Lezen

Jeanne

Ze is geen gewone ‘oma’. Ze is meer een dertiger in het lichaam van iemand van vijfennegentig. Ze is slim en bijdehand. Eigenzinnig en grappig. Zelfstandig en mee met de moderne, veel te snel gaande, tijd. Twee jaar ben ik niet bij haar op bezoek geweest, maar dit weekend heb ik besloten om nog eens mee te gaan met mijn ouders. Wanneer ik haar zeg dat het alweer lang geleden is, glimlacht ze.‘Ik zie u nochtans elke dag’ zegt ze kalm zoals alleen zij dat kan en stapt naar de lage kasten in de woonkamer. Ze neemt een klein fotoalbum en slaat het open. Ik zie een foto van mezelf genomen op de vijfenzestigste verjaardag van haar huwelijk mijn opa zaliger.‘Ik zie u elke dag’ herhaalt ze glimlachend, ‘en er staan ook zo’n schoon foto’s in van opa.’ Ze laat mij een foto zien van mijn grootvader zoals ik me hem herinner. De liefde tussen die twee was echt, zoals God de liefde had bedoeld toen hij ze schiep.Ze slaat een paar bladzijden om in het fotoalbum.‘Hier,’ gniffelt ze, ‘Uw broer nog zonder zijne schone baard.’ Mijn hart breekt. Twee jaar ben ik niet langs geweest, maar dat maakt duidelijk niet uit wanneer ge in iemands hart en fotoalbum zit. Ze vertelt me dat ze haar ‘chignon’ vanmorgen twee keer heeft gemaakt en dat maar niet wilde lukken. Na een derde keer vanmiddag heeft ze het opgegeven. Mijn oma is een kokette vrouw. Een fiere kat met pony-allures.Het doet me denken aan de vorige keer dat ik hier was en ze zei dat ze het spijtig vond dat ze niet wist dat ik kwam. ‘Autrement, j’avais peigné mes cheveux,’ zei ze toen. In mijn ogen is ze altijd even mooi. Net zoals ze dat dertig jaar geleden al was, toen ze nog met ons mee naar Nederland ging. Toen mijn broer en ik met haar op onze cassetterecorder radioprogramma’s opnamen over het maken van pudding. En maar lachen tot we bijna in onze broeken plasten.Ze legt het fotoalbum opzij en stopt mij de Italiaanse Vogue in mijn handen, want mijn oma beheerst perfect het Italiaans. Geleerd om de missen van de Paus goed te kunnen verstaan. Ze is vijfennegentig en ze is slimmer dan ik, dat staat vast.Ze heeft een mening. De mode in deze Vogue vindt ze maar niks.‘C’est trop, quoi.’Ze kijkt elke dag naar het nieuws en weet perfect wie wie is. De dokter heeft haar gezegd dat ze te oud is voor Alzheimer.‘Dat vind ik spijtig,’ zegt ze, ‘want ik zou het soms liever niet meer weten.’ ‘De mensen die mij komen wassen zeggen dat ik nog lenig ben voor mijn leeftijd’ giechelt ze. ‘De vrouwen zijn altijd nog het langst het lenigst.’Mijn vader, die ook nog steeds in de woonkamer zit, kijkt op van zijn krant.‘Ik zeg alleen de waarheid,’ zegt ze schalks en met een grijns. Ze weet dat mijn vader al lang niet meer met haar discussieert. Winnen kan hij van velen, maar nooit van haar.Ze is alles wat ik wil zijn als ik ooit 95 word en nu is ze er niet meer.Merci Jeanne, Reine van de Rue des Princes, moeder van mijn geweldige moeder, om te zijn wie ge waard. Ge zult waarschijnlijk langer dan twee jaar wegblijven, maar ook gij zit in mij hart en fotoalbum. Misschien krijg ik later wél Alzheimer, maar u vergeten doe ik, kan ik en wil ik nooit.

