Lezen

Brief aan mijn psychiater

Ik at vandaag een overrijpe peer en vergat mijn medicatie te nemen. Dat waren allebei aangelegenheden met een bijzonder gevolg. Het vruchtvlees van een overrijpe peer is vaak korrelig en dat vind ik vreselijk. Om de smaak zo snel mogelijk weg te krijgen stak ik alles wat ik in mijn vrijwel lege ijskast kon vinden in sneltempo binnen. Een stuk gesmolten en terug uitgedroogde kaas, een potje mango-yoghurt waarvan het dekseltje al bol stond en een stuk rauwe paksoi. In mijn blinde paniek vergat ik dat ik nog een grotere hekel heb aan paksoi dan aan overrijpe peer, maar toen ik het me realiseerde was het te laat. Plots proefde ik alleen nog de tongkus van mijn vorige geliefde die wel graag paksoi at en er elke week een uit de winkel meebracht, ook al vroeg ik keer op keer om dat niet te doen. De smaak van die vorige geliefde deed me kokhalzen. Ik gaf drie keer over en ging toen op de koude badkamervloer liggen tot de stenen warm en ik koud waren geworden. Geen idee hoeveel tijd er voorbij was gegaan. Toen ik opstond, voelde ik die zware mist in mijn hoofd optrekken. Die mist die niet in woorden te vatten is maar die oorverdovend een chemisch onevenwicht in je hersenen aankondigt. Nu ik erover nadenk weet ik niet goed of het wel mist is, en geen vijf meter sneeuw. Het resultaat is namelijk hetzelfde: je zit vast, opgescheept met jezelf, en je kan niets doen. Probeer je dat toch, dan wordt je letterlijk en figuurlijk verpletterd. Als ik u dit zou vertellen zou u meteen mijn dosis verhogen, dokter. U zou zwijgen, knikken, schrijven. En ondertussen zou ik die nieuwe tennisbaan in uw tuin betalen, bij elke seconde die wegtikte. Tachtig euro per kwartier. Nog eens twintig voor de nieuwe pillen. En mijn koelkast is al zo leeg. Daarom ben ik gestopt met onze afspraken, dokter. Nog meer sneeuw kan ik niet aan. Geen zorgen dokter, ik zal u schrijven. Dan hoeft u me niet te missen en hoeft u zich geen zorgen te maken. Het gaat goed met me. Op goede dagen drink ik koffie en kijk uit het raam naar de naakte overbuurman. De straat is te breed dus zijn piemel kan ik niet echt goed zien, maar zijn donkere rugharen vormen een pijl, van aan zijn schouders tot aan zijn bilnaad. Hij verschijnt altijd maar enkele seconden voor het raam, dus ik moet de hele dag op de uitkijk staan om hem niet te missen. Dat is een fijne bezigheid. En op slechte dagen lig ik op mijn badkamervloer, samen met dat chemische onevenwicht en die sneeuw. We hebben er al zo vaak gelegen dat we aan elkaar gewend zijn geraakt. Ik hoop dat u mij niet te erg mist, dokter. Het zal vast moeilijk zijn om me los te laten, maar voor u het weet is er iemand anders die elke vrijdag om 11 uur in uw wachtkamer zit wanneer u de deur opent. En ooit, dat weet ik zeker, kom ik weer bij u terug.

