Lezen

over logica in de supermarkt

‘Met kinderen naar de supermarkt’ staat voor veel ouders in de top vijf van activiteiten die u niet wil inplannen na een lange werk- en schooldag. Tenzij u bij alle partijen bepaalde communicatievaardigheden wil aanscherpen, zoals argumenteren, onderhandelen en overtuigen. De gesprekken in de supermarkt zijn gevarieerder dan u aanvankelijk zou denken. Het gaat niet enkel over de discussie ‘snoepen of geen snoepen’. Ook andere onderwerpen komen aan bod. De winkelkar: wie mag met de kar rijden?, nemen we ook een kleine winkelkar?. De boodschappen: die andere chips zijn veel lekkerder, de vorige keer mocht jij óók kiezen. De sanitaire voorzieningen: kan je niet wachten tot we thuis zijn? Nee, ik moet nu écht super-dringend plassen. Ok, we zullen nooit weten of we effectief in de snélste rij stonden aan de kassa’s (volgens mij wel). En het inladen: ja, je mag helpen inladen, maar steek de zwaarste boodschappen onderaan. Oei, mama, de bananen onderaan zijn ‘gepletterd’, denk ik. Die discussies zijn maar een klein onderdeel van het supermarktgebeuren. Ik kwam er onlangs achter dat er ook ongeschreven wetten bestaan in de jungle die supermarkt heet. Die ongeschreven wetten zijn bovendien onlogisch. Vóór de lockdown kwam er een kleuter naast mijn dochter (met klein winkelkarretje) en mij (met grote winkelkar) wandelen. Ze keek welke boodschappen er in het kleine karretje van mijn dochter lagen. Haar ogen blonken wanneer ze de doos snoepen zag. Mijn dochter glimlachte en lipte naar mij: ‘schattig kindje!’. Ik lachte terug. Op dat moment pakte dat kleine meisje de snoepen uit het winkelkarretje van mijn dochter en liep snel (volgens kleuternormen) weg. Mijn dochter wist niet wat haar overkwam en keek afwisselend naar haar karretje en naar de nog kleiner wordende rug van het meisje. Toen we bij de kassa (niét de snelste, geloof me) stonden, passeerde het meisje opnieuw. Deze keer had ze een doos koekjes bij zich. Ze kwam de doos zonder een woord te reppen in het winkelkarretje van mijn dochter leggen. De ongeschreven wet luidt hier: je mag geen boodschappen wegnemen uit de winkelkar van iemand anders. Maar, anderzijds: je mag ook geen boodschappen in andermans winkelkar leggen. De simpele indeling ‘de ene handeling is goed en de tegenovergestelde handeling is fout’ is in dit geval niet toereikend. In opvoedkundige termen is dit verwarrend. En onlogisch. Door de intercom vragen ze iemand naar de koekenafdeling te komen. Ik vraag me af of die kleuter er voor iets tussen zit. Misschien is ze rekken aan het herschikken volgens het aloude logische marketingprincipe: zet alle A-merken op ooghoogte. Als ze met haar lengte die logica volgt, is ze nog even zoet.     Dochter: Wanneer gaan we naar de supermarkt? Ik heb honger. Moeder: Naar de supermarkt gaan als je honger hebt, is geen goed idee. Dochter: Net wel, met al die proevertjes.

