Lezen

Tip

Middernacht Express

DIT IS HET GEHEIME DAGBOEK VAN VLADIMIR DE NEGENDE   Donderdag, Elf uur ‘s avonds. Dat wil zeggen dat je hier niet in mag lezen, wijsneus. Veel interessants gebeurt er toch niet in dit dagboek. Ik vertel alleen maar hoeveel centimeter mijn zonnebloemen gegroeid zijn sinds vorige week, welke zwembroeken er dit jaar in de mode zijn en hoe ik mijn haar wil invlechten… Oké, nu mijn vader het alvast heeft opgegeven, kan ik met een gerust hart in dit schrift schrijven. Er moet me namelijk écht iets van het hart. Iets wat ik altijd al vind als de zomer er weer aankomt, maar wat ik de laatste weken echt wel van de daken zou willen schreeuwen. Ik ga het gewoon doen. Houd je vast. WAT HEB IK TOCH EEN HEKEL AAN DE NACHTTREIN!!! Zo. Mijn vader zou zich omdraaien in zijn slaapkist als hij het las, maar het is echt waar. De idioot die bedacht heeft dat een nachttrein een fantastisch idee is, die mag van mij eens een hele nacht meereizen met zo’n wagon snurkerds en stinkerds. “Ooh”, zei mijn vader in het begin van de zomer, “het is echt het per-fecte vakantiebaantje voor jou, Vlad. Je wil toch altijd zo graag weg van huis? Dit is je kans!” En hij lachte zijn vlijmscherpe hoektanden bloot, dus ik wist dat ik al verloren had. Ik wil inderdaad graag weg van huis. Als je denkt dat het een pretje is om in een vochtig, somber kasteel te wonen, dan heb je het goed mis. De helft van de tijd kom ik te laat voor het avondeten omdat de kaarsen weer uitgewaaid zijn, en de laatste keer dat ons toilet doorspoelde zonder er een emmer water doorheen te jagen is alweer even geleden. Probeer in zo’n huis maar eens zonnebloemen te kweken, wat toevallig mijn favoriete hobby is! “Maar vader”, protesteerde ik, “kan ik niet mee op de dagtrein? Dat lijkt me veel leuk-” Ik zweeg maar snel, want mijn vader werd nog bleker dan hij normaal al is (en dat is héél bleek). “Vlad”, spatte hij kwaad. Neem dat ‘spatte’ trouwens maar letterlijk, want het speeksel vloog de hele kamer door. Ik deed een stapje achteruit, maar kon niet verhinderen dat ik nattigheid in mijn gezicht voelde. Ik hoopte maar dat hij zijn hoektanden gepoetst had. “Vlad”, begon mijn vader opnieuw, “ik wil dat je ophoudt over die godvergeten dagtrein!” Hij sloeg zijn vuist op tafel, zo kwaad was hij. “Het zou een schande voor de familie zijn als een Vladimir, de negende dan nog wel, daar ging werken! Er is nog nooit- ik kan niet- onmogelijk-” Sputterend maakte hij grote armgebaren. Ik besloot me snel uit de voeten te maken, voor hij zijn woorden weer zou vinden en me als straf toiletpoetser van de nachttrein zou maken. Dus hier zit ik nu, mijn zevende dag als conducteur op de nachttrein. Het is niet zo erg als ik me op voorhand had voorgesteld. Nee. Het is NOG VEEL ERGER!!! Volgens mijn vader is het onmogelijk om bang te zijn in het donker als je naam Vladimir is. Volgens mij heet ik dan stiekem Truusje, want ik ben niet gewoon bang in het donker, ik ben DOODSBANG in het donker.  Twee keer raden wanneer de nachttrein rijdt. Juist! ‘s Nachts natuurlijk, en dat betekent dat het pikkedonker is buiten. Die trein raast een hele nacht door een landschap vol prachtige bomen, planten en rivieren, maar we zien er geen sikkepit van. Het enige wat ik zie is flarden mist, de weerspiegeling van mijn gezicht die me telkens de stuipen op het lijf jaagt (wie is die enge figuur - oh ja.) en verder. Helemaal. Niets. Je zou denken dat je niet bang hoeft te zijn als je niets ziet, maar bedenk je maar snel. Het is net veel makkelijker om bang te zijn als je helemaal niets ziet, want dan weet je niet wie je in het duister staat op te wachten, bijvoorbeeld… Oh. Eén van de passagiers heeft me nodig. Kwart voor twaalf ‘s avonds. Zo. Het was uiteraard Micheline, die haar