Annelies Leysen
78 7

De Geloogene van Troch

Er was eens, niet zo héél lang geleden en niet zo héél ver van hier, een mannetje met een muts van walviswol. “Walviswol? Dat bestaat toch niet?”, hoor ik je luidop denken, “Een walvis leeft toch in zee... zijn huid is glibberig en glad... die heeft toch helemaal geen wol om het lijf?” Ja, dat is inderdaad zo… op één enkele uitzondering na: de witte wolharige wentelwalvis. Slechts één keer om de drie eeuwen duikt die op aan de monding van het beekje van Bach, in het kleine dorpje Troch aan de Kleumzee in Covidië. We schrijven november tweeduizend twintig, exact drie centennia na zijn vorige passage.
De legende leert ons dat de witte wolharige wentelwalvis steeds opnieuw naar Troch trekt, als enige plekje in de hele wereld, om er zijn oude vacht af te schudden. Hij wentelt en woelt er de oude wol van zijn immense romp af. Schuivend en schurend langs de keien op de bodem van het beekje van Bach. Tot het ruien voorbij is en de laagstaande novemberzon zijn nieuwe jonge wollen vacht doet schitteren net onder de waterspiegel.Klaar voor een nieuwe duik naar de donkere dieptes van de Kleumzee. Klaar voor alweer driehonderd jaar. We keren even terug naar het mannetje met de walviswollen muts: hij leeft, woont en werkt al zijn hele leven in het bos van Troch aan de Kleumzee. Hij plukt er verse zweembessen en bobbelzwammen. Daarmee brouwt hij zijn heerlijke Kworq. Eten hoeft hij niet: hij drinkt een frisse Kworq, soms twee, en lest verder de dorst aan het beekje van Bach dat zich stroomafwaarts een weg kronkelt door het bos richting zee. Het water kolkt er over de rolkeien op de tonen van ‘Das Wohltemperierte Klavier’. Tenminste, zo klinkt het toch in zijn gekke hoofd. Dat gekke hoofd van hem, met die muts van walviswol. Het is die wol, jawel precies dié wol, die de Geloogene van Troch héél secuur verzamelt langs de bedding van het beekje van Bach. De Geloogene van Troch. Zo noemt men hem in de Grote Stad.Hoe het mannetje met de muts van walviswol écht heet, dat weet niemand.
Zes, soms wel zeven jute zakken vol walviswol sprokkelt hij bij elkaar. En dat eens in de driehonderd jaar.Hoe oud hij dan zelf wel wezen mag? Ook dat weet niemand.Dagenlang zal hij spinnen en twijnen tot er uiteindelijk breigaren zal verschijnen. Neen, niet met een ouderwets spinnewiel zoals sommige sprookjes je willen laten geloven, maar met een heuse semi-elektronische Rieter G37, driefasig aangedreven op 400 volt. Inclusief rode noodstopknop. We zijn tenslotte tweeduizend twintig. Het mag vooruit gaan, toch?
Die machine levert hem met Zwitserse precisie het perfècte breigaren van walviswol voor zijn nieuwe walviswollen muts. De oude is versleten en zijn moeder mag het niet weten. Zij zal het ook niet te weten komen want ach, het mensje is niet meer… Troch hebbe haar ziel.Het was zij, het moedertje, die steeds zijn walviswollen mutsen breide. Toen ze haar einde voelde naderen leerde ze hem nog snel de kneepjes en knoopjes van het vak. Zijn eerste breisels waren schots en scheef. Hij liet meer steken vallen dan hij oprapen kon. Na vele avonden oefenen mocht hij opgelucht trots zijn op het resultaat.De Geloogene van Troch bleef alzo immer goed gemutst.Toen het breien erop zat stortte hij zich vol overgave op zijn andere taak: het brouwen van een nieuwe ketel Kworq. Hij plet de juiste hoeveelheid zweembes, voegt een nauwkeurig afgemeten dosis op droedelhout gerookte bobbelzwammen toe, wat poeder uit het blik zonder etiket en lengt alles aan met zuiver water uit het beekje van Bach. Hij brengt het mengsel zachtjes aan de kook en opteert voor een inductiekookplaat als warmtebron. Vooral omdat het reinigen ervan vrij eenvoudig is moest het boeltje overkoken, wat wel eens kan gebeuren. Op een houtvuur zou dat sowieso leiden tot hevige rookontwikkeling en prikkende ogen. Dat wil het mannetje met de walviswollen muts helemaal niet. Echt niet! Op een dag, het was zelfs gisteren, verneemt hij dat vele mensen uit de Grote Stad ernstig ziek worden. Er waart een vreemd virus door Covidië. Sommige mensen sterven er zelfs aan, in afzondering en mensonterende eenzaamheid. Het sociale leven ligt er inmiddels zo goed als lam: horeca, sport, cultuur, evenementen… nada, niente, niets. Het isolement is moordend en het einde lijkt nog lang niet in zicht.Het mannetje met de walviswollen muts bedenkt zich dat zijn zelfgebrouwen Kworq wel eens een oplossing zou kunnen bieden. Voor alle zekerheid voegt hij aan zijn beproefde recept nog een snuifje Registered Trademark toe.
Zijn Kworq® heeft hem steeds goed geholpen tegen puisten en zweren, constipatie, hoofdpijn en zelfs hongerige beren. Want die zijn er ook wel, in het grote bos van Troch. Hoewel ze liever alle contact met mensen vermijden en waarschijnlijk net zo bang zijn voor jou als jij voor hen, kan een zakflacon gevuld met Kworq® toch een zeker gevoel van onoverwinnelijkheid bieden.

