen zin, geen lusten om me te doen willen.   Ik was aan de levensbeschouwelijke putten overgeleverd en al wat me nu nog restte was mijn stralende glimlach – de afspiegeling van een oude innerlijke mij. Waarom komen de kansen nooit hiernaartoe? Het was die zin die me hier had gebracht, die verduivelde boutade. En verdomd, God is d… – het beletselteken slikte mijn uitroepteken in toen er gebeld werd. Het was wat laat voor Sinterklaas en wat vroeg voor Driekoningen, dus ik vreesde dat het de deurwaarder was die beslag kwam leggen op de rest van mijn levensbeschouwelijke krediet, omdat ik mijn achterstallige betalingen pleeg te verzaken. Maar er was niets meer dan ongeloof om van me te stelen, dus wat kon het ook. “Hebt u misschien een paar minuten tijd om over GOD te praten?” (De stem had het echt zo gezegd, met de ‘o’ en de ‘d’ ook als hoofdletter.) En ik had tijd! Enfin, een minuut of zeven later mocht ik hen al David en Sylvie noemen en waren we de beste maatjes. Mijn glimlach straalde naar hen en de hunne straalde terug. Ik was helemaal mee met hun verhaal vol (zedige) passie en vuur. Lidkaarten verkochten ze terstond en ik liet me met groot genoegen registreren. Hun benevelende betovering liet niet af – wierook noemen ze het zelf, het zat in hun parfum, het zat in hun tandpasta, het zat in hun poriën. Dat merkte ik toen ik me net iets te spontaan opgaf voor het vacante zitje in hun beleidsraad. Maar eerst kwam de beproeving (een sollicitatie of zoiets) en ik legde hun mijn grootse plannen uit. Plots bevonden we ons midden in een nachtelijke ceremonie. Overal zag ik groene driehoeken en rode pentagrammen.  Om me heen pulseerde een candide mensenmassa in het dreunende licht rondom een laaiende brandstapel. In de rechterhand omklemden ze een kandelaar. In hun linkerwang ronkte bij elk van hen een elektrische tandenborstel – zo een als ik altijd had gewild. Ze neurieden, mompelden een hymne. Omdat de tremor van het mondhygiëneapparaat hun woorden vervormde, kon ik de aard van het gezang niet thuisbrengen. De klanken waren prehistorisch. Hoe ha hoe ha hoe ha. Ik deed gewillig mee: hoe ha. De massa spleet driehoeksgewijs uiteen door de advent van enkele fakkeldragers. Met z’n vieren, gedost in het witste wit van ons allemaal, torsten ze een brancard.  Bij hen snorde de tandenborstel in elk van de twee borstzakjes – dat moest wel betekenen dat zij de notabelen bij uitstek waren. Hoe ha. Op de draagberrie lag een levenloze donkere figuur. Hoe ha. De armen en benen staken in vreemde hoeken omhoog en gingen schuil onder een donker deken dat een sterk getaande figuur verhulde. Hoe ha, hoe ha. Kordaat schreden ze verder, onder de hypnotiserende hymne. Hoe ha, hoe ha, hoe ha. De deken werd verwijderd, de figuur onthuld en zonder dralen op het vuur gekieperd. Zijn takjes knerpten en schreeuwden. “Hoe HA!” Beste kerstboomverbranding ooit.   Enfin, ik ben jammer genoeg niet aangenomen. Nog hoe ha mompelend liep ik even werkeloos als tevoren terug de trap op, mijn appartement in. David en Sylvie sloegen me bedaard gade.

