Lezen

God is het zuchten moe

Jij bent verloren van jouw tijd. Een erotische papaver, een aandoenlijke snoepdoos, prinses van de schaduwkant van de maan en keizerin van niets.   Jij bent een losgeslagen flipperkast. Je grote liefde, een rodeo koning, is in zijn Cadillac gevlucht naar Las Vegas. Nu leef je als een dronken engeltje in de meest verlaten straten.  Want je bent verloren van de mensheid. Je leeft in je memoires van honing en goud, waarin jullie zaten te dansen op glanzende tapijten, onder de kroonluchters van de hemel, in suiker witte kleren. Hij knielde voor jou neer, zijne majesteit, met een bloedende roos tussen zijn tanden. Jij zat op je ivoren troon en speelde als een onzeker meisje met je krullen. Met je henna beschilderde handen.   Want je bent verloren van de liefde. Je bent mooi. Je gezicht is geboetseerd uit bloedrode plasticine. Je grimas is geslepen tot een tandpastalach.   Maar vanbinnen ben je een bloemblaadje. Er leeft een herfststorm van rozenblaadjes in je kleine hart.   Zo verloren vonden ze je.  Met wilde vuurrode haren,  een maansikkelvormig litteken in de hals, een bloedende pump en getatoeërde barcodes.   Ze namen je mee en sloten je op in een poppenkast van witte badjassen, plasma zakjes, koude kamers en een onzichtbaar hangende doodsklok.   En hoe meer je begon te ontbinden, daar in die kille kamer tussen dove blinde kinderen, die de lachende muren begonnen af te tasten terwijl jij god hoorde zuchten. Want hij was het zuchten moe. 

