Lezen

Celeste

Het huis staat alleen, op een open plaats in het bos, ver weg van de drukte van de stad. De routebeschrijving had even goed als volgt kunnen gaan: rijdt u tot het einde van de wereld en slaat u vervolgens linksaf. Voor alle veiligheid volgde ik toch maar de gps van de huurwagen. “Satelliet weggevallen.” zei de mechanische vrouwenstem een vijftal minuten voor aankomst. Ik besloot het erop te wagen en verder te rijden op mijn richtingsgevoel, dat overigens niet zo goed ontwikkeld is. Tot mijn eigen verbazing zag ik even later, aan mijn linkerzijde, een chalet opduiken tussen de bomen. Bestemming bereikt, dacht ik in dezelfde monotone stem als die van de gps-dame.                Vanuit de wagen aanschouw ik de middelgrote blokhout en een vaag gevoel van herkenning besluipt me. Een beetje zoals een déjà-vu. De vrouw die hier woonde, Celeste, bleek een tante van mij te zijn van wie ik het bestaan niet eens afwist. In haar testament had ze laten optekenen dat ze alles aan mij, haar enige familie, naliet. De notaris en ik kwamen overeen dat ik hierheen zou komen om alle papierwerk in orde te brengen. De gedachte dat zij haar laatste jaren hier in alle eenzaamheid had doorgebracht om vervolgens te sterven aan een hersenbloeding, deed me verdriet.                Na een minuut of vijf raap ik mijn moed bij elkaar en wandel ik naar de voordeur. Het gerinkel van de bel klinkt bijna agressief in deze omgeving. Alsof het lawaai van de beschaving een barst slaat in de rust van de natuur. Wanneer er na een minuutje niemand opendoet, klop ik aan. Bang om de sereniteit rondom me opnieuw te verstoren door aan te bellen. Er komt wederom geen reactie. Ik loop rond het huis en tuur langs de ramen naar binnen om te zien of er iemand is. Ik zie geen beweging en besluit terug naar de wagen te gaan. In de mooi verzorgde tuin, staat een grote steen. Hij doet me wat denken aan een miniatuur versie van de menhirs in Carnac. Wat raar, denk ik. Wie zet nu zoiets in zijn tuin? Als bij ingeving wandel ik naar de steen en in de schaduw ervan zie ik een sleutel liggen in het gras. Bingo, gaat het in mijn hoofd en met een gevoel van overwinning wandel ik naar de voordeur en draai de sleutel tweemaal om in het slot. De deur gaat piepend open.                De woonkamer is ouderwets ingericht, maar straalt tegelijkertijd een zekere gezelligheid uit. Een stoffen tweepersoonsbank, een houten salontafel bezaaid met tijdschriften, een haardvuur en her en der staande lampen zorgen voor dat gekende huiselijke gevoel dat enkel oma’s weten te creëren. Op een of andere manier voelt het hier een beetje als thuiskomen.                Mijn oog valt op een grote, witte enveloppe die op de schoorsteenmantel staat. Mijn achternaam in sierlijk handschrift. Geen aanspreektitel, dat is raar, denk ik maar ik geef er verder niet veel aandacht aan. Een begeleidend schrijven van de notaris:                “Hopelijk heeft u de weg naar hier goed gevonden. Uw tante zou wensen dat u het zich naar uw zin maakt. De ijskast is gevuld en u zal zien dat in alle levensnoodzakelijkheden werd voorzien. Ik tref u graag morgenvroeg om 10u05. Indien u problemen zou ondervinden, kan u mij steeds contacteren op het nummer dat u vindt op bijgevoegd visitekaartje.   Tot morgen.     Vriendelijke groeten,   Notaris Chalice.” Ik word dus geacht de nacht hier door te brengen. Plots lijkt de huiselijke kamer dreigender dan voordien en is het alsof de rust van het bos me insluit. Ik voel me bevangen in deze plaats en een deel van mij wil uitbreken, wil schreeuwend naar buiten barsten en ver weg lopen. Naar de rust van het lawaai van de stad, naar de eenzaamheid van de massa, naar de onzichtbaarheid in het gezien worden. Ik ben niet graag alleen met mijn hoofd.                