Midas
12 2

E403

  E403 is een speciaal poeder en er is de man met zijn brommer. Elke dag, ook op zon- en feestdagen, doet hij met zijn kawasaki hetzelfde traject. Meermaals. Hij vertrekt stipt dertig minuten na zonsopgang vanuit zijn woning te Loppem en aan Het Grote Klaverblad neemt hij richting Kortrijk. Zijn bestemming is simpel, het Volgende Grote Klaverblad. In de buurt van Aalbeke is dat. Daar maakt hij rechtsomkeer, al moet hij daarvoor op dat klaverblad twee net geen volledige rondjes rijden van elk 270°. Hij voegt dan weer in en broemt terug richting Brugge met dat poeder in die twee bakken, bevestigd achteraan de brommer, één aan elke zijde. Velen zullen zijn machien een moto noemen, maar daar doe ik niet aan mee. Ik heb een hekel aan het geluid van brommers, laat staan van moto's en ook aan die man zelf heb ik de pest, want hij versnelt bederf. Hij werkt in opdracht van de Vlaamse Overheid en het poeder is ontwikkeld aan de Universiteit van Gent. E403 dient om dierenlijken sneller te doen ontbinden. Verder verricht het geen schade, niet aan de natuur, noch aan de mens. Het voorstel om dergelijk middel te laten ontwikkelen komt van Diana Hostiekindt. Zij is tweede schepen te Roeselare. Ze is goed bevriend met minister Nathalia Muyldoeck. Natuur, ook wonen behoren tot de bevoegdheden van Diana. Bovendien doctoreert haar oudste zoon aan de UGent. In de scheikunde. Zijn voornaam is Jabir, zijn familienaam onbelangrijk. Jabir is een pienter baasje en toen nonkel Marcel op de babyborrel van Diana's derde kleinkind kloeg over het grote aantal vliegen in zijn doening, dan wist Jabir het. Marcel woont op tweehonderd meter van de autostrade. Vliegen zijn eerst maden. Ze worden vliegen in beesten. Dode. Lijken van dieren die op of langs de autostrade liggen. Platgereden. Of half. Die vliegen komen dan af op de hondenkak rond de villa van Marcel. Diana had eerst nog cava doorgeslikt, daarna gezegd dat zij daar iets aan konden doen, want er waren al meerdere klachten neergelegd bij de gemeente. Met zij bedoelde ze een triumviraat. Nathalia Muyldoeck, Jabir en zichzelf. Jabir had instemmend geknikt, uitgelegd aan nonkel Marcel dat hij er al mee bezig was, want er zijn inderdaad grote nadelen verbonden aan trage desintegratie, aan de miserie gekoppeld aan ongecontroleerde ontbinding. Ik citeer slechts zijn woorden, want ik zou het zelf niet kunnen verzinnen. Het schrijven ervan is al erg genoeg. En toch. Het wordt goed geacht dat ik dit relaas publiceer, dat ik het ganse verhaal doe van die man, van zijn brommer met die zelfklever. Het is een sticker. Met een halve leeuw. Bartje wilde er ooit één als huisdier. Helaas. Dat mocht niet, maar E403 op kadavers strooien langs de snelweg, dat mag wel. Daar is zelfs geen regelgeving voor. Als alle richtingaanwijzers van de kawasaki maar pinken wanneer de man stopt en hij moet, als dat kan, zijn brommer in het gras parkeren, rechts van de pechstrook. Hij heeft ook een telescopische stok met haak die tot aan de linker rijstrook reikt. Hij kan daarmee dode beestjes tot op de pechstrook slepen en hij opent dan één van de bakken die aan de kawasaki hangen. Hij schept er voldoende E403 uit en strooit het op het kadaver. Dat is zijn werk. Hij doet dit elke dag. Van dertig minuten na zonsopgang tot aan de schemering. Alleen als het sneeuwt. Dan blijft die motard met zijn brommer thuis. Dat is zo afgesproken. Want het is onmenselijk, het is zot en ondoenbaar om onder elke bult bedekt met sneeuw een kadavertje te zoeken. In ieder geval, en dat blijkt uit metingen, is het aantal vliegen in de buurt van die snelweg sinds de invoering van de kawasaki met E403 sterk verminderd. Ik citeer hiermee nogmaals Jabir. Het is tegen mijn goesting, maar het moet, voor het begrip van mijn twee lezers. Misschien wonen zij of één van beide langs een autostrade en dan kunnen zij daarover meepraten. Over het lawaai. Over het zwerfvuil. Over mannen op zoek naar een pompstation waar men ook jerrycans verkoopt. Ja, en het mag ook gaan over die blote meiden, over al die moderne boerinnen, over al die naakte vrouwen met een frisser thuisberoep die telkens weer komen beweren dat de ganse wasdraad leeggeplunderd werd door een man op een kawasaki. Net op naturistendag, wanneer je eindelijk eens alles 'toope kunt wasschen' en meer weet ik niet. Het is een zoveelste litanie van de kreupele. Prudence zegt dat het geen kwaad kan, als ik zoiets opschrijf. Als ik mijn zinnen maar kan verzetten. Als ik de namen maar verander. Voor de veiligheid. Dat zegt ze altijd en ze zit vandaag poedelnaakt in mijn kamer, in de éénpersoonsfauteuil met die vele flosjes onderaan. Ze drinkt van mijn thee. Iets wat ze nooit doet en ze zetelt met opgetrokken benen. Terwijl ik niet zo houd van ros schaamhaar. Ros lijkt dunner en ik zie te veel. Het is een aanslag op het verlangen en ik vraag haar om weg te gaan. Niet naar buiten. Het is daar koud en bar. Het sneeuwt. Zalving en redding. Alles dwarrelt uit de lucht en de deur is gesloten. Ze kunnen niet binnen. Tanguy niet, de kreupele niet, en poedersneeuw mag het zijn. Ja. Zacht en dun. Zo fijn als E403 en ze gaan liggen. Tanguy en de kreupele. Op veilige afstand van elkaar. Op de rug. Maken ze armbewegingen. Gelijk de meest lompe vlinders. Wat nog ontbreekt. Zijn hun kadavers.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
7 1