Zijn brouwsel zal de mensen uit de Grote Stad kunnen helpen. Dat weet hij héél zeker.Een kleine nip Kworq® voor iemand met milde symptomen, een flinke teug voor wie er erg of erger aan toe is. Met als enige doel: snel weer aansterken en genezen, vooral niet sterven, gezond blijven en elkaar heel graag zien!
Niet geheel onbelangrijk in dit hele verhaal is de Covidische kantlijn: de dunne lijn die fictie van realiteit scheidt in Covidië…Het mannetje met de walviswollen muts hoopt dat de mensen uit de Grote Stad nooit, maar dan ook NOOIT zèlf wanhopig op zoek zouden gaan naar het dorpje Troch aan de Kleumzee.Ze zullen het immers niet vinden.Het beekje van Bach evenmin. Tenzij… met héél veel fantasie… en een ferme portie geluk.
Maar dat is helaas niet iedereen gegeven. ‘Das Wohltemperierte Klavier’ kan tijdterwijl wat troost bieden.

En de Geloogene van Troch?Misschien bestaat die toch… met zijn muts van walviswol leeft hij lang, gelukkig en nog!

C.G. Leroi ©november 2020

charelroi
16 1

Matroos Lippens

  Hij is een keer ontsnapt. Hij wilde naar de zon of naar het Vondelingenpark. Op zijn weg vond hij een tube talg voor glibberig bedrog. Kijk hier. Dit is diezelfde zot in spiegelbeeld. Matroos Lippens, kortweg wel eens De Lip genoemd, hij droeg die dag een hoed met rode bol. Hij plant nog jaarlijks kaarsen in een taart en al die foto's liggen in een kist. Het ding heeft vale vlekken op de flanken en zit overvol. Alleen maar brol. Dit zijn zekeringen, draden, schakelaars, gespaard om zonlicht te herleiden tot een sober licht en Matroos Lippens, die malloot met zijn duikboot, hij is goed gestoord! Dat ben ik toch vrij zeker en zie hier. Dit is zijn pop met holle kinderkop. De ogen leven nog. Hij heeft destijds een gat geboord, hier achter in dit hoofd zit nu een klein ventiel voor overdruk en winterdamp. Zijn alaam ligt er nog naast en dit is zijn tekening. Van een wild konijn. Het graaft en graait naar ondergronds geluk. Het beestje rust nu naast een dodeman voor rampgevallen en ik ken hem goed, De Lip. Als hij slaapt, dan moet het ganse kistje zwijgen. Alles ruikt hierin zo erg naar toen en als je met één hand de rand volgt, dan kan je zomaar ine en afzink tuimelen, waarna je nog eens dieper valt, recht in die afgrond met zijn oude kloven. Ik ken het vallen beter dan De Lip en er is dat ijverig vermoeden. Het kan fluisteren. Het lispelt dat de bodem al zijn valsheid heeft verloren. Soms