oordopjes niet in haar oren kreeg. Heb je ooit al eens oordopjes vol oorsmeer in de oren van een oude vrouw - ook vol oorsmeer - proberen proppen? Nee? Nou, dan ben je vast geen conducteur op de Middernacht Express. Maar! Er is een lichtpuntje aan de horizon. Vorige week was ik jarig, en ik zeur al ja-ren om een uitstapje naar zee. Het lijkt me fantastisch om een hele dag te zonnebaden, in een hemdje met bloemen op, met een drankje onder een parasol. Ik kan de zee al ruiken als ik eraan denk… Nou ja, niet echt, want ik ben nog nooit aan zee geweest, dus ik weet helemaal niet hoe die ruikt. Hopelijk niet naar oorsmeer. Gisteravond vroeg mijn vader wat ik nog wilde als verjaardagscadeau (ik denk dat hij gezien had dat ik het lego-kerkhof nog niet aangeraakt had). “Niet over de zee beginnen zeuren”, voegde hij er nogal bars aan toe, “ik heb geen idee wat je daar zou willen. Bloemen en de zon…” Er trok een rilling door hem heen, alsof ik had verteld dat ik professioneel flatgebouwduiker wilde worden (lijkt me ook wel cool - maar enkel als het licht is). Ik haalde mijn schouders op - er was helemaal niets anders wat ik wilde! Maar toen kreeg ik een plannetje. Een geniaal plannetje, al zeg ik het zelf. “Goh”, deed ik gemaakt nonchalant, “ik weet het niet, ik wil misschien… wel een ritje op de dagtrein.” De dagtrein rijdt namelijk het hele land door, door zonovergoten dalen en over besneeuwde bergtoppen. En de eindhalte is… aan zee. Het lijkt me heerlijk om dat eens in het echt te zien! Mijn vader zuchtte zo luid dat het servet naast zijn bord de tafel over duikelde en bijna in mijn soepbord landde. Ik schoof het voorzichtig een beetje op. “Vladimir”, begon hij, “wat ben je toch een raar kind.” Ik zei niets, want dat wist ik al. Mijn vader had natuurlijk liever een zoon gehad die net als hij van graftochten en beenderbiljart hield. Wat moest hij met een zoon wiens grootste droom een bloemenwinkel aan het strand was? “Goed”, zei hij toen luid. “Als jij je werk op de nachttrein deze week uitmuntend doet, dan mag je misschien - misschien zei ik stop met huppelen - mee op de dagtrein. Eén keertje maar.” Ik denk dat hij dacht dat ik het werk op de trein toch niet zou kunnen. Vanwege het donker, en zo. Maar ondertussen zijn we donderdag, en het is al elke dag goed gegaan. Nog één keer, en ik heb mijn ritje op de dagtrein verdiend! Het zou dus toch nog wel een leuke zomervakantie kunnen worden - oh, we stoppen. Huh? Waarom stoppen we? Het is nog zeker twee uur rijden tot de eindhalte! Vrijdag, Half één ‘s nachts Ik heb te vroeg victorie gekraaid. Ik heb gekakeld voordat het ei er was, mijn hoogmoed is voor de val gekomen en het vel van de beer had ik al verkocht nog voor het gestroopt was. Het is een ramp!!!! Dit komt vast nooit meer goed. Ik ben zo overstuur dat ik het liefst tien pagina’s van dit dagboek vol uitroeptekens zou schrijven, maar daar krijg ik vast nog pijn in mijn hand van ook, dus laat ik dat maar niet doen. Welk drama er heeft plaatsgevonden? Voorlopig eigenlijk nog geen, maar ik kan elk moment verdwijnen. Of gespiest worden. Of… Eender welk snood plan er hier gaande is. Oh, de horror! Ik had het moeten weten van zodra ik de gasten deze avond aan boord liet. Dat is namelijk mijn taak: van zodra de deuren van de nachttrein krakend openschuiven, sta ik op het perron en zeg vriendelijk tegen iedereen: “Goedenavond, mag ik uw vervoersbewijs even zien, alsjeblieft?” Mensen vinden het leuk om verwelkomd te worden, maar eigenlijk doe ik dat om nog eens te herhalen op welke plaats ze moeten gaan zitten. De passagiers hebben er een handje van weg om gewoon een coupé uit te kiezen die hen wel leuk lijkt, zonder er acht op te slaan of iemand die gereserveerd had. Goed. Ik wijk af. Normaal gezien rijden er vooral