Lezen

Bergbeest I & II

Bergbeest I   Je hoopt iets te vinden Dat er waarschijnlijk altijd al was Iets dat perfect in je navel past Maar dan groter (Is mijn theorie) Of je hoopt gevonden te worden Zomaar op straat En dat iemand zegt “Ik ben al tijden naar jou op zoek Nu kunnen we verder”   Het is hoe je kijkt Hoe alles uiteindelijk blijkt net niet genoeg te of veel te veel Hoe je de veren van je vleugels verloren denkt (Ik kan aan komen zetten met was zoveel ik wil) Hoe de gedachte dat je dingen te verliezen hebt je doet verdwijnen   Je rook eens aan een meisje Aan haar hals Was plots niet meer zeker van wat je daar te zoeken had Waar je op hoopte (Ik denk: iets vinden voor je navel of gevonden worden op straat maar het kan ook iets anders zijn geweest zoals het bergbeest - daar kom ik misschien nog op terug) En of ze wel jouw soort was   Haar hoofd ligt de laatste tijd vol met zandzakken Overvol Ze houdt zich voor het gemak graag van de domme en vergeet ondertussen voor het gemak haar naam Mensen zeggen wel eens dat met haar niet te praten valt of niet echt Daar verontschuldigt ze zich voor Ze valt vaak maar  Niet samen met zichzelf   Ze weet dat jij wel samenvalt (In de mate van het mogelijke) Ze vindt het onmogelijk om in jou geen homo universalis te zien hoe graag ze ook stiekem heel af en toe stilletjes op je zou willen neerkijken Elk mens verdient medelijden (In de mate van het fatsoenlijke) Als ze naar je omhoog kijkt moet ze denken aan Icarus en dat maakt haar bang Ze verstopt de was voor de veren achter het behang   Jij bent simultaan god en aanbidder Heel af en toe ook gewoon mens maar dat staat je minder Boetseert wolken doet klei zweven Even lijkt het alsof alles verbonden  En niets gevonden Omdat het er al is     Bergbeest II   We verhuizen later naar een berg die ook een beest is Die elk moment kan vertrekken Dan kreunen de bomen Schokt de grond Wij gezellig mee Of we bergen verzetten Of de berg zichzelf  Is uiteindelijk niet van belang              

Marieke Ornelis
94 1

Frisse lucht

"Hittegolf." Het enige woord dat bleef hangen van het weerpraatje op de radio. "Ze voorspellen tot 37 graden. Pfff, dat wordt puffen", zei ik. "Je puft nu al", zei mijn vrouw.     "We zetten de ventilator aan”, vervolgde ik. "Al helpt dat niet veel. Want je verplaatst alleen lucht. Maar een fris gevoel is toch al iets. Trouwens, heb ik je al verteld van mijn collega? Wat hij 's nachts doet als het warm is?"   "Ik weet niet of ik dat wil weten", antwoordde ze. "Nee, zoiets is het niet", zei ik. "Hij vertelde het onlangs. Omdat het 's nachts te warm was, sliepen ze zoals veel mensen met het slaapkamerraam open. Er kwam wel tocht naar binnen, maar omdat zijn hoofd ver van het raam lag, voelde hij niets. Hij besloot dan maar om zich om te draaien en met zijn hoofd aan de andere kant van het bed te gaan liggen. Daar voelde hij wat frisse lucht naar binnen komen. Het gevolg was natuurlijk dat zijn voeten zich aan de andere zijde bevonden, waar eerst zijn hoofd lag. Dus op het kussen naast zijn vrouw. Zij had het aanvankelijk niet gemerkt, maar toen ze wakker werd, schrok ze zo hard van die voeten naast haar, dat ze er een mep op gaf. Waar hij op zijn beurt zo hard van schrok dat hij uit het bed donderde."   "Daarna had hij zijn vrouw nog voorgesteld om ook met haar hoofd aan de andere kant te gaan liggen, zodat er geen ongelukjes meer konden gebeuren. Gij zijt op uwe kop gevallen zeker, vroeg ze. Ja, daarnet nog, had hij geantwoord.”   “Volgens mij heb je dat laatste gewoon verzonnen”, zei mijn vrouw. Ik kon het niet  ontkennen. Vrouwen hebben het snel door, als je met hun voeten speelt.  