Ans DB
0 0

Pagina Nul

  Ik voel dat het regent. Op pagina nul. Het is gesijpel waarvan ik de zuurtegraad ken. Het zijn eerst druppels die niet laven, daarna vallen scherpe korrels hagel, paragliders met gescheurde moed, een MH17 plus één, de shuttle van verslagenheid. Ze hangen nat en naar beneden. Tibetaanse wimpels die ik vond in koffers van weleer. Vlaggen liggen enkel nog op kisten en de kleur verraadt de toestand van het lijk.  Het zijn de kabouters van de tegenspoed. Ze hebben mijn woordenboek verkloot. De v staat nu vooraan. Valkuil, varken, venijn, vergaan. Ook verdriet hebben ze onderlijnd. Fluogeel. En va bene, vangnet, veerkracht, vreugde, vuur, dat hebben ze doorstreept. Bij verlies is er een doodskopje getekend. Het is in de verte. Een veerman maakt reclame op de radio. Aan de oever van de Waal drinkt Willem van Oranje fanta. Koning Frost zit langs de weg. Hij heeft een platte band. Een wolkbreuk deelt het slijk weer uit aan zware schoenen en de koekoek komt nog zelden uit zijn nest. Vlakbij legt hij eitjes in het mandje van een man met kap en zeis. Witte kousjes droeg de stewardess. Ik krijg de mijne niet meer schoon. Het grijs woont als een kraker gratis in de stof. Graffiti op mijn keukenraam, aangebrande dromen in een pot en op de bodem ligt het ongemakkelijk. Ik wou een kussentje met nieuwe veren, lichter als de wolken, maar de hoogtemeter koos voor ondergang. De regen weigert mijn marcelleke te wassen. Spoel het in een kuip met tranen, is zijn uitleg en de wasdraad wil enkel fungeren als ik zonlicht heb gekocht. Ik kom er niet, ik geraak er niet, in de winkel van het warme daglicht. Alles is bergop, de touwladders zijn rot en alles hangt maar door. Alle kabels worden stroom zo moe. De einder is gebroken. Kerst haal ik niet meer. Slingers groeien niet in wortelloze bomen die vol lichtjes staan te sterven. Met een grapje probeerde ze het nog. Deze ochtend. Prudence. Iets met een beha zonder geduld. Ik bedankte, wou geen koffie, gooide boterhammen, hesp en kaas, alles door het raam. Daar ligt een dooie mus, heb ik gezegd. Het was goed bedoeld van haar. Ze zocht een restje jongensbloed op de bodem van een yoghurtpotje. Ik zei dat Godot blind geworden is, tast en aards gevoel zelfs kwijt is, dat hij op een zwarte ezel zit, die van Buridanus, ergens in een Spaanse steppe waar de wieken roest en wankel zijn en dat die ezel nog niet kiezen kon, tussen de rust van de dood en de leegte van het niets.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
13 2

Brief aan mezelf

Gisteren was heel hard binnengekomen.  Het deed me beseffen dat ik helemaal niet goed bezig ben, dat ik me helemaal niet “goed” voel als mensen vragen hoe het gaat.  Het deed me beseffen dat ik 5j geleden gewoon terug alles in een kastje heb gestoken, op slot, dat ik terug ben beginnen door doen maar dat alles daar gewoon nog zit + nog een heleboel andere gebeurtenissen en gevoelens.  Het deed me beseffen dat ik misschien wel niet ongelukkig ben in onze relatie of in ons huis of in mijn werk,... maar dat ik gewoon ongelukkig ben met mezelf, hoe ik mij voel.  Ik ben terug beginnen doordoen, voor de kindjes, het huishouden, jou, en mezelf heb ik genegeerd, om niet te moeten voelen of zien.  Maar het is fout, ik was fout. Ik legde de fouten bij anderen maar moest ze eigenlijk bij mezelf zoeken en leggen.  Ik reageerde het uit op jou, of op de kindjes, terwijl jullie alleen maar er zijn, lief zijn, willen helpen en goed doen. Maar zo zie ik het niet; zo zag ik het niet.  Ik heb nog steeds zoveel schrik, zoveel angst, het is zo groots dat ik er niet overheen kan.  Het verlamd me maar ik doe door om het niet te moeten voelen, om niet te hoeven denken.  Terwijl het daar nog steeds zit, na al die jaren, als een dier op de loer voor zijn prooi.  Zo voel ik me ook, gevangen, in mezelf. En niet in andere rollen zoals ik mezelf wil laten geloven.  Ik mag het niet bij anderen leggen of situaties leggen, want het ligt in mezelf.  Ik wil er aan werken, maar het is moeilijk, maar ik hoop dat ik kan zeggen, i did it, niet nu, niet morgen, maar op de dag dat ik er klaar voor ben, op de dag dat ik terug kan genieten, genieten van het kleine, van het niets.   Nu kan ik het niet, ik moet steeds vooruit in mijn hoofd. Kan niet genieten van momenten, want mijn hoofd blijft draaien, blijft vooruit lopen, om niet te moeten voelen.  Ook al wil ik genieten, en er echt zijn. Ik denk er ook te zijn, maar ik ben er niet. Nog niet.  Ik hoop dat ik het kan.  Ik hoop dat ik kan wakker worden & zeggen, ik ben blij dat ik hier mag zijn. Dat ik kan zeggen, ik geniet van elke zonnestraal.  Ik probeer, en dat is voor nu al een hele berg. 