saaie mensen mee op de nachttrein. Mensen die al even kleurloos en weinig opgewekt zijn als mijn kasteel - daarom nemen ze waarschijnlijk de Middernacht Express, die al tientallen jaren bezit is van mijn vaders familie. En ook van de mijne, als ik er even over nadenk, al denk ik toch dat ik voor dat cadeautje maar bedank als het zover is. Vanavond? Vanavond zit er niet één saai persoon op de trein. Niemand! Toen de deur van de conducteurswagon openzoefde, stond er al een klein, dik vrouwtje te wachten. “Hallo mevrouw Bobbel”, zei ik beleefd. Mevrouw Bobbel is een vaste klant. Op zich doet ze geen vlieg kwaad, maar ze heeft nogal specifieke wensen wat betreft haar naam. Zoals elke avond keek ze me hooghartig aan. “Je weet best, Vladimir”, wees ze me terecht, “dat het niet BOB-bel is, maar Bob-BEL. Dat klinkt veel chiquer.” En weg was ze, parmantig paraderend door het gangpad. Waarschijnlijk zou ze zoals elke avond de duurste gerechten van de nachtkaart bestellen, een halve fles wijn soldaat maken en dan luid snurkend in slaap vallen. Ze doet niks verkeerd, maar heel aangenaam is ze ook niet. Ik weet eigenlijk niet waar ze elke nacht naartoe reist, maar het zou me niet verbazen als het iets te maken had met gouden vorken, strenge regels en andere dametjes. Een wedstrijd doen-alsof-je-iets-ruikt-dat-heel-erg-stinkt, misschien? “Zo, die heeft ook een aardappel ingeslikt”, klonk een vrolijke stem naast mij. Ik draaide me om om haar ticket af te stempelen, en toen voelde ik mijn maag tot aan mijn knieën zakken. Het meisje had mijn leeftijd, bruine krullen die je volgens mij enkel krijgt als je je vingers in het stopcontact steekt, en een beugel. Leuk, zou je denken, een leeftijdsgenootje op de trein. Maar Severien - want zo heet ze - kneep haar ogen fijn toen ze me zag en glimlachte als een wolf die zijn prooi voor die avond gevonden had.  “Vladimir”, kirde ze, “wat toevallig dat ik jou hier zie. Kleine wereld, toch?” “Niet bepaald”, mompelde ik, “gezien je twee bergen verder woont.” Dat negeerde ze. Zo ken ik Severien. Ze tikte haar nagel tegen de bronzen knoop van mijn conducteursuniform. “Wat zie je er schattig uit.” “Severien…” Ik slaakte een zucht. “Ik weet dat je me niet moet, maar kunnen we…” “Jouw vader is een vampier”, glimlachte ze fijntjes, alsof dat er iets toe zou doen. Verontwaardigd keek ik haar aan. Mijn vader een vampier? Waar haalde ze zulke klinkklare onzin vandaan?  Mijn vader woont in een duister kasteel, slaapt in een kist en haat knoflook. Is hij daarom meteen een vampier? Wat een vooroordelen! Oké, hij is een vampier. Maar dat weet zij niet. “Coupé 2”, deelde ik haar ijzig mee, en trok het strookje zo hard van haar ticket dat de snippers bijna in haar krullen landden.  Daarna kwam Micheline, een vrouwtje dat mijn oma zou kunnen zijn. Of nou ja, misschien mijn over-over-over-overgrootmoeder, want zo ziet ze er wel uit. Ze loopt helemaal krom, met een wandelstok die eruitziet alsof ze hem ook tijdens beenderbiljart zou kunnen gebruiken, en een brilletje op haar neus waarmee ze nog steeds stekeblind is. Ik kende haar wel: ze kwam soms ‘s zondags op de thee, met koekjes die ze heeft gebakken toen ze nog geen rimpels had, denk ik. “Zeg, kereltje, kan je mij niet even helpen dragen?” Nauwelijks had ik Micheline naar haar coupé gebracht, of ik werd al geroepen door de volgende passagier. Meteen werd ik bedolven onder zoveel koffers, dat ik maar een glimp van hem kon opvangen. Een krullerige snor, groen kostuum en zweetparels op een breed voorhoofd. En heel veel spullen, dacht ik wrang. Ik telde zeker zeven koffers, die allemaal naar de laatste coupé van de trein gesleept moesten worden. Meneer zelf was natuurlijk al opgestapt, want dat deed de conducteur wel even. De laatste passagiers waren