Maar je bent niet alleen, denk ik onbewust. Niet in dit huis. Niet hier. Mijn oog valt op de kop van het opgezette dier dat aan de schoorsteen hangt en mij lijkt aan te staren. Een ree, met stierenhoorns en kleine – te kleine – oren, zoals die van een kat maar dan anders. Gitzwarte kraalogen die me volgen. Die tot in mijn ziel kijken en me zien voor wie ik ben. Het beest is grotesk in zijn surrealiteit. Het zou een creatie van Jeroen Bosch kunnen zijn. Monsterlijk mooi. Onecht en toch pijnlijk aanwezig. Als een lelijke metafoor voor de mensheid in haar zijn. De haren van dit fabeldier zijn zacht op een harde en stugge manier. Ik wil het verder strelen, maar ik wil er tegelijkertijd liever van wegrennen. Een dualiteit die me vertrouwd aanvoelt. Ik wil het dier een naam geven. “Bromius”, zeg ik luidop. “Dat is jouw naam vanaf nu. Ik doop je tot Bromius en noem je mijn vriend voor de nacht.” Aangenaam Bromius, mijn naam is Herbert.   De volgende ochtend word ik wakker onder een van de wollen dekens in de te kleine tweezit. Mijn nek is stram door de krampachtige houding waarin ik gelegen heb en mijn hersenen lijken uit hun pan te willen barsten. De lege fles whisky die op de kleine salontafel staat, vertelt me genoeg over de oorzaak van die hoofdpijn en verklaart tevens waarom ik me na mijn ontmoeting met Bromius niets meer herinner. Het licht moet halverwege zijn uitgegaan.                Een blik op mijn horloge zegt me dat de notaris hier elk moment kan zijn. In een ijl tempo, maar met behoedzame bewegingen, ruim ik de sporen van gisterenavond op. Ik wil niet dat de notaris een verkeerd beeld van me zou krijgen. Bromius lijkt me te volgen met zijn ogen en me te zeggen: “Jij en ik hadden het fijn gisteren. Was het niet leuk om de teugels los te laten, om jezelf te omarmen en te verdrinken in je bestaan?” Ik wend mijn ogen af van deze valse Godheid. Gegeneerd voor de dingen die we samen gedaan hebben. Beschaamd voor wie ik ben.   De notaris komt binnen zonder bellen en ik schrik wanneer hij me aanspreekt. “Juffrouw Stevens, Julie, het spijt me. Ik wilde u niet doen schrikken.”                “Ik denk dat u zich vergist, meneer Chalice. Mijn naam is Herbert Stevens. Ik ben de neef van mevrouw Celeste.” “Het spijt me mevrouw, maar ik versta u niet.”                “Ik zei dat ik denk dat u zich vergist. Ik ben Herbert. Herbert Stevens. Ik weet niet wie Julie is.” Ditmaal diftongeer ik uitdrukkelijk opdat de man me zou verstaan. “Uw tante waarschuwde me hier al voor, dat dit kon gebeuren.” De notaris blijft een poosje stil en ik kijk hem vragend aan. De ogen van Bromius branden nog steeds in mijn rug alsof hij me iets zeggen wil. “U heeft een episode neem ik aan.                “Ik vrees dat ik u niet helemaal begrijp, meneer Chalice.” “Oh meisje, het spijt me, maar ik versta niets van wat u zegt. Uw tante vertelde me dat u soms in tongen praat en dat enkel de Goden u dan verstaan.” Onbewust werp ik een blik op Bromius. Wetende of hopende dat hij me zou verstaan. “Bromius”, zegt de notaris en ik kijk hem aan. Hoe weet hij dat ik mijn vriend die naam heb gegeven? “Eén van uw meest meesterlijke creaties en tevens uw tantes favoriete. Even lelijk als hij mooi is zei ze altijd.” Zoals ik, denk ik. Dat zei ze ook. Tegen mij. Dat mijn ziekte even lelijk is als ze mooi is. “Een gave vermomd als een vloek.”, suste ze dan. Ik herinner me haar. Ik, mijn naam is Julie, denk ik. “Meneer Chalice?”, mijn stem klinkt anders nu. Hoger. Hij kijkt op, glimlacht en zegt: “Zullen we dan maar snel de papieren ondertekenen?”