Lore Dewulf
38 1

Postmodernisme? Epic

In een tijdlaag die afzonderlijk is. Wat is omgekeerd aan een teleologie?Een passief individu. En een individu, dat kan heel wat zijn:traag, op zichzelf een lichaam, valt het van de atmosfeer of kosmos (whatever eigenlijk)naar beneden (op mijn hoofd): eerst de luchtlaag, dan de aardlaag, dan door mijn hoofd op de korst van een ademende globe. In zijn vluchtval nam het tijd & ruimte mee; zonder af te nemen in grootte.  De tijdlaag of individu verlangt ernaar positief te zijn, maar is vooral OOK negatief, dus vult het zichzelf af. Nieuwe staat, nieuwe term: neutraliteit. Om te creëeren moet je helemaal niet leeg zijn / Je moet vol zijn, maar dan bedoelt men:vol van intentie, leeg van content. Nieuwe concepten vragen om een consensus, zoals een zin om een syntax vraagt; ook al is die van tevoren nog niet bepaald. Anders was hij geen zin, maar een taal.Zo ook met een bewustzijn, een nieuw werk, al deze synoniemen, voor creaties binnen kunst - of filosofant (filosofische / hallucinante) goede ideeën, die zovelen al voor me hadden:je bent namelijk nooit alleen in je denken, dus ook nooit de pionier.Omdat niemand die is, ben jij dit toch een beetje.De tijdlaag zakt af, en zet af, op de aardkorst. Leem werd beschreven door Galina Rymbu, maar zij was wel feministe. Of Jeroen Mettes: "hoe lang is het geleden dat ik nog eens heel (ik zou zeggen 'geheel') feministisch was?". / Dat dus hé: je vraagt er om gepest te worden, en dat is iets goeds: je mannetje (oh no) staan. In zijn val neemt het mee: partiële partners. Vervangbare materie. Deze zet het af. Vertelt een nieuw verhaal vanuit een nieuw idee, een concept. Het weet waar het voor staat.

Dries Verhaegen
10 0

GEEN NIEUWS: "Eicellen ontvreemd uit Universitair Ziekenhuis"

Eicellen ontvreemd uit Universitair Ziekenhuis, politie radeloos   Zieke grap of georganiseerde misdaad? In het UZ in Leugen zijn afgelopen nacht minstens dertig eicellen ontvreemd. Het Leugens fertiliteitscentrum onderzoekt nog of ook andere objecten werden meegenomen. De politie heeft voorlopig geen verdachten in het vizier en vermoedt dat het om een zieke grap gaat.   Het was een choquerende vaststelling, deze ochtend in het UZ Leugen. Een diepvriezer uit de eicelbank stond wagenwijd open, leeggeroofd. Van de dader geen spoor meer. Getuigen meldden dat ze enkele verdachte mannen met mondmasker het ziekenhuis zagen binnenwandelen in de late avond. Eén van hen droeg een reiskoffer mee. De camerabeelden worden intussen onderzocht. Verder tips zijn welkom, aldus de korpschef. Vanwege het ziekenhuis wilde men niet ingaan op de vraag of er iets misliep bij de interne bewakingsdienst. Wel zal men er aan maatregelen werken om dergelijke criminele acties, die onrechtstreeks ook koppels en ongeborenen treffen, tegen te gaan. Een specialiste in eiceltransplantatie van het UZ wilde wel in detail treden en kwam met een anonieme reactie. Volgens haar zullen de eicellen in kwestie gebruikt worden voor illegale proefbuisbevruchtingen in een clandestien lab, mogelijk in Oost-Europa. Dat zou, zo beweert zij, verklaren waarom het bewakingspersoneel zo makkelijk omzeild werd: een maffiaorganisatie manipuleerde minstens één van hen op voorhand. Geen willekeurige grap dus, maar big business?  