Maud
29 1

Piet Hein is een walrus

  Mijn lintzaagje is kapot. Het is een tafelmodel, 400 watt, van Taiwanese makelij. Er zit een slag in het bovenwiel. Het is danig erg dat het motortje het zaagblad niet meer rond krijgt. Het ding moet gevallen zijn. Ik weet wel wie dit op zijn kerfstok heeft. Hij die altijd zaagt of ik zijn krukken niet kan aanpassen. Machines zijn niet voor manke pinguins. Hij moet er met zijn fikken afblijven. Ik krijg hem wel de kreupele of misschien is het Tanguy. Die zieke hond die zonder gêne mensenbrokken freet . Hij die de ganse nacht naar krolse katten blaft. Tanguy smekt als een Vietnamees hangbuikzwijn en ik heb drie dierentuinen aangeschreven. Twee hebben niet geantwoord en de derde liet me weten dat hun koterijen veel te proper zijn voor hem. Dus loopt hij hier nog rond, met zijn walruskop en schril gezang over Piet Hein. Ook die met zijn scheve steunstokken kan maar beter oprotten en soms kan een liedje van The Beatles mij kalmeren. Er zit een ganse playlist in mijn hoofd. Geen noot zit scheef, geen woord ontbreekt. Vandaag echter geen vakantie in Cambodja en Parijs werd niet wakker om vijf uur. Het was veel vroeger. De embryo's van dromen in potjes zijn uitgegroeid tot ware gedrochten, met tentakels schier onmogelijk lang. Het lijkt alsof een viswijf met uitgerokken inktvisdrendels staat te gooien op een ontaarde vrijdagmarkt en ik moet er telkens heen, naar die beroerde foor, altijd eerst door de poort van een walviskerkhof om dan gans aan de ander kant van die viezeluchtbazaar 300 gram garnalen te kopen voor mijn moeder. De grijsroze beestjes zitten altijd in een bruin zakje en Francesco Van Bezien is een notaris uit Blankenberge. Hij heeft Oeigoerse roots. Volgens Prudence, die in Blankenberge een zeilbootje liggen heeft, is hij ooit geadopteerd door uitbaters van een frietkot op de Zeedijk. Mr Van Bezien heeft mij een brief gestuurd. Allicht in verband met de nalatenschap van Katja. Ik durf de envelop niet te openen. Trouwens, ik wil eerst mijn lintzaagje repareren. Ik moet en ga straks een nieuw bovenwiel kopen. Als Prudence het toelaat en gelukkig is er aan De Blauwe Toren een winkeltje van een genie. Hij heeft een hemels arsenaal aan onderdelen, voor de reparatie van eender welke mekaniek. Geheid zou de wereld morgen stilstaan zonder hem, zonder al zijn wisselstukken. En toch had Simbad de Zeeman geen kompas nodig, zemelt de kreupele. Hij is als een deus ex machina verschenen in mijn kamer. Hij vraagt hoe het staat met mijn houten vogel. Ik ging vandaag veren zagen uit berkenbast, zeg ik. Het is Prudence, mummelt de kreupele, ze kan soms ferm door drift gebeten zijn. Ze durft het niet te zeggen, hoe het precies gebeurd is. Iets met een verdwaalde naaktslak, die een walrus bleek te zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
9 1

Banaan in m'n oor

De telefoon gaat. Mijn vriend gebaart nog dat ik niet moet opnemen hier, maar nieuwsgierig dat ik ben.... ‘Mevrouw, u spreekt met Michiel Jacobs van Energierijk Nederland. Bel ik gelegen?’  ‘Nou, ik ben eigenlijk in de dierentuin’, zeg ik naar waarheid.  ‘Dan heb ik een mooie aanbieding voor u.’ De logica ontgaat mij. 'Wanneer bent u voor het laatst overgestapt?'  ‘Meneer, ik ben toevallig vorige week nog overgestapt’, galm ik inmiddels, maar wel weer naar waarheid, door de nachtverblijven van de Bonobo Experience die, tussen haakjes, te bezichtigen zijn tot de echte bewoners komen in oktober. Mensen staren geërgerd naar mij en mijn dominante mobiele stoorzender. Mijn vriend heeft zich inmiddels van mij gedistantieerd door in de kooi ernaast te gaan staan alsof hij tot een andere primaat hoort. ‘Ik heb een goeie reden waarom u weer kunt overstappen.’, babbelt Michiel energiek verder. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is om wekelijks over te stappen. ‘Meneer, ik heb geen interesse én geen tijd’, maar aan de andere kant van de lijn kakelt Michiel onophoudelijk door. Wat ik zeg doet er niet toe. Brutale aap. Midden in zijn geratel hang ik plotseling op. Dat heb ik nooit eerder bij een telemarketeer gedaan, maar Michiel was mij teveel op dreef en ik voel me aardig door hem voor aap gezet. Ineens realiseer ik me dat, hoewel het bonoboverblijf nog niet officieel geopend en in gebruik is, de eerste in zijn soort blijkbaar al gearriveerd is.