Sara
0 0
Tip

Not everybody is ready for Africa

Ik weet niet wat eerst mijn aandacht trekt: de stralend witte lach van Albert of zijn opgeblonken driewieler, schitterend in de Ghanese zon, alsof ook die met een tandenborstel te lijf werd gegaan. Mijn medereizigers zijn verrast door dit originele voertuig, een aangename afwisseling op de veel te krappe, veel te gammele, veel te warme trotro’s waar we tot nu toe mee gereden hebben.  “Are you Joka group? Are you miss Hilda? Come, let’s go!” Geestdriftig wenkt Albert ons, maar gehaast is hij allerminst. Hij neemt uitgebreid de tijd om ons allen te begroeten en laat me een voorbijganger een spoedcursus fotografie geven: zo houd je de camera, hier moet je door kijken en op deze knop moet je drukken. Zoals vele andere chauffeurs of gidsen die we al ontmoet hebben hecht ook Albert veel belang aan een group picta. Op de eerste foto zijn we allemaal onthoofd, op de tweede is enkel mijn achterhoofd zichtbaar. De derde foto wordt genomen door een van de vele kijklustigen die zich intussen rond ons verzameld hebben. De kadrering is niet ideaal en de trike staat er niet volledig op, maar wij tenminste wel, inclusief onze eerste fotograaf die zich duidelijk beter voelt voor de camera dan erachter.   Blonde, goedlachse Amy wordt uitgenodigd om vooraan naast Albert plaats te nemen, de zes andere vrouwen schuiven haastig op de bankjes in de laadbak. Enkel als er plaats genomen wordt in een voertuig of aan tafel reageren deze dames zonder dat ze daartoe moeten worden aangemaand, bedenk ik me. Alsof het zien van zitplaatsen hun gedachtegang aanzienlijk versnelt. In een fractie van een seconde hebben zij immers alle mogelijke voor- en nadelen van elke zitplaats geanalyseerd, alsook alle mogelijke opstellingen van ieder van ons. Besluitvorming volgt zodanig snel op deze analyse dat het gelijktijdig lijkt, en verrassend genoeg is zij onder deze zes vrouwen ook steeds unaniem.  Nauwelijks hebben zij hun blanke kont op de bankjes neergevleid, of zij vatten hun meerstemmig commentaar aan. “Waarom mag zij vooraan zitten en ik niet?” “Ik hoop dat we hier niet te lang in moeten zitten, die bankjes zijn verdomd hard.” “Zie maar dat je niet achteraan zit, dan kan je eruit vallen, zo gevaarlijk als dit is!” “Oh, ik vind het nu al doodeng en we zijn nog niet weg.” “We zijn toch wel verzekerd he?” “Ik hoop dat dit niet de verrassing is waar je over sprak Hilde, en dat er ons nog iets leuks te wachten staat straks.” Ik zet mijn beste professionele pokerface op en probeer enkel klanken te ontwaren, ontdaan van elke betekenis. Ik doe dit niet voor het eerst en ik weet dat ik meer geduld heb met de kakelende kippen die nu voor mijn geestesoog verschijnen dan met deze jonge vrouwen. Helaas werkt mijn trucje deze keer niet. De trike is inderdaad de verrassing die ik voorzien had, en ik voel me mismoedig nu zelfs dit niet geapprecieerd wordt. Hoe kan ik deze mensen in hemelsnaam ooit een plezier doen? Waarom schreven zij zich in voor deze rootsreis van Joker en hebben zij niet gewoon bij Neckermann geboekt?  “Kom, ik help je erin.” Jorne neemt me bij de hand en knipoogt naar me, als ik instap geeft hij me een bemoedigend kneepje. Nu lukt het me wel om niet te luisteren naar het gekwetter van de vrouwen, al halen hun hoge gilletjes als we door een kuil of over een wortel rijden me af en toe wel uit mijn gemijmer. Ik geniet van de rood bestoven weg die onder ons heen verschijnt, van de breed lachende mannen in de schaduw van bomen, van de zwaaiende kinderen die al rennend onze snelheid proberen te evenaren, van de honden die ongegeneerd breeduit liggend de weg opeisen, van de rondborstige vrouwen met pak op hun hoofd en kind op hun rug.    “Here we are, this is tha house of tha medicine man!” Albert parkeert zijn driewieler in de schaduw van een boom, een beetje teleurgesteld stappen Jorne en ik als eersten af. Voor ons had het ritje gerust nog wat langer mogen duren, maar de vrouwen zijn beduidend opgelucht. De spanning en het heen en weer geslingerd worden bij het ontwijken van kuilen, wortels, honden of kinderen op de weg, heeft hen misselijk gemaakt. Twee van hen zijn wit als een doek, al keert hun kleur snel terug zodra ze met hun bibberbenen vaste grond raken. Dit keer hebben ze echter de kans niet om hun opmerkingen te geven, want binnen een mum van tijd hebben we elk drie of vier kinderen aan onze vingers hangen. De warmte van de Afrikaanse zon straalt nu ook in de ogen van de vrouwen en gewillig laten ze zich door de kinderen naar het erf van de medicijnman voeren.  