Lezen

We zijn de klank niet vergeten

Er is weinig moed voor nodig die de stilte in de overgebleven stad geluid in fluistert. Op het einde van zo’n passieve rol betalen we rood. De straten rood de huizen rood en de mensen rood met de dood op de wangen en de schemer op hun ramen die fluisteren in de taal die hun schermen hen doen kijken. Zij zijn van de wereld en de wereld even van hen. Slechts dan dat warmte gloeit in de woonkamer vrouwenbenen die stappen met een soepele parochie maar geen religie meer. Geen religie meer. Alleen maar de reeds beschreven stilte en het verstikkende aanzien van grijs. Iedereen loopt nog ondersteboven de gesprekken binnen. Maar niemand leeft nog. Soms reanimeert een man een man. Fluisteren dat ze de ambacht het licht mogen laten zien om alles draaiende te houden. Soms is het weten de kanker van de stad. Weten dat een wolkenkrabber een flatcomplex een immanent handgebaar dat een huis zou kunnen nabootsen een afscheid kan zijn dat we allemaal anders interpreteren binnen de vier muren die we ingesmeerd de opvoeding navertellen. Geen religie meer; alleen maar adempauzes en andere dagen die andere gebaren vragen. Symbolen die we in de stenen herkennen en de Belgische hoop belichaamt tot co-housing de grens over of de grens in.     een weinig zeggende straat erin lopen en erin opgaan weinig bedoelen dus bestaan is makkelijker dan voordien je gaat op in het grijs en komt er grijs uit adem je de kleur in speel je de videotape van deja vu af en en speel je hem na _______________________________________________ Je weet waar je voor staat en vraagt je af: wat we hier doen, dat we dan aarden naar de complexe vormen en hun rituelen.     Je weet wat je zou kunnen doen. Maar de nacht die begint de dag en jij begint je verleden opnieuw op een plek die weigert. De mensen die steigeren in de randen die de kleuren gedag zeggen. Je zegt gedag. Je weet wat je zou kunnen doen. Alles is herkenbaar Iedereen te vervangen.     Geen wandaden zouden groot genoeg zijn voor de kamer van de aanpassing, geen enkel persiflage dat langer uit zichzelf kwam als een geest in de cryptische nacht waarin alles eens gebeurde: de aandacht gebeurde eerst, daarna volgde de aanwezigheid pas, wij die getuigen waren  van een klein leven dat zichzelf verbood. De dood in dachten we met 2. Maar de scheve situatie was van ons gezicht af te lezen en je knipte mij een haarlok die mezelf aanbood. De nacht waarin alles eens gebeurde, de statische inburgering van het volk gebeurde, en wij dus ook. De slaap gebeurt. Het leven gebeurt dan weer niet. Wij zullen blijven communiceren als ons daarom gevraagd wordt.   Al hetgeen ons is overgebleven zijn de kleuren zijn de wijze warme deuren naar kroegen en alcohol zijn de weinige vormen van ontreddering letterlijk overal zichtbaar zijn de stemmen hun tenor kwijt in de schandzalen van de fluistering die wij voelen en die ons roert van het vermaak met grote V van volk van het angstige maar vrijblijvende dat.     Ze zei nog: Dat wat jij leven noemt stel je gelijk aan afstevenen op de dood. Zeg me wat je altijd al hebben wou.   In die nacht liepen we op de afgrond van het vermaak af die ons opat en wij kauwden samen mee tot de tijd opgedeeld kon worden in het verval dat alles en niets en wij met ons meebrachten en trachtten te verpletteren in ons gesprek dat met kwade tongen gevoerd moest worden en niemand ontevreden achterliet. Wij werden toen geboren en bevroren in de teleurstelling en het tijdelijke (de herinnering misschien). Wij het gebouw waarin wij woonden. Alles heeft 4 muren in de hoofden van het volk die samen loopt te stampvoeten op het vuur onder hun grond. De bossen op het platteland op de steden werden stil en verspreidden een wezen dat leeft in de quarantaine van de stad. We vergeleken de hemellichamen boven ons met de plekken waar we al kwamen die weinig commotie met zich droegen en we in stilte leerden appreciëren en waar misschien wel Suzy of was het Lien of was het omdat ik elke ochtend daarmee wakker werd en de muren voelde krimpen en ik daar zo stil lag maar klaarwakker de kleuren als een ziekte opdronk en met me mee zou dragen als mijn identiteit en dit dus NIET LEVENSLANG maar wel erg lang. Het was een fase waarin ieder van ons de afgrond vermaak van zich afdroeg tot onze voeten scheurden en we rood achterlieten wat we al gehad hadden die we van zo ver zagen aankomen. Sommige kolen werden scholen en wij leerden onszelf koesteren en in ons woonden de schoonste schepsels maar geen woorden voor dit maal om deze te vergelijken met wat echt was, tenminste dat zei ons de opvoeding telkens om rekening te houden met dat echte en dat onechte te verpletteren met onze visie.       We liepen de letters stuk tot machinaal geweld die we in namaak of gesprek aan de kaak stelden.   Ze zei: on a parlé beaucoup ce soir mais qu’est-ce qu’on va boire? Ik eindigde in haar woorden die de tafel en mijn hoofd omgooiden. Ik gooide hem om en keek ernaar zonder te vermoeden dat alles van die dag aan anders zou verlopen binnen de lijnen van het mijne die de symmetrie van A en van B en C en van Q R S T U V W qu’est-ce qu’on va als het bier in de hoofden zwaar wordt en de woorden dus licht, wat dan, als de lichamen hevig en de levens langer (?) de binnenste waarheden de buitenste worden en alles boven op onder rond en om hemellichamen worden die we aanstaren en fata morgana over verspreiden maar in ons eigen zelf en bleven we de woorden stuk beleven tot de machine van volgzame dromen die ambivalent genoeg de dag nadien ons de hand kwamen schudden.   Ik werd bij je wakker en ik schudde tot frequentie gedragen tot ik je heel wat moeite kostte en mezelf wakker kuste want ook dat was liefde toen daar op die moment op die plek qu’est-ce qu’on va vertel het me si on est ici parfois en niet genoeg.     Werden we snel een beroep en deden we dat zoals het hoorde de bloemetjes buiten zetten liepen we onszelf voorbij de straat uit in de mond van een sekte die we in ons geloof droegen en nog voor ik het wist was ze een machine die me aanstond en ik die me afvroeg of we bakens konden verzetten door samen te zijn, dat terwijl we juist enkel en alleen onszelf zouden kunnen verzetten maar dat was in feite genoeg en dat pak stond me zo goed die avond maar ook dat geloofde ik niet genoeg en daarom groef ik mezelf diep in. Met mijn rug zat ik naar mijn weg die ik bewandeld had nog voor alles nog voor de wezens me elke nacht kwamen ophalen en in fluisterde monogaam om te gaan met de vrouw nog voor andere paden die ik bewandeld had me überhaupt deden nadenken over deze ziektes nog voor jou en mij en wij nog voor de Q R S T U V W nog voor de nacht die de dag inluidde die de stand van zaken alleen maar bevestigt en versterkt en die weg lachte terug maar het was mijn rug die nee zei dit keer en ik wilde alleen maar het nu en in dit nu zijn en alles dat eens achter mij was en toen nu was leek me overbodig omdat dat mij wel gevormd had maar niet vermomd, gelukkig maar.   Alleen ikzelf vermomde mezelf nu in het nu.   We liepen daarmee alles en iedereen en onszelf voorbij in de woorden.   Zonder meer zou ik kunnen zeggen dat dit ook wel geldt voor de muziek die mijn oren verveelt en streelt en geel kleurt van jaloezie maar ooit zal ik eens op de planken de andere oren geel maken van het zicht dat ze zijn en het zicht dat ik ben. Muziek die de Einsturzende Neubauten van het volk is. Muziek die de angst van de mensen kan verdragen en tegelijkertijd deze ook verzinnen in een andere taal die nog geschreven moest worden maar de moment dat die specifieke klank de oren betrad was ze er en ging ik ermee aan de slag. We raken snel uitgepraat over deze zieke lucht die ons manipuleert en vervuilt en bebouwt met grijs en vrijheid.   Ik vind mijn weg hier niet lieve; we hebben te lang gewacht met ziek zijn en nee zeggen tegen de impulsen tegen de de opties die ook nee zeiden en tegen de wijde wereld die ons alleen maar toelacht en daarmee verplettert.      Someone somewhere in summertime Somewhere someone probeerde ik de situatie aan mezelf te spiegelen aan de buitenkant, het gesprek zal stoppen, de mensen zullen de dood dragen in de steden, die ook de dood zullen vragen in steen, de mensen zullen alles uitspreken met een andere tongval, de ziektes zullen zich verspreiden in de gebouwen, new city old buildings maar vooral zal ik nog bij je zijn en de wachtende mensen een weg geven die achter me ligt en met mijn rug zat ik naar de weg die ik aanbood. Same town.   Hasta la via. Ze zegt dat ze nooit genoeg de maniak in mij heeft herkend; maar hoe zou zoiets uitspreekbaar moeten zijn dan? Met de tong van een maniak, met de tred van een maniak, met hand van een maniak en de andere nog van mezelf loop ik het weinige dat nog staat binnen de kroeg de alcohol, dat weldra in mij zal liggen samen met het bijkomende gedachtengoed en vriendschap. ____________       Ik eindigde mijn woorden ook op tafel zoals ik alles daar eindigde: mijn gedachtestroom in het hier en nu en toen hebben we geklonken op de beterschap die om de hoek leunt van de omkadering waar we nog steeds onze plek kennen en de armen verdubbeld terwijl de waanzin stagneert en zijn omzet vindt in andere lichaamsdelen die omhoog geworpen een symbool van veiligheid kunnen betekenen.   Ik heb toen nee gezegd en ja gelachen zoals wel vaker het geval is met mensen en heb toen de tonnen ervaring omhoog geworpen zodat iedereen het zien kon hoe en wat en waar en toen iedereen zweeg heb ik niet langer gezwegen zodat ik me zoals nu tussen de regels bevind en mijn hoofd hef ik op en dus ook de pen en *knip* ik ben vrij van de taal.   De weg die zich aanbood was hard en steil maar dat is nu dus hoe het altijd gaat: hard en steil zei ze en we lachten en we hebben ook wel gehuild maar net niet genoeg om groter dan onszelf te zijn want dat is hoe je groter dan jezelf je emoties laat zien aan de buitenwereld; een volk dat écht samenleeft what a life to have time & what a man makes a man niemand die het nog weet maar gehuild heb ik tot in vroege uurtjes waarin de gebouwen niet langer grijs maar slechts heel even zacht rood tot bloei komen en ik mezelf zie zoals ik ben.   Ay ay ay I am a monkey man en echt ver ernaast zat hij niet, omwille van zijn jonge aanblik zou ik hem plaats bieden in mijn verhaal zei ik hem en zo geschiedde dat ik hem vertelde.   