Lezen

Plek II - O Toréador

Deze plek zou je organisch willen samenknijpen en uitstrooien in hoge kwantiteit over de ondergrond zelve waarvan de oorsprong teruggrijpt naar mij, naar ons o Toréador en aan u die hier de grond rood bezingt en zand in de ogen van uw vijand strooit weet toch reeds alles van de alter ego’s die we in wij in de stemmen steken en in de hiërarchie steken en onder de lakens delen en o Toréador, wij de huid mee inkleuren van licht naar donker en in geheel overdreven hoeveelheden die allen gehuisvest dienen te worden in een land van herkomst of in het strooisel uit mijn lange doch vlugge handen.   de ondergrond geheel verstaanbaar voor mijn voeten die de wereld kennen door snel te zijn ik door de interactie van de benen die snel zijn vluchtpunt bereikt en verkent die zijn handlangers kent en verstaat wij wij o Toréador die niets in het ongewisse laten ook geen plek zonder naam deze plek die je zou willen uithoren over beterschap   Eén die de hoop én de stof hoog doet opvliegen in een niemandsland waar de waarden reeds gemeten en gekend zijn een geconditioneerd landschap waarin de koude zich meet aan de afwezigheid en de warmte zich meet aan de présence qui parfois maar continu in flux zonder zichzelf te verliezen continu in flux zo ook wij, wij die de weg wegen o Toréador en de zeg zeggen en de onderverdeling herverdelen keer op keer en steeds meer zodat wij onze vlag kunnen wapperen en onze stilstand kunnen verant- woorden aan zij die bewegen en onze achteruitgang kunnen vertellen aan zij die vooruit willen gestuwd worden maar in plaats daarvan met ons mee gezogen worden en toch denk ik dat mijn aandacht zich zou moeten verplaatsen naar waar het allemaal begon de oorsprong zonder naam en de geboorte van een denkwijze die zich heeft gehuisvest in de hoofden van zij die niet willen zien o Toréador wat er zich afspeelt in de hoofden van die anderen wel ik zal het u zeggen compleet dezelfde wens om meer mens te weigeren én te verblijven in een oord van waanzin zonder de waan.   aan u die de natuur klein krijgt krijgt het applaus en kreet van onthoofding ook iets sacraal iets sacraal zoals de massa o Toréador die zich ook voortbeweegt en soms onthoofd wordt soms ook voor het genot van anderen   als ik de arena betreed wil ik de stoelen organisch herschikken van goed naar slecht en wordt ik zelf gespietst op de adem van de rijken de rijken die dus ook nog ademen o Toréador alles is van ware aard en ik geloof in bepaalde algoritmes zo ook het volgende De algoritmes van de adem een levenscultus maar ook de wazige aanslag op de ramen een gevolg van deze levenscultus die zich voortbeweegt zoals een route in onze achterhoofden gegrift en verdacht bevonden onder de mensen dus niemand die nog dezelfde route wil belopen die nog dezelfde wil zijn allen willen we het andere van het zelf en hetzelfde van de andere zodat we onszelf hoopvol kunnen cultiveren in de cultus en daardoor kan ik mezelf zien door de bril van iemand anders waarmee ik wil zeggen:   de materie is nooit van mij hetgeen waar ik op sta en waar ik voor sta is mij gegeven in afwachting van het nieuwe het nieuwe dat ik soms reeds vasthoud maar niet valideer in mijn doen slechts bewerkstellig in de toekomst de visioenen de waanbeelden die ik slaap en gaap en in opga wakker word en herleef   want het herleven in de waan is het echte ik sliep ik leefde ik ging en liet iets achter niemand wil nog hetzelfde achterlaten   want ik wilde hoog laag de ziel bezingen ik wilde dier en de o en de a - o a o Toréador verliezen in de kringen onder de ogen en de ogen onder de zielen die als een bagage onder de andere arm passen de andere arm dan die weinig om de munten nog speelt maar eerder om de kunde   Ik wilde oog traag laag laten bezingen en de traan in waan van snelheid laten tranen over de huid die gespannen staat over mijn kunde en hiermee de wil vaag laat grazen in de spanwijdte van een aarde zoals de onze waarmee ik wil zeggen dat een huid een oppervlak een aarde een ondergrond zou kunnen zijn en zichzelf bewijzen onder invloed van aardse waarheden zoals de meta- fysica zoals de o en de a -  o a verdwaal me in de onder andere van woorden o a de hysterica van een toendra onder de resem exotica die we dan toch nog net hier terugvinden der aardse verschijnselen passanten die me aanstaren medemensen verschrikkelijke zielsverwanten die de sneeuwman een tijd de tijd laten lezen seizoenen van een gewilde grootte tijd verloopt en de wil die loopt over de lippen uitgespuugd zorgt het voor een vergezicht die ik wilde vertrappelen onder de woorden tussen de lijnen die ik wilde oog-traag laten bezingen over de spanwijdte van de huid die thuis is een aards fenomeen een klein gebeuren dat zichzelf weigert in een waanzinnig vertekend beeld.Ik wilde oog traag hoog laag o a verwante zielen zich laten omdopen tot beeld ik wilde o a verzinnen in iets nieuws     Ik wilde de toréador van dat nieuwe zijn en de klank van het oude in mij meedragen gemaakt tot angstbeeld van een emotie   want de materie die nooit van mij is eerder van de publieksstunt kent geen genade over de spanwijdte