Onverhoeds en vastberaden als een horde mieren op weg naar hun koningin, dringen daar de meest weerzinwekkende reukpartikels onze neusgaten binnen. Er is geen tijd om zelfs maar een hand voor onze neus te slaan, aan een rotvaart rukken ze genadeloos op. Hoe ver we onze mond ook opensperren en proberen hen te verjagen door diep in te ademen of te kokhalzen, toch kunnen we deze aanslag niet afweren. Mijn ogen tasten het erf af op zoek naar de bron van deze stank en ontwaren daar, naast een pruttelende kookpot, de resten van een geit, haar poten opengesperd in totale weerloosheid.   De kinderen drijven ons het huis in waar ze zelf onmiddellijk weer worden buiten gejaagd. We bevinden ons in een donkere salon, onderuitgezakt in een comfortabele lederen zetel zit daar de medicijnman. Hij is dik, zijn vingers en lippen glinsteren van het vet van de kippenbouten waar hij als een uitgehongerde het vlees af scheurt. Sabbelend op een botje roept hij een man bij zich en in een ons onverstaanbare taal geeft hij hem te kennen dat hij klaar is voor een gesprek met ons. Hij gooit het botje uit het raam, waar honden erom vechten, boert luid, knoopt zijn jeans en zijn hemd open en zakt zo mogelijk nog meer onderuit. Wij mogen plaats nemen op de bank tegenover hem. De vrouwen zijn intussen blijkbaar weer helemaal de oude, want ik hoor hen schaamteloos commentaar leveren op de man die onmogelijk een medicijnman kan zijn, want waar zijn zijn amuletten, zijn dierenvachten en zijn masker? Het is toch overduidelijk dat deze ongemanierde dikzak in jeans een charlatan is? Jorne, Amy en ikzelf converseren via een tolk met de medicijnman en verontschuldigen het onbehouwen gedrag van de anderen. We spreken over verschillende denkkaders, afwijkende culturele gewoontes, de nood om opgedane indrukken te ventileren bij gelijkgestemden. De medicijnman glimlacht gemoedelijk, “not everybody is ready for Africa”. Het zijn zijn enige woorden in het Engels en het is de enige keer dat hij ons aankijkt.    Na het onderhoud met de medicijnman worden we uitgenodigd voor een drum and dance op het erf, de traditionele manier om gasten te verwelkomen. De vrouwen rollen met hun ogen, weeral een drum and dance. Gelukkig zijn er hier talloze kinderen die voor afleiding kunnen zorgen en zonder al te veel morren zetten ze zich tussen de toegestroomde dorpelingen in de kring. De drummers, uitgedost in traditionele kledij, nemen hun plaats in en als ook de medicijnman - dit keer wel degelijk uitgedost met amuletten, dierenvacht en masker - de kring betreedt, is het tijd voor de kinderen om op de achtergrond te verdwijnen. De vrouwen gooien stukken vlees op het erf, de kinderen vliegen erop af als honden op een kippenbot en vechten om een stukje. Ze krabben, ze bijten, ze schreeuwen, ze slaan, ze duwen en trekken om toch maar iets lekkers te bemachtigen. Verstomd en verlamd kijken we toe, en pas als een vrouw een pot vlees voor de allerkleinsten brengt, durven we terug te ademen. Het wordt stilaan te veel voor mijn deelnemers, ik weet dat ik hen daar snel moet weghalen. Maar weg gaan nog voor de drum and dance is begonnen, is grof en respectloos. Ik beloof mijn medereizigers dat we maximum tien minuten naar het spektakel zullen kijken alvorens te vertrekken en neem me voor om vanavond voor het slapen gaan een kringgesprek te houden over de indrukken die we vandaag hebben opgedaan.  Op dat moment verschijnt er een danseres. ze stampt met haar voeten op de grond, zwaait haar hoofd in haar nek, gooit haar armen in de lucht. De drummers drijven het tempo op, de voeten stampen sneller en sneller. Armen gaan op en neer en lijken wel van elastiek, handen bewegen zo snel dat het lijkt alsof ze twintig vingers hebben elk. Zweet stroomt over voorhoofden en ruggen, ogen worden wijd opengesperd. De danseres valt op de grond en slaakt een kreet, haar ogen draaien weg, schuim komt op haar mond, haar armen, benen en hoofd schokken. Vier mannen lopen de kring in en halen haar weg. We kijken naar elkaar, beduusd, en vragen ons af of we allemaal hetzelfde hebben gezien. Net als we aanstalten maken om te vertrekken, komt ze terug. Ze beschikt over een bovenmenselijke kracht en schudt de vier mannen van zich af. Ze steekt haar vingers in een pot, tekent strepen op haar gezicht en graait met haar handen in het stof op de grond. Ze slaakt onmenselijke kreten en gooit het stof over zich heen, tolt rond, bukt, neemt nog meer, gooit dit over de toeschouwers. Ze graait en gooit en graait en gooit en graait en gooit en tolt maar in het rond. Bruusk sta ik recht, mijn reisgezellen volgen onmiddellijk. Voor mij uit haasten ze zich naar de trike, ik richt nog enkele woorden van dank tot de medicijnman en maak me dan ook snel uit de voeten. Buiten gekomen haal ik diep adem. Wat. Was. Dat.    Op de terugweg wordt geen woord gesproken. Eenmaal terug haast iedereen zich naar zijn kamer, niemand wil vandaag nog in een kring zitten. Ik blijf alleen achter en rol een sigaretje. Ik kijk toe hoe de rook langzaam oplost. Als mijn sigaret op is, rol ik een nieuwe. 