In Memoriam: tante Annie

Vorige week overleed mijn tante Annie op 81-jarige leeftijd in een verkeersongeluk. Op het zebrapad werd ze onderschept door een onoplettende chauffeur. Alle hulp kwam te laat. Tante Annie was niet meer en de hele familie zat in zak en as. Ik nog niet in het minst, ook al was ze slechts een verre tante en hadden we mekaar hooguit twee of drie keer gezien op een familiebijeenkomst. Toch voelde ik me zo schuldig als wat, terugdenkend aan het vreemde voorval enkele maanden voordien, op de begrafenis van een al even verre nicht… De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik destijds heel verward was. Problemen op het werk, verwikkeld in een vechtscheiding: het was mij allemaal wat te veel geworden. Ik wil me echter allerminst achter excuses verbergen: ik had moeten weten dat mijn nicht niet in het huwelijksbootje zou stappen. Er echter rotsvast van overtuigd uitgenodigd te zijn op een huwelijk, stapte ik die dag in mijn wagen en begaf me naar het adres dat mijn oude moeder me doorgegeven had. Ik was al vrij laat vertrokken en merkte tot overmaat van ramp dat de ring potdicht zat. Vloeken, claxonneren, in mijn stuur bijten: niets hielp. Resultaat: ik kwam ruim anderhalf uur te laat aan op de plaats van afspraak, met, op de koop toe, lege handen. Daarom besloot ik nog snel een winkel binnen te gaan om een boeketje te kopen. Gelukkig trof ik, op wandelafstand van het gebeuren, een etalage aan waarin verschillende bloemstukjes tentoongespreid waren. “Goeiemiddag,” verwelkomde de winkelierster mij met zachte stem. Ik beantwoordde haar met een vriendelijk knikje. “Ik had graag een van de bloemstukjes uit uw etalage gekocht.” De vrouw keek mij enigszins verrast aan en trok haar zwarte jurkje wat strakker rond haar lichaam. “Geen probleem, meneer. Had u er al eentje gezien dat u aansprak?” “Welja, datgene daar, in de linkerhoek, met die kleine witte bloemetjes, lijkt mij uiterst geschikt voor de gelegenheid.” “Wit is altijd schoon, inderdaad, meneer,” sprak de vrouw al precies wat opgeluchter. “Leo Pleysier,” sprak ik knipogend, als blijk van herkenning. “Uw vader?” “Ha, neen, hoor, allerminst. De mijne heet Patrick en interesseert zich vrijwel uitsluitend voor zijn duiven. Ocharme, mijn moeder.” Aarzelend bekeek de winkeljuffrouw mij. Ze besloot het gesprek te laten voor wat het was en ging mij voor naar de toonbank, waar ze het potje bloemen zo subtiel mogelijk neerzette. “Als u dat wenst, kunnen we de bloemen leveren op de dag zelf. Het zou voor u vast al een zorg minder zijn, onder de gegeven omstandigheden.” “Wat attent van u,” lachte ik haar vriendelijk toe, “maar ik neem het bloemstukje zelf wel mee. Ik kan het niet maken om met lege handen te verschijnen bij zo'n memorabele gebeurtenis.” Er viel even een doodse stilte. “Hebt u misschien een bijpassend kaartje?,” vroeg ik haar. “Een kaartje? Bedoelt u een lint of zo? Een lintje, met daarop een boodschap?” “Ha, lijkt mij ook wel een goed idee! Bedankt voor de tip! Hebt u er misschien eentje in een fleurig kleurtje?” De vrouw leek het noorden volledig kwijt. “Doorgaans kiest men voor iets soberder, als wit of eventueel paars, meneer.” “Hmm, paars spreekt mij niet