Dries Verhaegen
9 0

De rollator in het café

Tijdens een wandeltocht zie ik door het raam van een café een rollator bij de toog staan. Op zich geen abnormaal gegeven, maar het café is gesloten, dus iemand is die rollator vergeten.  "Die heeft iets straf gedronken", zeg ik tegen mijn vrouw. "Na een paar glazen was de rollator niet meer nodig. Of de persoon heeft iets anders voorgehad.” Nu moet u weten dat ik op zich niet nieuwsgierig ben, maar ik weet graag veel. Daarom stap ik de volgende dag het café binnen. Ik zet me aan een tafeltje en bestel bij de patron een tas koffie.  Dan pas zie ik dat er op de rollator een papier hangt. "Van Jos. Laten staan."  "Jos kwam hier al jaren", leest de cafébaas mijn niet uitgesproken vraag. Ik ben wellicht niet de eerste die ernaar kijkt. "Ik herinner me nog de dag dat hij voor het eerst binnenkwam. Een man op leeftijd die niet meer goed te been was. Telkens rond 10 uur. Hij droeg altijd een grijs kostuum en zat meestal aan het tafeltje waar jij nu zit. Met zijn rollator naast hem. Hij bestelde gewoon een koffie. De eerste keer vroeg hij of er een borrel bij kon. " "De volgende dag kwam hij terug en was het een koffie met een knipoog. Daarna wist ik het. Hij was geen grote prater. Een stille genieter. Hij vertelde me dat hij eigenlijk geen borrels meer mocht drinken. Op advies van zijn dokter en nog meer van zijn vrouw. Telkens als hij zijn borrel leeg had, haalde ik die snel op. Een stilzwijgende afspraak tussen ons. Alsof we het bewijsmateriaal meteen moesten opruimen.” “Een paar maanden geleden liep het fout. Jos zette na zijn knipoog de borrel aan zijn lippen en net op dat moment kwam zijn vrouw binnen. Ik schrok nog harder dan Jos. Er was geen tijd om het bewijsmateriaal op te ruimen. Zijn vrouw plaatste zich naast hem. Toen ik haar aankeek maakte ze een nee-schuddende hoofdbeweging. Alsof ze Nee, ik moet niets hebben wilde zeggen. Of misschien was de betekenis Nee, Jos mag eigenlijk geen borrel." "Even later waren ze samen weg. Toen pas zag ik dat de rollator van Jos er nog stond. En hij staat er nu nog. Voor als hij terugkomt. Omdat ze er 's avonds ooit mee rondhossen in het café, jonge gasten met iets te veel bier in hun lijf, heb ik er dat blad op gekleefd. Hij heeft die rollator nodig, want zonder geraakt hij nog geen tien meter ver.” “Maar die avond is hij toch ook zonder rollator vertrokken?”, zeg ik. “Inderdaad”, zegt de cafébaas. “Dat begreep ik ook niet goed. Zijn vrouw was wellicht met de auto en had misschien voor de deur geparkeerd. Ik heb er eerlijk gezegd niet op gelet. Van het schrikken wellicht. Of ik al gebeld heb? Nee, zijn vrouw kan opnemen. Dat kan ik best niet doen. Dan mag hij zeker niet meer komen.” Ik bedenk me plots dat de patron die geschiedenis verzonnen zou kunnen hebben. Een rollator met een blad in het café en je hebt een verhaal.  Het zou zomaar kunnen.