Hilde Christens
187 2
Tip

Witte leugens

Twee silhouetten zitten tegenover elkaar aan de eettafel. Man en vrouw. Hun hoofden zijn naar beneden gericht, druk bezig hun gekookte aardappelen met mayonaise in de ogen te kijken. Het is een scène die ik al door duizend-en-een verschillende ramen heb aanschouwd. De avond is mijn favoriete moment. Dan ontvouwt zich een podium dat baadt in het artificiële, vaalgele licht, en kan ik ongestoord binnengluren. De vrouw richt haar hoofd op naar de schim aan de overkant van de tafel en opent haar mond. Ze zegt wat. Met hangende schouders die bijna in haar bord vallen, wacht ze een reactie af. De man geeft haar een korte blik, een knikkend gebaar en een paar woorden terwijl hij met zijn vork werktuiglijk in het bord wroet. Zijn kaken malen als een lopende band. Dit is het punt waarop de vrouw haar man vraagt of hij het lekker vindt, en waarop de man liegt wat hij elke avond liegt. Iets in de trant van 'Heel lekker, schat'. Het superlatief durft wel eens te variëren, en aangezien mijn lipleesvaardigheden nog niet op punt staan is het ook in dit geval wat giswerk – maar van die 'schat' ben ik vrij zeker. Soms is het ook ‘lieveke’, 'bolleke', of 'zoetje'. Maar meestal ‘schat’. In ieder geval zo'n koosnaampje met een dikke kwak mayonaise. Een kwak die bedekt, doorweekt, doordrenkt, tot er enkel een kleffe brei overblijft. Ik walg, maar ik kijk verder. Zoals altijd. Elke woonkamer en elk raam lijkt net een andere vaalgele tint te hebben. Het is een beetje zoals Tolstoj zijn Anna Karenina opende: "Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen manier." Ik zou het liefst van al met een kopie van dat boek hun raam aan diggelen willen gooien, hen bij de haren nemen en hen pagina voor pagina laten zien wat ongeveinsde emoties en authentieke identiteiten zijn, en hoe je nuances en variaties kan aanbrengen in gevoelsbeleving. Maar ik blijf toekijken. Net zoals dat boek geschreven en gelezen moet worden, moet ik mezelf ook voor dit drama zetten. Dus ik verstop me wat verder in mijn kraag, trotseer de donkere kou, en staar recht vooruit. De avond is nog steeds jong. En wat zou ik in godsnaam anders moeten doen?    