een stel kinderen dat rollebollend het perron opkwam. Ze deden een wedstrijdje om-ter-verst-koprollen, vertelde hun moeder buiten adem, en ze hielden het al vol sinds gisterochtend. Ik moet toegeven dat ik ontzag heb voor zo’n sterke maagjes. “Ik ben eerst!” krijste het jongetje van zodra hij aan mijn voeten landde. “Nietes, ik was sneller!” Het meisje sprong overeind. “Je hebt valsgespeeld!” “Hoe zou ik nu kunnen valsspelen met koprollen?” Driftig trok de jongen aan zijn zus’ vlecht. Hun moeder zuchtte luid. “Pjotr en Pjotrina, zo is het wel genoeg geweest.” Ja, Pjotr en Pjotrina. Ze zouden hun moeder moeten opsluiten. “Maar hij speelt vals!” “Zij stinkt!” “Coupé vier alsjeblieft”,  onderbrak ik haastig, en scheurde hun ticket zo snel dat ik het bijna liet vliegen. De moeder tilde haar twee kinderen elk onder een arm en sleurde hen, nog steeds luid protesterend, de trein op. Het leek dus een behoorlijk bewogen ritje te worden, maar na het avondeten trok iedereen zich tot mijn verbazing rustig terug in zijn coupé, en al snel klonk er door de hele gang gesnurk. Ik ruimde de vuile borden af, blies de kaarsen uit in de restaurantwagon, en daarna nestelde ik me met dit dagboek op mijn eigen plekje in de gang. Zo was ik voor iedereen bereikbaar. Het zag ernaar uit dat we zonder kleerscheuren op onze bestemming zouden aankomen, en dat ik daarna met een stille, lege trein terug naar het startstation kon terug rijden. Ik keek al uit naar mijn tripje op de dagtrein… en toen stond onze trein plots stil. Raar, natuurlijk, want de aankomst van de nachttrein is maar rond twee uur ‘s nachts voorzien. Misschien moest de machinist heel dringend naar de wc? Het duurde maar een paar tellen vooraleer de deur van mevrouw Bobbels coupé openzwaaide en ze haar neus naar buiten stak. “Waarom staan we stil? Ik was net aan mijn schoonheidsslaapje begonnen!” “Eh… Slaapt u rustig verder, mevrouw Bobbel, ik ga wel even bij de machinist luisteren.” “Bob-BEL, bedoel je! Het is Bob-BEL.” “Waar is er een bobbel? Ik wil koprollen over de bobbel!” Dat was Pjotrina, die de deur van hun coupé ook open had gesleurd en nu overtuigd de gang door rolde. “Stop”, zei ik, “daar word je wagenziek van.” “Maar ik ben aan het winnen!”  Haar broer, die ook de gang was in gekomen, begon al luidkeels te protesteren, maar toen vloog de deur van de machinist open en werden we allemaal stil.  Pros, de machinist, kwam naar buiten gestrompeld met een gelaatskleur die me aan halfgebakken pannenkoeken deed denken. Zijn ogen waren wijd opengesperd, en hij kreeg niet meer gezegd dan: “Daar… daar.. Daar!”  “Wat is er, Pros?” vroeg ik snel. “Ja, man!” riep de man in het groene pak, die nu ook in de gang stond. “Waarom rijden we niet? We hebben toch zeker genoeg betaald voor dit ritje?”  Pros negeerde hem en liet zich langzaam op mijn conducteursstoeltje zakken. Nu is Pros een eerder gezette man en ben ik een schriel jongetje, dus het stoeltje kraakte vervaarlijk langs alle kanten. Foute boel, dacht ik. Als ik dit niet snel oploste, dan kwamen er problemen en dan kon ik wel fluiten naar mijn ritje op de dagtrein. “Pros”, zei ik dus streng. Ik knielde naast hem neer en prikte hard in zijn knie. Hij keek me verdwaasd aan, alsof hij van heel erg ver weg kwam. “Pros, wat is er aan de hand? Waarom rijden we niet?” “Daarbuiten”, fluisterde hij schor. Zijn lippen beefden. “Er is iemand daarbuiten.” “Oooh, het is een mysterie”, verlekkerde Severien zich alvast. “Wat heerlijk. Ik houd van mysteries! Misschien moet er iemand Micheline wakker maken, zodat ze niks van de sensatie mist.” “Nee, ik denk niet dat dat…,” begon ik, maar Pjotr was al zo hard als hij kon tegen Michelines deur aan het koprollen. Ik kreunde en liet mijn hoofd tegen de koude treinwand hangen. Het zou nog