Annemagenta
10 0

Hedde tal gehoord?

Patje zit aan den toog van café ‘De Pelikaan’ en is in gesprek met Debby de cafébazin. P.:  ‘Hedde tal gehoord?’ D.:  ‘Wa?’ P.: ‘Verleden dinsdag zat ik bij Simonneke op café. Ineens stormt daar een grote rat de frituur van dikke Guy langs achter buiten recht het café binnen. Da was daar een gekweek en een gedoe. Een geroep en een getier. Simmoneke die wier zot. De Laenen zat er me nen borstel achteraan.’ D.: ‘En? Speelde dieje het kleer?’ P.: ‘Neen, tuurlijk nie. Ge meugt gerust zen. Aloïs begon al lelijk te doen. Die zijn keers was bijna uit. Tripel van Westmalle die kunnen daar nie tegen.’ D.: ‘Zuiver voor de commerce. Ik weet ikke  ook wel da’s in café ‘De Volksvriend” worden opgedaan. Zuiver voor de commerce.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Da’s iet aarig ze, een rat. Goe zat allemaal. De Laenen is van z’n kruk gevallen. Da was t’een en t’ander. Gusje zat Simonneke te plagen. Die zei “Aa gezaag zal sebiet wel gedaan zijn zeker?” D.: ‘Groot gelijk. Simonneke hee meestal groot gelijk.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Goei bazin!’ D.: ‘Vleeje week hee die nog gebeld. Het vat was af. Ze vroeg of we konnen ruilen. Nen de Koninck veur nen Golding Campina. Ik zei nog: “Rolt er nie mee of ge ga wa voorhebben, hé.” Dieje loempe van de vakbond van z’n kloten maken. Veul te zwaar. P.: ‘Allez! Op ne werkdag lopen ze al met een vat van teen café naar tander, oep ne werkdag. Den dag van heden mag da dallemaal zeker?’ P.: ‘Hedde tal gehoord?’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘De Léon is bekan me visbak enal de vort ingeduikelt. Voorover, recht erin, bekan.’ D.: ‘Da maakte mij nie wijs.’ P.: ‘Dieje kan nie vissen met den haak. Nen dikke meerval, genne snoek. Verkeerd aas. Hoe loemp kunde na zen?’ D.: ‘Tja, dieje kan nie vissen.’ P.: ‘De miserie van een ander, daar zen we nie mee gediend.’ P.: ‘Iet anders.’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘Café ‘Arizona’ was gisteren om drei uur nog open. Dikke corona-boet.’ D.: ‘Echt?’ P.: ‘Ge meugt gerust zen. Hedde tal gehoord?’ D.: ‘Wa?’ P.: ‘Karel hee nen nieve caravan. As Linda het kraantje in da keukentje openzette begon toilet te loepen. Da darmpke zat verkeerd. Iet later stond de schuif onder de poempbak, met bestek, ge wet wel, helemaal vol water. Linda vloeken. Vloeken da die dee zei Karel. Hij heet er al veel zever meegehad. Karel moet na wel naar de keuring want dieje nieve weegt meer dan zeuven honderd kilogram. Karel en Linda hemme chance gehad da ze in Hühnerscheid genne regen hemme gehad. Da’s Luxemburg nie ver van Bastogne. Ullie Kelly had greppeltjes gegraven. Hoe loemp kunde na zen? Veurige keer hadden ze regenweer. Niks dan modder. Klote weer en problemen met gasvuur. Een steekvlam van zeker drei meter.’ D.: ‘Allez.’ P.: ‘Da darmpke zat verkeerd. Bekan heel de voortent weg. Da’s nylon hé, da zeil. Karel had nog nooit zoveul sigaretten meegebracht. Die camions konnen allemaal aan de kant. Met ne caravan konde gewoon door. Karel zei wel dat de Opel Zafira wa aant verslijten is. Linda zei dat geld op is.’ D.: ‘Allez.’ P.: ‘ Ge meugt gerust zen.’ D.: ‘Ik hem horen zeggen dat die van de Flor tegen haar kippen prat?’ P.: ‘Och, serieus.’ D.: ‘Die is zo zot as een mus.’ P.: ‘Ge meugt gerust zen.’  

