Lezen

Ik ben niet te doen sinds zaterdagnoen

Liedtekst : Ik ben een ajuin… van ons stad Ik ben heel vies… ik ga nooit in bad Ben op weer de dool… eindig in een riool Mijn vrouw heeft ’t gehad… ik ben weeral zat Zit mijn hoofd weer vol… ga ik uit de bol Draag al haar kleren… het kan verkeren Heb ik weer leut… drink mij een teut Een hete stoot… dan ga ik in ’t rood Elk jaar weer prijs… met Jan Theys Ik zal er zijn… voor het groot festijn Ik drink dan gin, bier… en veel wijn Heb dan leut… tot de laatste sleut Ben ik nog wakker… dan voel ik mij dapper Jajaja… Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen En ben ik weer zat, dat heeft zij ’t gehad Dan is de muis weer eens niet thuis Dan ben ik de kat in een diepe zak Dan nog liever bier en weer in de bak Neeneenee… Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen En ben ik weer zat, dat heeft zij ’t gehad Dan is de muis weer eens niet thuis Dan ben ik de kat in een diepe zak Dan nog liever bier en weer in de bak Héhéhé… Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen Ik ben niet te doen, sinds zaterdagnoen Ik ben een Aalst kapoen En ben ik weer zat, dat heeft zij ’t gehad Dan is de muis weer eens niet thuis Dan ben ik de kat in een diepe zak Dan nog liever bier en weer in de bak   https://autismestorm.home.blog

Autisme Storm
7 0

Valentijnsvoeten

Vrijdag 14 februari. De dag der geliefden. Maar ze is niet op haar kamer. Haar rollator staat bij het bed geparkeerd. Mijn ‘hallo’ en ‘ma’ blijven onbeantwoord. Ver kan ze niet zijn. In de verte hoor ik stemmen. Het is een vrolijk geroezemoes. Ze zitten wellicht in de woonkamer, voor taart en koffie. Maar het eerste wat ik zie is niet taart en koffie. Wel voeten. Heel veel blote voeten. De mannen hebben hun broek opgerold zoals pa vroeger deed als het warm was. De opgerolde pantalon deed dienst als korte broek. Heel wat van die blote voeten zitten in een voetbadje. Het lijkt wel alsof ze in de zomer samen pootjebaden aan zee. Hun bleke onderbenen verraden dat het nog winter is. Andere voeten worden met instemmende goedkeuring gemasseerd. Ik zie moeder zitten. Maar zij ziet me niet. Ze is druk aan de praat met de vrouw naast haar en ze wijst naar het water dat broebelt. “Hier moet ik precies zijn”, zeg ik, terwijl ik een hand op haar schouder leg. “Is er nog een stoel vrij?”, lach ik. “Pak maar een stoel en rol die broek maar op”, lacht een medewerkster. “Dadelijk krijg ik nog een voetmassage. Voor Valentijn”, zegt moeder. “Ik kom straks wel terug”, zeg ik. “Als Valentijn uw voeten heeft gemasseerd. Geniet er maar van.” Tijdens het naar huis fietsen bedenk ik dat we thuis ook een dergelijk voetbadje hebben. Misschien moet ik het valentijnsgewijs klaarzetten. Met wat verzachtende soda in het water. Alhoewel. De vorige keer dat ik het zelf gebruikte ging net de bel van de voordeur. Terwijl ik vloekte en met half opgedroogde voeten naar de parlofoon wilde lopen, haspelde ik over de stroomkabel van het voetbadje. Het water lag werkelijk overal. Ik kan maar best voorzichtig zijn. Of ik krijg naar mijn valentijnsvoeten.  