een lange, lange nacht worden. De passagiers waren het er al gauw over eens dat ik maar moest gaan kijken wat er buiten de trein aan de hand was. “Maar dat is mijn taak niet”, protesteerde ik, “ik moet ìn de trein zijn!” “Hij durft niet”, kakelde Severien, “Vlad is een bangerik!” Dat vond de tweeling natuurlijk geweldig, en ze begonnen meteen koprollend door de gang te krijsen: “Bange Vlad, bange Vlad, bange Vlad!” De man in het groene pak begon weer te zeuren over zijn ticket, en dat er beloofd was dat de trein zeker op tijd zou komen. Mevrouw Bobbel stond het allemaal gade te slaan met een blik alsof ze net per ongeluk in een rotte pruim had gebeten, en Micheline was met geen stokken wakker te krijgen. Letterlijk, bedoel ik dat: de tweeling had haar net zo lang gepord met haar wandelstok tot ze het spelletje niet leuk meer vonden. “Goed, goed”, knarsetandde ik, “ik ga al. Laat me even mijn jas aantrekken, zodat ik in elk geval niet vast vries aan de sporen.” Dus dat ben ik nu aan het doen. Mijn ‘jas aan het aantrekken.’ Dagboek, als ik daarbuiten zo meteen word opgegeten door een wilde beer, word achternagezeten door een zombieleger of het moet afleggen tegen een bende moordzuchtige konijnen… Het was fijn je gekend te hebben.

Anke Vandoolaeghe
122 2

Viva Leopold II

  Hoe zijn wij in godsnaam in dit land van trammelant beland?  Dit moet een miserabel rijmpje zijn van de kreupele. Hij is in intussen ook opgenomen in de compound. Ja hij, de meestergluurder en gepensioneerd soapregisseur. Zijn ettermuil wordt nu verzorgd door Prudence. Gewoon met azijn. Hij kan zijn mond al iets beter bewegen. Liedjes zingt hij niet meer enkel in zijn hoofd. We moeten allen aanhoren hoe hij denkt Piet Hein te zijn en dat op 21 juli 2017. Vandaag is de grote dag. Prudence wordt na haar proefperiode definitief benoemd tot Hoofdexecuteur der Morele Straffen. Haar stageperiode zit erop. We hebben goedkeurend aanschouwd. Alle opdrachten werden gedwee uitgevoerd. Tanguy werd dagelijks in zijn mortelkuip gezet temidden de rozen en de zon heeft geblaakt als een dolgedraaid brandertje op campinggaz. Hij is echter niet verder dan de tweede graad verbrand geraakt. Zijn kop is zo rood als een tros zieke aalbessen. Hij wordt deftig aangekleed vandaag, voor die beëdiging van Prudence. In de verkleedkast zitten zijn favorieten. De sinterklaasbaard, het stokpaardje en de kepie van Charles de Gaulle, ooit gerat in Parijs. Daarmee heeft Tanguy alles voor zijn Leopold II-persiflage en het was in een museumwinkel, niet ver van het Louvre. Prudence had een paar knoopjes van haar bovenstukje opengezet en naast het Boheemse kruis aan dat frêle kettinkje dacht de verkoper nog meer te kunnen ontdekken. Hij was afgeleid als een Zweedse kok door twee tepeltomaatjes en toen hebben we onze slag geslaan. Sindsdien kunnen we in onze compound elke Franse revue naspelen en Prudence kent er ook wat van. Geen paal te recht, geen bil te wild. Zolang we haar maar niet aanraken. De straffen daarop zijn niet mild. Het is tijd voor de pillen. Anders scheren de straaljagers van Koning Flip weer veel te laag over het dak en gisteren stond hij te schieten. De kreupele met mijn loodsgeweer. Naar twee paragliders. Moet er soms gras gemaaid worden op de wolken? Om diezelfde reden doe ik alles met de hand. Meidoorn snoeien, knotwilgen kortwieken en ook braamslierten trek ik zonder handschoenen uit de taxushaag. Vandaag is de tuin voorbeeldig schoon en de drie klapstoeltjes voor het podium zijn al ingenomen. Tanguy zit links. Voor de zekerheid is zijn torso vastgebonden aan de leuning van zijn stoel. Zoniet, dondert hij eraf. Rechts zit Piet Hein alias de kreupele en ik weet niet hoe hij hier is binnengeraakt, maar in het midden zit mijn vader. Mijn vader kent Tanguy