Wat we toen hebben gedaan is een groot geheim wordt er gezegd maar niets is minder waar, “Ik heb  toen zijn hoofd als steen gegrepen en zijn dacht dat het een huis zou kunnen zijn, een huis voor veel en weinig tegelijk en dat menselijke ervan zou ik willen kneden tot iets buitenaards van omvangrijke grootte die ik van onderen uit kan bekijken.” Hij heeft toen zijn hoofd bij de haren gegrepen en liep naar buiten, daar waar het nacht was tenminste, en hij dacht aan haar en als hij naar boven kon kijken, kon zij dan ook? Nee, nu alles stil werd en alles gladgestreken zoals de vlakte hemellichamen die hij aanschouwde en als rechtstreeks bewijs van zichzelf vond in het hier en nu liep de afstand tussen hem en haar een blauwe lijn naar binnen in zijn ogen die hij greep aan zijn hoofd aan zijn haar die hij nooit meer wilde loslaten want de situatie sprak nu eens in zijn voordeel: alles was stil, hij staarde de lucht dichterbij, hij bestond echt en als alles zo bleef zou hij voor altijd zo willen kijken met de ogen. Bleef alles maar zo.           Je zou kunnen zeggen dat hij zijn stem had verloren in het mens zijn en verpletterd werd door het volk rondom maar nergens vond men zijn woorden meer dan in de keten gebouwen die grijs gegoten in de 2D van de 3D mij de ogen vulde; de staat was grijs, mijn lichaam rood, de dood droeg ik op mijn wangen en lippen en deze droogde op in de vlaktes waar de hemellichamen zowel boven als onder en daar en hier als wachter van de mens fungeerden terwijl de tijd was gestopt omdat men hem gegrepen bij de taal uitspuugde en alles en iedereen die stil was blijven staan besefte dat het tevergeefse geweld slechts een act van verwarring en angst was geweest.   De politiek kan vliegen ik zeg het u.   en nergens hebben ze de waanzin beter beschreven dan in boeken waar de werkelijkheid zich plooit en de vormen rekbaar zijn zonder dat ze hun waarde verliezen of verdwijnen in de camouflage van de overdaad alles is al té veel aanwezig dus we kunnen net zo goed overdrijven zonder dat het zal opvallen in het kluwen woord die zich bevindt in straten in gevels waar ik langsloop in de deuren die ik probeer in te trappen in de wagens die scheuren en dat geluid nabootsen heel hun leven lang in de postkantoren waar in uit is en uit in waar de taal circuleert waar de muren omhoog gaan en zo ook mijn blik.   Daar bevindt het zich dus. Boven mij. Altijd al boven mij. We worden geboren en weten niet genoeg. Zodat weten nog weten is gelukkig. De muzikant schreeuwt en kent zijn tekst nog. De weinige toeschouwers vergeten de zin van het bestaan en gaan en komen terug en komen opnieuw en opnieuw en weinig is nog zeker maar dit is alvast zeker: jij, ik, wij, en zij dat is een understatement.   Zo wil je je bestaan bevoorrechten en de kennis opdoen die je wekelijks moet opdoen opdat de kennis uit is en de bron ervan in. Je houdt jezelf altijd bij je en verstuurt jezelf slechts zelden naar de anderen die wel rond je heen bewegen want het zijn lichamen maar jezelf dat ben jezelf; je gedachtegoed dat ben jij niet; je persona dat ben jij niet; de tekst die je vertolkt in sé dat ben jij niet; jij bent alleen jij voor jezelf en niemand kan je zo nog wat maken dus houdt je blik ijzersterk en adem je dagelijkse hip hop in want het is overal.     See you on the other side want dat is waar de stad voor staat: misdaad en de geile stenen bij de kilheid grijpen zodat de stad weer ademen kan en zich vermomt in de weinig aanwezige messias van vandaag en morgen liefst een andere de stad draagt een religie als bijverdienste en verdenkt jou jou jou en mezelf verdenkt mezelf de aandacht die weerstaat de stedelijke ambivalentie maar weinig is ons nog zomaar gegeven in een stedelijke revolutie die de goden over ons afgeworpen hebben.       Brussel 7 uur misschien maar het zegt veel over de gulden ochtend die zich verspreidt over mij en over de armoede.   Kneed je me mee tot inwoner?   We zullen weinig nog zeggen maar weinig is nog zeker: Kendrick Lamar, dat is nog zeker, Festivals bij regenweer maar je hebt anderen dichter bij je, dat is ook zeker, Get God on the phone maar het zal langer duren dan je dacht en dan komt de spijt bij je die je versmacht en verdomme ook deze verplettert je, je leven dat je bijstaat, jezelf die jezelf van onderen aanstaart, je naasten naast je, niets blijkt voldoende als jij je je nog bent.     Ken je het kneden onder je vingers die je de lichamelijkheid  toedient in vormen mensen die nietszeggend de aanval kiezen in de vergeten uren voor de ochtend die iedere plek tot plek maakt en situeert in een web van zonden waarbij de spijt altijd laat de toekomst in suist en de vrouwen de lichamelijkheid bevestigen en wij ze naspelen als in een werkstuk dat een plek vormgeven kan waarbij de plek zijn rol als situatie plausibel vertolkt tot motief zijnde. Ik schrijf erover en drink me de verplettering in die me weinig onbekend laat: honey honey how you threw me de verplettering in de weg weg kwijtgespeeld de ontreddering of verbazing die me juist altijd bijblijft en zich afspeelt voor de ogen van volk dat zich verzamelt in de ziektes van mijn omkadering die zich vormgeeft in letterlijke zin.   Weten we wat te laat is?   om 10u opent ze zich de mond en praat ze eindeloos onder andere de toekomst komt voorbij dan kijk naar ons maar raak ons niet aan zegt ze als ze aan zet is ieder op zijn plaats op zijn tijd   het volk praat eindeloos over het einde waar ze naar uitkijken in het aangezicht gloeit hun het leven even maar want de dood staat op hen geschreven een ziekte is wat ze ademen     Zonder kader weten ze waar te eindigen in de liefde want het is een herhaling van de emotie die ze op het aangezicht verblijven in de grenzen, die ze in hen laten kruipen zoals een zicht of een beeld dat je bijblijft en het ego parten speelt. Alles draait om het volk en hun vaste stek.         De wezens die weinig nog aan het toeval overlaten en zich wegen tegen zichzelf om de zekerheid te bekrachtigen, in een stad waar alles luid is en zwaar weegt op de torso’s en schouders van zij die het nog verdragen zich buiten bepaalde grenzen te wagen en de zieke auto’s horen scheuren en dat hun hele leven lang Sir, zonder te klagen of tegen de grenzen aan te leunen en de sensatie te bejubelen. De wezens die weinig nog écht leven en slechts equatoriaal aanwezig zijn zoals de wiskunde aanwezig is, zoals de evenaar aanwezig is en de geschoolde taal aanwezig is, zoals de dood op hun wangen aanwezig is en de blijdschap in de magen, zoals de lichaamsdelen van buiten maar ook binnenin aanwezig zijn, zoals de muziek in de oren en de hemellichamen in de ogen. ________________________________________________   Het aanschouwen van een nieuw Venetië dat me terstond het oude Venetië uit de mond kietelt met nieuwe steden en oude gebouwen die een revolutie kunnen ontketenen in het blauw van gisteren in het nu van de herinnering die ik niet denken kan en niet denken wil en niet denken mag omdat alles plots moet en het stille denken dat zegt “het weinige komt eerst” maar dat weet je altijd pas erna, nadat de wilde weg zich in de ooghoeken slingert en wij hem afleggen, nadat de wateren dingen doen leven tot nieuwere dingen, nadat de man de vrouw vertrouwt en haar de kilte van een stedelijke nacht laat ontwarren, nadat Venetië zijn straten heeft schoongeveegd en het toerisme de jazz heeft ontdekt en het bloed de pijn en het zingen de stem van de stilte die zegt “het weinige komt eerst” en nadat het weinige eerst komt, komt het eerste ook weinig en nadat de weg de uitgang die in is heeft ontdekt en het in het uit en het uit het in heeft ontdekt en nadat ik mezelf heb ontdekt en als wij elkaar ontdekten openbaarde er zich ook een soort persoonlijk Venetië die wij aanraakten en in onze hand altijd met ons meedroegen en probeerden te vermommen in onze taal tot ook deze uit ons nu werd getrokken en wij hem konden herontdekken.   Daarna begon alles weer opnieuw en zo ook de mensen die het vertikten bij te leren van een hoopje water en een hoopje grijs dat toch menig woord sprak en spreken kon wat op zich al een openbaring had kunnen zijn. Daarna begon alles weer opnieuw en ook de armen die de rijken verstomden met geweld waarin eindelijk alles mogelijk was en de straten schoongeveegd leerden ze alles wat ze weten moesten van A tot Z tot A. Daarna begon alles weer opnieuw van jou tot mij van binnen naar buiten die het zicht vormgaf aan een stel ogen dat zich altijd maar naar boven verfde want het zijn de kleuren zegt men, de kleuren die het kluwen dat we aanschouwen besturen. Daarna begon jij ook opnieuw en nam ik de telefoon in de hand, de angst in de schouders en erop en de stem beefde en bad dat jij het niet vergat, ook tegen mij nog te spreken, de aandacht te verspreken tot een hoopje medeleven want daar dat ik het voor deed en de mensen deden het voor de abstractie van hun emoties, die ze op de straten smeerden en aan de muren kleefden, zoveel in herhaling vielen tot er niets meer van de oorspronkelijke betekenis te bekennen viel en in ons gesprek ook de laatste adem gestreden was en ik inhaakte.   Ik heb gehakkeld als volgt: On a parlé beaucoup ce soir, que’est-ce qu’on va boire? Pas hésiter, pas hésiter   Maar de twijfel was al in de lijn geslopen en ik had mijn stem verheven tot een wezen zo klein als de wereld soms ook wordt en zich dan opwerpt tegen de bolwerken die aan de muren gesmeerd een betere naam krijgen zoals de geabstraheerde emotie die in de mensen schreeuwt om een stem.     Ik had al eens het verre weg beleeft, hier, in de tegemoetkoming met een verleden. Daar leerde ik de ingang van de waanzin kennen als een scherpschutter op het puntje van mijn tong waar de woorden reeds klaarlagen en schokten en beefden om een extase te bereiken waarin ieder persoon brak onder de druk en invloed gebracht van de adrenaline die als het ware de riolering van de behuizing genoemd kan worden; waar de mensen huizen, daar beweegt het weinige als een springveer die zijn armen samenbrengt en de vuisten balt tot spiermassa.       Hoe het alom gekende schudt tot een holle spier Hoe de wegen kruisen tot machines met bijgevolg ontmoetingen, steden die in hun onderweg zijn geboren worden Hoe ik jij en wij en het Ego de weg aflegden met alles en niemand rond ons met de de hemellichamen boven en de streep van rood vuur die uit het volk hun monden naar ons wees “boven” - er was alleen maar boven ons als bewijs van onze moment die zich nu pas langzaam ontspon en nu pas en nu pas en vroeger was er niet meer toen was alles zwart en nu zal alles opentrekken en kan ik tevreden naar boven staren de ik en de jij van de luchtwegen die ons hier nu vertegenwoordigt en zo zal alles hier dan blijven tot ons gemaakt. (Dat.)                                          