Rudi Lavreysen
0 0

Nu even niet

Jane stond met haar zwarte bolide aan de kant van een vijfdubbele kasseienweg. ‘Oh, heerlijk, pal tegenover de congreszaal waar ik straks moet zijn. Geen anderhalve kilometer die ik eerst nog moet stappen. Mijn hakken zijn echt niet geschikt voor zo’n traject. ’k Ben veel te moe ook, vanochtend Gent, nu Brussel, straks Leuven.’   ‘Dit moet volgens mij de breedste en langste kinderkoppenweg van België zijn.’, dacht ze. Ze had haar eigen land nooit minutieus onder de loep genomen, maar deze laan moest enig zijn in haar bestaan. Kasseien op een kilometer van de Brusselse markt in een ei zo na industriële omgeving? Onder de voeten van de duizenden toeristen op de Grote Markt behoorden het graniet - hoogstwaarschijnlijk ook nog eens van Belgische afkomst en niet van Chinese - toe aan een stuk geschiedenis waarvoor ze naar België waren gekomen. Hier - waar Jane geparkeerd stond - leken ze zo onwezenlijk, zo helemaal niet op hun plaats. Aan beide zijden platanen van minstens zestig jaar oud - niet overal - hier en daar zo eentje. De extreme leeftijdsverschillen van bomen deed vermoeden dat er doorheen de jaren het een ander was gesneuveld en men nieuw plantgoed had laten aanrukken om het rustgevend karakter van een uniforme bomenrij toch zeker niet te verstoren. Dat men daarin niet was geslaagd kon je enkel zien als je geparkeerd stond onder een van deze majestueuze bomen en de tijd nam om ernaar te kijken en dan uitkeek naar de volgende in rij, om daar vast te stellen, dat er een miezerig boompje stond. Ook nog groot als je ‘m niet naast dit exemplaar had zien staan, maar zo’n ongelofelijk ziekelijke dwerg op dit ogenblik.   Het merendeel van de mensen was blij dat ze hier een gratis parkeerplaats had gevonden en maakte zich onderweg naar hun afspraak. Bomen waren enkel belangrijk geweest in de zomer, als de binnenkant van hun auto in een mum van tijd tot Sahara-temperaturen kon oplopen. Nu regende het. Ze baalde ervan, terwijl ze uitgerekend gisteren nog voor de zoveelste maal iemand had moeten laten weten, dat het veel te droog was voor de tijd van het jaar. Dit voorspelde niets goeds.   Afgelopen zomer was het zo uitzonderlijk droog geweest, dat er menige boom en ander plantgoed het leven had bij moeten laten. Het was haar buurvrouw opgevallen dat Jane in haar tuin nauwelijks schade had gehad. Toch stond de tuin schaamteloos volgepropt met planten, veel bomen ook. Volgens sommigen was het een bos. ’Hilarisch, willen die mensen zich nu eens gewoon bemoeien met hun eigen tuin? En bos? Weten die eigenlijk nog wel wat een bos is? Die moeten dringend eens naar een bos gaan of op het internet de wettelijke definitie ervan opdissen. Ze zullen moeten toegeven dat het dát zeker niet is.’   ‘Je tuin staat er zo gezapig bij.’, had de buurvrouw haar vorige zomer gezegd. ‘Heb je echt geen schade gehad?’ De lieve versie van Hyancint Bouquet leek bijzonder verrast, maar ook weer blij want vanuit haar living had ze een prachtig uitzicht op een tuin die leek toe te behoren aan haar eigen huis. Dat had ze menig maal aan Jane verteld en als ze dan eens in de living van haar buurvrouw vertoefde, moest Jane ook wel toegeven dat haar buurvrouw gelijk had. ’Ja, het is een plaatje. Nog niet af, maar toch wel aardig op weg het resultaat te worden dat ik beoog.’   Het was beginnen regenen, straks zou het laat worden want het event zou tot tien uur duren. Ze had geen jas bij en de blouse die ze droeg had een discreet open rug en op de koop toe was het hier een allesbehalve veilige buurt. Een ingeslagen raampje bij terugkomst zou menig auto-eigenaar de eerstvolgende jaren doen beslissen om voor een ondergronds betalend alternatief te gaan. En die bolide van haar, die ademde gewoon om ingeslagen te worden. Veel te luxueus om er niet iets bruikbaars in te vinden. De bomenrijen aan weerskanten van de laan hadden enkel het monotone uitzicht op het ogenblik dat je hier hard over de kasseien reed. Dat er hier loeihard werd gereden, had ze al veelvuldig mogen ervaren. Het was de laatste twee jaar voor allerlei activiteiten zo’n beetje haar tweede thuis geworden. Nu om vijf uur in de namiddag ging ze hier zelfs slapen. Even daarvoor had ze verderop op een tarmac weg gestaan. Ook daar werd er stevig gereden en flitsten de auto’s aan haar geparkeerde auto voorbij. ’Zo kan ik onmogelijk slapen.’, dacht ze, ‘Zelfs als mijn rugleuning het uiterste puntje heeft bereikt lig ik nog niet plat genoeg om met mijn hoofd rustig te liggen.’ Er werd hier rakelings langs de geparkeerde auto’s gereden en ze had het gevoel dat er hier ieder ogenblik eentje op haar zou inrijden. Mocht men een aanrijding met een voorligger willen vermijden, dan was de open ruimte achter haar wagen immers een uitgelezen plek om als uitvalsbasis te worden gebruikt. Een smak tegen haar wagen was dan wel onoverkomelijk geweest.   Een vijftigtal meter voor haar zag ze een verkeerslicht. Iedere drie minuten was er dus dat risico dat ze al liggend richting het dashbord zou worden gekatapulteerd. Geen idee welk letsel ze daaraan zou overhouden. Onhoudbaar die onrustige gedachte en dus reed ze naar deze koninklijke paradeachtige brede laan, veel te lawaaierig om te kunnen slapen, maar de wilde cowboys M/V reden hier wel op aanzienlijke afstand van de rustende vloot.  