Andrea Derese
47 0

Koud Liefdesgeluk

Donderdag, 2 oktober 1941 Vandaag is de derde dag sinds de explosie plaatsvond. Sinsdien is nergens nog een kat te horen. Alida en ik zijn water gaan halen in de rivier hier niet ver vandaan. Nog nooit hebben we zo hard moeten rennen als vandaag. We hoorden een paar geweerschoten toen we in het bos zaten, verstopt voor de Duitsers achter een grote holle boom. Ik denk dat het was om te controleren of niemand wel op straat zou lopen. Toen ik net aan de rivier was struikelde ik over een oude man die daar doodlag. 2 schoten in zijn hoofd en 1 door zijn maag. Gruwelijk. Nog nooit had ik zo’n stank geroken. Alida kwam samen met Isaac en zijn kleine broertje, die nog maar net kan lopen naar de rivier om me overijnd te helpen. Mijn glazen bak waar ik water moest van halen lag in 1000 stukken op de grond. De scherpe scherven zaten in mijn hand. Het bloedde. Ik had thuis moeten blijven. We liepen nog zo’n 1,5 kilometer terug naar huis. Ik voelde de koude mist tegen mijn afgekoelde en vieze huid. We moesten maar eens voortmaken voor ze ons zouden zien. Mijn vader hoorde me thuiskomen en zonder te vragen of ik ongedeerd was ging hij snel op een stoel zitten aan onze oude tafel die moeder had uitgekozen vlak voor haar overlijden. Ze vond de kleuren en het patroon wel geestig bij elkaar passen. Toen ik meedeelde dat ik gevallen was en de glazen bak met water had laten vallen kreeg ik bijna een klap in mijn gezicht. Vader was nog nooit zo woedend. Ik zag in zijn ogen dat iets niet pluis was, maar niemand zou het lef hebben om iets tegen hem te zeggen. Tenslotte wonen alleen mijn 2 broertjes in ik bij hem. Ik zag de lege flessen drank op de keukentafel staan. Twee daarvan waren halfvol en de andere twee helemaal leeg. ‘het is een jaar geleden dat moeder overleden is’, zei hij dronken. Ik rook de alcohol uit zijn stinkende mond en ik stond maar drie meter van hem. Het was een tijdje muisstil, zowel in de keuken als in de woonkamer. Toen ik het overwoog om naar buiten te lopen zag ik een brief in de prullenbak liggen. Lang geleden dat we nog eens post hadden gekregen. De laatste brief die we hadden gekregen was van mama, toen ze in Frankrijk zat met haar beste vriendin. Ik moest de brief gewoon eens lezen dus nam ik hem uit de prullenbak en liep naar mijn kamer. Heel erg warm was het daar niet en de dekens waren al 4 maand al niet meer gewassen, dus kon ik me niet verwarmen aan mijn dunne dekens. Ik staarde naar de enveloppe die goed was vast geplakt. Ik begon met lezen. Mijn ogen werden vochtig en al snel begon ik me zorgen te maken, we moesten namelijk verhuizen naar één van de buitenwijken. Het is een plek waar de Joden allemaal samen zouden moeten gaan wonen. Plots hoorde ik een heel harde bonk dat vanuit de woonkamer komt. Ik rende met de brief de trap af naar de keuken. Ik storte helemaal in aan het warme vuur dat vader aangestoken zou hebben als ik water was gaan halen. ‘zou ik hem verbranden?’ dacht ik in mezelf. Net voor de brief de eerste vlam bereikte snokte vader de brief uit mijn handen. Alweer kreeg ik bijna een klap in mijn gezicht. Hij nam de een versleten koffer onder de kast vandaan en begon met inpakken.       Zaterdag, 4 oktober 1941 Hier gaan we dan. Ik heb alles ingepakt wat ik bijeen kon rapen. Vader nam nog een laatste slok vodka uit zijn glas dat hij daar twee dagen eerder had neergezet en riep dat we ons moeten haasten, omdat we anders onze trein zouden missen. We hebben twee uur op de trein naar Amsterdam gezeten. Eenmaal we aankwamen in het station van Amsterdam werden we ruw geduwd door de menigte die daar rondliep. Vader trok aan onze armen en schreeuwde dat we onze oude valiezen niet mogen vergeten. En plotseling vervaagde de stem van vader. Ik hoorde geen geschreeuw van een wanhopige vader of luide kreet van mijn broertjes. Niets. Op een gegeven moment kwam een jong gezin vol paniek mijn kant uit. ‘Aus dem Weg oder ich werde dich rüber gehen!’ werd er van alle kanten geroepen. Ikzelf zou geen flauw benul hebben van wat dat zou betekenen. De hoop die ik heb om mijn strenge en opdringerige vader terug te vinden ben ik helemaal verloren. Zou vader hun ook zijn kwijtgeraakt in de menigte? Waar zouden ze naartoe gaan zonder mij? Zouden ze me nog zoeken? De vragen stormen in mijn hoofd, aangezien ik niet weet waar ik naartoe moet gaan. Na een uur wandelen nadat ik het station had afgelopen om mijn vader en broers te zoeken kwam ik uit in een donkere straat heel erg afgezet en afgelegen van de andere straten. Het ziet erg heel erg triest uit en de straten lagen vol met afval en vieze kleren. Je kon er niet in of uit dacht ik in mezelf. Op een ogenblikelijk moment namen twee grote en sterke mannen mijn arm stevig vast, pakte mijn koffer uit mijn handen en smeet me over een prikkeldraad. Toen was ik één van hen. Één van de gevangenen in die donkere en vieze wijk vol afval. De mannen die me hadden over de draad wierpen droegen een helm en waren in een groen kostuum gekleed met aan de schouder een geweer en op hun linkerarm een band met een zwart hakenkruis erop genaaid. De leren lange laarzen die ze aanhouden moet hun uitsluitend helpen tegen de kou en modder. Ze keken niet al te blij, maar wie zou nu wel gelukkig zijn in deze leefomstandigheden? Ze werden wat grimmiger met de minuut. Ik aarzelde niet om mijn boek te