Dries Verhaegen
5 1

Opa

Mijn grootvader praat niet veel. Hij houdt zijn spreektijd graag beperkt, meet zijn volzinnen op het woord af. In zijn tweeënnegentigjarige leven heeft hij nooit veel gepraat — behalve na de sporadische dosis alcohol, dan staat zijn snavel niet stil, verzekerde mijn praatgrage grootmoeder mij steeds. Hij is niet van het hardvochtige zwijgzame type; eerder van het bescheiden zwijgzame. Zo iemand die zijn woorden wikt en weegt voor hij ze de wijde wereld instuurt. Als iedereen z’n meninkje heeft verspreid, z’n zegje heeft gedaan, intervenieert hij, de ouderdomsdeken van de familie. Niet omdat hij zijn mening extra cachet wil geven door een strategische bedenkperiode in te lassen, noch omdat hij z’n opinie belangrijker acht dan dat van menigeen ander. Het is eerder een ingesleten bescheidenheid, een besef van de nietigheid van z’n mening in deze wereld vol opinies, die hem noopt tot bedachtzaamheid en stilte.   Toen mijn grootmoeder na 83 jaar en drie donkere nachten er voor altijd het zwijgen ertoe deed, trof ik mijn grootvader in nachthemd aan onder het gelige licht van de keukenluster. Ze was de verbale tegenpool van m’n grootvader. Met haar opmerkzaam oog speurde ze haar omgeving af, keurde af en goed, met de nodige West-Vlaamse spitsvondigheid. Die nacht, toen ik voor hem zat, stopte hij niet met praten, en tegen de woorden die hij anders zo op afstand kon houden, leek hij nu geen verweer te hebben. Ze overspoelden hem. Geruggensteund door een pater van West-Vleteren praatte hij over hun lief en leed en leven. Zijn hart was vol van haar en zijn mond liep over. Mijn grootmoeder was verkeerd toen ze zei dat enkel alcohol mijn grootvader doet praten. Liefde voor haar eveneens.