Tom Keysers
216 6

Proef mijn gif

Tussen de lava van onrust en euforie bevind ik me   samengesmolten en verhard. Met een mantel van een of andere bejaarde steensoort.   Ik ben het zoet. Dus bijt me in twee.   Proef me.   Verscheur en vermaal me.   Slik me door.   Ik beland in een lauwe brokkensoep.   Wat sneeuw valt op je huid. Smeltbaar grof zout uit een kreeftenzwembad in plaats van uit een steenkleurige hemel. Mijn dagdromen, mijn verbeelding.   In Het toilet van Venus houding lig ik op je onverteerde chocokoeken verder weg te doberen als een badeend.   In een donkere kamer zonder ramen of deuren, achter je verzilverde navel, waar ik van waterpijp (met bonbonsmaak) geniet, hoor ik een kreunversie van Die Königin der Nacht.   Een explosieve jaloezie, dat ben ik nu. Je loopt achter semi-plastieken slangenvrouwen aan, hun contouren gevuld met egale pigmenten: melasse, speculaas en kaneel + de glitters op hun ogen, lippen en wangen.   Mozarts werk stopt en mijn lust lust naar het  zoet ook.   Mijn regenboogdromen zijn nu niet meer dan ontplofte wolken van illusies.   Ik scheur je vanbinnen uit open   en verlaat je   als een verliefde vlinder.   Je zakt in een bordeaux plas verder  weg met fluorescerende pillen in je ene hand en een andere in die van je erotische pop.   Ik ben nu het zuur, een taaie snack en later een bittere pil.   En op het einde... een toxische appelcocktail  wat zelfs Sneeuwwitje zou strikken.   Het verleden is nu een schaduw in het heden. Soms komt er weer een aria in mijn dromen waarin ik terug een jonge merrie ben.   Want kijk nu: ik leef in een ziekenhuisbed op een zwarte regenboog achter tralies.   Mijn antieke lichaam verstopt in een kimono met aronskelken erop.   Het is mijn geweten.   Ik had beter moeten zijn. Want nu eindig ik als een eenzame rimpelkop.