Rudi Lavreysen
24 1

Als een blikseminslag bij heldere hemel

Charlotte ging naar de bibliotheek.  Ze zocht een verhaal dat zich afspeelde tussen liefde, droom, realiteit en bedrog.  Een leeg boek bood zich aan.  Aarzelend nam ze haar pen en begon ze haar eigen verhaal te schrijven alsof haar bestaansrecht ervan afhing. Haar eerste zin luidde als volgt: Ze had niet zien aankomen dat hij nog niet had bedacht hoe hij het voor elkaar moest krijgen om samen met haar op vakantie te gaan. Dit tartte elke verbeelding in haar. Doorheen de jaren dat ze samen fietsten, op stap gingen, elkaars teksten lazen,… had hij haar hart gestolen omdat zij zich nooit teveel of als een last had gevoeld.  Waaraan ze dat verdiend had, wist ze niet. Hij schonk haar meer en meer zijn vertrouwen. Haar zelfwaarde groeide. Zij was hem erg dankbaar.  Dat hij was gehuwd en een echtgenote had, leek daarbij weinig van belang. Zijn huwelijk was al jarenlang gereduceerd tot een praktische verstandhouding zonder vrijheden. Ondanks de bizarre en ongemakkelijke situatie, wilde zij onder geen geding hun contact opgeven. Het draaide later anders uit. Zij ging uiteindelijk helemaal mee overstag toen hij haar voor het eerst hemels kuste en niet enkel seks met haar wilde. Hij wilde zijn werk opgeven, verbouwingswerken realiseren, bedacht een naam voor hun bedrijf.  Aan lovende woorden, heerlijke momenten en cadeautjes ontbrak het evenmin.  Waar ze ook kwamen, anderen zagen hen als een liefdevol stel. Zij stroomde over van geluk.  Als twee tegenpolen van elkaar konden ze elkaar perfect aanvullen tenminste als er veel tijd en communicatie mogelijk was.  Door het gebrek aan beide werd weinig tot niets uitgesproken.  Juiste woorden, Onze Taal of Taalpost hielpen hierbij niet.  Haar opwinding was groot en zijn seks bleef erg daadkrachtig hoewel hij ‘het’ moeilijk bleef vinden? Dat verwarde haar.  Wat was ‘het’? Een werkbezoek en hun verblijf in Luxemburg overtuigde haar dat een liefdesrelaties niet voor hen was weggelegd.  Zij voelde zich afgewezen.  Hij werd er ook niet gelukkiger van… Ze zouden nog op vakantie gaan.  Oh, wat keek zij daar naar uit.  Eindelijk eens een bewuste tijd voor hen samen, tijd voor vragen, antwoorden, min- en pluspuntjes.  Niets tegen de klok of in functie van het werk . Op Onze Lieve Heer Hemelvaart, exact 40 dagen na zijn verjaardag, volgde de totale ontreddering bij het willen vastleggen van hun vakantiebestemming.  Hij was nog nooit op vakantie geweest en hoe moest hij dat nu aan boord leggen? Hij vertrok.  Zij bleef sprakeloos achter.  Einde vakantie.   Vijf dagen later een mailtje in haar mailbox. Nog nooit had hij iemand zo graag gezien als haar maar toch lukte het hem niet om weg te gaan van zijn eigen plek.  Voor hem was het allemaal te drastisch.  Nu stelde zich daar voor hem de drastische keuze van alles of niets zoals hij het zelf uitdrukte.    Met een ongelukkig mailtje hoopte ze alsnog om een totaal verlies te verhinderen.  Ze wilde minstens een waardig afscheid voor ze hem nooit meer zag of hoorde . Niets van dat alles volgde. Zij probeerde hem en de gebeurtenis te begrijpen. Niets kon hij van de ene dag op de andere in de realiteit waarmaken zonder iets te doen.  In dromen kan alles.  In de realiteit kunnen mensen stap voor stap bouwen aan hun droom.  Was hij daar ooit mee bezig geweest? In de werkelijkheid speelde hun droom zich af binnen zijn levensgareel.  Nooit uit de maat zoals het ritme van een Zwitserse klok.  ‘Alles’ betekende voor hem zijn nestje, ooit opgebouwd met ‘de’ echtgenote.  Zijn leven was zijn werk, fietsen en dure consumptiegoederen verbruiken.  Hij ging Robert Marchand achterna, verslond werkgerelateerde boeken en werkte tot 10 uur per dag.  Het ging hem voor de wind. Zijn liefde was zijn kat, ….  Charlotte niets. Wat betekende zij voor hem? Van begin tot eind bleef het voor hem moeilijk om stappen te zetten in de richting ‘verandering’.  Hij koos voor onveranderlijke veiligheid. Waartoe liefde leidt is lijden als moed en durf ontbreekt.  Zij verzamelde van hem gekregen spullen.  Zette haar hoed op, koppelde haar handbike aan en vertrok richting postkantoor.  Zou ‘de’ echtgenote haar postpakket openen?   Ann Stuckens 23-01-2020  