meteen aan. Doe maar een wit lint dan, met daarop in sierlijke letters ‘Gelukwensen’”. Met trillende vingers bracht de winkeljuf het lint in orde, waarna ze het op het boeketje bevestigde. In tegenstelling tot wat haar serene zelf deed vermoeden, leek ze er zich nu zo snel mogelijk vanaf te willen maken. Terwijl ik haar gadesloeg, vond ik het spijtig dat ze geen plastic folie gebruikte om de bloemen een nog wat feestelijker aanschijn te geven, maar ik besloot te zwijgen. Ik was al rijkelijk laat en wou mij bij de rest van de familie gaan voegen. Toen ik mijn aankoop bekeek – jammer genoeg was het een vrij sober lint, nergens een sierlijke krul of iets dergelijks te bespeuren – betaalde ik de vrouw en liet haar knipogend het wisselgeld. Bij het verlaten van de winkel zag ik in de reflectie van de glazen deur hoe ze mij verbijsterd nakeek. Veel tijd om er bij stil te staan, had ik echter niet en ik begaf me met stevige tred naar de familie, die ik in de verte zag staan, verzameld bij een grote muur. Ik kuste mijn ouders gedag en plaatste het boeketje voor me op de grond. De stilte die er heerste, kon ik slechts moeilijk met de festiviteiten paren en ik besloot het ijs te breken door over het weer te beginnen tegen twee neven met wie ik een nauw contact onderhield. Ze leken opgelucht dat iemand er de sfeer in probeerde te brengen en begonnen wat over koetjes en kalfjes te babbelen. Ook door de rest van de groep voelde ik precies een zucht van verlichting gaan, waarop iedereen zachtjes met elkaar begon te praten. Een enkeling durfde zelfs een schuchter lachje te plegen. “Waar gaat de feestmaaltijd straks door?,” vroeg ik een oom, terwijl ik hem zachtjes met mijn elleboog porde. De man keek mij verrast aan en wist te zeggen dat er straks een broodmaaltijd voorzien was voor wie daar zin in had. “Haha, besparen op het eten om dan straks een verre reis te kunnen maken!,” lachte ik. “Een laatste verre reis, zo kan je het wel stellen,” schamperde mijn oom, terwijl hij zijn gezicht in een glimlach probeerde te murwen. Hoewel de sfeer al wat losser geworden was, besloot ik dat het allemaal nog net ietsje uitgelatener kon; een mens trouwt doorgaans immers maar één keer. En nog voordat ik mijn nicht en haar kersverse echtgenoot zelfs al maar had gezien, nam ik mijn boeketje in de hand en riep voor de hele menigte uit: “Wie wordt de volgende?” Als ik mij niet met mijn rug naar de familie had gedraaid, had ik de verbaasde en geshockeerde blikken vast en zeker gezien, maar nog voor ik er erg in had, gooide ik de bloemen met een fraaie boog achter mij. Iedereen stond aan de grond genageld. Gelukkig belandde het bloemstukje pardoes in de armen van tante Annie die echter spontaan in stille tranen uitbarstte…   Toeval bestaat niet, zeggen ze, en ik had hen doodgraag geloofd. Maar sinds de beschamende gebeurtenissen die dag en het tragische ongeluk van vorige week, ben ik daar niet zo zeker meer van.  Ik kan slechts mijn diepste excuses aanbieden aan de familie en, in het bijzonder, aan nonkel Henri, die voortaan alleen met de kaarten moet spelen. De begrafenis gaat overmorgen in heel intieme kring door, wist mijn moeder mij te melden en dat is misschien maar beter zo.