nemen en liep de donkere straat in. Eenmaal ik aankwam aan een huisje aan de rand van een wijk kwam een man naar mij gelopen, hij droeg een rugzak, kapotte schoenen altans ik denk dat het schoenen zijn, een zelf aaneengenaaide broek vol gaten en een hemd dat onder het stof en de vlekken zat. Hij rook naar zweet en vieze stinkende kousen die al twee jaar niet gewassen waren. Een beetje zoals mijn deken dat nu nog thuis ligt op mijn bed. Hij bleef even staan al hijgend bij zijn deur. Hij vroeg of ik wilde binnenkomen dus offerde ik mijn hulp aan om zijn zware rugzak naar binnen te dragen. Het eerste wat ik zag toen ik binnen stond waren vijf jongeren die hij onderdak gaf. De man vertelde hoe hij zijn gezin was kwijtgeraakt en hoe hij op het idee kwam deze jongeren ook in huis te nemen. Zijn naam is Abraham. Abraham zelf heeft een zoon die nu aan het vechten is voor ons land. Ik vrees dat hij die nooit meer terug zal zien. Hij vertelde dat ik hier kon overnachten. Op het zolderkamertje van het huisje mogt ik verblijven. Er lag stro op de grond, waaruit ik mijn bed heb gemaakt.       Dinsdag, 7 oktober 1941 We zijn ondertussen al een paar dagen verder. Nog altijd heb ik niets van vader gehoord. Ik begin me zorgen te maken, maar ik weet zeker dat hij zijn plan wel kan trekken zonder mij. Ik heb al heel hard moeten werken hier, daardoor heb ik niet kunnen schrijven. Ik ben uitgeput. Mijn lichaam is moe. Mijn geest is vermoeid en uitgeput van al de arbeid die ik moet verichten. Uren aan een stuk heb ik moeten werken. Dagenlang. Aankomende donderdag moet ik naar een doorstuur- en werkkamp in Amersfoort, Nederland. Dat is zo’n vijftig kilometer hier van waar ik nu zit. Mijn benen lijken stokjes en je zou mijn ribben kunnen tellen. Iedereen hier is moe en wil naar huis. Jammer genoeg weten we allemaal dat dat niet zomaar kan. Vandaag kregen we een filmpje te zien waar we binnen een paar dagen heen gestuurd worden. Een nieuwe plek waar je kan spelen en nieuwe mensen leert kennen. Op het filmpje stond vermeld dat er douches zijn waar je zou kunnen ontspannen en dat je verse kleren krijgt. Ook een gezamelijke kamer vind je daar. Ik hoop dat ik niet moet werken of dat ik geen vieze taken moet doen. Het is altijd hetzelfde liedje hier. Iedereen op het filmpje ziet er gelukkig uit. Het schijnt dat families elkaar terugzien op die dag, dus misschien zal ik mijn vader of één van mijn broertjes terugzien. Ik begin weer hoop te krijgen en word zelf hier nog blij. Nu nog maar hopen dat morgen beter word dan vandaag en de dagen sneller zullen gaan zodat ik terug naar mijn familie kan. Donderdag, 9 oktober 1941 Vandaag is de dag dat ik naar Amersfoort vertrek. Ik heb hier echt een dubbel gevoel over. De ene zegt dat het daar leuk zal worden en de ander zegt dat het daar onze dood zal worden. - Ik ben in Amersfoort aangekomen. Mijn kleren werden stuk voor stuk uit mijn handen gesnokt. Daarna moest ik op een tafel gaan liggen. Één vrouw hield je sevig vast en de andere doorzocht al je lichaamsopeningen met haar vinger. Het werd best ongemakkelijk. Daarna werd ik op een kruk gezet en werd mijn hoofd kaal geschoren.  Je ziet hier allemaal mensen met dezelfde kledij. Niemand heeft zijn kleren nog bij, want die hebben de Duitsers van ons afgenomen toen we in de trein stapten. We kregen in de plaats daarvan een pak met een nummer dat helemaal vies was. Toen ik hopeloos en gestresst naar het toilet zocht liep ik tegen één van de soldaten aan. Hij keek me recht in mijn ogen aan. Ik denk dat hij een vijftal jaar ouder zal zijn dan mij. Ik voelde de trillingen door mijn hele lichaam weer. Hoe hij met zijn donkere en zachte ogen in mijn bange blik keek werd ik er zelf rustiger van. Wat wel vreemd is aangezien ik daar eigenlijk niet mag komen. Hij nam me mee naar een toilet. Hij wachtte tot ik terug naar buiten kwam. En dan was het dàt moment. Het moment waar ik alleen maar van gedroomd zou hebben. We bleven naar elkaar kijken. Alsof we alles aan het zeggen waren wat er gebeurd is met ons, maar dan zonder woorden. Alsof we elkaar al eerder hebben ontmoet.  Ik moest maar eens voortmaken voor de anderen zouden merken dat ik zolang wegblijf. Hij gaf me een stukje van zijn opgedroogd brood en liet me een slok van zijn water drinken. Lang geleden dat ik nog iets anders had gegeten dan alleen maar eten uit een blik dat we bij het vuilnis vonden. De kleren die we hier hebben gekregen lijken helemaal niet op de kleren die ik zag in het filmpje. Ik kreeg vandaag een kom soep waarin ik luizen zag zwemmen. Het is hier echt een gebrek aan soepkommetjes dus eten sommige uit een vies blik. Ik slaap op een smerige stromatras in een zak, bedekt met uitwerpselen en slechts één deken dat ik met nog andere twee  Joden moet delen. Ik heb nog nooit zoveel ongedierte bij elkaar gezien. Die zullen de ziektes hier al snel verspreiden. Mijn vader heb ik nog niet gezien, maar de kans dat ik hem zal zien is nog kleiner dan dat ik het hier ga overleven. Als ik er zo over nadenk zal ik hier nog het meest geluk hebben van iedereen hier. Ik heb mijn dagboek nog steeds bij me. Die had ik verstopt onder een losse plank in de trein. Nadat mijn hoofd kaal geschoren werd kwam dezelfde man die ik tegenkwam in de verboden zone tegen. Hij bracht mijn boek terug, maar hoe zou hij weten dat dit boek van mij zou zijn?                  