nog van de boogschuttersgilde, dat edele mannenclubje in de Carmersstraat. Sint Sebastiaan zwaait er de scepter. Het is van het gluiperigste tuig dat daar komt en zowel Tanguy als mijn vader zijn driftig fan van Leopold II. Zij dromen ervan om via tunnels van het ene kutje naar het andere te kunnen sluipen. Onderweg boren ze nog een mol in de aars en een regenworm leeft om in tweeën gehakt te worden. Door zo'n benul zijn ze bedorven. Weet je. Voor mij hoeft het niet meer, die inauguratie van Prudence, zeker niet nu mijn vader daar zit. Ik heb mijn hand al opgestoken toen ze voorbijkwam. Ze duwde weer dat inox karretje vol met spuiten, melk, medicamenten en de embryo's van oerdromen zitten in zwarte potjes. Ze had geglimlacht en ik sprak dat het goed was, dat ik blij was, nu beslist was dat ze zou blijven. Iemand moet de boel hier rechthouden en Leopold II kan men niet vertrouwen. Evenmin zijn handlangers ginds op die stoeltjes. Het drietal wacht op het défilé. Tanguy kan fluiten zonder vingers en het applaus van die andere twee zal voor Prudence zijn, voor haar borsten, voor haar kruis en billen, want zo zijn ze. Het zijn smeerlappen en ik moet hier weg. Liefst meteen. Mijn Katja wacht. Achter de Ezelpoort. Aan de verkeerde kant.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
7 1

In het bos van Oeterwaele

    Koning Frost is een hufter en hij weet het. Het is nog rustig in het bos van Oeterwaele. Het geurt naar den, naar prikkelende moed. Katja heeft enkel sandalen voor het zachtste strand. Over vele naalden, in wit ondergoed loopt ze naar de beek. De fakir zit in het brandpunt van de ochtendzon. Hij speelt er met het vuur waarmee Tanguy de onschuld straks in vlammen zet. Tanguy moet ver weg blijven. Uit onze gedachten. Katja's ogen zijn al minder blauw en als ze terugkomt van de Oeterwaelse Kreek, sijpelen kwieke druppels van haar kin. Alles is om op te vangen. Vallende nachtvlinders, zonnestralen die zich door de kruinen wagen en Katja wil weldra in mijn armen liggen. Ik hoop het en zo mag het worden. Zo mag het elke dag zijn. En toch. Voor je het weet, slaapt er een grauwe hemel aan je voeten, staat de lochting weer eens vol met zurkel. Ook klauwtjesmos groeit rapper dan je denkt. Het vult zo vlug als hazensnot je ganse kop en lijf. Je bent al snel gestikt. Op een lichtgroen bedje kom je dan te liggen, dood en uitgeleefd, tenzij je azijn bent blijven drinken. Met regelmaat, af en toe een slok en hey! Ik ben niet meer bang, juicht het eekhoorntje. Het staat op zijn achterpootjes, lust de brokken brood. Katja wil dat ik morgen bakker word. Voor de beestjes in dit woud, voor de honger van haar tederheid, de kriebels in haar buik. Of om harde korsten naar de kop van Koning Frost te gooien, zeg ik. Staat er hier een ijscoventer achter elke stam? Katja haalt de schouders op en ze hoeft het niet te weten, dat ik hem meermaals uitschold aan de telefoon, dat ik naar die Roi Gelé gejouwd heb dat ik geen diepvriezer heb, dat hij aan het Zuidervaartje moet zijn, bij Tanguy. Die heeft een ijskast voor wel zeven lijken. Katja lacht altijd, als ik vertel over de Koningen van het Leefbeterland. Die met hun winkeltjes, met hun camionetten vol sausijzen, bitterballen, ham en burgers voor alle bewoners van de Kwik-en-Flupkestraat. Het vlees zit vast, verkleumd in zakjes, erwten, spruiten heel dicht bij elkaar. Likkedingen zijn er voor het kind en ik doe een ijskardeuntje na. Noëlla aan de tennisclub. Eén hoorntje, drie bollen en ze plakt er aan de zijkant nog een joekel van een hostie tegenaan. Tegen het vallen, tegen het wegglijden. Het is glad op de stam van de omgevallen beuk. Ik houd Katja vast, steun haar billen, geef een hand. Hier smelt de tijd bijna. Toch woont er in dit bos geen Salvador Dali. De