Lotte L.
0 0

De boekenwinkel

Het was een ijskoude decemberdag en Raf liep al enige tijd rond in de bijna verlaten winkelstraat. Hij zocht een plek om zich op te warmen. Plots viel zijn oog op een kleine boekenwinkel: “Het leeshoekje”. Hij besloot om er naar binnen te gaan. Het was een authentiek winkeltje met goed gevulde boekenrekken. Achteraan zag Raf een gezellige koffiehoek, waar hij onmiddellijk een warme drank bestelde bij de vriendelijke en hartelijke uitbaatster. Het heerlijke aroma verwarmde zijn hart terwijl de koffie de rest van zijn lichaam ontdooide. Ondertussen snuisterde hij tussen de boeken, waarbij hij zich verbaasde over het uitgebreide aanbod. Even later kwam een nieuwe klant binnen, een mooie vrouw die Rafs aandacht trok. Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden. Tegen zijn gewoonte in bood hij haar een koffie aan. Ze aanvaardde het met plezier en stelde zichzelf voor als Silke. Het kennismakingsgesprek verliep erg vlot. Ook al was Raf al lang opgewarmd, het klikte zo goed met Silke dat ze tot sluitingstijd bleven zitten. Het duo maakte gelijk een nieuwe afspraak voor de volgende week. Julia, de uitbaatster op leeftijd, aanschouwde dit lieflijke tafereel met een grote glimlach.   De vrijdag erop zaten Raf en Silke opnieuw aan hetzelfde tafeltje, op hetzelfde tijdstip. Ze keuvelden over van alles en nog wat, het leek alsof ze elkaar al jaren kenden. Elke week spraken ze af in Julia’s boekenwinkeltje, waar ze genoten van een lekkere kop koffie terwijl ze praatten over hun dagelijkse leven of een interessant boek. Inmiddels beschouwden Raf en Silke Julia als hun vriendin. Wanneer het rustig was, voegde zij zich soms bij hen en maakten ze het samen gezellig. Voor Raf voelde het als thuiskomen. Gedurende de hele week keek hij het meest uit naar dit moment. Na een paar maanden vormden hij en Silke dan ook een koppel. Ze waren dolgelukkig en hadden plannen om te gaan samenwonen. Het leven kon niet beter worden, dachten ze.   Helaas kregen ze geheel onverwachts het verschrikkelijke nieuws dat Julia overleden was aan een hartaanval. Ze waren er allebei kapot van, Silke huilde dagen aan een stuk. Ze misten hun lieve vriendin nu al. De koffiemomenten zouden nooit meer hetzelfde zijn. Tot overmaat van ramp wilde Mieke, Julia’s dochter, de winkel verkopen. Dit konden Raf en Silke niet laten gebeuren en na overleg stelden ze voor om de zaak over te nemen. Mieke ging akkoord, ze wist dat haar moeder hier blij mee zou geweest zijn. een paar weken later startte het koppel met renovatiewerken, maar ze zorgden er wel voor dat er voldoende originele toetsen behouden bleven. Zo behield het winkeltje haar authentieke uitstraling. En natuurlijk bleef de koffiehoek ook bestaan, deels ter nagedachtenis aan Julia.   De tijd verstreek en de vernieuwde boekenwinkel werd een succes. Het verlies van Julia viel Raf en Silke nog zwaar, maar de omgeving verzachtte enigszins de pijn. Mieke bezocht hen regelmatig en dan haalden ze herinneringen op met een kop koffie erbij. Stilaan lieten ze het geluk weer toe in hun bestaan. Op een dag in december, het was bijna Kerstmis, kwam er een spontane jongedame binnen. Ze zei dat ze snakte naar een lekkere cappuccino. Plots verscheen een man naast haar die aanbood om haar drankje te betalen. Zij aanvaardde het en even later zaten ze samen aan het gekende tafeltje in de hoek honderduit te praten. Raf en Silke hadden het in de gaten en keken elkaar liefdevol aan. Ze dachten allebei terug aan hoe het voor hen begonnen was. Het gaf het koppel een nostalgisch gevoel. Hierop schonken ze een glas glühwein in, gingen ze naar buiten en klonken ze op Julia. Ontroerd, maar tevreden bekeken ze het nieuwe uithangbord:                                                        JULIA’S HOEKJE                                                boeken, koffie en liefde

Neru
0 0

De prins zonder naam

‘Pssst,’ klinkt een stem uit de boekenkast. Van schrik laat Anne het boek dat ze aan het inbladeren was, vallen. Met een harde klap valt het op de grond. De bladzijden doen de split, lijkt het wel. Anne bukt zich en pakt het boek op. Ze klapt het weer dicht. Boeken horen niet te dansen. Als ze het terug in de kast wil zetten hoort ze weer dat brutale stemmetje.  ‘Pssst! Hier!’ Anne hoort het goed. Iemand zit in de kast verstopt.  ‘Psst. Ben je blind of zo!’ Ze kijkt op. Op de boekenkast ligt een jongen. Plat op zijn buik. Hij kijkt haar grijnzend aan.  ‘Wat doe je daar?’ vraagt Anne. Ze klinkt als een juf die een stout kind betrapt achter de deur. ‘Liggen,’ antwoordt de jongen.  ‘He, he! Dat zie ik ook wel. Waarom lig je op de boekenkast?’ ‘Waarom niet?’ ‘Je bent toch geen boek?’ ‘Nee. Maar je moet toch geen boek zijn om op de boekenkast te liggen.’ ’Maar we zijn in de bibliotheek!’ ’Nou en! Staat er soms ergens geschreven dat je niet op de boekenkast mag liggen?’ Anne haalt haar schouders op. Ze heeft nog nooit zo’n bord gezien. Maar er hangt in de trein toch ook geen bord dat je niet in het bagagerek mag liggen? Ze heeft een keer dronken studenten in de trein gezien die in het bagagerek waren gaan liggen. Toen de conducteur kwam, waren ze de klos. Zou de jongen dronken zijn? Ze kijkt hoofdschuddend naar de jongen. Hij heeft blonde lokken die tot op zijn schouders vallen. Grote blauwe ogen. Een spitse neus. Hij heeft iets engelachtig. Een ondeugende engel. ‘Hoe heet je?’ ‘Wat stel je toch domme vragen.’ ‘Mag ik ook niet weten hoe je heet?’ ’Iedereen die boeken leest, weet hoe ik heet.’ ‘Weet jij dan hoe ik heet?’ vraagt Anne. De jongen schudt zijn hoofd. ‘Nou dan?’ ‘Ik lees geen boeken.’ Ik heb je, denkt Anne.  ’Wat doe je hier dan?’ Maar ineens gaat er iets dagen. Die broek. Dat jasje. Die droevige blik. Anne kijkt naar de omslag van haar boek. Van de omslag naar de jongen. Het is hem. Geen twijfel mogelijk. In het echt, zonder sporen van gebruik, ziet hij er jonger uit.  De kleine prins.  Een vraag brandt op haar tong.  ‘Waarom heet je eigenlijk Kleine Prins? Heb je geen naam?’  Plots begint het gebouw te trillen. Een boek valt uit de kast. Gevolgd door nog een. En nog een. En nog een. Het regent boeken. De hele bibliotheek loopt onder. De kleine prins omklemt de randen van de kast als een bobsleeer de hendels van zijn slee. De kast zwiept heen en weer. Dan valt hij om. Anne kan nog net op tijd wegspringen. Overal schreeuwen mensen. Ze banen zich een weg naar buiten door de zee van boeken. Het alarm gaat af. ‘Een aanslag!’ roept een man. 'Een aanslag op de bibliotheek!' Iedereen gilt. ‘Er ligt een jongen onder de boekenkast,’ schreeuwt Anne. Haar stem verdrinkt in het rumoer.  ‘Rennen voor je leven!’ Een hand grijpt Anne. Ze wordt meegesleurd naar de nooduitgang. Buiten, op veilige afstand, ziet ze dat ze haar boek is kwijtgeraakt. Het volgende moment stort het gebouw als een kaartenhuis in elkaar. Nu komt ze nooit te weten hoe de kleine prins in het echt heette, denkt ze droevig.            