Naai
46 1

Wat met Sint ?

Sinterklaas was moe. Hij zat op een stoel onder de grootste sinaasappelboom in z’n boomgaard, gelegen in het Spaanse bergdorp Pego. Het was midden augustus. Het was bloedheet. Het zweet druppelde in z’n baard. Hij dronk een glas water, uit z’n drankfles die hij meegebracht had van z’n groot landhuis, wat lager gelegen. Sinterklaas wat niet enkel moe. Hij keek bezorgd, grote rimpels trokken door z’n gezicht. Naast hem zat z’n grootste vriend en klankbord, OpperPiet. OpperPiet was er van het begin bijgeweest. Toen Sinterklaas het project “kinderen helpen en psychisch bijstaan” nog maar enkel in z’n hoofd had, was OpperPiet er.  Samen met Sinterklaas werkten ze het plan uit in concrete stappen. Zo was “Sinterklaas” eeuwen geleden ontstaan en bestaat het nog steeds. Maar voor hoelang nog ? Sint zuchtte : “Wat nu?” Ook OpperPiet keek zorgelijk. Dit hadden ze nog nooit meegemaakt. Volwassenen, vroeger ook kind geweest, die vanuit Nederland en België, steeds luider de stopzetting van “Sint en Piet” eisten. Nederland en België waren de plaatsen waar de verjaardag van Sint, elk jaar opnieuw gevierd werd, met veel plezier, gekke fratsen en cadeautjes.  In andere landen was Sints verjaardag al jaren geleden vergeten geworden. Neef Santa Claus had meer macht en geld. Hij had gelobbyd onder de speelgoedfabrikanten en zo was Sint aan de kant geschoven. Nu ja, daar was niets meer aan te doen. Maar dat volwassenen vroegen, nee eisten, om te stoppen, dat deed hen wel verdriet.  Waren zij dan vergeten hoe leuk die periode, voor kinderen was ? OpperPiet zei : “ wat met de Pietenschool ? Gaan we de lessen herstarten ?” “Och ja, best wel, het is zo kort op , en wie weet, verandert er nog iets… Laten we onze Pietjes maar verder leren lezen en rekenen, evenwichtsoefeningen doen en toneel.  Deze vaardigheden komen overal wel van pas, en ze komen hier zo graag.” Sint zuchtte. Sinterklaas zat echt in zak en as. OpperPiet had hem nog nooit zo gezien. “Kom Sint, laten we naar huis gaan en iets lekkers eten.” Ze daalden samen af, naar het koele huis.  Daar was het een bedrijvigheid van jewelste. Kleine Pieten reden er met fietsjes over balken, jongleerden en trokken gekke bekken. Er was gelach en gegil en geruzie.  Het was er allemaal.   BakPiet kwam met een lijst naar Sint :”Ah Sint, gelukkig, je bent er. Ik zou willen starten met de aankoop van materiaal voor chocolade, speculoos en marsepein. Kan je nog even kijken voor ik alles bestel ?” Sint knikte : “ Ja hoor, leg het maar op mijn bureau.” SchoorsteenPiet riep : “Hoe zit het met de schoorstenen, Sint ? Gaan we er dit jaar nog door of nemen we de loper ?” “Nee, geen loper, als we die gebruiken, hebben we teveel kans betrapt te worden door wakkere kinderen.” En zo werd er van alles gevraagd en geroepen. Sint kreeg er alleen maar meer zorgen en hoofdpijn van.  OpperPiet zag het en bracht hem snel naar z’n kamer. Daar was MuziekPiet net z’n nieuw Pietenlied aan het oefenen. OpperPiet deed teken dat hij weg moest, gelukkig verstond hij het direct. Met een ernstig gezicht, sloot hij zacht de deur achter zich. Sint liet zich in z’n kussens zakken. We gaan het hen allen moeten vertellen. Leg je een vergadering vast, morgenvroeg om 9u in de centrale zaal. Laten we nog even samen nadenken, vooraleer ik ga slapen.  Dank je, OpperPiet.   De volgende dag was iedereen aanwezig. Sint verscheen en het gebabbel verstomde. “Ja, mijn lieve Pieten, ik heb jullie samen geroepen, met pijn in mijn hart. Er zijn drastische veranderingen op komst. We gaan ons moeten herorganiseren. Onze bezoek- en schoorsteenPieten kunnen niet meer mee op ronde met mij.” Er klonk gemompel en opstandig gefluister. Iemand riep: “Waarom Sint? Wat is er gebeurd ?”   “Mensen willen niet enkel meer Pieten met zwarte huidskleur of Pieten met roetvegen, dat geeft hen een slecht geweten. Ze denken dat ik misbruik maak van jullie. Daarom dat we, samen, niet meer welkom zijn om mijn verjaardag te vieren.” “Gaan we dan digitaal bezoeken afleggen ?” riep ITPiet. “nee, Piet, het is juist belangrijk dat we langsgaan om de kinderen positief toe te spreken, of zachtjes te berispen. Het is belangrijk dat we ze over hun bolletje kunnen strelen, dat we hen persoonlijke aandacht kunnen geven, zodat hun zelfvertrouwen kan groeien. De ouders hebben het niet gemakkelijk en hebben hier niet altijd tijd voor.” “Moeten we dan allemaal weg ?” “Moeten wij ons wit of groen of blauw shmincken “En als we niet meer via de schoorsteen gaan?” Vragen en opmerkingen kaatsten heen en weer. “Stop”, riep Sint, “ we gaan eerst even duidelijk stellen wat we al weten : Iedereen in ons huis in Spanje blijft welkom. We gaan hier blijven leven en werken. Hier verandert er niets. Pego blijft onze veilige haven. Voor de Pieten die meegaan op toer ? Daar moeten we over nadenken …. OpperPiet en ik  denken aan een aantal mogelijkheden : Ofwel ga ik op pensioen. Ik ben al oud en vier al eeuwen mijn verjaardag. Het is misschien tijd om mijn staf door te geven aan OpperPiet.  OpperPiet weet allang wat ik doe, hij kan zeker en vast mijn plaats innemen. Ofwel gaan we uitkijken naar nieuwe hulpen die mee op toer gaan. We dachten aan elfen of trollen of clowns of … Ofwel de beide oplossingen toepassen. Wat denken jullie hierover ?” Na een grondige discussie, waarbij de argumenten overvlogen van de ene kant naar de andere, werd er beslist om beide mogelijkheden uit te werken en dan voor te leggen aan de volwassenen.   Over wie de nieuwe helpers zouden worden, was er wel onenigheid.  