Hubert Grimmelt
7 1
Tip

Middernacht Express

DIT IS HET GEHEIME DAGBOEK VAN VLADIMIR DE NEGENDE   Donderdag, Elf uur ‘s avonds. Dat wil zeggen dat je hier niet in mag lezen, wijsneus. Veel interessants gebeurt er toch niet in dit dagboek. Ik vertel alleen maar hoeveel centimeter mijn zonnebloemen gegroeid zijn sinds vorige week, welke zwembroeken er dit jaar in de mode zijn en hoe ik mijn haar wil invlechten… Oké, nu mijn vader het alvast heeft opgegeven, kan ik met een gerust hart in dit schrift schrijven. Er moet me namelijk écht iets van het hart. Iets wat ik altijd al vind als de zomer er weer aankomt, maar wat ik de laatste weken echt wel van de daken zou willen schreeuwen. Ik ga het gewoon doen. Houd je vast. WAT HEB IK TOCH EEN HEKEL AAN DE NACHTTREIN!!! Zo. Mijn vader zou zich omdraaien in zijn slaapkist als hij het las, maar het is echt waar. De idioot die bedacht heeft dat een nachttrein een fantastisch idee is, die mag van mij eens een hele nacht meereizen met zo’n wagon snurkerds en stinkerds. “Ooh”, zei mijn vader in het begin van de zomer, “het is echt het per-fecte vakantiebaantje voor jou, Vlad. Je wil toch altijd zo graag weg van huis? Dit is je kans!” En hij lachte zijn vlijmscherpe hoektanden bloot, dus ik wist dat ik al verloren had. Ik wil inderdaad graag weg van huis. Als je denkt dat het een pretje is om in een vochtig, somber kasteel te wonen, dan heb je het goed mis. De helft van de tijd kom ik te laat voor het avondeten omdat de kaarsen weer uitgewaaid zijn, en de laatste keer dat ons toilet doorspoelde zonder er een emmer water doorheen te jagen is alweer even geleden. Probeer in zo’n huis maar eens zonnebloemen te kweken, wat toevallig mijn favoriete hobby is! “Maar vader”, protesteerde ik, “kan ik niet mee op de dagtrein? Dat lijkt me veel leuk-” Ik zweeg maar snel, want mijn vader werd nog bleker dan hij normaal al is (en dat is héél bleek). “Vlad”, spatte hij kwaad. Neem dat ‘spatte’ trouwens maar letterlijk, want het speeksel vloog de hele kamer door. Ik deed een stapje achteruit, maar kon niet verhinderen dat ik nattigheid in mijn gezicht voelde. Ik hoopte maar dat hij zijn hoektanden gepoetst had. “Vlad”, begon mijn vader opnieuw, “ik wil dat je ophoudt over die godvergeten dagtrein!” Hij sloeg zijn vuist op tafel, zo kwaad was hij. “Het zou een schande voor de familie zijn als een Vladimir, de negende dan nog wel, daar ging werken! Er is nog nooit- ik kan niet- onmogelijk-” Sputterend maakte hij grote armgebaren. Ik besloot me snel uit de voeten te maken, voor hij zijn woorden weer zou vinden en me als straf toiletpoetser van de nachttrein zou maken. Dus hier zit ik nu, mijn zevende dag als conducteur op de nachttrein. Het is niet zo erg als ik me op voorhand had voorgesteld. Nee. Het is NOG VEEL ERGER!!! Volgens mijn vader is het onmogelijk om bang te zijn in het donker als je naam Vladimir is. Volgens mij heet ik dan stiekem Truusje, want ik ben niet gewoon bang in het donker, ik ben DOODSBANG in het donker.  Twee keer raden wanneer de nachttrein rijdt. Juist! ‘s Nachts natuurlijk, en dat betekent dat het pikkedonker is buiten. Die trein raast een hele nacht door een landschap vol prachtige bomen, planten en rivieren, maar we zien er geen sikkepit van. Het enige wat ik zie is flarden mist, de weerspiegeling van mijn gezicht die me telkens de stuipen op het lijf jaagt (wie is die enge figuur - oh ja.) en verder. Helemaal. Niets. Je zou denken dat je niet bang hoeft te zijn als je niets ziet, maar bedenk je maar snel. Het is net veel makkelijker om bang te zijn als je helemaal niets ziet, want dan weet je niet wie je in het duister staat op te wachten, bijvoorbeeld… Oh. Eén van de passagiers heeft me nodig. Kwart voor twaalf ‘s avonds. Zo. Het was uiteraard Micheline, die haar oordopjes niet in haar oren kreeg. Heb je ooit al eens oordopjes vol oorsmeer in de oren van een oude vrouw - ook vol oorsmeer - proberen proppen? Nee? Nou, dan ben je vast geen conducteur op de Middernacht Express. Maar! Er is een lichtpuntje aan de horizon. Vorige week was ik jarig, en ik zeur al ja-ren om