Ritsee Salto
24 0

Haast en spoed

Tien minuten. Langer duurde het niet meer. Nog even wachten en de werkdag zat er alweer op. Het laatste halfuur van de dag was meestal rustiger, samen met het eerste uur dat de winkel open ging. Veel in de winkel stond hij niet; zijn werk bestond vooral uit werken in het magazijn achteraan. Daar zetten hij alles op orde en leverde bestellingen uit aan klanten. Enkel als het te druk was in bij het verkopen in de winkel, stuurde zijn baas hem soms naar voren om zijn collega’s een handje toe te steken. Nu het niet lang meer was voor hij naar huis kon, nam hij alvast zijn rugzak. Als die al klaar stond, kon hij straks wat tijd besparen en sneller naar huis gaan. Hij nam zijn brooddoos en drinkfles, om ze vervolgens in de rugzak te steken.   Gezoem. Het is niet waar, dacht hij. Zeven minuten voor sluitingstijd komt iemand zijn meubelstuk nog afhalen. En dat terwijl de winkel de hele week is open geweest. Hij zette zijn bril recht en haastte zich naar de poort van het magazijn – in de hoop de klant zo snel mogelijk verder te kunnen helpen. Het bleek vlot te gaan. Een nachtkastje, meer had de vriendelijke dame met tienerzoon niet nodig. Op minder dan drie minuten was de bestelling afgehandeld. Met nog vijf minuten op de klok, zag hij zijn baas aan komen lopen. De man begeleidde zijn enige magazijnier naar een van de gangen in het kleine magazijn.  Die gang had hij die dag helemaal herschikt. Hij slikte. Zou de baas het niet goed vinden?De woorden ‘goed gewerkt, ga maar naar huis’ wenden nooit, zeker niet als ze onverwacht kwamen. Hij kon zijn vreugde amper verbergen, maar glimlachte toch maar kort in de richting van zijn baas. Hij begaf zich terug naar de refter, nam zijn rugzak en verliet het gebouw langs de achteringang. Hij sprong op zijn fiets en plaatste de dynamo tegen het voorwiel. Het was eind november en al behoorlijk donker op dit uur.   Enkele ogenblikken later reed hij in volle vaart het parkeerterrein af. Hij kon bijna niet sneller; hij wilde namelijk zo snel mogelijk genieten van een rustige avond en de daarop volgende vrije dag. Elke zondag – wanneer de kleinste meubelwinkel van de stad gesloten was – kon hij uitrusten van de voorbije week. En dat was meestal een zware week, ook toen. Zijn lichaam verlangde naar rust. Een hele week heen en weer lopen gecombineerd met het tillen van zware dozen woog na een tijdje zwaar op het lichaam. Vanavond samen met haar en een pizza voor televisie zitten, beter kan niet. Hij remde even af om een straat in te slaan en versnelde vervolgens weer. In de smalle Kerkstraat met geparkeerde wagens langs beide kanten was het altijd opletten. Er moest maar één iemand zijn die zijn autodeur opende zonder te kijken en de kans op een val was daar. Hij had het nog nooit meegemaakt, dus fietste hij met volle snelheid zelfverzekerd door. Die dag was anders. Een straatlantaarn verlichtte een dame van middelbare leeftijd die plotseling uit haar wagen kwam. Gelukkig had hij het gezien, waardoor hij kon vertragen. Wat hij in eerste instantie echter niet gezien had, was de wagen die uit de andere richting kwam aangereden, recht op hem af. Hij drukte de rem steviger in en kwam tot stilstand vlak bij de geopende deur. De vrouw keek verbaasd op. De fietser gaf haar een kwade blik en reed verder.   Er stond een kilometer of zes op de teller en dus had hij er nog drie te gaan. Zijn snelheid naderde ondertussen de dertig kilometer per uur. Hij reed langs te grote baan die de stadskern met de buitenwijken verbond. De fiets met de gehaaste man op vloog over het kruispunt. Helaas was hij niet de enige die met een hoge snelheid het kruispunt op reed. Piepende autoremmen en een harde klap, gevolgd door een verbazingwekkende stilte op een anders zo luidruchtige zaterdagavond. Alles lag verspreid over de rijbaan. Links een fiets en rechts een man met rugzak waaronder zich een steeds groter wordende bloedplas bevond. In de goot aan de rand van de weg lag een bril. Daarin weerspiegelde nog steeds het rode verkeerslicht.   De vrouw van de grijze wagen stapte uit, helemaal in paniek. Ze wist niet wat eerst te doen. Gelukkig snelde een toevallig passerende voetganger haar te hulp en belde het noodnummer. Het duurde even voor de ambulance er was. Maar eenmaal men de man op de draagberrie legde, werd het pijnlijk duidelijk: een avond die zo mooi moest worden, eindigde abrupt.