Attendant Moon
0 0

Manuscript zoekt uitgever.

Synopsis “Doorheen gebroken vensters”.   Wanneer het hoofdpersonage ontdekt dat zijn partner vreemd gaat, stort zijn hele wereld in en dat mag je gerust letterlijk nemen. In zeer korte tijd valt hij in een wereld van angst, vernieling, uitsluiting, ongebreidelde seks, giftige ontmoetingen en waar zekerheden niet bestaan. Na een namiddag doorgebracht te hebben met een ongekend iemand, regelt hij de begrafenis van zijn moeder. Hij herinnert zich dat zij hem een geheim toegefluisterd heeft toen hij nog een kind was. “Dit blijft tussen ons” zijn de enige woorden die hij zich herinnert. Deze zin heeft zijn hele leven geboetseerd. Sindsdien heeft hij de wereld rondom hem gefantaseerd, als houvast, omdat het daar veilig was. De echte wereld, zegt hij, is een illusie waar hij niet aan kan. Hoe kan hij uiteindelijk zijn moeder laten rusten en zichzelf tenslotte rust geven? Vluchtige personages personifiëren het negatieve van de maatschappij rondom hem. Zijn schoonzus die op geld aast, zijn zus die een zangcarrière beaamt, zijn broer, zijn vader en zijn vriend zijn afwezig in zijn leven en alleen ontmoetingen met gebroken mensen die zelf ook hun leven lijken te fantaseren, geven hem sterkte. Het verhaal neemt een kijkje in een onderwereld onder mannen, een Babylon zonder taboe, zonder schaamte, zonder schroom, met drift en lust. Een wereld waar seks eerder destructief werkt dan dat het zijn leven zou louteren en waar het beeld van de ander en zichzelf ondraaglijk is geworden. De moraal die de maatschappij hanteert schrijft kant-en-klare oplossingen voor maar voor hem lijkt vallen de enige oplossing te zijn om naar iets beters te gaan. Het is een helende en onconventionele zoektocht doorheen de duisternis van de ziel, waar alledaagse tot zelfs banale tegenslagen en voorvallen des levens niet meer overwonnen kunnen worden en waar verkeerde ontmoetingen van allerlei bedenkelijk allooi uiteindelijk het antwoord verbergen. Ligt de berusting uiteindelijk niet in het destructieve? En is de ontmoeting met Polux dé verlossing naar de realiteit van zijn leven?   Het is niet een ‘proper’ verhaal, het is niet het zoveelste geschreven verhaal over de liefde, het is geen eind-goed-al-goed sprookje. Het gaat over hoe ‘vensters in je eigen huis te doorbreken’ om toch iets van zichzelf over te houden, weliswaar gebroken.   Het is een verhaal dat tot stand is gekomen door observatie. Het is niet autobiografisch, hoewel ik graag toegeef dat bepaalde elementen hun inspiratie en oorsprong vinden in sommige belevenissen en als uitgangspunt hebben kunnen dienen om het verloop van het verhaal vorm te geven. In dat opzicht, en ook om de kracht van het verliezen te onderstrepen, is het verhaal in de ik-vorm geschreven. Het hoofdpersonage heeft om die reden geen naam. Het personage is uitgezuiverd tot wat de man louter voelt en beleeft.   Het genre dat ik schrijf valt onder de autofictionele roman. Die inspiratie komt o.a. van de boeken van de Franse schrijfster Christine Angot, , het werk van de Franse auteur Guillaume Dustan, de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Of zoals vermeld in mijn manuscript : Mireille Cottenjé en Anja Meulenbelt. Ook de elpee  “Den Ständiga resan” van de Zweedse Marie Fredriksson heeft voor dieptegang gezorgd. Verdere inspiratie zijn ook mijn eigen ontmoetingen met mensen in allerlei situaties. Ik ben geïnspireerd door vele verhalen en mensen die mijn pad kruisen. Ook muziek speelt een belangrijke rol in mijn leven : een stem of een sfeer in een song, soms louter een woord, geeft me zuurstof om eigen verhalen uit te werken. Ik schrijf vanuit wat me bezielt, niet enkel wat mij of iemand anders bekoort. Ik schrijf vanuit het authentieke naar het authentieke, ik herschrijf niet wat al geschreven is. Mijn stijl is ruw, schuurt en tekent niet altijd het mooie van de mens. Ik schrijf wat écht is, wat gevoeld wordt, niet wat aangevoeld wordt. Tenslotte wil mijn schrijven herkenbaar zijn voor de lezer zonder te vallen in het pathetische of charlatan psychologie.   erwinabbeloos.over-blog.com/2019/07/synopsis-doorheen-gebroken-vensters.html    