een uitstapje naar zee. Het lijkt me fantastisch om een hele dag te zonnebaden, in een hemdje met bloemen op, met een drankje onder een parasol. Ik kan de zee al ruiken als ik eraan denk… Nou ja, niet echt, want ik ben nog nooit aan zee geweest, dus ik weet helemaal niet hoe die ruikt. Hopelijk niet naar oorsmeer. Gisteravond vroeg mijn vader wat ik nog wilde als verjaardagscadeau (ik denk dat hij gezien had dat ik het lego-kerkhof nog niet aangeraakt had). “Niet over de zee beginnen zeuren”, voegde hij er nogal bars aan toe, “ik heb geen idee wat je daar zou willen. Bloemen en de zon…” Er trok een rilling door hem heen, alsof ik had verteld dat ik professioneel flatgebouwduiker wilde worden (lijkt me ook wel cool - maar enkel als het licht is). Ik haalde mijn schouders op - er was helemaal niets anders wat ik wilde! Maar toen kreeg ik een plannetje. Een geniaal plannetje, al zeg ik het zelf. “Goh”, deed ik gemaakt nonchalant, “ik weet het niet, ik wil misschien… wel een ritje op de dagtrein.” De dagtrein rijdt namelijk het hele land door, door zonovergoten dalen en over besneeuwde bergtoppen. En de eindhalte is… aan zee. Het lijkt me heerlijk om dat eens in het echt te zien! Mijn vader zuchtte zo luid dat het servet naast zijn bord de tafel over duikelde en bijna in mijn soepbord landde. Ik schoof het voorzichtig een beetje op. “Vladimir”, begon hij, “wat ben je toch een raar kind.” Ik zei niets, want dat wist ik al. Mijn vader had natuurlijk liever een zoon gehad die net als hij van graftochten en beenderbiljart hield. Wat moest hij met een zoon wiens grootste droom een bloemenwinkel aan het strand was? “Goed”, zei hij toen luid. “Als jij je werk op de nachttrein deze week uitmuntend doet, dan mag je misschien - misschien zei ik stop met huppelen - mee op de dagtrein. Eén keertje maar.” Ik denk dat hij dacht dat ik het werk op de trein toch niet zou kunnen. Vanwege het donker, en zo. Maar ondertussen zijn we donderdag, en het is al elke dag goed gegaan. Nog één keer, en ik heb mijn ritje op de dagtrein verdiend! Het zou dus toch nog wel een leuke zomervakantie kunnen worden - oh, we stoppen. Huh? Waarom stoppen we? Het is nog zeker twee uur rijden tot de eindhalte! Vrijdag, Half één ‘s nachts Ik heb te vroeg victorie gekraaid. Ik heb gekakeld voordat het ei er was, mijn hoogmoed is voor de val gekomen en het vel van de beer had ik al verkocht nog voor het gestroopt was. Het is een ramp!!!! Dit komt vast nooit meer goed. Ik ben zo overstuur dat ik het liefst tien pagina’s van dit dagboek vol uitroeptekens zou schrijven, maar daar krijg ik vast nog pijn in mijn hand van ook, dus laat ik dat maar niet doen. Welk drama er heeft plaatsgevonden? Voorlopig eigenlijk nog geen, maar ik kan elk moment verdwijnen. Of gespiest worden. Of… Eender welk snood plan er hier gaande is. Oh, de horror! Ik had het moeten weten van zodra ik de gasten deze avond aan boord liet. Dat is namelijk mijn taak: van zodra de deuren van de nachttrein krakend openschuiven, sta ik op het perron en zeg vriendelijk tegen iedereen: “Goedenavond, mag ik uw vervoersbewijs even zien, alsjeblieft?” Mensen vinden het leuk om verwelkomd te worden, maar eigenlijk doe ik dat om nog eens te herhalen op welke plaats ze moeten gaan zitten. De passagiers hebben er een handje van weg om gewoon een coupé uit te kiezen die hen wel leuk lijkt, zonder er acht op te slaan of iemand die gereserveerd had. Goed. Ik wijk af. Normaal gezien rijden er vooral saaie mensen mee op de nachttrein. Mensen die al even kleurloos en weinig opgewekt zijn als mijn kasteel - daarom nemen ze waarschijnlijk de Middernacht Express, die al tientallen jaren bezit is van mijn vaders familie. En ook van de mijne, als ik er even over nadenk, al denk ik toch dat ik voor dat cadeautje maar bedank als het zover is. Vanavond? Vanavond zit er niet één saai persoon op de trein. Niemand! Toen de deur van de conducteurswagon openzoefde, stond er al een klein, dik vrouwtje te wachten. “Hallo mevrouw Bobbel”, zei ik beleefd. Mevrouw Bobbel is een vaste klant. Op zich doet ze geen vlieg kwaad, maar ze heeft