WoordenWeb
0 0

haar noch pluim

Beste,  ik heb dat altijd vreemd gevonden, beste. Het zal wel zo zijn dat wij brieven schrijven in de hoop de beste versie van de ontvanger te bereiken, dat wij begrijpen dat er een kans bestaat dat onze woorden verkeerd begrepen worden, dat, in kort, wij, brievenschrijver en brievenlezer, niet de beste versie van onszelf zijn.    Dat is ook in mijn geval zo, de versie van mezelf die dit schrijven tot u richt is niet de beste versie van mezelf, en dan kan je, met een licht schouderophalen, zeggen: wie is ooit de beste versie van zichzelf. Sommigen zullen  ongetwijfeld willen opmerken dat de beste versie van onszelf opstaat in de moeilijkste van omstandigheden, dat we daarin die versie van onszelf leren kennen. Dat zou zomaar eens goed mogelijk kunnen zijn, en toch blijf ik het vreemd vinden.     Met alle respect.     U bent dood, zoals mijn vader dat is.  De beste versie van mijn vader duikt overal op. In de gedachten van de buurtbewoners duikt hij op als de man die op zijn bankje voor zijn huis zit aan het einde van een lange dag klussen. Er is geen huis in de wijde omtrek waar hij niet eens het gras afreed, of de haag snoeide, of een elektriciteitspanne verhielp, of een muurtje metselde, klinkers legde, als hij kon helpen, zeggen de mensen, was hij gelukkig. Mijn vader was niet gelukkig, gelukkig was één van die woorden die volgens hem aan een andere wereld toebehoorden, niet deze in elk geval.    In de gedachten van zijn vrouw duikt hij op als de man die al die jaren aan haar zij staat, de man die ervoor zorgt dat ze zich geen zorgen moet maken, over weinig tot niets, al doet ze dat wel. Er is geen rekening die hij niet voor zijn rekening neemt, geen probleem dat hij niet oplossen kan, geen kracht die hem ontbreekt om eender wat te doorstaan, hij is een rots, een toeverlaat. Mijn vader was geen rots, geen toeverlaat, dat zijn concepten die hij opgedrongen kreeg door een gebrek aan keuzes, keuzes die volgens hem ook aan een andere wereld toebehoorden, wederom niet deze, in elk geval niet deze.    Over mijn broer zwijg ik. Mijn broer zwijgt over alles. Hij lijkt op zijn vader, meer dan hij ooit zal toegeven. Confrontatie, ziet u, mijn vader kon geen confrontatie aangaan, dat zou betekenen dat hij moest toegeven dat er maar één wereld is. Deze. Dus, als mijn broer, zweeg hij, zelfs wanneer hij schreeuwde en met dingen smeet, eigenlijk was het niets dan verzwijgen. Omdat iemand hem ooit had verteld dat hij het allemaal maar moest verdragen, dragen, de hele wereld, de hele wereld waartoe hij behoorde. Het was die wereld die op hem woog, die hem zei: er is een andere wereld, maar die is niet voor jou.    Ik weet niet goed waarom ik me tegen die beste versies van mijn vader afzet. Het is een troost, dat merk ik wel, voor mijn broer, mijn moeder, de mensen in de buurt, hij kon echt alles, zeggen ze. En hij was de slechtste nog niet, zeg ik. Dat is vreemd, dat merk ik aan hun reacties, hun blikken laten me weten dat ik beter meedoe, dat ik beter meebouw aan de beste versie van mijn vader, maar, en dat is de conclusie waar ik misschien niet mee kan leven, dat zou betekenen dat de beste versie van mijn vader de dode versie van mijn vader is. Dood kunnen wij toch niet de beste versie van onszelf zijn?     