Margaretha Juta
0 0

Seconden

Het huis was weer stil nu. De troostende stemmen eindelijk verdwenen. Tijd voor Helena om eindelijk te voelen en te luisteren naar de knoop in haar maag die haar bijna de adem ontnam. Het zure gevoel in haar onderbuik dat haar er elke seconde aan herinnerde dat ze er nu alleen voor stond.   Hij was verdwenen zoals hij had geleefd, gelukkig en vrij in zijn eigen universum. Die gedachte zou haar moeten troosten nu, maar toch. Ze zou nooit weten wat er in die laatste minuten door hem heen was gegaan. Had hij nog aan haar gedacht? Was de herinnering aan haar gezicht, haar aanraking, haar woorden een extra reden geweest om te blijven vechten? Ze vermoedde van wel, een vermoeden die grensde aan zekerheid.      Nu staarde Helena naar het lege blad voor haar. De pen rolde heen en weer in haar handen maar ze kon enkel aan de woorden van Hans Andreus denken. Ik leef niet meer, ik leef van je gemis. Ik leef niet meer, ik leef van je gemis… Ze stond op, opende de grote ramen en liep het terras op. In haar binnenste zocht ze naar haar eigen woorden, die één voor één op hun plaats leken te vallen. Ze liet zich op de grond zakken en met haar rug tegen de muur van zijn huis keek ze nog een laatste keer naar de wolken, waar hij nog altijd aanwezig leek te zijn. Haar vliegenier, de man die haar leven compleet op zijn kop had gezet. Wie zou ze geweest zijn zonder hem? Nog altijd dat kleurloze en angstige wezentje? Of deed ze zichzelf tekort? Had ze zonder hem ook de moed gehad om te zijn wie ze altijd had willen zijn? Een sterke vrouw die nu haar emoties moest verbijten en een volle kerk toespreken. Haar aandacht ging opnieuw naar het notitieboekje dat voor haar op de grond lag. De pen in haar handen kwam eindelijk tot leven.   "Jonas Vliegen was je leven, de wolken je thuis. Het maakte je tot wie je bent…  was en wie je altijd zal zijn voor mij. Zoals een kind haar radslag oefent in het warme zand, zo maakte jij capriolen in de wolken. Elke dag opnieuw daagde je de zwaartekracht uit. Je kon niet blijven winnen.   Even kreeg ik de kans om met je mee te vliegen en een deel te zijn van die vrijheid. Maar als ik nu naar boven kijk, kan ik me alleen maar afvragen waar je aan dacht die dag, met welk verlangen je naar de horizon vloog, wat er door je heen ging toen je de controle verloor. Wellicht voelde je angst, ook jij kende vrees. Maar sterker dan die angst was ook je rust, je moed en het vertrouwen dat je ook dit tot een goed einde zou brengen. Je vocht tot de laatste seconde, daar zal niemand aan twijfelen. Jij liet het leven niet los, Jonas, dat deed je nooit!   Je bracht me op plekken waar ik dacht nooit te zullen komen, liet me proeven van de wolken en vloog met mij naar de zon. Toch is dat het belangrijkste dat je me leerde. Vliegen is niet alleen voor vogels. Het is ook voor mensen zoals jij en ik, voor ieder onder ons die leeft zonder die angst om te vallen.   Nu vlieg je van ons weg, om nooit meer terug te komen. Ik moet verder, zonder jou maar met de vleugels die jij me hebt geschonken."   De kerk bleef stil bij haar laatste woorden. Ze voelde haar benen trillen en onbewust zocht ze bekende ogen, een blik die haar zoals altijd gerust zou kunnen stellen. Verdwenen, weggevlogen, nooit terug gekomen. Alleen Maarten leek nu over haar te waken en ze voelde de warme troost van de enige persoon hier die haar liefde voor Jonas kon vatten. Maarten had misschien niet zoveel van hem gehouden als zij, hij had wel zijn passie voor het vliegen gedeeld. En nu hield hij haar voorzichtig in de gaten, tot de kerk leeg begon te lopen, de kist werd weggedragen en zij onbeweeglijk bleef zitten.   Hij nam de stoel naast haar in en zweeg. Wat viel er ook nog te zeggen? Voor Helena was alles nu gezegd. Of toch niet? Ze voelde zijn aarzeling voordat hij sprak, hij leek te zoeken naar een miraculeuze spreuk die haar pijn zou moeten wegnemen. Seconden lang bleef het stil, dan kwamen de woorden die niet troostten, integendeel, ze ontnamen haar het laatste stukje houvast waar ze zich al drie dagen aan had vastgeklampt.  - Hij heeft niet gevochten, of toch niet tot de laatste seconde. Helena keek haar vriend verbouwereerd aan. Hoe durfde Maarten dit te zeggen? Natuurlijk had hij gevochten, Jonas hield van het leven, van haar, hij zou het nooit loslaten. Maarten haalde nu een envelop uit de zak van zijn jasje. Ze zag haar eigen naam, zijn handschrift. - Hij vroeg me om dit aan jou te geven. Ik moest wachten tot na de begrafenis. - Hoe bedoel je? Hoe wist hij … - Het spijt me Helena, meer dan je ooit zal beseffen.   Hij gaf haar de brief, zijn handen bleven even op haar trillende vingers liggen. Dan liep hij de kerk uit en bleef er enkel die stilte over. Zijn handschrift woog zwaar, tranen vertroebelden zijn woorden. Maar ze hoefde ze niet te lezen om te weten wat ze nu niet wilde weten. Dus plooide ze de envelop in twee en verstopte die onderaan in haar handtas. Dan stapte ze de kerk uit, het zonlicht tegemoet en de stad in.   Bij elke stap voelde ze de kracht terug komen en even later zat ze op hun favoriete terras. De ober herkende haar, vroeg niets. Ze zag in zijn ogen dat hij het nieuws al had vernomen. De brief legde ze nu op tafel, hij zette er een glas champagne naast. Dankbaar dronk ze van het ijskoude drankje. Twee slokken waren voldoende om haar de moed te geven de envelop te openen.   "Liefste Lena   Drie maanden heeft hij me gegeven. Daarvan zijn er nu twee voorbij. Ik geloofde hem niet eens. Waarom zou ik? Ik voelde me goed, had geen idee van wat er in mijn lichaam gebeurde. Tot hij me de foto’s liet zien. Het zat overal.   Toen ik die dag thuis kwam, straalde je van geluk. Weet je nog? Je vertelde over die promotie die je had gekregen, de complimenten van je collega’s. Je had je strijd eindelijk gewonnen. Het leek me zoveel makkelijker om te zwijgen, mijn pijn te vergeten en me te laten meedrijven met jouw geluk. Ik stelde het uit, elke dag opnieuw, alsof het dan minder echt zou zijn, de kanker minder agressief, de pijn verdwenen.   Drie dokters heb ik gezien. Ze stelden me allemaal hetzelfde voor. Agressieve chemo zou me nog extra tijd kunnen gunnen maar die zou ik dan moeten doorbrengen op plekken waar ik niet wou zijn.   De pijn wordt erger nu. Ik leef op morfine en op de leugens om dat te verbergen. Het wordt tijd om te gaan, op mijn manier. En misschien was het verkeerd om te zwijgen, toch ben ik blij dat ik de laatste maanden gewoon gelukkig kon zijn met jou naast mij. Ik heb enkel Maarten in vertrouwen genomen. Samen hebben we beslist wat de beste manier is. Vraag hem niet naar details, dat gesprek moet voor hem erg zwaar geweest zijn, al begreep hij meteen hoe ik me voelde. Ik wil niet wachten tot de dood me inhaalt, mijn leven uit mijn vingers glipt. Ik wil gaan zoals ik heb geleefd, opstijgen en niet meer terug komen. In alle vrijheid, zonder pijn.   Ik hou van je Helena. Hou van je strijdlust, je moed en creativiteit. Van de kleur van frambozen op je lippen, je blote voeten in het zand. Ik hou van je kwetsbaarheid als je naast me ligt te slapen, het vuur in je stem, de verontwaardiging in je ogen.   Leef je leven Lena, het is kostbaar en het is van jou. Alleen van jou, tot de laatste seconde.   Vaarwel   Jonas"   Drie keer las Helena zijn woorden. Dan hief ze haar glas naar de wolken en fluisterde " Ik ook van jou, tot de laatste seconde".                                            