nogal specifieke wensen wat betreft haar naam. Zoals elke avond keek ze me hooghartig aan. “Je weet best, Vladimir”, wees ze me terecht, “dat het niet BOB-bel is, maar Bob-BEL. Dat klinkt veel chiquer.” En weg was ze, parmantig paraderend door het gangpad. Waarschijnlijk zou ze zoals elke avond de duurste gerechten van de nachtkaart bestellen, een halve fles wijn soldaat maken en dan luid snurkend in slaap vallen. Ze doet niks verkeerd, maar heel aangenaam is ze ook niet. Ik weet eigenlijk niet waar ze elke nacht naartoe reist, maar het zou me niet verbazen als het iets te maken had met gouden vorken, strenge regels en andere dametjes. Een wedstrijd doen-alsof-je-iets-ruikt-dat-heel-erg-stinkt, misschien? “Zo, die heeft ook een aardappel ingeslikt”, klonk een vrolijke stem naast mij. Ik draaide me om om haar ticket af te stempelen, en toen voelde ik mijn maag tot aan mijn knieën zakken. Het meisje had mijn leeftijd, bruine krullen die je volgens mij enkel krijgt als je je vingers in het stopcontact steekt, en een beugel. Leuk, zou je denken, een leeftijdsgenootje op de trein. Maar Severien - want zo heet ze - kneep haar ogen fijn toen ze me zag en glimlachte als een wolf die zijn prooi voor die avond gevonden had.  “Vladimir”, kirde ze, “wat toevallig dat ik jou hier zie. Kleine wereld, toch?” “Niet bepaald”, mompelde ik, “gezien je twee bergen verder woont.” Dat negeerde ze. Zo ken ik Severien. Ze tikte haar nagel tegen de bronzen knoop van mijn conducteursuniform. “Wat zie je er schattig uit.” “Severien…” Ik slaakte een zucht. “Ik weet dat je me niet moet, maar kunnen we…” “Jouw vader is een vampier”, glimlachte ze fijntjes, alsof dat er iets toe zou doen. Verontwaardigd keek ik haar aan. Mijn vader een vampier? Waar haalde ze zulke klinkklare onzin vandaan?  Mijn vader woont in een duister kasteel, slaapt in een kist en haat knoflook. Is hij daarom meteen een vampier? Wat een vooroordelen! Oké, hij is een vampier. Maar dat weet zij niet. “Coupé 2”, deelde ik haar ijzig mee, en trok het strookje zo hard van haar ticket dat de snippers bijna in haar krullen landden.  Daarna kwam Micheline, een vrouwtje dat mijn oma zou kunnen zijn. Of nou ja, misschien mijn over-over-over-overgrootmoeder, want zo ziet ze er wel uit. Ze loopt helemaal krom, met een wandelstok die eruitziet alsof ze hem ook tijdens beenderbiljart zou kunnen gebruiken, en een brilletje op haar neus waarmee ze nog steeds stekeblind is. Ik kende haar wel: ze kwam soms ‘s zondags op de thee, met koekjes die ze heeft gebakken toen ze nog geen rimpels had, denk ik. “Zeg, kereltje, kan je mij niet even helpen dragen?” Nauwelijks had ik Micheline naar haar coupé gebracht, of ik werd al geroepen door de volgende passagier. Meteen werd ik bedolven onder zoveel koffers, dat ik maar een glimp van hem kon opvangen. Een krullerige snor, groen kostuum en zweetparels op een breed voorhoofd. En heel veel spullen, dacht ik wrang. Ik telde zeker zeven koffers, die allemaal naar de laatste coupé van de trein gesleept moesten worden. Meneer zelf was natuurlijk al opgestapt, want dat deed de conducteur wel even. De laatste passagiers waren een stel kinderen dat rollebollend het perron opkwam. Ze deden een wedstrijdje om-ter-verst-koprollen, vertelde hun moeder buiten adem, en ze hielden het al vol sinds gisterochtend. Ik moet toegeven dat ik ontzag heb voor zo’n sterke maagjes. “Ik ben eerst!” krijste het jongetje van zodra hij aan mijn voeten landde. “Nietes, ik was sneller!” Het meisje sprong overeind. “Je hebt valsgespeeld!” “Hoe zou ik nu kunnen valsspelen met koprollen?” Driftig trok de jongen aan zijn zus’ vlecht. Hun moeder zuchtte luid. “Pjotr en Pjotrina, zo is het wel genoeg geweest.” Ja, Pjotr en Pjotrina. Ze zouden hun moeder moeten opsluiten. “Maar hij speelt vals!” “Zij stinkt!” “Coupé vier alsjeblieft”,  onderbrak ik haastig, en scheurde hun ticket zo snel dat ik het bijna liet vliegen. De moeder tilde haar twee kinderen elk onder een arm en sleurde hen, nog steeds luid protesterend, de trein op. Het leek dus een behoorlijk bewogen ritje te worden, maar na