Andrea Derese
36 0

KIJK DE MOON SCHIJNT DOOR DE BOMEN

Hebben jullie ook allemaal eventjes de wenkbrauwen gefronst, toen bekend werd dat een gezin van zeven uit het Nederlandse Ruinerwold al 9 jaar in een kelder leefde? Een vader met zijn zes kinderen. Ik kan zo doordenken over zulk nieuws. Waarvan leefde die familie? Vermits de kinderen bij de burgerlijke stand niet aangegeven waren, konden ze dus ook niet op het kindergeld voortbestaan. (In België zou dat wel eventjes anders zijn, hier betalen wij zelfs kindergeld aan spookkinderen die ergens ver weg in een Marokkaans of Turks dorpje wonen) Waarom werd die vader niet regelmatig door de overheid aangespoord om een job aan te nemen? Kreeg hij een invaliditeitsuitkering? Waarvan werden alle rekeningen betaald? En de hamvraag is, waar was die moeder? Kroop die al jaren geleden gillend de kelder uit of liet Moon haar versneld hemelen? Hoorde die vader eigenlijk niet in de psychiatrie thuis? Want als je je eigen kinderen op zulke manier indoctrineert, dan moet er toch een hoekje af zijn! Of zag hij al lang de moon tussen de bomen niet meer? Moest daar nooit een tandarts een tandje plomberen of trekken? Kwam daar nooit een dokter over het erf, die de kinderbescherming kon waarschuwen, zelfs niet toen vake zijn herseninfarct gekregen had? Waarmee bedreigde die moongoeroe zijn zes kelderkinderen? Door de geheimzinnigheid rond de Drenthse boerderij, dachten de buren dat de huurders drugs teelden maar al wat er verbouwd werd was religieuze waanzin. Dus van die boer geen eieren! Dat Oostenrijks moonhulpje moest toch al die jaren tonnen aan voedsel en drank over dat boerenerf tot in de kelder gesleept hebben! Mijn boerenverstand is te klein om te kunnen snappen hoe deze zeven moonies jarenlang onder de Nederlandse radar konden blijven terwijl pa toch duidelijk met het internet verbonden was. Hij schreef namelijk zijn eigen evangelie. Zes volgers had hij al, hij hoopte stiekem op meer… Spijtig kreeg zoonlief door dat je via de digitale media ook de buitenwereld kon bekijken en liet de blijde Moonboodschap voortijdig ontploffen. Wat bleek nu echter?  Deze Moonvolgelingen wilden in familieverband het einde der tijden afwachten? Eventjes dacht ik dat de getuigen van Jehova in het verleden heel succesvol aan de boerderijdeur geklopt hadden. Je weet wel, die kudde geïndoctrineerde bellekentrekkers die al jaren blèren dat de wereld gaat vergaan. Ondertussen zijn deze onrustzaaiers gestopt met een datum op hun catastrofes te plakken.  Natuurlijk gaat de wereld ooit vergaan, maar zelfs Anuna-visionairen of Greta-fobie-doemdenkers kunnen de mensheid blijkbaar toch niet overtuigen dat dit heel snel gaat gebeuren. Dus om de meeste mensen, de dag van vandaag, bang te maken moeten ze met totaal andere gedocumenteerde  argumenten op de proppen komen, die wij blijkbaar niet in onze portemonnee willen voelen. Tijdens de hele geschiedenis van de mensheid zijn er steeds een paar schizofrene gekken geweest die toeterden dat ze Cleopatra of Napoleon waren. Deze krankzinnigen konden wij niet snel genoeg in een dwangbuis afvoeren. Maar, als er een geschifte jandoedel de mensen wijsmaakt, dat hij of zij een directe telefoonlijn met een schimmige oude man heeft, die ergens op een wolk in een ander zonnestelsel woont en die alles hoort en ziet, dan slikken onze mensenkinderen deze onbewijsbare onzin nog steeds als honingzoete lariekoek. Het sprookje van het eeuwige leven werkt magisch. De mensen gewoon laten geloven dat ze na de dood al hun geliefden gaan terugzien en dat ze, als vergevingsgezinde contente zieltjes ergens in de hemel tot in der eeuwigheid gaan blijven ronddobberen. Dus begrijp ik niet waarom mensen, die zo overtuigd zijn dat er na de dood nog iets meer is dan alleen hun leven hier op aarde, zo bezig zijn met zich in te graven in een kelder om toch maar als enigen na de apocalyps in een totaal verwoeste wereld te kunnen overleven…Willen ze niet juist sneller naar hun hemel en herder opstijgen? Als er ergens ter wereld een sektekwibus opstaat, die zichzelf uitroept als de nieuwe Messias die het werk van Jezus komt afmaken, hoe komt het dan dat daar dan opnieuw zo’n hoop klojo’s achteraan gaan lopen? Scientology, de Manson Family, de Jim Jones sekte, getuigen van Jehova, de psychotische Nederlandse kindermisbruikende sekteleider Vrieswijk, de Mormonen, de Amish, de islam, de terreursharia, het christendom, de evangelisten, de protestanten, de orthodoxen, het hindoeïsme, het jodendom en eigenlijk alle religies die nog steeds beweren dat zij alleen het ware geloof vertegenwoordigen. Zij handelen echter alleen uit macht, macht en nog eens macht. En nu weer die Moon-kwaker die, zelfs op een blauwe moondag, schaamteloos, in zijn voordeel, een aantal door hemzelf bij elkaar gefantaseerde hoofdstukken aan de Bijbel toegevoegd heeft. Nu hebben er zich al eeuwen allerlei sprookjesvertellers de Bijbel, de Thora, de Koran en allerlei religieuze boekjes gecorrigeerd en herschreven om toch maar met hun verhaaltjes zoveel mogelijk de mensen financieel uit te wringen en in het gareel te houden, dus, so what.. een fantasietjes meer of minder. Een geloof kan bergen verzetten en blijkbaar ook kelders vullen. Het is blijkbaar nog niet genoeg dat je water in je kelder hebt, je moet er minstens nog een paar kinderen in opsluiten. Na lang wachten heeft nu ook Nederland eindelijk, na de Belgische Dutroux- gruwelkeldermans en na de Oostenrijkse horrorvader incest-Fritz,  zijn eigen kelderkroniek. Wanneer worden de mensen nu eens wakker en roepen ze “loop naar de moon” met jullie manipulatie, wij hebben maar één leven en dat is nu!   Sim, 20 oktober 2019 GODZIJDANK, ben ik atheïst!

Sim
109 1