De Elfen zagen heel wat Pieten zitten, omdat deze wezens zachtaardig én grappig zijn.  Maar natuurlijk helpen zij Santa Claus al, dus zouden ze nog genoeg tijd hebben voor Sint ? Trollen zijn nogal nors en eerder kwaadaardig.  De kindjes zouden teveel schrik hebben van hen, Dan hadden ze nog de clowns. Clowns zijn lenig, kunnen grappen uithalen en kinderen zijn gek van hen. Clowns waren een heel goede optie. Voor de OpperPiet werd er gekeken om hem helemaal in het nieuw te steken. Voor de mijter moest er wel naar een ander hoofddeksel gekeken worden, die toch ook waardigheid uitstraalt, want OpperPiet is immers geen bisschop. Een aantal Pieten dachten aan het organiseren van een groot feest. Dit voor de pensionering van Sint te vieren.  Ze konden hem zo bedanken voor alles wat hij gedaan had en ondertussen wist iedereen dat hij z’n staf doorgegeven had. Ja, zo gingen ze het doen. De Pieten schoten enthousiast in actie. NaaiPiet was al bezig met een patroon. EvenementenPiet en KokPiet zaten al ideeën te delen. Sint en OpperPiet gingen naar de directeur van de clownsschool om hulp te vragen.   De directeur wilde wel helpen, maar was toch niet zo geestdriftig als gehoopt. Hij beloofde om het een jaar uit te proberen. Hij selecteerde een aantal clowns die zowel konden luisteren, als creatief waren, toch ook een beetje rebels en die voornamelijk goed met kinderen konden omgaan. Dat is al een hele boterham aan talenten! Negen clowns kwamen in aanmerking. Ze werden onmiddellijk opgenomen in de Pietenklas. Leerkracht Piet startte met een spoedcursus dansen, zingen.  Maken van grapjes konden ze heel goed, want clowns zijn hier natuurlijk op getraind. De clowns waren gek op “Slecht-weer-vandaag”. Het paard van Sint had het echt wel zwaar te verduren door hun fratsen en geplaag. Stond hij te rusten ? Zeker en vast had een clown een roos in z’n staart geknoopt of een mandarijn op z’n hoofd gepint. Er was altijd wel iets. Ze vochten bijna om op hem te rijden en ondertussen onder zijn buik te kruipen en hem te kietelen. Het was een gekke bende. Ideaal om mee op toer te gaan.   De Bezoek- en SchoorsteenPieten waren minder blij. Wat mochten zij nu nog doen ? OpperPiet had voorgesteld om mee de brieven, die kinderen naar Sint stuurden,  te lezen en te beantwoorden. Maar …daarvoor zit je stil, de ganse dag lang. De Pieten waren als kwikzilver, steeds in beweging. Nee, dat was niets voor hen. Ze werden ongelukkig en begonnen te morren. Wat konden en wilden ze nog doen ? Een paar Pieten kozen om mee voor de klas te staan en de clowns mee op te leiden. Andere Pieten gingen mee sinaasappels plukken. De bomen in klauteren, dat was hun ding. Een aantal Pieten gingen weg uit het Sintdorp. Zij wilden andere avonturen beleven. En toen waren er nog 2 Pieten over. Wat met deze twee ? Eén van deze Pieten was oud, had jarenlang meegegaan op toer. Hij deed nog fratsen, maar veel bezadigder. Hij zorgde er altijd voor dat alle verlanglijstjes van de kinderen, gechecked en nog eens gechecked werden.  Zodat de kinderen hun juiste cadeautjes kregen. Je kon op hem rekenen als op een horloge van Zwitserse makelij (zouden ze vroeger zeggen). OpperPiet vond dat deze Piet zeker mee kon blijven gaan. Met hem hadden de nieuwe helpers een steunpilaar en zouden er zeker minder missers gebeuren. Piet was dolgelukkig met deze beslissing. Uit blijdschap maakte hij een dubbele salto (ja, dat kon hij ook nog).   En dan hadden we nog de andere Piet. Piet was nog heel jong, hij kwam net van de Pietenschool. Heel zijn jonge leven had hij gedroomd om met Sint en Pieten mee te gaan, om kindjes blij te maken. Zijn droom smolt als sneeuw onder de zon. Hij was droevig en kwaad. Waarom mocht hij niet mee ? Wat was er verkeerd aan zijn zwarte huidskleur ? Sint en OpperPiet vonden het terechte vragen. Het is moeilijk uit te leggen dat Piet niet mee mocht uit schrik te discrimineren, en juist daardoor gediscrimineerd werd. Sint zei : “Jonge Piet heeft gelijk. Waarom moet hij zijn droom opbergen om het geweten van de volwassenen te sussen ? Wat heeft hij verkeerd gedaan ? Angst is geen goede raadgever, dit is niet ok. We moeten rekening houden met de mening van de volwassenen, maar zij ook met die van ons.  We moeten luisteren naar elkaar, elkaar respecteren en hieruit een oplossing distilleren. Wat als we naast de clowns, nog een aantal Pieten, zowel zwarte- als roetPieten laten meelopen ? We zien dan wel hoe het loopt.  Negen clowns kunnen sowieso alleen het volledige seizoen niet aan. Dit voelt toch ook beter, niet OpperPiet ?” “Tja,” zei OpperPiet, “misschien kunnen we een oproep doen, aan allen en iedereen die helpers willen worden van Sint of mezelf. We gaan dan waarschijnlijk een heel diverse groep samen kunnen stellen. We gaan dan zwarte, witte, rode helpers krijgen.  We gaan dan mythische en niet-mythische helpers krijgen.  We gaan dan éénbenige, tweebenige, driebenige, dunne, dikke, oude, jonge …helpers krijgen.  Sint zuchtte, maar ditmaal was een zucht van bewondering.   OpperPiet en Sint legden hun nieuw voorstel voor aan de Pietengemeeschap. Unaniem werd dit plan aanvaard en zo zal het ook voorgelegd worden aan de volwassenen van Nederland en België. Zodat de kinderen van hun kinderen, nog jarenlang, nee nog eeuwenlang, kunnen genieten van de fratsen en positieve energie, die Sint of OpperPiet met zijn helpers elk jaar opnieuw verspreiden. Een lichtje van hoop en respect en vriendschap en aanmoediging.  Elk kind verdient dit, elk jaar opnieuw. Wat de volwassenen met dit voorstel zullen doen ? Dat zullen we weten op 6 december.       20/8/2020          