dieren leven anders, maar gewoon. De langpootmuggen blijven ongeschilderd en er rijdt geen onraad op de rug van onze pony. Sjamajee en Sarie Marais. Ek weet niet hoekom daar 'n lied uit Suid-Afrika in my ore lui, en so hard verdomp! Stilte. Het is aan de bevers, die hier allen een ukulele hebben en dit moet wel een sprookje zijn, want al het blauw is uit het gezicht van Katja verdwenen, alle vorst in mijn hart is gedooid. Ik denk dat ik nu echt alles gevonden heb, het bos van Oeterwaele, weerklank van een eeuwigfrisse dauw en die berusting, Katja is voorgoed van mij en ik voel het. Ik ben. Dat zerp verleden kwijt.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
9 1

Méhari

    Méhari zou een Armeens geitenras kunnen zijn, maar dat is het bij lange niet. Het autootje van Katja staat gereed. Het is een geinig karretje en ik weet dat het veert als een dronken waterbed. Vertrekken zullen we. Zonneogen durven immers aan de noordkant bloeien, zelfs in de schaduw van gisteren en Tanguy is weg. Hij is op zakenreis, de levereter, hij wil aan zijdeboeren reut, azijn en glinstering verkopen, ginds ver weg, in dorpen waar de muren mat zijn en het fruit te zoet. Daar in kelders vol konfijt en zuiverheid worden meisjes opgesloten, maar Tanguy, het is een leperik. Hij zal ze uit hun hol lokken. Met geuren van kaneelroos en de zwoele meug. Hij moet, hij zal ze naaien, slagen, één voor één. Het is een zwijn dat truffels ruikt in onderbroeken van de groene jeugd. Katja ademt weer, schudt zich de polsen los. Ze start, ze stuurt haar Méhari de fraaie wereld in. Geluk nog dat haar krullen alle bochten kennen en de bergpas zal ons straks vertellen hoeveel ijle lucht van diepzeeduiken houdt. Zo rekken de uren. De gesprekken die we voeren, zijn zo vol van zachte onzin en ik voel het zinderen wanneer ze proeft. Mijn merg is het, dat ze raken kan met het puntje van haar tong, terwijl we daar staan, ergens op een parking en je kan er tanken. Super, diesel, antigel en tijdverlies. Shell is niet altijd een schelp. Maar zonder twijfel, Katja blijft een parel. Haast onvindbaar, bijster schaars zijn zielen van die aard en als je naar de glans van liefde zoekt, word je verzengd door zon, ellendig ver. Zo is het. We kunnen een lang broodje kopen. Met twee uiteindes. Morgen, vroeg en elders, als de zon weer honger krijgt. We zijn het eens en wachten kan. Ik streel haar toch. Niemand weet waar en Katja fluistert dat, als ik ooit een wortel weggeef aan een link konijn, ik ijlings blind word van verlangen. We zijn nog lang niet in het bos van Oeterwale. Ik wil rusten in haar lies. De einder bloedt reeds als een ondergang en we willen het echt. Straks. Als twee domme herdertjes, samen sterren tellen en intussen maar beweren dat we nog het meest van beukennootjes houden. Soms zijn ze leeg en het is de Méhari. Het ding stopt. Om zich de banden schoon te likken. Nacht wil het worden. Ik wrijf over wangen die inslapen, pluk een wimper. Ik berg ze op, in het handschoenkastje, een schaduw die geen zwarte bodem vond, twee doofstomme echo's en geitjes, alsjeblieft, wees stil! Mijn Katja slaapt. Ik ben te moe. Om volle dagen leeg te melken.     uit de reeks 'Residu'  

Bernd Vanderbilt
6 1

Kwestie van Smaak