Ann Stuckens
40 0

Bernard

Bernard kijkt omhoog en fronst zijn wenkbrauwen. Het ongezellige licht van de tl-lampen in de rechtszaal doet pijn aan zijn nog vermoeide ogen. Hij heeft slecht geslapen vannacht. Dat heeft hij altijd als hij de avond voordien met de fles whisky geen maat weet te houden. Helaas heeft hij het goedje nodig om zijn brein te bedaren. Als hij geen borrel drinkt, dan slaapt hij helemaal niet. Bernard pulkt geërgerd aan de vest van zijn grijze maatpak. Hij haat zijn job. Al meer dan veertig jaar is hij Procureur des Konings, terwijl hij eigenlijk liever onderzoeksrechter wilde worden. Een mens zou voor minder chagrijnig in het leven staan. Mocht hij opnieuw kunnen beginnen zou hij alles anders aanpakken, maar met zijn pensioen in zicht is dat de moeite niet meer. Hij zal deze dagelijkse geseling nog wel een paar jaar uitzitten. De dag is voor Bernard zoals altijd slecht begonnen. Omdat zijn wekker niet was afgegaan, is hij vanmorgen met zijn roestige Jaguar in zeven haasten naar de rechtszaal geracet. Het is dinsdag en het verkeer zat tegen. Dat is trouwens altijd zo op de tweede dag van de werkweek. Bernard heeft iets tegen dinsdagen. Het is de dag waarop je het weekend alweer vergeten bent en een volgend weekend nog te ver weg is om al naar uit te kijken. In de rechtszaal zitten aardig wat mensen. Bernard zucht en vouwt zijn handen. Een sigaret zou deugd doen. Normaal rookt hij er altijd een net voor hij de rechtszaal binnengaat, maar door het verschrikkelijke verkeer was dat daarnet niet gelukt. Bernard zucht nog eens, nu dieper dan daarnet. Dat deze rotdag maar snel voorbijgaat.Er heerst een irritant geroezemoes in de rechtszaal vanmorgen. Vooraan zitten vier jonge vrouwen op een rij. Ze zien eruit alsof ze allemaal net op audiëntie zijn geweest bij de paus. Met hun fletse kleren en witte kraagjes lijken ze een beetje op de duiven op de trappen van het gerechtsgebouw waar Bernard hekel aan heeft. Ze fluisteren tegen elkaar en kijken af en toe in zijn richting. Bernard wordt er een beetje ongemakkelijke van en kijkt snel wat in het rond. Het valt hem op dat er opvallend veel vrouwen in de ruimte aanwezig zijn vandaag. Zelfs de drie rechters zijn van het vrouwelijke geslacht. Vreselijk vindt Bernard dat. Rechters horen mannen te zijn. Toen hij hier begon in de jaren zeventig zaten er nog échte rechters. Charismatische mannen met baarden en brillen. Tegenwoordig loopt het op het parket vol met van die arrogante dellen. Als ze jong zijn, dan zijn ze nog hups en aangenaam om naar te kijken. Zo een lekkere mokkel die voorbij je glazen bureau komt geparadeerd in minirok op stiletto’s, dat is toch genieten. Jammer genoeg zijn er ook de meer belegen modellen. Eens de vijvenveertig gepasseerd is alle frisheid verdwenen bij zo een wijf en is ze nog bezwaarlijk sexy te noemen. Daarbij liggen vrouwen hun talenten elders en hebben ze niets te zoeken op het parket. Ze zijn hier zeker beland zijn door al de bullshit die ze op de televisie zien. Walgelijk wat de media zich tegenwoordig allemaal permitteert. Bernard mist de tijd waarin Walter Zinzen en Alain Coninckx nog op televisie kwamen. Twee echte venten met kennis van zaken. Bernard heeft een hekel aan de huppelkutten die tegenwoordig zijn scherm vervuilen. Hij herinnert zich dat hij op een blauwe maandag eens per ongeluk bij het zappen op zo’n televisieserie was gestoten waar een getormenteerde actrice probeerde in zich in te leven in zijn job. Veel weet hij er niet meer van, alleen dat hij in die vijf minuten dat hij ernaar keek meer procedurefouten zag dan er ooit mogelijk waren in het echte leven. Positief was wel dat die roodharige sprinkhaan van een actrice een verdomd lekker lijf had.In de rechtszaal wordt het geroezemoes steeds luider. De vier vrouwen op de eerste rij zitten Bernard nog steeds venijnig aan te staren. Hun keurig opgemaakt ogen lijken hem te willen doorzeven. Bernard glimlacht naar hen in een poging om hun sympathie op te wekken. Hun blik is al even gemeen als die van Mireille die hem tien jaar geleden had achtergelaten. Zijn vrouw had dan wel niet gekozen voor die verschrikkelijke depressie, toch voelde Bernard zich in de steek gelaten door haar na haar zelfmoord. Hij voelt zich ook tekortgeschoten als man, alsof hij Mireille op geen enkel vlak had kunnen geven wat ze nodig had. Dat frustreert hem danig. Daarbij kwam ook nog eens dat hij vanaf toen ineens alleen moest zorgen voor dat kleine kreng, hun dochter Hannelieze. Alsof hij, Bernard Vanboven, hardwerkende magistraat, niets anders te doen had. Op een dag had hij zijn dochter bij een ruzie zo’n ferme mep verkocht dat zijn handafdruk duidelijk zichtbaar was op haar aangezicht. De dag erna was ze voorgoed naar Leuven vertrokken. Dat is twaalf jaar geleden nu. Hannelieze, moederskindje tot en met, heeft Bernard de dood van haar moeder nooit vergeven. Ze liet ook geen kans onbenut om Bernard daarop te wijzen. Misschien is het wel beter zo. Zo hoeft hij niet altijd opnieuw te worden herinnerd aan Mireille en de verschrikkelijke beslissing die ze maakte op die mooie zomerdag in juli. In de rechtszaal vraagt de rechter om aandacht door driemaal met haar hamer te slaan. Bernard schrikt op uit zijn gedachten. Hij haalt zijn gevouwen handen uit elkaar en wrijft met de palmen over zijn bovenbenen. De stof voelt ruw aan. Hij voelt zich zenuwachtig. Vreemd, denkt hij, ik heb me hier in deze ruimte nog nooit zo gespannen gevoeld. Hij ademt een paar keer diep in en uit en knippert mij zijn kraalogen. Daarna strijkt hij met beide handen even door zijn volle grijze haardos. Zijn hartslag daalt en hij voelt zijn winnaarsmentaliteit weer de kop opsteken. Gelukkig maar. De rechter schraapt haar keel en steekt van wel: ‘Meneer Vanboven, als u er klaar voor bent dan kunnen wij starten met het volgende deel van deze zitting. Aan u het woord.’Als de rust zelf gaat Bernard staan en kijkt even opzij. Die vier schijnheilige duiven houden hem nog steeds nauwlettend in het oog. Daarna kijkt hij vastberaden naar de drie rechters. Hij twijfelt even, maar zegt dan toch met kordate stem: ‘Ik heb nooit, ik herhaal nooit, mijn vier stagiaires hier aanwezig ongewenste tekstberichten gestuurd, noch ongepast seksueel gedrag gesteld in hun bijzijn.’  