ElsVdV
0 0
Tip

Juli

Juli   Gulzig Ze vraagt je om wakker te blijven Op wankele waterverfbenen bekijk je haar blauwe plekken Het is tijd om te vertrekken Afscheid na afscheid, rug aan rug Ze vermijdt haar spiegelbeeld Balanceert op kantelende perrons   Denkt Hoe wij om elke hoek loeren Voor het donker thuis zijn Vloeken tot we niet meer kunnen  ademen Elkaars tenen tellen Vertellen over vroeger Elkaar geloven Beloven elkaar vrij te laten maar nu Nog niet   Neemt alles persoonlijk Neemt alles aan Neemt alles Wordt gulzig genoemd Draagt deze naam met trots Trekt elke dag een nieuwe onderbroek en oude gewoonten aan Bouwt forten in haar hoofd Jouw woorden begraaft ze  onder haar nagels Ze proeft ze als ze aan haar vingers likt   Vergat haar adres vier keer Leert het kantelen niet meer te voelen Ligt hier nu al een tijdje Vergeet iedereen  Uit het zicht Ligt open Ze is braakliggend terrein geworden Volgt de boog van de zon met haar navel   Droomt Hoe wij de bebouwde kom doen schommelen Indommelen buiten onszelf Buiten de perken Het wordt al licht Ik steiger wanneer je te dicht komt Vraag je om het toch te doen Het   wordt   al   licht   De stad is een eiland Iedereen daar spoelt af en aan Je kan de lucht er dragen als een donsdeken En alles is er oranje  g l o e i t De mensen daar hebben moeite met Evenwicht Zwichten snel voor kleine zonden Ze willen gevonden worden Gekoesterd Ver verwijderd van het vaste land   Zingt Hoe wij in elkaars armen Hoe wij kwijt Hoe wij altijd afscheid Hoe wij bang Hoe wij nog zo jong Hoe wij zacht Hoe wij heerlijk ongelukkig Hoe wij nukkig Hoe wij in het water Hoe wij aan land Hoe wij licht worden