Lennart Stein
151 0

Seksuele energie

Het hoogtepunt van seks is niet een orgasme, maar een bewuste connectie die alle woorden, gedachten en gevoelens overstijgt. Voeg daar dan nog een orgasme aan toe en je hebt het summum van wat seks zou kunnen zijn. Seksuele energie wordt zwaar onderschat. Seks is een krachtig creatieproces en dan heb ik het niet over het creëren van een kind. Door seks te hebben, zowel met jezelf als met een ander, worden er dingen het leven in geroepen. De energie manifesteert zich in de tastbare realiteit en juist daarom is het van belang om bewust te zijn van de aard van deze energie. Veel mensen hebben seks zonder zichzelf te eren of lief te hebben. Zo vond ik vroeger de gedachte om gebruikt en overmeesterd te worden erg opwindend, tot het tot mij doordrong dat ik hiermee een zelfdestructief patroon in stand hield. Mijn idee over seks is doorheen de tijd drastisch getransformeerd. Nu ben ik meer bewust van de manier waarop ik mezelf open stel en de waarde die ik mezelf toeschrijf. Het is veel meer dan een vleselijke lust. Seks is een uitwisseling van energie, idealiter met een evenwicht tussen geven en nemen. Door seks te hebben met iemand, kunnen verschillende energieën samengebald worden tot één krachtige generator. Deze kan ingezet kan worden om dromen te verwezenlijken en verlangens te vervullen. De visualisatie die aangedreven wordt door twee samensmeltende zielen heeft een bijzonder grote slaagkans. Net zoals bij meditatie is aandacht voor de ademhaling van essentieel belang tijdens het seksuele creatieproces. De adem fungeert immers als een portaal tussen lichaam en ziel. Wie staat er stil bij de krachtige hoeveelheid energie die uitgeblazen wordt tijdens een orgasme? En wie weet dat je die energie eveneens naar binnen kunt trekken (inademen) in plaats van ze de wereld in te sturen? En welke ideeën, gevoelens en verlangens zitten er achter die energie? Vlak voordat je zulke kracht naar buiten loodst of naar binnen trekt, zou je ze kunnen laden met een intentie. Dit kan een beeld of een gevoel zijn. Iets dat je graag wil manifesteren in je leven. De seks waarover ik spreek, ook wel tantra genoemd, is niet alleen een fysieke connectie maar evenzeer een mentale. Warm en veilig verstrengeld zitten in elkaars bewustzijn is een extra dimensie die door veel mensen overgeslagen, afgewezen of ontkend wordt. Niet iedereen verlangt naar dit soort van verbinding. Ik begrijp best dat veel mensen tevreden zijn in een relatie met seks die louter fysieke bevrediging brengt. Op zich is dat al heel wat. Maar het kan ook zijn dat dit op een gegeven moment in de persoonlijke ontwikkeling niet langer als ‘voldoende’ wordt beschouwd en dat er een verlangen naar meer diepgang ontstaat. Ik ervaar persoonlijk dat dit verlangen slechts matig en tijdelijk onderdrukt kan worden. Het steekt hoe dan ook van tijd tot tijd de kop op. Seks hoeft niet altijd een spirituele ervaring te zijn, er is niets mis met seks die puur gericht is op bevrediging. Het zou wel fijn zijn als meer mensen bewust waren van de mogelijkheden en kracht die er achter seksuele energie zit. Want het is een prachtige menselijke capaciteit om dankbaar voor te zijn.      