Sneakers in schreeuwerige kleuren, oversized roze H&M-truien, Birkenstocks onder loopshorts ... De minder grote Hans Verhaegen-fans durven al 'ns beweren dat ik geen smaak heb. Nochtans leerde mijn leraar Latijn me ooit: de gustibus et coloribus non disputandum est. Dat is een eloquente manier om te zeggen dat de ander z'n bakkes moet houden over je fluoroze Nike Air Max'en. En ondertussen heb ik toch maar mooi laten vallen dat ik, ondanks mijn voorliefde om proza te schrijven over pipi, kaka en mezelf 7 keer per dag nostalgisch afjassen op oude Hilary Duff-films, wel degelijk behoorlijk geschoold ben. Maar ik moet ze gelijk geven, de haters. Sinds begin maart kan ook ik niet meer ontkennen dat ik een slechte smaak heb. Het begon zoals bij velen met het uitvallen van m'n smaak- en reukzin door wat waarschijnlijk COVID was. Niet meteen een ramp als je weet dat andere slachtoffers van Het Virus in afgezonderde ziekenhuisafdelingen afscheid moeten nemen van hun familieleden via een Medion-tablet. Hartverscheurend, zo vlak voor je deze planeet een laatste toedels toehoest, moeten beseffen dat je niet eens een iPad waard bent. Met zo'n gruwelijke taferelen in gedachten ga je niet snel zeuren omdat je bosvruchtensmoothie, je boterhammen met Samsonworst – don't judge, de gustibus... – je steak béarnaise met frietjes en de vagina van de DHL-bezorgster allemaal naar hetzelfde smaken, namelijk niks. Die leraar Latijn van me was overigens een blok massieve pudding van 1,5 kubieke meter die míj uitlachte omdat ik klein was voor m'n leeftijd. Ach, ook humor is een kwestie van smaak. En smaak had de man wel. Aan zijn adem te ruiken vooral whiskysmaak, in een flaconnetje dat zich graag liet openen tijdens springuren in verlaten leraarslokalen. Wat snel opzoekwerk verraadt dat de gefermenteerde pudding het nooit verder geschopt heeft dan leerkracht Latijn, terwijl ik ondertussen maar mooi de meest gelezen column van alle Hans Verhaegens in de Benelux schrijf. Met hubris kom je nergens. Dat laatste is wat mijn leraar Grieks me leerde – behoorlijk geschoold, remember – en is een eloquente manier om te zeggen dat de ander niet dikkenekkerig of neerbuigend moet doen, zeker niet als de persoon in kwestie uit 1,5 kubieke meter pudding bestaat, überhaupt geen nek lijkt te hebben en amper groter is dan een leerling die op z'n groeispurt wacht. Hoe onvergeeflijk ruk de tablets in de ziekenhuizen ook mogen zijn, als je zo een paar weken zonder geur of smaak zit, begin je op den duur toch te jammeren. Hoopvol was ik dan ook, toen ik merkte dat er hier en daar wat beterschap de kop opstak. Een verre herinnering aan bosvruchtensmaak, een licht aroma van Samsonworst … Nu, maanden later, draaien m'n twee beschadigde zintuigen bijna terug op volle toeren, afgezien van één vette, vieze voetnoot, want sinds kort ruiken en smaken bepaalde voedingsmiddelen, kruiden en planten naar een mengeling van rotte eieren, verroest metaal en bierscheet. Zo smaakt kip naar rotte eieren – of eieren naar rotte kip, afhankelijk van je standpunt in het de-kip-of-het-ei-debat. Prei en ajuin ruiken naar een Chirofuif die een nacht lang in iemands darmen lag te gisten. Gebarbecued vlees doet denken aan gezouten GFT-bak. En mijn zelfgemaakte spaghettisaus smaakt alsof je Sean D'Hondt aan het rimmen bent, al beken ik dat dat laatste altijd al zo was en niets met m'n smaakprobleem te maken heeft. Hoewel de coronacijfers de laatste weken weer goed aan het stijgen zijn, kan ik me toch niet van de indruk ontdoen dat de meeste mensen er nog maar weinig om geven. Uit de goedbevolkte terrastafeltjes leid ik alleszins af dat ik op vlak van wiskunde niet behoorlijk geschoold ben of dat veel mensen blijkbaar de ouders en schoonouders niet in hun bubbel van vijf hebben steken. Ziekenhuisopnames en crappy Aldi-tablets schrikken niemand meer af. Daarom stel ik voor dat Maggie, eloquent als ze is, onze bevolking vertelt dat als ze zo blijven verder doen hun eten binnenkort naar, tja, kak smaakt. Het kan maar helpen. En zo heb ik wederom mijn steentje bijgedragen aan het bedwingen van die drommelse coronacrisis. Als het niet stoort, rond ik dan hier graag af, want ik had beloofd om m'n pennenvriendin Eveline nog een filmpje te sturen met de vraag of ze m'n spaghettisaus eens komt proeven.

Hans Verhaegen
251 0