Marieke Ornelis
258 7

over halfvolle glazen, vrije uitloop en Trump

Het is zondag en ik drink in stilte mijn ochtendlijke koffie. Mijn oudste dochter dendert de trap af en voor ik ‘ik-drink-mijn-allereerste-koffie-van-de-dag-in-stilte’ kan zeggen, vraagt ze: ‘Wat betekent economie?’. De tijd dat ik haar vragen uit de losse pols kon beantwoorden en ik als een soort alwetende moeder werd aanzien, ligt al ver achter mij. Om dit in perspectief te plaatsen: mijn oudste dochter is 10 jaar. Ik weet niet of ik hier krediet mee win of eerder verlies. ‘Economie… dat is alles wat met handel en geld te maken heeft’. Ik weiger meteen google in te schakelen. Na vijf bijvragen moet ik toch verstek geven. Ik vraag me af of ze effectief zoveel bijvragen heeft of dat ze vragen blijft verzinnen tot ik door de mand val. Wat maakt het uit, het zijn de mooiste nederlagen. In plaats van de informatie voor je kinderen op te zoeken, kunnen ze zelf op zoek naar antwoorden. Zo kwam een aantal jaren geleden – toen mijn dochter net vlot kon lezen en ze elk woord op elke verpakking las – de vraag ‘wat is vrije uitloop?’. Ik gaf haar mijn telefoon en klopte mezelf op de schouder omdat ik zelfstandigheid stimuleerde. Na wat zoeken, kwam ze triomfantelijk terug: ‘vrije uitloop betekent dat de dooier stuk gaat bij het breken van het ei; het eigeel loopt uit’. Dank, internet. Onschuldige onwaarheden op internet kunnen grappig zijn, minder onschuldige onwaarheden zijn dat niet. Het impeachment verhaal van Trump is daar een goed voorbeeld van. In een video van The Daily Show interviewt Jordan Klepper Trump-aanhangers Hij vraagt aan een man met een MAGA pet: ‘So, easy advice, read the transcript. Did you read the transcript?’. De man: ‘I don’t have to. Everyone else has, so… I can read it if I need to’. Jordan knikt: ‘But it’s important that everybody reads the transcript’. De man: ‘It is! It’s very important. Pay attention and think for yourself’. Jordan: ‘But to be clear, you have not read the transcript’. Zo gaat het gesprek nog even over en weer. De MAGA supporter blijft herhalen dat je geen kuddedier moet zijn en blijft bij zijn mantra ‘think for yourself’. Klepper blijft herhalen: ‘But you didn’t read the transcript’. Als Klepper vraagt op welke bronnen hij zich baseert, krijgt hij ‘mostly facebook and twitter’ als antwoord. Wat meer boerenverstand, hoor ik u denken. Misschien. Maar dan wel geen Texaans boerenverstand als het op de impeachment kwestie aankomt. Internet bevat een schat aan informatie, maar er staat ook meer onzin op te lezen dan in alle boeken samen. Terug naar de oorspronkelijke tactiek: moeder stelt haar kennis ten dienste van de volgende generatie. Geen dank, internet.   Moeder: (…) Dus daarom zeggen de mensen dat je glas halfvol of halfleeg kan zijn. Wat zou je zeggen over jouw glas? Dochter: Het is halfvol. Moeder: Oh, dat is leuk! Maar als je dus zou omdraaien, is het halfleeg. Dochter (draait met haar ogen):  Mama, als ik het omdraai, is het helemaal leeg. 

Lore Dewulf
23 0

Neem me mee

Neem me mee prijkte op de leren sofa – wij zouden zeggen zetel – waar ik door mijn badkamerraam op uitkeek. Twee weken al had niemand de moeite gedaan hem mee te nemen. In een regenachtige periode had dat voor problemen gezorgd, maar in deze hittegolf die maar niet wou eindigen leek niemand er aanstoot aan te nemen. Voorbijgangers vonden een rustpunt in het midden van mijn eindeloze straat. Op elk moment dat ik in de badkamer passeerde, viel mijn blik op iemand anders, zeker op die uren van de dag dat de schaduw juist stond. Een oude man met een stok, een moeder met hoofddoek, overvolle winkeltas en twee kinderen, een rugzaktoeriste met haar gezicht naar de zon.Ik sliep slechter naarmate de nachten heter werden. Zelfs naakt, zonder laken, als een zeester over de matras uitgespreid voelde ik me alsof ik uren in een tube lijm had liggen woelen. ’s Avonds kon ik de slaap niet vatten en zag ik elk uur op de wekker voorbijkomen, dus ging ik later slapen om toch maar moe genoeg te zijn, om twee uur, om drie uur, waardoor ik telkens rond het middaguur wakker werd, wanneer de zon al op mijn slaapkamerraam brandde. De rest van de dag bracht ik met een suf hoofd door in mijn aardedonkere huis. Het moet na drie uur ’s nachts geweest toen ik mijn tanden stond te poetsen in de badkamer en merkte dat iemand in de zetel me kon zien in al mijn naaktheid. Snel dook ik onder de vensterbank, maar meteen stond ik weer op. Er lag niemand in de zetel, de straat was volkomen stil. Zonder problemen kon ik hier staan, niks op mijn lichaam behalve de zweetdruppels die van me afliepen, het maanlicht op mijn naakte huid. Ik trok snel een T-shirt en een short aan en stak op blote voeten de straat over. Misschien was de zetel een valstrik, de mond van een monster dat opvrat wie erin lag. Toch liet ik me neerzakken op de bruinleren, schilferige lippen, mijn voeten op de armleuning, en staarde naar de sterrenhemel. Toen ik wakker werd, voelde de lucht heerlijk koel aan. De kapper had zijn rolluik nog niet opgetrokken. De ene buurvrouw stond stiekem haar auto te wassen, de andere liet een vrouw buiten met een snelle afscheidskus. Een zwaluw vloog voorbij. Er viel nog geen wagen te bekennen op straat.