KarolienDeman
271 1

Verdieping drie

  Of kleinigheden waardevol zijn, het niets het summum. Er is, en ik begin in het midden, het miniscule beeldje van Franklin, Duits oorlogspresident. In een vakje hoger staat hij te blinken, de locomotief met twee wagons die gisteren nog helemaal van hier tot in het verre Lima reed. Deels uit zamak, deels uit plastiek en dat de knikkers per tien in zakjes zitten, dat wist je al. Teerlingen steken we per vijf. Ze hoeven niet per se even groot te zijn. Het spel wordt er niet saaier door en er is ook het rek met de potjes en de botteltjes. Dat moeten ze mij wel niet elke dag vragen, om flesjes te spoelen, glaswerk te kuisen, want er kan veel ingezeten hebben en ik herinner me nog goed dat ene lokaal op de derde verdieping van het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Assebroek. Die klas had een doorkijkvitrine, tussen de gang en het lokaal zelf. Andere klassen hadden eenzelfde vitrine, maar die waren alle zo goed als leeg bij gebrek aan frisse leerstof en zelfs gewoon stof maakte weinig kans. De deurtjes leken voorgoed klem te zitten. Er was geen kier voor fantasie, niet voor zuurstof, noch voor hippe bacteriën of virussen, maar wat leegte betreft, had die ene vitrine op verdieping drie meer geluk. Ze stond vol met glazen potten, te groot voor confituur van zelfgeplukte braambeiers, te klein voor het bewaren van mijn dromen, maar groot genoeg om er embryo's in te krijgen en formol is geen familienaam voor zwarte warmgepelste, ondergronds levende zoogdiertjes met relatief grote graafpootjes. Sommige van die creatuurtjes moeten er ooit met kracht ingeduwd zijn, want hun vale huid plakte tegen de wand, net als de wang van een bleek kind tegen de voorruit van een total loss gereden Simca Talbot. Tanguy reed ooit ook met zo'n Talbot. Toen hij nog geen directeur was van de azijnfabriek. Toen hij nog gewoon naar Sars-la-Buissière reed. Naar zijn vriend Marc. Ook in dit kringwinkeltje werken er klootzakken. Je voelt dat en waarschijnlijk zullen ze hier nog lang aan de slag blijven. Ze denken mij te kennen. Ze kunnen het ruiken. Hoe ze mij eronder moeten krijgen. Dwaasheid dwingt mij vol te houden en voor de rest probeer ik een monoliet te zijn met ijverige armen. Op voeten ook. Oké. Veiligheidsschoenen heb ik gekregen toen ik hier voor het eerst kwam en vandaag zal ik potjes wassen aan het lavabootje. Er zijn twee kuipen. Vijf bruine bakken zullen passeren, vol met glaswerk, door Tanguy en mezelf te schrobben en te spoelen.  Achter ons staat het tafeltje met daarop de vier keukenhanddoeken, waarop we eerst alles zullen laten uitlekken, potjes, bokalen, glazen, de schalen voor het groot rosbief, de kaasstolpen, de taartenstaanders van gestorven zoetelingen. Hun kinderen brachten deze dingen. De stijl was niet helemaal je-dat, de herinneringen die eraan kleefden, waren niet schoon genoeg of ze hadden zelf al jarenlang soortgelijk keukengerei waarmee ze intussen vergroeid waren. Ikzelf hoop vooral dat mijn gedachten nooit met die van Tanguy zullen vergroeien, want hij is het type primaat waarvan het rudiment je beter vreemd blijft. En toch. Zijn loutere bestaan zal onder mijn huid kruipen.  Hij staat hier nu. Naast me. Zijn taakstraf uit te voeren, opgelegd door een al te milde rechter. Hij kijkt neer op de potjes, op de schaaltjes, terwijl ik naar de bloemen staar die een stille hand ooit aanbracht langs de boord van een bord en ik kan het me zo voorstellen hoe die ene kerf in die rand gekomen is. Tanguy. Hij is niet meer dan het lompe jong van een walrus die met zijn zestigcentimerlang penisbot een tarantula te bevruchten wist. Niet dat de verbeelding van Tanguy zo groot is. Hij kan enkel lullen. Over de verwarmde kuipstoelen van zijn Lexus. Over zijn goesting naar een koele jupiler en vaak gaat hij languit in een bed liggen waarvan de dood dacht dat de poten oud genoeg waren om eindelijk een lijk te dragen. Zo'n bed kost hier even veel als dat van een gestorven jongeling en Tanguy probeert elke dag een ander ledikant. Hij ligt er te smekken. Hij zal niet bij ons in de mallotenrefter komen zitten en Katja is nog zo lief om elke ochtend voor hem brood met zachtheid te besmeren. Besmeuren ware beter. Met embryosalade. Beginselen van een walrus geweekt in het sap van uitgeknepen tarantula's. Dat is meer iets voor zijn bek en ik probeer het. Om niet meer terug te denken. Aan die scherven. Aan bokaalglazen. Aan de bril die ik kocht voor een mol. Nog minder aan verdieping drie. Ik weet het trouwens al. Sinds ik lezen kan. Het ging aanvankelijk over kwik, over die guitenstreken, over opengereten kikkerbuiken, over flupke en het blazen van de aftocht. Gauw volgde pietje puk en dan kwamen ze. Het brievenbusje van de ondergang. Al die zieke prentkaarten. Veel meer van die malaise. Het kon daarom niet anders. Dat op verdieping drie. In die potten met formol. Moederziel alleen. De dood verscholen zat.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
19 2
Tip