Rudi Lavreysen
45 0

Bij oma op de koffie

Pralinewinkels? Ze zijn onweerstaanbaar. Bij het binnengaan van een chocolaterie gaat mijn neus open zoals sluisdeuren bij hoogwater. De chocoladegeur stroomt naar binnen. Het verleidende aroma heeft ook meteen een effect op mijn koopgedrag. Een klein doosje wordt al snel 'nee, doe toch maar een grotere doos'. Of 'doe nog maar een extra doosje, maar dat is een cadeautje'. Alsof de verkoopster dat niet door heeft. Het inpakpapier haalt meestal het einde van de straat niet. In de Nederlandse zaak waar we ons bevinden is het niet anders. Terwijl we onze beurt afwachten concentreer ik me op de afgebroken stukken chocolade die zich op de toog bevinden. Om te proeven. Welk stuk is het grootst? "Is het een cadeautje?", vraagt de vriendelijke verkoopster aan de man die net samen met zijn zoon een bestelling heeft afgerond. "Neeeeej", klinkt het op zijn Brabants. "Het is gewoon voor dadelijk, bij oma op de koffie." "Ooooh, gezellig", klinkt het aan de andere kant van de toog. Wat het ongetwijfeld ook is. Onze noorderburen verstaan de kunst om hun meest gebruikte woord in de praktijk om te zetten. Na het afronden, 'doe maar pinnen' is de gebruikelijke term in Nederland, krijgen de man en zijn zoon een mooie afscheidszin mee. "Nou, veel plezier nog bij oma ", zegt de verkoopster bij het overhandigen van het tasje met pralines. Alsof ze de oma in kwestie hoogstpersoonlijk kent. Alsof het haar eigen oma is. Geef toe, ze zijn er bedreven in, onze vrienden van over de grens. Het komt even in me op om te vragen of ik mee mag naar oma, om van die gezelligheid te proeven. En van die pralines. Maar dat zou een beetje gek zijn. Maar ik smelt er wel van. Onze pralines krijgen even later die kans niet.

Rudi Lavreysen
27 0

Plek

Ergens nadert de trein van de toekomst, maar niet hier; hier is alles quasi onherkenbaar.   De naderende trein houdt halt aan de verschillende wetgevingen omtrent leven op kousenvoeten en braakt een beeld uit. Dit beeld behoudt zijn meerdere gezichten, vooralsnog. Het is een koud landschap op deze neergeworpen manier: de vingers voelen koud, zijn zij nu onbruikbaar geworden; de lichaamssappen hard en kraakbaar, het krijgt een menselijke gezongen dubbelzinnigheid; de natuurelementen ontbreken en zijn koud.   Dit is een waan-droom-beeld met toekomst perspectief. Een visie die nee zegt. Hij is altijd aan zet. Een metamorfose aan te veel; in deze oase is alles al eens aan beurt geweest maar niet in gelijkgestemde evenwaardige zin.    De plek bestaat in een voortgang die zich aansluit bij het gekende; hierdoor ontstaat er een ontkenning van het onaantastbare reeds verkende die de plek vormgeeft in al zijn diffuse en op lichaam gelijkende onderdelen. Deze plek kan een levensvorm zijn en gedraagt zich hiernaar waardoor de perceptie hem mede vormgeeft zonder hem daadwerkelijk aan te tasten in sé. Deze plek kan een organisch goedje vormgeven en zich dus omvormen tot een chemische herkenning die voor gebruik aan te raken valt.Ergens nadert de trein nog steeds, ik krab aan mijn 1e voorhoofd en haal er een deeltje uit: een neo-ethiek die bestaat! Alles is reeds voor mij uitgeklaard en ik kijk gewoon de tijd weg. En dan liefde: een tastbaar afgrijzen die ik omarm en aanraak zoals afgesproken om daarna de wegwijzerzin van het reeds aangeraakte te verdraaien tot artikel: het zegt meer in iets tastbaars, dat is al geweten nog voor ik er aan begon.En zo is alles terug te brengen en herbergen tot en in zijn essentie. Daar voel ik mij thuis en het meest levend.   De plek is verborgen en doch bevind ik mij er continu in een fletse realisatie dat de flatscreen toch ook een deeltje wereld of zelfs plek in zich meedraagt. De voorhoofden verzamelen zich en breken zich op de steenharde materie. Nee, zegt de materie, nee; er is geen oplossing voor de vraag naar meer. Ondertussen staar ik al naar de flatscreen, de tv die huilt, mijn 1e voorhoofd in mijn handen, het huilt, de trein nadert ook huilend, maar ik zal niet huilen, ik zal niet wanhopen om de 20 te veel dan te veel gedode wezens die geloofden dat ze nee konden zeggen, alles huilt maar nee aan deze weigering, terwijl op de hoek van de straat de politiek transformeert tot wens, alles dat huilt maar jij die niet huilt Erica, op tv, meer nog, op de flatscreen, die huilt; maar jij blijft geloven in een weg naar een geschiedenis en door die te herleven zal ik je niet meer bekijken, alles huilt maar de wegen zullen kruisen en de voorhoofden, hopelijk het mijne, zullen zich blijven verdubbelen; vooralsnog verdubbelen ze zich maar zeer gecondenseerd en verdund en ik die niet weet of ik zo nog verder kan want de ratio beweegt en ik sta stil, alles dat al huilt maar jij en ik hebben elkaar nog nergens gevonden en ze sterven ondertussen nog steeds in de toendra’s van de Himalaya of ergens anders dat exotisme exploiteert tot in een top.   Alles dat reeds huilt maar op de plek staat en blijft alles stil, een visioen of toekomst die zichzelf weigert en zo zou het moeten zijn dat alles zichzelf verpletterde onder de ‘nee’ van nu.