Felix Sandon
5 1

Kwartier

Net toen ik op de bus wou stappen, drong tot me door dat ik mijn laptop vergeten was. Meteen liep ik terug naar huis. De lift was nog steeds kapot en het briefje dat het benodigde wisselstuk onderweg was uit Italië al vergeeld. Met twee treden tegelijk snelde ik de trap op. Haastig schuurde ik me langs de muur om mevrouw Maes te passeren, die haar negentigjarige echtgenoot stapje voor stapje naar beneden hielp.‘Ik kom vanavond wel helpen wanneer je terugkomt, nu ben ik gehaast,’ riep ik hen na.De paraplu lag al voor de deur van ons appartement. De grendels zaten er vast al op en sowieso zou ik het eerstvolgende kwartier niet mogen storen, langer zelfs als hij bijbetaalde om te douchen. Ik zou te laat komen voor de vergadering, mijn project niet kunnen voorstellen. Weken werk in de vuilnisbak.Ik legde mijn oor tegen de voordeur toen de buurvrouw kwam kijken.‘Heb jij Laura zien binnengaan?’ vroeg ik nog hijgend van mijn spurt. Door de deur hoorde ik niets.‘Ja, zij had zakdoeken mee. Hele stapel. Papieren zakdoeken.’‘Was ze alleen?’‘Nee, met man. Oude man.’Op dat moment hoorde ik de douche stromen.Ik waagde het erop en bonsde op de deur. ‘Laura!’ riep ik toen mijn geklop niet werd beantwoord. Grendels verschoven en door een kier zag ik Laura’s blauwe kijkers.‘Geef ’s snel mijn laptop,’ fluisterde ik voor ze kon protesteren. Ze verdween een seconde, probeerde de zwarte tas door de kier te stompen, maakte de grendel los toen dat niet lukte en gaf me dat waarvoor ik terug naar huis was gesneld. Meer dan een knikje kreeg ik niet voor de deur weer op slot ging.‘Ze kijkt nogal veel droevige films de laatste tijd,’ zei ik tegen de buurvrouw die me bleef aankijken vanuit haar deuropening terwijl ik de trap weer afdaalde. Ik haalde mijn schouders op. ‘Liefdesverdriet.’

Felix Sandon
5 0

Luft haben

Rij A13, ik heb het gehaald, nog net op tijd. Waarom duurde het ook zo lang eer mijn hamburger klaar was? Fast Food, werkelijk? Ik geef haar mijn vliegticket. Verkeerde verdieping, snauwt ze. Ik kijk vragend, verwonderd omdat ze tegen me snauwt. Ik had nochtans mijn beste Duitse glimlach boven gehaald. Verkeerde verdieping, herhaalt ze. Alsof ze een dictafoon heeft ingeslikt. Ik kijk nog eens vragend, deze keer omdat ik me afvraag of ze een robot is. Zo eentje uit de toekomst, of uit Japan, wat min of meer hetzelfde is. Ik zie de eerste rimpels rond haar ogen en mondhoeken. Dus toch een mens. Zo rond de 40, vermoed ik, maar best nog knap. Wat niet strookt met haar humeur. Het is niet eerlijk, zeg ik. Nu is het haar beurt om vragend te kijken. Oeps, de woorden te laat ingeslikt. Welke verdieping dan? probeer ik opnieuw. Zie ik eruit als een grondplan? Weer snauwt ze tegen me. Ik druip af en waan me in een escape room. Ik vraag me af waar ik de gate-nummers moet ingeven om de juiste verdieping te vinden. Of misschien iemand die niet tegen me snauwt. Na een tijdje ren ik opgelucht naar rij A13. Ik kom opnieuw hetzelfde hamburger restaurant tegen en ... daar zit ze. Ze ziet mij en wordt lichtjes rood van razernij. Weer ben ik op de verkeerde verdieping! Ik sla in paniek, het wordt wazig voor mijn ogen. Ik draai me om en val in de armen van een knappe, lange man. Die me met een lieve glimlach en een zachte, exotische stem vraagt of het wel gaat. Ich muss luft haben, zeg ik in mijn beste Duits. Je bedoelt “flughafen”, snauwt de robot achter mij.

Amanda C
0 0