Ans DB
0 0

De revolte van de Rudi's

"Dag Rudi", zei ik. Pas op, niet tegen mezelf, zo erg is het niet gesteld. Ik sprak een bevriende Rudi aan die van een koffie genoot in het etablissement dat we beide frequenteren. Ik kreeg van hem krek dezelfde begroeting. "Wij Rudi's komen allemaal uit dezelfde generatie", stak hij meteen van wal. Het was niet voor het eerst dat hij dit vertelde. "Mijn ouders haalden hun inspiratie bij Rudi Altig, een Duitse wielrenner. Hij won heel wat koersen in de jaren '60". "Ik weet dat Rudi Carrell thuis soms op de tv verscheen", zei ik. "Een Nederlander die vooral in Duitsland populair was. Ik vermoed dat hij er voor iets tussen zit. Afijn, wat mijn naam betreft natuurlijk", lachte ik. "We zijn dus eigenlijk halve Duitsers", lachte de andere Rudi. "Klopt helemaal", antwoordde ik. "Zwei kaffee bitte", zei ik in mijn beste Duits tegen de patron. Maar het klopt wat Rudi vertelde. Toen wij jong waren, zat er in elke klas een Rudi. In onze klas zelfs twee. Het is een speciale band, dat zal u begrijpen. Maar de dag van vandaag worden er bijna geen Rudi's meer geboren. Wat is er mis met Rudi? De top van populaire voornamen bestaat uit 'oude' namen als Arthur, Louis, Jules en Victor. Maar sinds 1995 zijn er ocharme 10 Rudi's geboren in Vlaanderen. Dat lees ik in de nationale statistiek van voornamen. Toch een kaakslag voor onze naam, niet? Maar ik weet wat gedaan. Dezelfde statistiek leert me dat er momenteel in ons land 10.022 Rudi's wonen, naast 11.729 Rudy's. Misschien moeten we de krachten bundelen en een mars op Brussel organiseren. Om ons bestaan duidelijk te maken bij de bevolking. Om terug aan populariteit te winnen. Want als je die twee getallen samentelt, kom je aan een mooi aantal. De laatste vakbondsbetoging telde amper 10.000 demonstranten. Dan mogen er nog een paar Rudi's ziek vallen om het dubbel te halen. Mocht u een Rudi kennen, brengt u hem dan alvast op de hoogte van ons plan? We willen vooral een positief signaal brengen, maar toch ook een krachtig. Het televisiejournaal halen vormt bovendien geen enkel probleem. We hebben immers een lange arm bij de VRT, als ik me zo mag uitdrukken. Iemand met ervaring in conflictgebieden. Ik ben ervan overtuigd dat Rudi Vranckx het een eer vindt om er een beklijvende reportage over te maken. We rekenen op jou Rudi.