Dries Verhaegen
45 0

Op de afspraak: Allerheiligen

Afgelopen zaterdag bij de bloemist: buiten pronken witte, gele, oranje en roze chrysanten in vol ornaat. Een prachtig kleurenpallet, je kan er niet naast kijken. Alsof ze de grijze hemel uitdagen: “Durf nu maar eens te regenen!”. Binnen staan talloze grafstukken mooi geëtaleerd. Keuze genoeg, van potsierlijk, groots tot bescheiden en sober. Allerheiligen zal ongetwijfeld naast Valentijn en Moederdag een topdag voor bloemisten zijn. Aan de kassa rekent een oudere dame af. Ze draagt een mooie, lange, cognackleurige mantel, met daaronder zwarte, lakleren mocassins. Ze heeft een piekfijn, wit kapsel dat mij aan de chrysanten doet denken. Haar bijpassende, dure handtas staat op de toonbank. Ze kocht een chique grafstuk. Ik vraag mij af voor wie het grafstuk is. Haar overleden man? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Achter haar wacht een jonge man met een baby in een Maxi-Cosi. De baby is niet tevreden met het bezoek aan de bloemist en maakt dit luidkeels duidelijk. De man kiest rap, rap voor een pot witte chrysanten. Hij betaalt en probeert ondertussen de baby te sussen. Maar die laat zijn protest met nog meer decibels horen en stampt heftig met zijn voetjes. De man zoekt zijn evenwicht tussen de Maxi-Cosi in zijn rechterhand en de chrysanten in zijn linkerhand. Opnieuw vraag ik mij af voor wie de chrysanten zijn. Zijn moeder? Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Dan is het mijn beurt. Ik vraag 11 roze rozen aan de bloemist. Voor mij geen chrysanten. Onze blikken kruisen en ik merk even een meewarige blik op in haar ogen. Ze weet waarom ik 11 rozen vraag, en geen 10 of 12. Het kerkhof even verderop krijgt weer een jaarlijkse make-over. Rond deze periode van het jaar zie je mensen met emmers, borstels en zeemvellen af en aan lopen. Zoals bijen die in en uit hun korf vliegen. Het is er een drukte van jewelste. De chrysanten en grafstukken zijn de finishing touch. Op andere momenten is het kerkhof – sorry - ‘doods’ en verlaten. Telkens wanneer ik deze plek passeer, wordt mijn aandacht ernaartoe gezogen. Het kerkhof is nochtans volledig ommuurd. Alsof het aan het oog moet onttrokken worden. Of willen onze doden rust en privacy? Ik piep altijd even door het smeedijzeren hek. Zelden bespeur ik een levende ziel in mijn blikveld. Behalve in deze periode van het jaar. Ik vraag me af of ze hun overleden geliefden ook alleen maar nu gedenken? Zijn de chrysanten en bloemstukken daar het bewijs voor? Verdriet of rouw kent toch geen afspraak of agenda? Ik hoop dat hun overleden geliefden ook op andere momenten in hun hoofd of hart een plek hebben. Dat daar de chrysanten een jaar lang mogen bloeien. Ik zal het waarschijnlijk nooit weten. Alleen maar hopen.