Ik heb het gevoel dat ik de slechtste versie van mezelf tegenkom. Telkens ik zijn daden minimaliseer, zijn woorden tegenspreek, zijn goedheid in twijfel trek, telkens ik  hem mens wil laten zijn, krijg ik te horen dat ik me van taak vergis. Ja maar, je vader kon als geen ander werken, ja maar, je vader kon als geen ander. Alsof ik hem veroordeel tot maar een mens, tot maar iemand als iedereen anders. Alsof daar geen lofzang van te maken valt. Alsof hij uniek móét zijn, waarom eigenlijk?    Is het vreemd dat ik een beroep wil doen, niet op zijn beste versie, maar op zijn slechtste versie? Op uw slechtste versie?     Denkt u dat ik alleen maar mijn slechtste versie een beter gevoel wil bezorgen door uw slechtste versie aan te schrijven?     Wil ik mezelf troosten wanneer ik het maar moeilijk meer aankan te luisteren naar al die beste versies, van mijn vader, van u, van de mensen, of wil ik alleen maar horen dat ik ook, ook ik ben maar een mens? Kan iemand dat bevestigen? En waarom heb ik dat gevoel zo vaak, de laatste tijd? Heeft dat iets te maken met de god die de hele maatschappij wanhopig probeert in leven te roepen?    En dan, moet u weten, word ik kwaad op mezelf. Dan hoor ik mezelf jammeren en klagen en de zielenpoot uithangen. En in de confrontatie met mezelf bouw ik muren om me heen, met een venster erin, en gordijnen ervoor, en die dichtgetrokken, sluit ik me op en af van de wereld, en schrijf een brief naar een dode die ik van haar noch pluim ken, een dode wiens werk ik amper ken, een dode waarvan ik geen idee heb of ik op hem lijk, anders dan dat hij een mens was, zoals ik een mens ben, en waarom denk ik dat een dode eerder dan een levende me dat bevestigen kan?    Waarom niet deze brief gericht aan die andere dode, die man die mijn vader was, die ik van zodra ik de kans maar kreeg pa noemde, pa die me doet denken zoals hij dat deed, alleen maar zoals hij dat deed, alleen, ik sta er alleen voor. En er zijn twee werelden, één voor mij en één niet voor mij.     En dan word ik kwader, want het is me wel duidelijk dat ik maar één leven heb, en dat het niemand anders wat uitmaakt of ik de wereld in twee splijt. Ze lijken er allemaal mee te kunnen leven, dat die split bestaat, dat die oefening moet gemaakt, absurd als het is strekken we onze benen uit, onze tenen krampachtig aan de randen van een ravijn, ons lijf erboven bengelend, en daaronder een vaag vuur waarvan geen warmte opstijgt, alleen maar rook. Een dichte mist die de wereld voor ons verbergt. We nemen niet eens deel aan die ene wereld. Dat lijkt alleen maar zo.     Ik lijk op je, pa. Maar ik wil je vragen, ga eens na, als wij zijn als iedereen, hoeveel mensen, denk je, zijn er, hoeveel mensen die denken als wij, in totaal verschillende kamers, bij totaal verschillende vensters, dat ze er alleen voorstaan? Dat er een wereld is, daar, ergens, niet om hen bekommerd, hoeveel, pa, denk je, dat er zijn die de confrontatie aangaan?    Misschien deed u dat ook wel. Misschien niet. Misschien hangt dat af van de versie die ik zal aantreffen in uw antwoordbrief. Ik koester de stille hoop dat uw aanhef als volgt leest: ‘Slechtste, al weet ik dat dat vreemd klinkt, maar ik vrees dat ik u bij leven tref.' En ja zal ik dan denken, en voelen zal ik het ook.     