Niemandsland

 Het grondgetal van de meidoorn is vijf. Gurkje fluisterde de woorden voor zich uit. Ze zat verscholen in een forse meidoorn die haar omhulde met een bruidssluier van witte bloesem, met doorns die honden en mensen op afstand hielden en met talloze mooi gevormde, diepgroene blaadjes.Ze verplaatste een voet die op een grote tak rustte, voorzichtig, ze zat vrij hoog. Met haar hand streek ze zachte over de ruwe, verwrongen stam. Ze herhaalde de woorden, nu bijna geluidloos. Ze had ze gelezen in een boek in de schoolbibliotheek. Of eigenlijk had ze gelezen dat de eenstijlige meidoorn, net als de tweestijlige, behoorde tot de rozenfamilie. En dat het grondgetal van bloemen uit de rozenfamilie vijf was. Met haar linkerwijsvinger voelde ze aan het puntje van een doorn. Ze had verder willen lezen maar de bibliotheekjuf had het boek voor haar neus dichtgeslagen. Ze mocht de boeken ‘geschikt voor de hogere klassen der lagere school’ echt, heus nog niet inzien. De juf meende het. En of ze dat nu voor eens en voor altijd in haar oren wou knopen.Wat was er zo geheim aan het grondgetal van de een- of tweestijlige meidoorn? Ze herhaalde de woorden weer, proefde ze, liet de g’s en de r-en grommen in haar keel, maakte de ei’s en de o’s zo rond als ze kon en liet de m lekker lang hummen. Daarna zei ze ‘eenstijlig’ en ‘tweestijlig’ een beetje zingend. De bloesem rook lekker zoet en wild tegelijk. Ze snoof er eens goed aan en zocht het ritme in de woorden ‘het grondgetal van de meidoorn is vijf’. Zou het grondgetal van het ritme ook vijf zijn? Een vijfkwartsmaat. Ze kon het eens vragen bij de blokfluitles.Haar ogen volgden de takken, haar vingers gleden langs de omtrek van een blad. Een gelobd blad, zo heette dat. Net als bij eikenblaadjes. De takken vormden een warrelend patroon.Ze rekte de ij in vijf een poosje en ging er een hele toonladder mee op en weer af. Ondertussen probeerde ze tussen de vracht aan bloesems en blaadjes door naar de wereld buiten de boom te kijken. Daarbij leek het steeds, heel even maar, alsof ze een glimp van een andere wereld zag. Een wereld met vijf punten, sluiers, een sneeuwbepoederde doornenkroon. Als ze met haar hoofd of haar ogen draaide, gebeurde het. Een wereld waarin bloemen, bladeren en takken naar een middelpunt vloden of juist daarvandaan. Maar ook een wereld die ze niet vast kon houden, telkens schoof de gewone wereld eroverheen. Op een tak bovenin zong een merel. Zong die van die andere wereld? Vogels hadden veel betere ogen dan mensen.De klok van de kerk sloeg vijf keer. Als ze nu naar huis ging, was ze op tijd om de tafel te dekken en zou niemand vragen waar ze geweest was. Eenmaal op de grond keek ze of ze haar kleren niet had opengehaald en veegde ze haar handen schoon met haar zakdoek. 