het avondeten trok iedereen zich tot mijn verbazing rustig terug in zijn coupé, en al snel klonk er door de hele gang gesnurk. Ik ruimde de vuile borden af, blies de kaarsen uit in de restaurantwagon, en daarna nestelde ik me met dit dagboek op mijn eigen plekje in de gang. Zo was ik voor iedereen bereikbaar. Het zag ernaar uit dat we zonder kleerscheuren op onze bestemming zouden aankomen, en dat ik daarna met een stille, lege trein terug naar het startstation kon terug rijden. Ik keek al uit naar mijn tripje op de dagtrein… en toen stond onze trein plots stil. Raar, natuurlijk, want de aankomst van de nachttrein is maar rond twee uur ‘s nachts voorzien. Misschien moest de machinist heel dringend naar de wc? Het duurde maar een paar tellen vooraleer de deur van mevrouw Bobbels coupé openzwaaide en ze haar neus naar buiten stak. “Waarom staan we stil? Ik was net aan mijn schoonheidsslaapje begonnen!” “Eh… Slaapt u rustig verder, mevrouw Bobbel, ik ga wel even bij de machinist luisteren.” “Bob-BEL, bedoel je! Het is Bob-BEL.” “Waar is er een bobbel? Ik wil koprollen over de bobbel!” Dat was Pjotrina, die de deur van hun coupé ook open had gesleurd en nu overtuigd de gang door rolde. “Stop”, zei ik, “daar word je wagenziek van.” “Maar ik ben aan het winnen!”  Haar broer, die ook de gang was in gekomen, begon al luidkeels te protesteren, maar toen vloog de deur van de machinist open en werden we allemaal stil.  Pros, de machinist, kwam naar buiten gestrompeld met een gelaatskleur die me aan halfgebakken pannenkoeken deed denken. Zijn ogen waren wijd opengesperd, en hij kreeg niet meer gezegd dan: “Daar… daar.. Daar!”  “Wat is er, Pros?” vroeg ik snel. “Ja, man!” riep de man in het groene pak, die nu ook in de gang stond. “Waarom rijden we niet? We hebben toch zeker genoeg betaald voor dit ritje?”  Pros negeerde hem en liet zich langzaam op mijn conducteursstoeltje zakken. Nu is Pros een eerder gezette man en ben ik een schriel jongetje, dus het stoeltje kraakte vervaarlijk langs alle kanten. Foute boel, dacht ik. Als ik dit niet snel oploste, dan kwamen er problemen en dan kon ik wel fluiten naar mijn ritje op de dagtrein. “Pros”, zei ik dus streng. Ik knielde naast hem neer en prikte hard in zijn knie. Hij keek me verdwaasd aan, alsof hij van heel erg ver weg kwam. “Pros, wat is er aan de hand? Waarom rijden we niet?” “Daarbuiten”, fluisterde hij schor. Zijn lippen beefden. “Er is iemand daarbuiten.” “Oooh, het is een mysterie”, verlekkerde Severien zich alvast. “Wat heerlijk. Ik houd van mysteries! Misschien moet er iemand Micheline wakker maken, zodat ze niks van de sensatie mist.” “Nee, ik denk niet dat dat…,” begon ik, maar Pjotr was al zo hard als hij kon tegen Michelines deur aan het koprollen. Ik kreunde en liet mijn hoofd tegen de koude treinwand hangen. Het zou nog een lange, lange nacht worden. De passagiers waren het er al gauw over eens dat ik maar moest gaan kijken wat er buiten de trein aan de hand was. “Maar dat is mijn taak niet”, protesteerde ik, “ik moet ìn de trein zijn!” “Hij durft niet”, kakelde Severien, “Vlad is een bangerik!” Dat vond de tweeling natuurlijk geweldig, en ze begonnen meteen koprollend door de gang te krijsen: “Bange Vlad, bange Vlad, bange Vlad!” De man in het groene pak begon weer te zeuren over zijn ticket, en dat er beloofd was dat de trein zeker op tijd zou komen. Mevrouw Bobbel stond het allemaal gade te slaan met een blik alsof ze net per ongeluk in een rotte pruim had gebeten, en Micheline was met geen stokken wakker te krijgen. Letterlijk, bedoel ik dat: de tweeling had haar net zo lang gepord met haar wandelstok tot ze het spelletje niet leuk meer vonden. “Goed, goed”, knarsetandde ik, “ik ga al. Laat me even mijn jas aantrekken, zodat ik in elk geval niet vast vries aan de sporen.” Dus dat ben ik nu aan het doen. Mijn ‘jas aan het aantrekken.’ Dagboek, als ik daarbuiten zo meteen word opgegeten door een wilde beer, word achternagezeten door een zombieleger of het moet afleggen tegen een bende moordzuchtige konijnen… Het was fijn je gekend te hebben.

Anke Vandoolaeghe
122 2