hoor ik nog geklop en ik weet dan wie het is. Snakt mijn matroos naar verse lucht? Of wil hij weer een vuurtje stoken op de oevers van het leed? Warm mag het zijn. De zwerm met ijsvogels is weg. Opgegeten door het maanlicht en de wolven treuren met hun muiltjes dicht. Godzijdank. Ze huilen nog zelden. Niets wordt nog aanroepen en op wenteldagen wordt niet meer gedanst. Niets valt er te vieren en het feestje wil nog enkel drank. Schud maar aan die flesjes. Zinloos. Johnny Walker, bloed van manke duizendpoten, geuzenzuur en antigel. Alles leeggezopen. Hoeveel kunnen levers van matrozen wel verdragen? Er zit trouwens een barst in mijn onderzeeër. Het ding is trouwens bijna blind. Enkel bovenaan is er een raampje voor wat licht en beelden van de lucht. Mijn matroos, hij zit daar opgesloten. Al zijn ganse leven lang. Ik heb nochtans heel veel voor hem vergaard. Medailles, soms van goud, soms van plastiek, etuitjes voor illusies, veel cassetjes met geluiden van het vasteland en ik heb ook een potje smeer. Zwarte crème voor zijn schoenen. Het is voor ooit. Het is voor zijn uitstapjes, voor de tochtjes naar een totempaal waarrond een zeemeermin zich slingert. Droom maar, Matroos Lippens. Je geraakt er toch nooit meer uit en ik weet het. Die sirene van je is je lief. Dat is altijd zo geweest. Blijf haar stevig vasthouden en als ik niet kijk, kus haar dan nog een keer. Helaas is zij niet meer dan een karkas, wat naakte graten aan een rug. Hoe het ook zij. Matroos Lippens zoent haar urenlang, al heeft de dood geen lippen meer. Is het te begrijpen? Is zijn hart van ebbenhout? Het moet wel pure liefde zijn en misschien kan dat in zijn wereld, waar de schimmen doelloos door de bossen dolen en een potje willen neuken met de stilte. Oké. Ik vind het goed zo. De mond van elk kanon dat te veel buldert, mag gebroken tanden hebben. Al die mensenheisa mag gedempt blijven en als het moet, dan kruip ik zelf ook in die onderzeeër, net zoals die schelm ooit deed, lang geleden. De lucht kon toen nog blauw zijn. Ze durfde fris te ogen en Matroos Lippens zat daar. Hij keek omhoog. Hij kon toen dwars doorheen het deksel ademen. Zijn ogen waren nog van zuiver glas. Hij zag de kleuren zonder twijfels over tinten of de echtheid en het lot vermocht. Matroos Lippens rook het groen. Gewoon wat gras. Ik had die dag nochtans zijn schoenen niet gepoetst. Weg was hij. Maar niet voor lang.     uit de reeks 'Kleinood'