Bas Tuurder
66 1

Wat zou ik doen als ik maar 24u te leven zou hebben?

Dan zou ik voor zonsopgang, rond vijf uur, opstaan om een ritje te paard te maken. Daarna zou ik om 9 uur ontbijten samen met mijn beste vriendinnen in een weide vol zonovergoten bloemen en paarden. Om 11u nodig ik al mijn familieleden en vrienden uit om een feest te vieren. We gaan eerst in een wildwaterpretpark zwemmen, om daarna met een ijsje, popcorn en heel veel andere snacks een fimmarathon van 2 uur te houden. Om 16 uur besluiten we om het eten te bereiden en om 17 uur zitten we in de woonkamer te 'picknicken' en met elkaar herinneringen op te halen over hoe het vroeger was. Dan is het al 19 uur en ruimen we alles op, verplaatsen we de meubels en leggen we matrassen op de grond van de woonkamer. Eerst zetten we mijn playlists 1 voor 1 op en luisteren we daarnaar terwijl we ons omkleden. We dragen allemaal verschillende onesies en dus maken we gekke groepsfoto's die we allemaal op onze sociale media plaatsen. #selfietimeee Om half 21 dimmen we de lichten en beslissen we welke series en films we op Netflix gaan bekijken. Om 21 uur worden er nog cadeau's afgegeven aan elkaar en beginnen we aan de marathon met chips, drank, snoep, chocolade, etc. Iedereen gaat om 2 uur slapen, behalve mijn ouders, beste vriendin, lief en ik. Wij gaan naar buiten, waar ik op een paard stap en afscheid neem van hen. Om 3 uur vertrek ik met mijn paard op wandel, als een soort afscheidswandeling. Om 4 uur 30 passeer ik nog eens langs huis, waar ik voor de laaste keer afscheid neem van iedereen en dan vertrek ik met mama op wandel naar een heuvel, dicht bij ons huis, waar ik haar voor de laatste keer mijn verontschuldigingen maak voor het feit dat ik me zo ergerde aan haar, vroeger. Ik kijk om me heen, vervolgens in haar ogen en fluister, "I love you infinity, mama." Dan sluit ik mijn ogen en neem nog een paar laatste ademteugen voordat ik sterf, in haar armen.

Bordeauxx
20 0

over verlegenheid, ijsberen en Rosa Parks

‘Is ze altijd zo verlegen? Ik wil eens zien hoeveel ze gegroeid is, maar ze verstopt zich achter de rok van haar moeder. ‘Ja, kijk hoe verlegen ze is’. Aan het woord: een kennis van mijn ouders. Aan de rok: ik als kind. Haar meewarige toon, bezorgde blik en licht nee-knikkende hoofd. Uit de lichaamstaal van die vrouw maakte ik op dat verlegenheid geen eigenschap was die op haar goedkeuring of sympathie kon rekenen. Van achter mijn moeders rokken kon ik die vrouw goed bestuderen. Ik zag dat haar blouse verkeerd geknoopt was, waardoor de twee kanten scheef hingen. Ik zei maar niets, want dat doen verlegen meisjes niet, toch? Dit soort non-conversaties installeerden twee gedachten in mijn kinderhoofd. Knoop je blouse met een zekere toewijding en verlegenheid is een eigenschap die best geen zichtbaar deel uitmaakt van je persoonlijkheid. Mij attenderen op mijn verlegenheid zorgde voor een verhoging van mijn zelfbewustzijn: terwijl ik net heel hard mij best deed om niet te blozen, zorgde die opmerking ervoor dat ik net meer ging blozen. Een klassiek voorbeeld van actie-reactie. Het doet met denken aan het experiment waarin aan proefpersonen gevraagd wordt om gedurende vijf minuten niet aan een witte beer te denken. Als ze toch aan een witte beer denken, moeten ze een belletje rinkelen. Wat denkt u? Jawel hoor, jingle bells all the way. Misschien schuilt er een oplossing in de combinatie van beide processen: verlegen kinderen laten denken aan een witte beer wanneer ze vrezen te moeten blozen. We zijn ondertussen tig jaar later en mijn rokken doen ondertussen dienst als verstopplaats voor mijn dochters. De verstopplaats wordt voornamelijk gebruikt bij onbekende personen of op onbekend terrein. Het is als ouder verleidelijk om mee te gaan in het ‘ja-ze-is-verlegen-verhaal’ bij opmerkingen van buitenstaanders, maar wat zeg je daarmee, tegen je kinderen en tegen die persoon? Ik vind het vrijmoediger om de vraag terug te kaatsen: ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Niet-stereotype verhalen over verlegen mensen kunnen inspireren, zoals het verhaal van Rosa Parks. Zij was een timide en verlegen vrouw, maar nam het uiteindelijk op tegen een bus vol misprijzende passagiers. Rosa Parks belichaamt en belicht kalme onverzettelijkheid en stille standvastigheid. Toch ligt het moeilijk om eenzelfde persoon als verlegen én moedig te zien. Parks leek zich bewust van die paradox en gaf haar autobiografie de titel Quiet Strength. Je hoeft niet altijd te roepen om gehoord te worden.   Moeder (tegen een kennis): ‘Ach, hoe zijn we zelf op onbekend terrein? Op een feest waar we niemand kennen?’ Dochter: Euh... Moeder: Wat zeg je, lieverd? Dochter (tegen de kennis): Je hebt je blouse verkeerd geknoopt.