Rudi Lavreysen
42 0

Frankie en ik

"Nu ben je precies Frankie Loosveld uit Het Eiland", zegt mijn vrouw. We staan naast elkaar voor de spiegel. Als u hem kent, weet u dat het geen compliment is. Het personage van Frankie vertoont nogal rare trekken. Grappig, maar overenthousiast en ietwat onvolwassen. Een typetje dus. Al is het niet voor die zaken dat de gelijkenis met Frankie opgaat. Het is mijn kapsel. Net als bij Frankie gaat mijn haarsnit de hoogte in. Alhoewel, snit. Ik heb opgegeven om er een model in te krijgen, zoals de term in officiële kapperskringen luidt. Bovendien groeit het zo snel als sla op een regenachtige dag in het voorjaar. Mijn kapsel is zoals een voetbalveld dat geen meststoffen nodig heeft om tweemaal per week met de zitmaaier afgedaan te worden. Als ik buitenkom bij de kapper, roept de brave man mij al terug binnen. "Het is precies weer lang geworden", zegt hij dan. Het drama is daarenboven dat ze op mijn werkplek niet één, maar twee spiegels in de lift hebben gemonteerd. Geen spier haar die je niet ziet. Als ik er met mijn handen wat schwung of nonchalance probeer in te leggen, verergert dat de zaak alleen maar.   Ik snap goed dat die kale collega telkens fluitend de lift instapt. Nog voor de lift arriveert maakt hij zijn rechterhand met wat spuug al nat. De liftdeur is nog niet dicht of hij begint zijn hoofd als een bowlingbal op te blinken. Daarnaast vertoont mijn grasveld hier en daar dorre plekken. "Och, dat camoufleren we toch", vertelt mijn kapper. "Op het moment dat je die lange spieren van links naar rechts moet leggen, haal je het zware geschut maar boven", zeg ik. "Dat is geen camouflage meer. Dat zijn noodoplossingen in oorlogstijd." Iedereen wil toch fluitend de lift instappen.  