Bernd Vanderbilt
10 1

Grote borsten kunnen gevaarlijk zijn

‘Ik werd hartstikke ziek van die borstimplantaten’. Lize Korpershoek vertelt openlijk over haar borstvergroting, van A tot Z (nee, dit gaat niet over haar cupmaat). Haar beweegredenen: ‘ik voelde me minder vrouw, omdat ik kleine borsten had. Ik voelde me onaf.’ Het voormalig fotomodel voelde zich onzeker in haar lijf. Puntjes voor het patriarchaat. De ingreep was ‘fokking pijnlijk’, het herstel ook. Alhoewel, herstel is een groot woord. De pijn verdween niet meer. Na een dure operatie, waarbij dokters sneden in haar borstweefsel om de siliconen in te brengen, was pijn een gratis extraatje. De kers op de taart, de tepel op de nepborst. Lize had, samen het haar grotere borsten, ook last van andere symptomen, gaande van heel erg vermoeid, tot hevige pijn in rug en schouders. De lijst met klachten werd alsmaar langer. Ze ging naar verschillende dokters en specialisten, op zoek naar iemand die haar kon vertellen wat de oorzaak was van haar afgepeigerde en pijnlijke lijf. Nee hoor, de implantaten zaten er voor niets tussen. Voor niets? Welja, ze hadden natuurlijk een handjevol geld gekost, maar de oorzaak van haar gezondheidsklachten kon ze best elders zoeken. Na lang zoeken kwam Lize via via bij Breast Implant Illness terecht. Ze leerde dat haar lichaam de borstimplantaten als iets lichaamsvreemd zag. Maar omdat de implantaten te groot zijn (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een splinter), kan het lichaam ze niet afstoten. Tijd voor plan B: het lichaam kiest ervoor het implantaat in te kapselen in bindweefsel, wat bij veel vrouwen resulteert in pijnlijke borsten. En dit is nog niet alles: siliconen zijn giftig. Het is een aanslag op het immuunsysteem, het kan organen en klieren besmetten en het kan vele functies van het lichaam schaden. Lize deelt haar verhaal om meisjes en vrouwen te informeren, omdat ze zelf niet voldoende geïnformeerd werd. Ze voegt hier aan toe: ‘ik moet toegeven dat ik waarschijnlijk niet geluisterd had naar informatie over de risico’s verbonden aan de ingreep en aan het implantaat, omdat ik zo overtuigd was van mijn grote borsten-beslissing’. Vrouwen die hun borsten laten vergroten en implantaten laten zetten, krijgen standaard te weinig informatie. Ook al zijn artsen wettelijk verplicht om hun patiënten in te lichten, toch gebeurt het onvoldoende. De gevaren van borstimplantaten zijn onvoldoende bekend en daar zit de sterke lobby van de farma industrie voor iets tussen. Johnson & Johnson (niet te verwarren met het komisch duo uit de Kuifje Strips, Jansen en Jansen) speelt een vuil spel met de regelgevende instanties. Een Amerikaans gezondheidstoezichthouder vroeg in 2006 een tienjarige studie naar borstimplantaten, met 40 000 vrouwen. Op die manier zouden ze data verzamelen over de impact op de gezondheid en het lichaam. Drie jaar later had méér dan de helft van de vrouwen afgehaakt. Toeval of slechte wil? Dat laat ik in het midden. Het echte slechte nieuws: de gezondheidstoezichthouder liet het daar gewoon bij. Waar is Erin Brokovich als je haar nodig hebt? In 2010 was er in Frankrijk een schandaal met PIP (niet te verwarren met één van de twee hondjes uit Woezel en Pip): de borstprotheses waren gemaakt van slechte, irriterende gel en met een omhulsel dat kon scheuren. De Franse fabrikant Poly Implant Prothese (PIP) had de toezichthouder jarenlang misleid, waardoor de fraude onder de radar bleef. Het slechte nieuws: 150.000 slachtoffers moesten borstimplantaten laten verwijderen. Het slechtere nieuws: veel dokters konden niet vertellen welke van hun patiënten effectief PIP implantaten hadden. Die info ontbrak. Of vrouwen al dan niet een borstvergroting willen, is een persoonlijke beslissing. Maar ze moeten wel correct geïnformeerd worden over de gezondheidsrisico’s. Ook moeten ze serieus genomen worden wanneer ze met gezondheidsklachten bij de dokter komen. Nee, ze zijn niet hysterisch of paranoïde. Naast patiënten, moeten ook dokters geïnformeerd zijn over de risico’s en de klachten, zodat ze die sneller kunnen herkennen.Vergeet the X-files en hun onoplosbare dossiers. Tijd om u in te lezen in The Implant Files.   Moeder: Ik hoorde vandaag een mop op de radio. Het plekje tussen de borsten van Pamela Anderson heet Silicon Valley. Dochter: Wist je dat er in Silicon Valley heel veel giftige stoffen in de bodem zitten? Moeder: Oh, de mop is bijtender dan ik dacht.

Lore Dewulf
186 2