Emke Dierickx
21 0

Een bordkartonnen waterval

In het duister weerspiegelde de glazen bol de kaarsvlam. Het medium hield haar ogen gesloten, de vingers gespreid op het tafelkleed. Het was benauwd in het vertrek. De vrouw had mij in het halfdonker ontvangen, en niets wees erop dat de verschoten fluwelen gordijnen ooit tot meer dan een kier geopend werden. Een zware damp van wierook vulde, haast tastbaar, de atmosfeer. “Lukt het al?” fluisterde ik voorzichtig, waarbij toch een ondertoon van ongeduld meeklonk. “Stil!” reageerde ze geërgerd. “Ik voel zijn aanwezigheid. Het is een uitputtende geest. Veel negatieve energie. Ik zal me moeten inspannen. Geef me honderd euro meer.” Ik aarzelde maar kort. Ik had de raad van Hector Berlioz nodig.Zonder een gesprek met hem zou mijn reis naar dit afgelegen gehucht zinloos zijn geweest. Ik legde een biljet naast de twee die al op het zware velours tafelkleed lagen. Ik hapte naar adem. De brandende wierook leek wat over was van de zuurstof op te zuigen. Tien minuten moest het tafereel tegenover me al aan de gang zijn. Ik had al elke rimpel van het zwaar opgemaakte gezicht bestudeerd; de hoofddoek, de zwartgeverfde lange haren, de lippenstift die ver over de rand van de dunne lippen uitvaagde. Slaap begon de overhand te krijgen. Zuurstofgebrek wist ik; was het een truc van de oude heks om me te laten hallucineren, en me zo te overtuigen van de waarachtigheid van haar contact met de geesten? Een rauwe gil, als van buiten het oude wijf, bevrijdde me uit mijn lethargie. Ze schudde heftig. Haar lange vingers klauwden in het tafelkleed. “Laat me toch met rust,” kraakte een mannenstem in het Frans. “Merde! Ik spreek alleen met gelijkgestemde zielen. Wie valt me lastig?” Er zat een brok in mijn keel. Ik moest iets zeggen. “Bent u monsieur Berlioz?” “Wat, kent u me niet? Iedereen in Frankrijk, ja heel Europa weet wie Berlioz is. Mijn naam is zelfs tot in Engeland doorgedrongen!” “Ik…, ik zou u wat willen vragen over een muziektheaterproductie die ik onlangs heb gemaakt. Ik heb uw Memoires gelezen. U vertelt over de vele moeilijkheden die u ondervond bij het uitvoeren van uw composities. Ik wil uw advies vragen.” “Je interesse lijkt me oprecht, maar wees snel. Deze plek in die oude heks kost me veel kracht; ik voel negatieve energie. Laten we een gesprek voeren zoals Fux met Palestrina in Gradus ad Parnassum, zijn boek over de fuga. Een verouderd muzikaal concept overigens dat te veel ambtenaren en rekenaars tot zogenaamde componisten heeft gemaakt. Noem mij Hector, dan zal ik jou…, ja hoe zal ik je noemen?” “Ik heet Vincent, mijnheer Berlioz.” “Hector!” “Ik zal proberen u te tutoyeren, hoewel het niet makkelijk is een man als u zo te bejegenen. U veroorzaakte opschudding in de concertzalen…” “Wie geen vijanden heeft, heeft geen echte vrienden. In mijn jeugd maakte ik er een gewoonte van tijdens opera’s van Gluck orkest en dirigent uit te schelden als zij zich vrijheden met de partituur hadden veroorloofd. In Parijs had men de smakeloze gewoonte om bekkens toe te voegen aan de dans van de Scythen in Iphigénie in Tauris, waar Gluck alleen strijkers voorschrijft. ‘Wie durft het om de grote Gluck te verbeteren’, riep ik tijdens de opvoering. Ik provoceerde ook muzikaal. Mijn Harold in Italië veroorzaakte anonieme dreigbrieven. Ik ben tegen de doodstraf, maar alleen de doodstraf heeft me ervan weerhouden mijn talloze vijanden te vermoorden, en de wereld aldus te zuiveren. Dit schreef ik eens in het album van een jong meisje, en men lachte er hartelijk om. Niemand besefte dat ik het meende.” “Aaoouuuww.” Het was de stem van het oude mens. Ze ademde zwaar. “Negatieve energie…. contact is moeilijk. Geef me vijftig euro!” Ik legde het briefje naast de waaier van biljetten op tafel. Ik moest snel zijn. Ik kon Berlioz niet toestaan uit te wijden over zaken die niet van direct belang waren. “Hector,” – mijn stem sloeg over van de zenuwen -, “ik heb een musical geschreven en uitgevoerd. Veel dingen gingen niet goed. Vertel me hoe het beter kan!” De krassende stem was weer terug. “Musical? Wat is dat?” “Het is een soort opera waarin ook gesproken wordt. Mijn musical heet Een liefde in Zeeburg, en gaat over een Nederlands meisje en een Marokkaanse jongen. Een soort Romeo en Julia. Ik heb geprobeerd de integratie-problematiek – we hebben hier problemen met mensen uit andere landen, net zoals Frankrijk met Zigeuners vroeger -, lichtvoetig te benaderen, en de mensen aan het lachen te maken.” “Je hebt dus een ‘Opéra Comique’ geschreven. Dat je de onovertroffen Shakespeare als inspiratie gebruikt bevalt me, maar een dergelijk hoogstaand thema is allerminst geschikt voor plat amusement. Het is toch geen Vaudeville? Afschuwelijk volkstheater van laag allooi, waarbij het volk zich luidruchtig bedrinkt. Ooit moest ik mijn studie bekostigen als zanger in een dergelijk theaterkoor.” “De uitvoering was beschaafd, het publiek was stil en geboeid, en bestond voornamelijk uit de intellectuele elite. Na afloop applaudisseerde men langdurig.” “Dan heb je een goede prestatie geleverd. Was de koning aanwezig? De bijval van het publiek weerspiegelt de kwaliteit van je werk. Ik verbrandde mijn eerste composities toen ze onvoldoende begeestering opwekten. Hoe vaak is je komische opera opgevoerd?” “Vier keer. Het theater was telkens uitverkocht, maar er konden slechts honderd mensen in.” “Een aardig begin voor een eerste werk. Ik begrijp niet dat je klachten hebt.” “Ik zal een voorbeeld geven. Ik had tienduizend euro van de gemeente Amsterdam als budget, gewonnen in een prijsvraag, maar het was erg moeilijk een productieteam te vinden om me te helpen bij de uitvoering. De mensen die ik capabel achtte, hadden het al zo druk dat ze geen zin hadden in nog meer vrijwilligerswerk. En in anderen had ik geen enkel vertrouwen. Gelukkig heeft mijn vriendin het grootste deel van de organisatie gedaan.” “Vrijwilligerswerk, productieteam? Wat zijn dat voor woorden? Ik regelde altijd alles zelf, en betaalde zo mogelijk iedereen. Mensen die voor niets werken zullen zich niet volledig inzetten. Toen ik mijn Franc Juges ouverture voor het eerst uitvoerde, hadden veel musici beloofd onbetaald mee te werken. De generale repetitie volgde het patroon van al zulke gelegenheden wanneer een orkest voor niets speelt; veel spelers waren afwezig, en velen verdwenen al voor het einde. De repetitie van mijn allereerste concert mislukte doordat koorknapen mijn partituur hadden gekopieerd op bevel van hun dirigent. Er waren zoveel foute noten en ontbrekende maten dat ik de repetitie moest afbreken. Ik heb er daarna een gewoonte van gemaakt zelf het kopiistenwerk te verrichten; men kan eenvoudigweg niet vertrouwen op de kwaliteiten van een ander.” “Ik begrijp uw punt Hector. Maar mijn plan hield nu eenmaal in dat amateurs de musical zouden uitvoeren. Alleen voor de onkosten kregen we tienduizend euro. Het was een ‘sociaal’ plan, dat bedoeld was voor vrijwillige medewerking.” “Dan heb je je al in het begin in de voet geschoten. Je had de kosten zelf moeten dragen, dan was je aan niemand iets verplicht geweest. Geld is het beste – en vrijwel enige- middel waarover een componist beschikt om musici te laten doen wat hij wil. Voor mijn concert in het Théâtre-Italien had de directeur mij zijn orkest ter beschikking gesteld. Deze musici waren contractueel verplicht mee te werken aan ieder concert in het theater. Ik maakte de fout ook extra musici te huren, die wel betaald kregen. Dit veroorzaakte afgunst. Het programma die avond was zo uitgebreid, dat het om middernacht nog niet geeïndigd was. Na middernacht was het orkest niet verplicht te spelen. Tijdens een koor-intermezzo sloop het orkest stiekem weg. Alleen de door mij betaalde musici bleven op hun plaats. Toen ik mij omdraaide, bleek mijn orkest geslonken tot vijf violen, twee altviolen, vier celli en een trombone. Zorg er daarom voor dat je musici betaalt, desnoods door schulden te maken.” Ik knikte heftig naar de oude heks. Berlioz’ advies klopte. We hadden een regisseur en een zangdocent betaald, en deze waren zo’n beetje de enigen geweest op wiens aanwezigheid we werkelijk konden rekenen tijdens de repetities. Toch zat me iets dwars. “Maar door schulden te maken kan je toch in een moeilijke positie terechtkomen?” “En wat dan nog?” kraste de stem van het mens. “Er zijn altijd weldoeners te vinden die een succesvolle componist willen ondersteunen. Ik heb verschillende malen geld gekregen van voortreffelijke personen die mijn positie inzagen. Toen ik telkens verhinderd werd om te componeren, door mijn werk bij de krant, – wat mijn leven vergiftigde – , schonk een vriend mij tweeduizend francs. Zodoende kon ik mijn Bienvenuto componeren. Later schonk de doodzieke Paganini die aan een nektumor leed, uit bewondering me tweehonderdduizend francs. Maar accepteer geen geld van de overheid. De twee keer dat ik van het ministerie van binnenlandse zaken net als jij tienduizend francs kreeg voor een opdracht, liepen op grote ergernis uit. De eerste keer zou ik een Requiem componeren ter ere van de doden van de revolutie van 1830. Toen er een nieuwe minister aantrad, leek men deze opdracht vergeten. Een jaar later verzocht men mij het Requiem uit te voeren bij de begrafenis van een generaal. Ik had hoge onkosten gemaakt, omdat ik het koor een week liet repeteren, en ik vier fanfare orkesten met totaal tweehonderd blazers had geëngageerd. Het ministerie weigerde vervolgens me te betalen. Ik ben zo kwaad geworden dat ik met een stoel heb gesmeten in de kamer van de secretaris. Heeft men jou die tienduizend francs wel onmiddellijk ter beschikking gesteld?” “De administratie was keurig geregeld. Het grootste gedeelte werd vooraf betaald. Ik heb nog wel onderhandeld over de voorwaarde dat ik me aan mijn oorspronkelijke begroting moest houden. Die had ik op goed geluk verzonnen, dus ik wist dat daar moeilijkheden van zouden komen.” “Vincent, je bent minder wankelmoedig dan ik zo even dacht. Tegenwerking komt van alle kanten, onthoud dat. Maar vermijd afhankelijk te worden van de overheid.” “Hector, ik wil je mijn volgende vraag stellen. Ik kon nauwelijks een geschikt theater vinden. De belangrijke theaters waren al volgeboekt en de kleine theaters waren te klein, want ik had een orkest van twintig personen, en daar was in de beschikbare theaters geen ruimte voor. Hoe moet dat in het vervolg?” “Geen ruimte voor een dergelijk armetierig orkest? Dat valt me van je tegen Vincent. Hoe kan je jezelf componist noemen? In Rome, in de Sint Pieter, in het muzikaal achterlijke Italië, trof ik een koor van slechts veertig stemmen, wat volstrekt onvoldoende is om deze geweldige kathedraal te vullen. De muziek verliest haar effect volledig. Ik kreeg in 1829 de beschikking over het Theatre des Nouveautés en het vaste orkest. Maar ik wilde een grootschalige opvoering, dus huurde ik tachtig spelers extra. Bij de eerste repetitie, toen mijn orkest van honderddertig zich op het podium probeerde te schikken, was nergens plek. De kleine orkestbak kon nauwelijks de violen bevatten. Overal in het theater ontstond een chaos die de verstandigste componist gek zou hebben gemaakt. Er werd geroepen om lessenaars, timmerlieden fabriceerden iets wat als zodanig dienst kon doen. Men riep om stoelen, instrumenten, kandelaars, er was nergens plaats voor de trommels. Het liep geheel uit de hand. Dus,Vincent, nu ik me dit herinner, ben je verstandig geweest al in een vroeg stadium met de benodigde omvang van het theater rekening te houden, al begrijp ik niet dat je geen theater kon krijgen dat zo’n nietig orkest niet kan herbergen. Het zal wel weinig volume hebben voortgebracht.” “Uiteindelijk vonden we een theater dat beschikbaar was, en groot genoeg, maar het was heel iets anders dan ik