Hilde Bours
14 0

Verbonden blijven in eenzame tijden

Sta jij soms stil bij wat vrienden echt voor jou betekenen? Heel vaak doen we dat pas wanneer de verbinding met anderen wegvalt en we ons alleen voelen. Ik sprak met Selma Franssen, schrijfster van ‘Vriendschap in tijden van eenzaamheid’, over de barrières waar we vandaag massaal op botsen in onze zoektocht naar betekenisvolle relaties. Voor mij is haar boek alvast een betekenisvolle bruggenbouwer die alles wat bij vriendschap komt kijken bespreekbaar maakt. Als chronisch pijnpatiënt heb ik de voorbije jaren aan den lijve mogen ondervinden hoe kwetsbaarheid mensen afschrikt, ook die waarvan je dacht dat ze heel dicht bij je stonden. Eenzaamheid en langdurige ziekte zijn vaak twee verkrampte handen op één buik. In jouw boek wordt uitgelegd hoe we tot 200 uur in elkaar moeten investeren vooraleer je van een (h)echte vriendschap kan spreken. Niet verbazingwekkend dat mensen die door ziekte begrensd zijn het nog moeilijker hebben om deze diepe vorm van verbinding te vinden. Hoe kijk jij naar de link tussen ziek en eenzaam zijn? Er zijn zoveel raakvlakken tussen de twee. Mensen die dusdanig ziek zijn, mentaal of lichamelijk, dat ze moeite hebben om naar buiten te komen, worden in veel opzichten belemmerd in het aangaan van vriendschappen. Als je nieuwe vrienden wil maken, moet je vaak letterlijk buitenkomen. Je moet inderdaad dat aantal uren met iemand kunnen doorbrengen, en dat gaat gewoon niet altijd als je veel ziek bent. Je moet ook dingen hebben om met elkaar over te kunnen praten, en als je leven beheerst wordt door een lichamelijke ziekte, of wanneer je psychisch niet in orde bent, dan is het nog moeilijker om die connectie met iemand te leggen. Chronisch ziek zijn op zich hoeft niet te betekenen dat je automatisch ook eenzaam bent. Ik denk dat het samenhangt met het feit dat je dan niet altijd meer meedraait in bepaalde systemen die we superbelangrijk vinden, zoals werk en liefdesrelaties. We hechten er waarde aan en halen er ook conversatiemateriaal uit. Dus wanneer we in contact komen met mensen die daar niet of tijdelijk niet inzitten, dan vinden we het lastig om met die persoon te praten, of om die zijn ervaringen te waarderen. En dat terwijl ziekte je precies confronteert met van alles over jezelf, van alles over je lichaam, en dat is ook een waardevolle ervaring. Als je niet ziek bent, is het ook de moeite om daar naar te luisteren, want daar kun je zeker ook van alles uithalen. Is het niet vaak zo dat mensen, door de ratrace waarin ze hollen, gewoon geen plaats meer hebben voor andermans miserie? Dat ze pijn en verdriet liever mijden omdat ze schrik hebben dat ze het niet op een goede manier kunnen omarmen? Misschien is dat wel vooral omdat pijn en verdriet lastige onderwerpen zijn waarover we meestal moeilijk communiceren. Er blijven heel veel taboes omheen hangen. We worden in ons leven allemaal ooit geconfronteerd met ziekte, of dat nu bij onszelf is of bij iemand die heel dicht bij ons staat. Dus we moeten daar niet zo van wegkijken. Omgaan met intense pijn voelt voor mij als balanceren op dun ijs. Wat kan ik vragen en wat niet? Maar ik denk dat het wel heel belangrijk is om dat proces aan te gaan, in plaats van elkaar daarin af te wijzen. We krijgen natuurlijk ook maar weinig houvast omdat we het amper te zien krijgen. Als je kijkt in onze literatuur, in onze films en series: hoeveel zijn er die echt de realiteit van een chronisch ziek of intens vereenzaamd iemand tonen? Zo weinig. Terwijl het net goed zou