Lore Dewulf
25 1

Kopzorgen

Nu de teddyberen allemaal terug tussen de mottenballen zitten en we de bruine vlaggen weer wit hebben gewassen alvorens ze op te bergen, kunnen we eindelijk weer met onszelf bezig zijn. En dan nog gunnen die zeurende zorgverlenertjes het ons niet en willen ze meer, met hun constante schreeuwen om aandacht en hun gebedel voor overheidsgeld. Het lef ook. Eerst kunnen ze ons coronaleed met geen enkel medicijn verzachten, moeten wíj heel onze maatschappij omgooien om hun werk behapbaar te houden en staan we er nóg elke avond voor te applaudiseren tot we er blaren van krijgen. Maar 15 minutes of fame smaakten naar meer. En nu we allemaal terug onze eigen problemen kunnen aanpakken, kunnen die mediageile verpleegstertjes het niet laten om nog een portie spotlight te eisen. Toch is er goed nieuws. Twee dagen geleden hoorde ik op het nieuws dat ze hun opslag krijgen. Hopelijk bespaart dat ons ervan dat ze wanhopig naar aandacht blijven hengelen, bijvoorbeeld door massaal deel te nemen aan Blokken, The Voice van Vlaanderen en De Mol. Zo'n verwijfd verplegertje dat op witte Crocs door de Mexicaanse woestijn huppelt zou het misschien goed doen qua entertainmentwaarde, maar we weten allemaal dat je nog sneller een potje schaken verliest van een alpaca dan dat een verpleger een puzzel van Gilles De Coster oplost. Je moet die alpaca's echt niet onderschatten. Maar genoeg over de zorgsector, terug naar ónze zorgen. Eén van de problemen waar we ons opnieuw elke dag het hoofd over moeten breken is wat we in vredesnaam weer gaan eten morgen. Daar was in volle lockdown geen sprake van. Toen aten we wat er nog in het winkelrek lag. De mentale rust dat dat met zich meebracht, was onbeschrijflijk. Oké, een pak rijst kostte je al snel meer dan een pallet door civetkatten uitgescheten koffiebonen, maar toch. Niemand durfde te klagen, want je wist dat wie voor jou boodschappen had gedaan, zijn of haar leven had geriskeerd voor dat laatste pak pasta in de Colruyt. Tenzij je natuurlijk in het ziekenhuis lag. Dan moest je het doen met wat de wandelende face shields je voorschotelden en had je alle reden tot klagen. De ziekenhuiskost was namelijk nog ranziger dan anders, want koken kunnen die verplegers sowieso al niet en naar het schijnt hadden ze het druk met andere zaken. Ja, zo maar één probleem hebben in het leven, onszelf gezellig zitten vervelen thuis, heerlijk lege straten, met in de verste verte geen grijspaars gecoiffeerde dinosaurussen en hun portemonnees vol ros geld om het begrip traagheid naar een hoger niveau te tillen door gepast te willen betalen, zorgverleners die zich nog geen goden waanden ... Ik durf bekennen dat ik soms met weemoed naar die lockdown terugkijk. Al geef ik toe dat zaken als jezelf van de wereld zuipen in een café vol steeds knapper wordende vrouwen ook z'n plek in onze maatschappij verdient. Dat deed ik gisteren nog eens en ik kan je zeggen dat ik geen greintje dankbaarheid voelde voor de ambulanciers die mijn maag aan het leegpompen waren, nu ik weet dat ze allemaal op slag miljonair zijn geworden. Laat ze maar werken voor hun fortuin, ik heb m'n eigen kopzorgen. Ik weet godverdomme nog niet eens wat ik morgen weer van eten moet maken.

Hans Verhaegen
32 0