Erwin Abbeloos
63 0

Brussel Versie 2

Brussel uitrijden. De lelijke stad blind kunnen verlaten en toch kijken. Het is in deze blik dat een stad zich schuilhoudt en aardt naar inruilbare normen. Ook dit is een vorm van vergeten. Dit is de passe partout van het gaan en het uitsnijden van een bekrompen versie paradijs uit het kleine vlekje realiteit: het stationszicht: ijzeren omhulsels als vormgeving van het ballingschap en het daaruit leren bevrijden door angst, die we graag ingeboezemd krijgen.   Het is een blik die we werpen op het relaas van verloren tijd en hoe we die leren benijden. Nooit bevrijden! We leven ernaar. Tijd en altijd komt dan de spijt.   Het is dus een komen en gaan van de kitsch, de silo van het kijken, want ook daarin oogsten we tonnen ervaring en ambivalentie in doorzettingsvermogen. We willen maar zouden we niet anders en zo en zo en niet hoooo maar!   Ik ben de dupe. Ik ben de dupe. Ik ben de dupe die dan duwt in de richting van een ring waar we wachten en talmen en veiligheid is een veilig begrip, wat is taal toch een kluwen van houvast. Als je krampachtig schudt, zoals een laatste stuiptrekking genaamd Brussel, ben je net de stedelijke evolutie die etaleert met zijn vermogen tot het uitsteken jonge oogjes zonder al te veel angst.   Hier hebben we op gewacht. De ondergang, en we lopen mank tot we ophouden mank te zijn. Gent huilt en Mechelen wacht. Wij, wij zoeken, en worden onderdanig aan zij die opgehemelt worden, het mekka van het roepen, de allegorie, de essentie. Op je knieën schrijven, want op je knieën kan je niet schrijven, laat staan herbeginnen. Een opgave in de stenen maar automatisch dus niet tot onmogelijkheid gedoemd en permanent aanwezig. Reizen moet je meenemen als taal en niet omgekeerd! Het treinstel dient dan als handvat voor de verdubbeling van woorden in zinnen en referenties. Het materiaal dat je onderweg ziet en voelt, zal de nieuwe drijfveer zijn inzake het vermogen van je hoofd. Koppie erbij houden hè! Kortom, nergens meer dan onderweg, nergens meer dan nergens dus. Brussel is de ontmaagding van een reuzin en bevindt zich misschien wel in dit onderweg.   Ik zwaai naar die overkant. Ze laten je expres wat langer wachten tot de theorie over jezelf zichzelf niet meer is. Alsof we de wereld wat nog wat langer over het hoofd zouden willen zien en vergeten dat we bang zijn. Leven in deze illusie dan het doel op zich. Hier zijn om onderweg te blijven! De optelsom maken, teleurgesteld het doek neerhalen en lachen: There will be nothing you will not be be looking for in this world. Except in for your god. This is all a dream. A dream in death.   Achterhoofden kneden tot wat we zijn: tot je legioen marsvrouwen. Want dit is wat je wil. Je persoonlijke tijdsperk. Je wordt wakker. Dan pas ontwaken en de bijhorende ingebedde rituelen die een netwerk vormen aan vangnet, je plan B. Hallo zeggen en weten wat goed voor je is. Dat ontkennen en herbeginnen.  

Dries Verhaegen
4 0