zijn om jezelf hier af en toe mee te confronteren, om het een keer bewust gezien te hebben. We stoppen het weg, dus als ziekte, verlies of pijn je overkomt, weten we niet hoe we ermee om moeten gaan. Je stelt in je boek de vraag of mensen nog wel durven te verbinden met anderen die ‘less than perfect’ zijn. Kan jij de imperfecties van je vrienden koesteren? Ik kan me nog herinneren dat ik een paar jaar geleden met een vriend op café zat, en plots begon hij te wenen en gooide hij op tafel dat hij zwaar depressief was. Ik weet dat ik toen heel erg schrok van de enormiteit van dat moment, maar tegelijkertijd besefte ik ook dat je op zo’n moment helemaal niets bijzonders hoeft te doen. Je moet er gewoon zijn en die persoon laten praten. Niet beginnen met advies te geven of het niet relativeren door te zeggen dat je ook wel eens depressief geweest bent. Er zit natuurlijk wel troost in herkenning, dus laten weten dat hij niet alleen is, en dat wat hij meemaakt niet vreemd is, kan best. Maar je moet niet meteen je eigen verhaal vertellen. Het is belangrijk te laten voelen dat je er bent en dat je nu niet plots gaat verdwijnen. Het doet al veel wanneer je bijvoorbeeld af en toe eens een berichtje stuurt, ook al krijg je geen antwoord omdat je vriend(in) op dat moment te diep zit. Die continuïteit is belangrijk, de geruststelling dat je niet zomaar zal verdwijnen omdat iemand plots allesbehalve het perfecte plaatje blijkt te zijn. Waarom is het zo moeilijk om eenzaamheid te doorbreken? Ik denk over het algemeen dat we eenzaamheid als heel zwaar ervaren. En dat is ergens ook wel logisch, want jij kan als individu niet op een-twee-drie een oplossing bedenken wanneer iemand zijn eenzaamheid bij je neerlegt en dat zorgt voor druk en stress. Het zou eigenlijk gewoon zo ver niet mogen komen, dat iemand zich dusdanig eenzaam voelt, dat het een gigantische last wordt die nog maar moeilijk te delen is met anderen. Eenzaamheid is en blijft een groot taboe, ook al lees je er tegenwoordig veel over. Het ontzettend trieste aan eenzaamheid is dat we liefst meteen onze handen er vanaf trekken. Als iemand durft te benoemen dat hij eenzaam is, zien we dat bijna als iets besmettelijks, terwijl eenzaamheid natuurlijk helemaal geen ziekte is, ook al wordt het wel zo gepresenteerd in de media onder de noemer ‘eenzaamheidsepidemie’. "Ik ken echt mensen die overtuigd zijn dat ze geen dag alleen kunnen zijn. En dat is eigenlijk wel zonde, want uit dat alleen zijn kan je zoveel halen." Kunnen we eigenlijk nog eenzaam zijn? Ik wil zeker eenzaamheid niet bagatelliseren, want er zijn inderdaad mensen die langdurig eenzaam zijn, en dat is verschrikkelijk. Het heeft ook een negatieve impact op je mentale en fysieke gezondheid, dus dat mogen we absoluut niet onderschatten. Daarnaast denk ik dat het ook goed is te beseffen dat iedereen zich in zijn leven periodes eenzaam gaat voelen én dat dat misschien niet eens zo erg is. Ik ken echt mensen die overtuigd zijn dat ze geen dag alleen kunnen zijn. En dat is eigenlijk wel zonde, want uit dat alleen zijn kan je zoveel halen. Het geeft je tijd om te reflecteren, om je hoofd eens leeg te maken. Er zijn weinig dingen die mij zo goed doen als een wandeling door het bos, zonder muziek op mijn oren, zonder iemand die tegen me praat, zonder dat ik erna nog ergens heen moet. Een moment dat ik enkel met mezelf deel en waarin ik me toch onderdeel kan voelen van een groter geheel. Af en toe alleen zijn maakt me trouwens ook een leuker mens in contact met anderen. Het zijn rare tendensen