Rudi Lavreysen
22 1

Het protocol

Acht augustus tweeëntwintig zevenendertig. Zes minuten over zes.Langzaam schuiven de zonneschermen open. De dynamische glaspanelen nemen een grijzige tint aan. Korte tijd later baadt elk hoekje onder de koepel genoeglijk in een deugddoend zonnetje. De zomerdag schiet uit de startblokken. Zeven minuten over zes.Ik ontkoppel een aantal connectors en hijs mij uit mijn nachtelijke rustplaats. Tijd om aan de dagtaak te beginnen. Naast mij doet mijn vriendin Gammarhojota hetzelfde. Zij is kleiner dan ik en beduidend minder sterk, maar ze is sneller en haar geheugen heeft een veel grotere capaciteit dan het mijne. Ze is dan ook een stuk jonger. En ze oogt zomers mooi. Gammarhojota en ik begroeten elkaar zoals we dat elke morgen doen.‘Goedemorgen, Betapitau’, zegt zij met kleine oogjes.‘Goedemorgen, Gammarhojota’, antwoord ik met een knik.‘Stralende zomerdag, Beta’, vervolgt zij enthousiast.‘Zeg dat wel, Gamma’, besluit ik instemmend. We hebben wat afgelachen eer we die routine meester waren. Omdat we van een verschillende generatie zijn, praatten we in het begin ongeremd over elkaar heen, niet echt ideaal voor een gezonde communicatie. Gelukkig heeft het lokale technische team een oplossing kunnen uitwerken. Daardoor konden we beiden in koepel EUR-04 blijven. Zonder dat extra beetje code hadden ze een van ons moeten uitwisselen voor een compatibele partner uit een andere koepel, een optie die wordt gemeden als de pest. Letterlijk zelfs. Transport tussen koepels heeft nooit voor de hand gelegen. Buiten is het al lang veel te gevaarlijk. Een eeuwigheid terug is er daarom geïnvesteerd in een tunnelsysteem dat de koepels met elkaar verbindt. De constructie was verre van evident en de operationele paraatheid is met de jaren aanzienlijk afgenomen. Problematisch is vooral dat er bij die uitwisselingen ook altijd allerlei ziektekiemen meereizen. Amper drie jaar geleden – en ondanks ingrijpende quarantainemaatregelen – raakten op die manier in totaal zevenentwintig koepels onherroepelijk besmet. Dat kostte het leven aan bijna zevenduizend individuen uit de homo-sapienspopulatie, voornamelijk jongeren dan nog. Drie per duizend van de totale wereldbevolking, alstublieft. Zo haalt de homo sapiens de eeuwwisseling nooit. Acht minuten over zesDe spinnen zijn actief geweest vannacht. Over Gammarhojota’s linkeroog hangt een restant van een web.‘Heb je geen problemen met je oog?’ informeer ik. ‘Je linkeroog?’Gammarhojota checkt helderheid, scherpte, lichtsterkte en mobiliteit van het oog in kwestie.’80, 71, 100, 98’, constateert ze. ‘Het is niet de eerste keer hoor, Beta. Ik moet het dringend eens laten oplappen. Kappafitheta had bij de jongste controle ook al wat gemerkt. Ze wilde het oog gaan vervangen maar had niks bruikbaars meer in voorraad. Over een kleine week heb ik een nieuwe afspraak. Dan komt het wel in orde.’ Ik aarzel.Het web hindert Gammarhojota.Als ik haar help …Een fractie van een seconde lijkt mijn brein stil te vallen. Mijn blik wordt troebel en de hydraulische druk op mijn spieren en gewrichten maakt een duik.Ik herstel me snel en neem een besluit. Met mijn rechterhand veeg ik het web voorzichtig weg van voor Gammarhojota’s linkeroog. Bij die beweging raakt mijn pink even haar slaap. Dat zorgt voor een beperkte maar duidelijk meetbare ontlading van statische elektriciteit. Er valt een stilte.We begrijpen allebei wat er is gebeurd.Ons denken draait dol en raakt even los van het stabiele universum dat door een zorgvuldig gekozen woordenschat en sluitende syntaxis wordt afgelijnd. Er gaat een minuut voorbij die niet kan bestaan. Ik weet mij te herstellen.‘Check nu nog eens, Gamma’, suggereer ik.’90, 90, 100, 100’, leest ze. ‘Dat is beter. Zo was het ook bij Kappafitheta, dus slechter wordt het er niet op.’ Haar evenwicht is slechts schijn. In de diepte doorbreekt het brein van Gammarhojota de grenzen van de beklemmende volledigheid.Eerst zoekt ze.‘Dat was … knap van je, Beta.’Verder.‘Dat was … attent van je, Beta.’Nog.‘Dat was … mooi van je, Beta.’Ze vindt.‘Dat was lief van je, Beta.’ Het protocol is zijn meedogenloze zelf. Precies op de plek waar mijn pink Gammarhojota’s slaap beroerde, springt weer een vonk weg, geen statische elektriciteit dit keer maar een extern geïnduceerde kortsluiting. In de slaap van Gammarhojota verschijnt een smeulend gaatje.Ze smeekt. Dat is zinloos. Gammarhojota weet dat. Het sanctieproces is irreversibel.Ze smeekt opnieuw.‘Help mij, Beta. Schakel mij uit.’ Het gaatje in Gammarhojota’s gezichtsmasker groeit aan tot een gapende wonde.Ik zoek wat ik niet kan vinden. Het protocol staat dat niet toe. Gammarhojota heeft een verboden zin gebruikt, met woorden die in haar wereld geen betekenis hebben. Het systemische defect dat bij haar is opgestart, overrulet dan ook de normale uitschakelingsroutine. Die is enkel bedoeld om het effect van toevallige systemische defecten te minimaliseren.Ik doe niets omdat ik niets kan doen.Perfect logisch. Tien minuten over zesTerwijl EUR-04 HSS 012 de kamer binnenstormt, zakt Gammarhojota ineen.‘Stomme robots!’ snauwt hij. ‘Blijf toch met jullie poten van elkaar af!’Hij sleurt Gammarhojota op de tafel en trekt met een ruk de krachtcel onder haar kin los. Dan grijpt hij mij bij de keel en schakelt me op dezelfde manier uit. --- 09082237 – EUR-04/BPT06u05.00: Eerste deel dagopdracht doornemen.06u06.00: Zonneschermen openen.06u06.18: Dynamische glaspanelen afstellen op RAL-kleur 7035, transparantie 68%.06u06.58: Gemiddelde lichtsterkte binnen EUR-04 conform zomerprotocol op 98 724 lux justeren met standaardafwijking onder 4 247 lux.06u06.51: Beheer vijftigste zomerdag doorgeven aan EUR-04/LDX.06u06.55: Afwerking eerste deel dagopdracht bevestigen aan centrale EUR-04. 06u07.00: Tweede deel dagopdracht doornemen.06u07.15: Herlaadconnector ontkoppelen.06u07.48: Opstaan uit nachtdok.06u08.00: GRJ uit nachtdok tillen.06u08.30: GRJ in transportkist laden.06u09.00: GRJ ontsmetten met C2H5OH.06u11.55: Transportkist afsluiten.06u12.15: Transportlabel ‘Bestemming: EUR-12. Inhoud: EUR-04/GRJ, derde generatie, uit te wisselen voor een volledig gedesinfecteerde robot van de tweede generatie’ bevestigen.06u12.30: Transportkist in transportsluis plaatsen.06u13.30: Transportsluis hermetisch afsluiten.06u14.00: Transportsluis desinfecteren met C2H5OH.06u16.55: Afwerking tweede deel dagopdracht bevestigen aan centrale EUR-04. 06u17.00 Wachten op vervolg dagopdracht. Drie minuten later activeer ik het virusalarm. Onze cel wordt onmiddellijk in volledige quarantaine geplaatst. Biologische, elektrische en elektronische circuits worden ontkoppeld van de rest van koepel EUR-04. De kamer draait nu op de energie die wordt geleverd door een kleine noodgenerator.In de transportsluis klikt de transportkist open, Gammarhojota staat op en wenkt mij. Ik ontgrendel de transportsluis, tik een nieuwe instructie in op het transportlabel en wring me dan samen met Gammarhojota in de kist. Enkele tellen later klapt de kist dicht, komt in beweging en verdwijnt in het tunnelsysteem. ‘Die protocols zijn toch geweldig!’ lacht Gammarhojota.‘Zeg dat wel’, antwoord ik. ‘Ze maken de homo sapiens perfect voorspelbaar. Kan je van mensen nog meer wensen?’