Marijke Roza-Scholten
133 8
Tip

Donald de Stomme, een parlement uilen en woordarmoede

Groepen dieren krijgen specifieke namen. Denk maar aan een kolonie mieren, een kudde koeien, een meute wolven, een roedel honden. Minder bekende voorbeelden zijn een vendel ganzen, een toom kippen en een parlement uilen. Ik moet toegeven dat de namen van de meeste groepen mij onbekend waren. Maar ik kom nu eenmaal niet dagelijks in contact met een vendel of een toom. Laat staan een parlement. Over hoeveel woorden de Nederlandse taal kent, is geen eenduidigheid. Er gaan verschillende stemmen op: van 1 tot 5 miljoen woorden. Discussies gaan dan over het al dan niet meetellen van samenstellingen, afleidingen, … Ik zocht het even op: er bestaat ook een Taaldatabank van het Instituut voor de Nederlandse taal. In deze computer worden alle woorden en woordvormen (lezen: lees, leest, las, lazen,…) opgeslagen van de 12de tot en met de 21ste eeuw. Die bevat al meer dan 60 miljoen woorden. En toch, toch heb ik soms het gevoel dat de mogelijkheden van de taal  ontoereikend zijn om mijn gedachten te verwoorden. Daar bestaat een mooi woord voor: woordarmoede. Ook al is een taal nog zo uitgebreid, soms schiet ze tekort. Ik hou van het zoeken naar het meest geschikte woord. Juist en accuraat omschrijven van gedachten, situaties, omstandigheden is voor mij soms geen middel, maar een doel op zich. Dat is niet alleen zo in het Nederlands, ook de Engelse taal heeft zijn limieten. Ene meneer Trump zei namelijk, and I quote: ‘I’m highly educated. I know words. I have the best words. I have the best, but there is no better word than stupid’. Daaruit zouden we kunnen concluderen dat we het niet altijd te ver moeten zoeken met die woorden. Less is more, ziet u. Het less is more-advies wordt al eeuwen toegepast. We spreken over Karel De Stoute, Alexander De Grote, Filips De Goede en Jan Zonder Vrees. Als er ooit een stemming komt over een gelijkaardige naam voor Trump, dan hoop ik oprecht dat de Amerikanen kiezen voor Donald De Stomme. Stom is niet enkel een synoniem voor dom, het betekent ook ‘niet in staat om te spreken’. Now we’re talking.   Moeder: Waarover vertelden ze in Karrewiet? Dochter: Over de nieuwe regering. Ze hadden het ook over het parlement. Wat is dat eigenlijk? Moeder: Een parlement is een ander woord voor een groep uilen.

Lore Dewulf
287 6