die samenkomen: mensen die zodanig eenzaam zijn dat ze er ziek van worden versus mensen die zodanig overprikkeld zijn dat ze geld zouden geven om (tijdelijk) eenzaam te zijn. Dat zegt iets over onze maatschappij: de mensen die er wél toe doen omdat ze goed presteren, zijn soms gigantisch overprikkeld en weten vaak niet meer wanneer of hoe ze even een pauze kunnen nemen. Als ze dan in de rij aan de kassa staan te wachten, zitten ze nog op hun telefoon te tokkelen, want oh nee, anders heb je een zinloos moment. En dan heb je de mensen die volledig buiten het systeem vallen, zich daardoor enorm eenzaam gaan voelen en maar moeilijk opnieuw connectie kunnen maken met anderen. Het is nochtans bewezen dat vriendschap gezond is. Uit onderzoek blijkt dat ouderen die nog veel vrienden hebben, vaak gezonder zijn en minder stress ervaren dan ouderen die minder vriendschap ervaren, ook al krijgen ze bijvoorbeeld wel vaak familie op bezoek. Vrienden hebben een positievere invloed dan familie omdat ze ons over het algemeen veel minder stress bezorgen. We kiezen ze tenslotte zelf. Als je vriendschap hoger op de maatschappelijke ladder zou mogen zetten, wat zou jij dan veranderen aan het bestaande beleid? Ik weet niet of er echt een statuut voor vriendschap moet komen, precies omdat vriendschappen een redelijke fluïde aard hebben. Het kan perfect dat je elkaar jaren uit het oog verliest om elkaar dan weer te vinden en de draad weer op te pikken. Dat reguleren zou vreemd zijn, maar er moet wel een manier komen om het belang van vriendschap te erkennen. Ik heb bijvoorbeeld geen contact meer met mijn vader, maar die heeft wel meer rechten naar mij toe dan mijn beste vriendin die ik elke dag spreek. Dat is heel bizar. We zouden moeten kunnen aangeven wie voor ons het allerbelangrijkste is. Mantelzorg voor en door vrienden moet erkenning krijgen. Momenteel is er geen structuur voor, bestaan er geen faciliteiten voor deze vorm van mantelzorg, die naar mijn gevoel wel steeds meer gaat voorkomen in een samenleving waar huisje, tuintje, boompje, kindje niet meer de norm is. Tegelijkertijd voelt het een beetje gevaarlijk om hier regelgeving aan vast te hangen, want het mag geen excuus zijn van de overheid om zorgtaken nog meer op de schouders van burgers te schuiven. Maar ik vind wel dat als mensen zorg dragen voor zieke vrienden, dat het dan evenveel betekenis moet krijgen als wanneer ze dat doen voor familieleden. Er zijn steeds meer mensen die geen familie hebben. Wie gaat er zorgen voor de langdurige singles van nu wanneer ze ouder worden? Dat zijn hun vrienden! Eigenlijk moet er in heel onze samenleving een verschuiving komen. Nu heerst prestatiedruk zodanig dat het vriendschap gewoon in de weg staat en op die manier eenzaamheid in de hand werkt. Daar is geen kant-en-klare oplossing voor. Dat zit ‘m in heel veel dingen, zoals in de manier waarop onze arbeidsmarkt is ingericht, onze woningmarkt ook. Dirk De Wachter zegt in mijn boek: “Als de politiek positieve initiatieven al niet zou tegenwerken, dan is ze al goed bezig.” Daar sluit ik me bij aan. Ik zie niet zoveel heil in ministers van eenzaamheid of dat soort van top-down beleidsingrepen, maar als mensen bijvoorbeeld met vrienden willen gaan samenwonen of projecten op poten willen zetten om eenzaamheid tegen te gaan, om de afstand te overbruggen, dan moeten ze die ruimte kunnen krijgen en niet gesaboteerd worden. Dit interview werd geschreven voor en gepubliceerd in Samana Magazine, editie oktober. Tot schrijfs De Averechtse

De Averechtse
5 1