voor ogen had. De directeur is een vage Engels sprekende Italiaan. Hij organiseert er vrijwel alleen feesten, en het ruikt er naar verschaald bier. Terwijl ik op een luxe ambiance met pluche hoopte. Ik heb voortdurend problemen gehad met die man. Van te voren bezocht ik er een voorstelling, en ontdekte ik dat hij tachtig stoelen had, terwijl hij ons verzekerde dat er honderd mensen in konden. Het orkest had ook nog eens twintig stoelen nodig. Ik heb toen contractueel laten vastleggen dat hij voor honderdtwintig stoelen zou zorgen. Een week voor de voorstelling was er nog niets geregeld. Inmiddels waren er nog meer stoelen stuk gegaan. Ik heb zelf zestig stoelen extra gehuurd, en de rekening van zijn honorarium afgetrokken.” “Wat zeur je over een paar stoelen!” De krakende tenor uit het oude mens klonk geagiteerd. “Ik voel er veel voor aan deze heks te ontsnappen. Spreek me over echte problemen!” WOOAAAA!!! De krijsende stem van het oude mens vulde het vertrek. “Het gaat zo niet langer, dit wordt mijn dood….” Ze kreunde alsof ze huilde. “Het is een gevaarlijke geest, zo’n sterke heb ik nog nooit meegemaakt! Honderd euro of ik stop!” Ik rukte haastig mijn portemonnee uit mijn broekzak en smeet een biljet op tafel. “Ga door alstublieft! Mijnheer Hector, nog een vraag. Ik had veel problemen met acteurs die niet konden zingen, en daarna met een man die wel kon zingen, – de enige goede zanger- , maar die zich zo aan de anderen ergerde dat hij een scène schopte en wegliep. We moesten toen snel een ander vinden, want er was nog maar weinig tijd. Hoe kan ik dit in het vervolg voorkomen?” Het bleef enige ogenblikken stil. Zou Berlioz nog terug komen? Ik moest proberen minder onnozele vragen te stellen. Deze laatste vraag leek me toch wel relevant… “Zangers…,” kraakte de stem, nu opgewonden van toon. “Als ik aan koorrepetities denk en aan zangers, begint mijn bloed te koken. In Dresden moest ik mijn Romeo en Julia afgelasten omdat de bas er niet in slaagde zijn partij te leren. Deze heer behoorde tot die grote en bloeiende categorie musici die geen muziek kunnen maken. Hij kon zijn rusten niet tellen, zette op de verkeerde plaats in, en kon zijn noten niet intoneren. Ik hield mezelf voor dat hij zijn partij nog niet had gestudeerd. Tijdens de generale repetitie, toen onze vriend nog geen enkele vooruitgang had geboekt, raakte mijn geduld eindelijk op. Ik bedankte koor en orkest. In mijn hotel gaf ik me over aan weemoedige bespiegelingen. Twee componisten, Mendelssohn – die het orkest leidde – en ik, die jarenlang al hun intellect en verbeelding hadden gewijd aan de studie van hun kunst, en tweehonderd uitvoerenden, geschoolde en concentieuze instrumentalisten en zangers, hadden een week lang vruchteloos gewerkt, vanwege de incompetentie van één man!” “Hector, ik begrijp niet dat je door zo’n ervaring niet gestopt bent met componeren!,” riep ik begeesterd. “Voor mij zou zoiets te veel zijn geweest.” “Leer hieruit dat men soms geen keus heeft. De meeste zangers zijn geen musici. Toch zijn ze nodig. Muziektheater is tenslotte de hoogste vorm van compositie. Men moet zich gelukkig prijzen als men een echte artiest ter beschikking krijgt.” Het gesprek scheen weer te vlotten. Het leek me mogelijk ook een ervaring te delen waar ik een beetje trots op was. “Ik heb een zanger ontslagen!” Mijn stem kraaide van triomf. “Hij kwam vaak niet opdagen op repetities, en had telkens weer een andere smoes. Ik wilde voorkomen dat hij met zijn luimen de gehele productie in gevaar zou brengen, zoals jij dat net geschetst hebt.” “Vincent, je toont je in je eerste opera al ervarener dan ik destijds was. Mijn complimenten. Ik raak nu toch wel nieuwsgierig naar je partituur. Heb je alle partijen zelf gekopieerd, net als ik altijd deed?” “Voor het kopiëren hebben we tegenwoordig een kleine drukkerij aan huis. Vergeleken met de dagen van zestien uur die het u kostte om uw partijen stuk voor stuk over te schrijven, waren de mijne snel gemaakt. Vergeleken met de energie die de organisatorische kant van de productie eiste, was het muzikale deel erg makkelijk.” “Dat is precies mijn ervaring”, kraste de stem van het mens. “Componeren kost mij geen enkele moeite. Het slavenkoor van mijn Faust schreef ik in een koets tijdens mijn reis door Hongarije, de ouverture schreef ik bij het licht van een etalage. Het componeren van Faust was niets vergeleken bij het werk dat de uitvoering vereiste. En het dirigeren van het orkest, hoe verging je dat?” “Dat was een angstwekkende ervaring. Eerst wilde ik een dirigent inhuren, maar we hadden te weinig geld. Ik besloot het dus zelf te doen. De eerste keer dat al die gezichten naar me keken, en het orkest begon te spelen, had ik het gevoel of ik op een op hol geslagen paard zat waar ik geen enkele controle over had.” Tegenover me was het mens langzaam voorover gezakt. Het leek of haar gezicht zich te ruste wilde leggen op het velours van het tafelkleed. De mannenstem, die zoeven nog luid en geagiteerd had geklonken, zonk weg in nauwelijks verstaanbaar gemompel. Berlioz en zij leken zich met elkaar verzoend te hebben. “Een componist moet zijn eigen werk dirigeren,” klonk het gedempt. “In mijn jeugd heb ik wat dat betreft nog even geaarzeld. Door mijn gebrek aan ervaring maakte ik tijdens Sardanaplus een fout, zodat de tweede violen hun inzet misten. Het gehele orkest raakte op drift. Vervolgens vertrouwde ik enkele malen op Girard. Maar in de vierde uitvoering van mijn Harold maakte hij een ernstige fout tegen het einde van de serenade. Het orkest raakte volledig verloren. Zodoende besloot ik voortaan zelf te dirigeren, zodat ik zelf mijn bedoelingen kon overbrengen. Ongelukkige componisten! Leer zelf te dirigeren, want dirigenten, vergeet dat nooit, zijn gevaarlijker dan al je uitvoerenden.” “Dus u hebt nooit meer met een dirigent gewerkt?” Bij de laatste uitroep had de stem zijn oorspronkelijke vitaliteit herwonnen. De vrouw richtte zich weer op. Levendig klonk het nu: “Helaas was ik enige malen gedwongen Habeneck te tolereren, aangezien hij de vaste dirigent van de Parijse Opera is. Hij heeft me ooit een poets gebakken die ik niet meer vergeet. Ik noem dit ‘het snuif incident’.” Het oude mens begon te lachen, eerst zacht, dan harder en na enkele ogenblikken met waanzinnige uithalen. “De eerste uitvoering van mijn Requiem wilde ik zelf dirigeren, waarmee ik Habeneck passeerde die bij dit soort staatsaangelegenheden officieel de leiding had. Na tussenkomst van generaal Bernard gaf ik de leiding terug aan Habeneck. Hij leidde zonder morren de repetities. Let op wat nu komt. Er is slechts één plaats in mijn Requiem waar de dirigent onmisbaar is, en dat is waar in het Tuba Mirum de muziek in half tempo overgaat, en verschillende groepen instrumenten om beurten inzetten. Dankzij mijn ingesleten wantrouwen was ik vlak achter Habeneck blijven staan. Met mijn rug naar hem toe hield ik de pauken in de gaten. In de bewuste maat waar het tempo zich verbreedt, legde Habeneck zijn baton neer, haalde kalm zijn snuifdoos te voorschijn, en nam hij wat snuif. In een oogwenk draaide ik me om, sprong voorwaarts, spreidde mijn armen, en sloeg ik de vier tellen van het nieuwe tempo. Had Habeneck dit met opzet gedaan? Ik heb er de rest van mijn leven over getwijfeld.” Er viel een stilte. Hoe interessant Berlioz’ ontboezemingen ook waren, ik moest de draad vasthouden. “Dank je Hector. Het is me nu duidelijk dat de componist zelf de leiding moet nemen. Mijn volgende vraag gaat over publiciteit. Iemand zou ons affiche ontwerpen, maar drie dagen voor de deadline had hij nog niks uitgevoerd. Ook die persoon hebben we bedankt, en we hebben zelf de poster ontworpen. Hoe zorgde jij voor een volle zaal?” Ik wachtte vol ongeduld, maar het bleef stil aan de andere kant van de tafel. De oude vrouw leek in slaap gevallen. Haar omvangrijke boezem ging regelmatig op en neer. “Mevrouw, wordt wakker,” riep ik, “Het gesprek is nog niet afgelopen!” “Wwat, huh… Ik ben moe. Hij heeft me uitgeput. Geen zin meer….” “Ik geef u honderd euro erbij!” Ik rukte mijn portemonnee te voorschijn en smeet mijn laatste biljet op tafel. “Met propaganda heb ik me nooit bezig gehouden,” kraste de tenor weer. “Er werden affiches en pamfletten voor me gedrukt. Maar het belangrijkste geheim van mijn succes is dat de kranten mij beurtelings afkraakten en ophemelden. Ik had onder de critici toegewijde vrienden en even toegewijde vijanden. Deels was dat het gevolg van mijn gebrek aan respect voor de versteende compositiemethoden, waardoor velen aanstoot aan mijn werk namen. Voeg daarbij mijn opvliegende karakter, – tijdens mijn eerste concert smeet ik mijn partituur tussen de musici omdat zij fouten maakten -, en ziedaar de ingrediënten voor beroemdheid.” De laatste zinnen werden door de vrouw met moeite uitgesproken. Ik moest snel zijn… “Hector, nu wil ik je vragen conclusies te trekken uit hetgeen je me hebt verteld.” “Conclusies? Je bedoelt een soort algemene gevolgtrekking? Waarom niet dit gesprek afsluiten zoals Fux dat doet. In Gradus ad Parnussum legt hij Palestrina in de mond dat hij ziek is, en te weinig kracht heeft om nog langer te praten. Een geforceerd, maar effectief einde.” “Alsjeblieft Hector, ik heb een algemene raad nodig!” “Nu, goed dan. Ik maak uit je vragen en je ervaringen op dat je onzeker bent. Door die onzekerheid heb je teveel mensen aangetrokken met dubieuze kwaliteiten. Leer uit dit gesprek dat je met de beste musici en artiesten moet werken, en dat je het kapitaal moet vergaren om hen te betalen, desnoods door jezelf in de schulden te steken. Het resultaat, de bijval van het publiek en de gunstige kritieken, zullen je naam doen rondzingen. Je wilt componist zijn. Een componist stelt zich, door zijn beroepskeuze, tussen God en de mensheid. Hij wil de menselijke geest in zijn macht krijgen; hij bezorgt de luisteraar vreugde en verdriet, en is daardoor sterker dan een koning. Om dat te bereiken moet hij eerst zijn musici bespelen. Muziek kent geen democratie, dus de componist moet niet schromen voor de enige passende rol; die van dictator. Verder zoekt ook het volk leiders. Men heeft een natuurlijke neiging zich ondergeschikt te maken, dus wanneer je initiatief neemt, zal dat worden aanvaard. Ik heb me als een god gedragen, en werd daardoor als een god vereerd en gehaat. Tegelijk was ik, helaas, maar al te gevoelig voor bijval en kritiek. Kritiek ontmaskerde ik door mijn tegenstanders als incompetent te beschouwen, terwijl bijval mijn voedsel was. Als je zo leeft, Vincent, zal je succes hebben. Al jou kleine probleempjes, zoals gebrek aan stoelen, en mensen die je moest wegsturen of die wegliepen; ik doe het af als gezeur en gelamenteer. Het leven is een voortdurende opoffering. De ene na de andere romantische illusie wordt stukgeslagen en de muzikale schatkamer van de verbeelding verkruimelt in de hopeloze realiteit. Zo wilde ik voor mijn eerste opvoering van mijn opera Les Troyens twaalf echte watervallen op het toneel. Ik kreeg er één, geschilderd op bordkarton. Je hebt met nog geen duizendste van de problemen van doen gehad waar ik me voor gesteld zag, en je zult dienovereenkomstig slechts een miljoenste van mijn beroemdheid oogsten, als je je door dergelijke kleinigheden uit het veld laat slaan. Het ga je goed. Vaarwel!” Het was stil. “Hector, ik…,” bracht ik uit. “Wat moet ik…, hoe…” Tegenover me lag de vrouw met haar hoofd op tafel. Regelmatig gesnurk ontsnapte langs haar neus- en snorharen. Ik stond op. In mijn portemonnee vond ik mijn laatste tientje. Ik legde het op tafel, op de waaier van bankbiljetten   Literatuur Berlioz, H. (1977). The Memoirs of Hector Berlioz. David Cairns (ed.) London: Victor Gollancz LTD. Mann, A. (1986).The Study of Fugue. New York: Dover Publications Inc.