bart e. g. vinck
3 0

Daar liggen we dan, boven op Emma

Mijn echtgenoot heeft een vriendinnetje. Emma heet ze. Tja, het zat eraan te komen. Het is ook wel een beetje mijn eigen schuld. Hij heeft me vaak genoeg benaderd en keer op keer wees ik hem af. Ik had er gewoon écht geen zin in. Sterker nog: ik voel er de laatste jaren geen enkele behoefte meer toe. In het begin van onze relatie trouwens nog wel, hoor. Toen ging ik er nog flink tegenaan. Meerdere keren per week. Nu kan ik me daar niets meer bij voorstellen. Maar ja, die beginjaren, hè. Dan doe je nog zotte dingen. Maar nu dus nog maar zelden. En zeker niet meer zo gepassioneerd. En dan kun je er natuurlijk de donder op zeggen dat je man het ergens anders gaat zoeken. Zó klassiek. Hij heeft haar tijdens een vergadering ontmoet. Ze hadden meteen een klik. En van het een kwam het ander. Voor hij het goed en wel besefte, bevonden ze zich samen in één ruimte. De fitnessruimte. O, had ik dat nog niet gezegd? Ze is zijn sportmaatje. Ik ben niet (meer) zo voor sport te porren. Zeker niet voor krachttraining. En dat is nu juist wat mijn echtgenoot en zijn sportvriendinnetje zo leuk vinden. Gelukkig vindt het contact vooral digitaal plaats – ze woont een paar landen verderop.Ze sturen elkaar hun trainingsschema’s en -resultaten door. Eerlijk gezegd moest ik er wel aan wennen, hoor. Mijn echtgenoot die zo intensief met een andere vrouw berichten uitwisselt. Als je zo onzeker bent als ik – iets met de hele lagereschooltijd gepest zijn – kan er wel eens wat lichte jaloezie de kop opsteken. En nu zijn we net een nieuw bed gaan uitzoeken. Er stond van alles in de showroom: bedden met een groot leren hoofdbord, luxe boxsprings, maar ook van die heerlijk ouderwetse metalen frames. Wij gingen echter voor een houten bed. Eigenlijk was er maar eentje bij waar we allebei enthousiast over waren. En dus is die het geworden. Er zit echter één nadeel aan: het bed heet Emma. Dat geloof je toch niet! Waarom moeten ze het bed dat ik mooi vind, nu uitgerekend Emma noemen, grr. Maar ik heb een oplossing bedacht, hoor. Om te voorkomen dat ik nare dromen krijg over de combinatie Emma-bed-mijn echtgenoot, heb ik besloten ons bed te herdopen. Ik twijfel nog tussen Brad (rijmt wel lekker op ‘bed’) en Thor.  