Vincent Baumgart
0 0

Engelse les, acht hoog

Write p-o-t, pot.’ Het meisje schrijft p o t ‘Very good!’ zegt de lerares. ‘Write d-o-t, dot.’ Het meisje schrijft d o t ‘Wonderful!’ ‘Write t-o-p, top.’ Het meisje schrijft t o p ‘Great!’ ‘Write o-k-t-o-p-u-s, octopus.’ Het meisje schrijft o k t o p u s Haar letters kronkelen als tentakels over het papier. Ze is moe. ‘Fantastic!’ ‘Write b-oo-k.’ Het meisje schrijft b, stopt een ‘u’ als een boekenlegger  tussen de b en de k. B u k. De lerares denkt: logisch. ‘Very good!’ ‘Last word for today: box!’ De lerares probeert  opgewekt te klinken. Maar het liefst kruipt ze  nu in een verhuisdoos met afzendadres: Home. Holland.  Het meisje zucht. Dan glijdt haar pen als de schaatser Yuzuru Hanyu op een been over het volgekraste papier. Ze maakt sierlijke rondjes en eindigt met een x. Haar ogen lichten op. Plots begint de kamer te beven Het gebouw zwiept als een enorme bordenwissers  van links naar rechts in de hemel. De zon verdwijnt. Wolken vluchten. ‘Earthquake’ zegt de lerares. ‘Jishin,’ zegt het meisje.  De lerares steekt haar duim op. ’Eartu-ku-weku’ herhaalt het meisje. De lerares tovert een flauwe glimlach  op haar vermoeide gezicht. Na tien tellen stopt de  aarde met beven. De lerares gaat verder met dicteren.  ‘Write b-e-d’ Het meisje schrijft b e d. ‘Amazing!You did it!’ Het duizelt in het hoofd van de lerares. De letters van het meisje zijn op een paar na, ongedeerd gebleven. De lerares klapt in haar handen. ’I’m proud of you!’   Sendai, Japan  24 augustus 2019  

Margaretha Juta
3 0