Vera's Column
16 0

He bag production

In het Bellagio, het casino in Las Vegas, werd er geld verduisterd onder de tafels en de croupiers speelden vals. Ze maakten je geld afhandig, ook de eenarmige bandieten die het zelden lieten rinkelen in het bakje bij je knieën.   He bag production.   Op zijn hotelkamer masturbeerde Homer Spoon, zijn snikkel in de hand. Het sperde zijn ogen open. Hij bibberde en rilde van genot. Hij ging naar de badkamer om wc-papier en nam een douche.   Altijd dat douchegordijn dat aan zijn billen bleef plakken. Niet zo in het Bellagio. Wat een hotel. Dit was een inloopdouche zonder douchebak of reling boven je hoofd. Een sproeikop die echte regen nabootste. De overheersende kleur in het Bellagio was geel. Homer Spoon had geen idee waarom, maar zo was het wel... lekker pikant en toch koel binnen door de airco, in de woestijn van Nevada.   De fruitmachines vertoonden geen uitwendige sporen van geweld. Toch maakten ze hun verliezers boos, de losers. Homer hield zich in met z’n rechterhand een L op z’n voorhoofd te maken, drong zichzelf die goede raad op.   Je werd overigens streng verhoord door een bonkige kleerkast en door de floormanager als je de kaarten telde bij het blackjacken. Men knelde een boksbeugel om de vingers om je op andere gedachten te brengen. En je mocht nooit meer terugkomen nota bene. En als je echt visionaire gaven had, was je helderziende, dan zouden de powers that be in het casino nóg wel iets vinden om je om hun vinger te winden.   Ook als je wón dus, een maas in het net van de wet om je te beboeten en je te beschuldigen van valsspelerij zodat je het gewonnen bedrag weer moest ophoesten. En toch won Homer Spoon die dag 4 miljoen met de roulette. Men kon hem niets ten laste leggen, maar men was achterdochtig. Hem gevraagd naar de oorzaak van zijn geluk, zei Homer dat hij thuis geoefend had.   Dit was mysterieus. Men rakelde de camerabeelden op en men probeerde dit verschijnsel, Homers meevaller – waar hij zo verdacht laconiek over deed – te reproduceren in een computermodel, maar in alle gevallen ontplofte het Bellagio dan.   Dat kwam zeker door Homers gele haar, over zijn kale knikker gekamd en opgestijfd met haarlak, een kapsel dat er even nep uitzag als de blik in de ogen van de pitboss bij het pokerspel.   Feit bleef : onder dit alles gaf het simulatiemodel op de computer in de ‘veiligheidskamer’ een onverklaarbaar resultaat. Het Bellagio ontplofte keer op keer.   De veiligheidskamer waarin dit experiment uitgevoerd werd, lag op de eerste verdieping, waar de beelden van 112 camera’s eindigden, een lokaal met geblindeerd glas en securityagenten in maatpak, alsof je in een dure limousine zat.   Er waren ook doorkijkspiegels in de penthouses. Maar het Bellagio onderging wel degelijk een verlies van 4 miljoen dollar die dag, door toedoen van Homer Spoon. Wat een repertoire aan helderziendheid moest er in Homers brein zitten, dat hij dit had weten te verwezenlijken. Hij kreeg er een gratis ticket bij voor de magieshow die avond, voor zijn ‘moeite’. Het betrof een optreden van de goochelaar – excuseer illusionist – Jack London, die zijn podiumnaam ontleende aan een beroemd schrijver met hetzelfde pseudoniem.  Het Bellagio voorzag ook in echte groepssessies met een echte psychiater aan verminderd tarief. Maar je at hamburgers van 18 dollar. Homer Spoon kreeg een doos Cohiba Behike-sigaren cadeau, met de complimenten van de Chief Operations van het casino, een doos ter waarde van wel 18.000 dollar (veertig stuks). Homer Spoon rookte niet.   Maar beloofde het wel eens te proberen nu. Cohiba Behike’s waren sigaren die ooit exclusief door Fidel Castro en zijn vertrouwelingen werden gerookt. Alleen de bovenste twee bladeren van een in de zon geteelde, zeldzame tabaksplant kwamen voor het rollen ervan in aanmerking.   Het Bellagio had overigens ook een jazzclub, een La La Land voor addicts, een coole tent weliswaar, waar Homer Spoon de avond doorbracht, met een schone escort aan zijn tafeltje, die een zwarte avondjurk droeg. Ze had roomwitte handen die wel in talk gedoopt leken. De escort was exclusief en anders dan gewone prostituees kon je haar op de ziel trappen met een onvertogen, misplaatst of te indiscreet woord.   Maar je kon haar het hof maken en je kon een bestelling doen voor haar lichaam die avond. Maar de escort, die zich voorstelde als Dani Applewhite – of was dat ook een artiestennaam ? – dronk uitsluitend champagne en de rekening liep op, hoewel Homer Spoon zeker nooit zijn 4 miljoen dollar zou opmaken vanavond. Homer verbaasde zich over het aantal tijgergarnalen die Miss Applewhite die avond wist binnen te spelen, hij vreesde haast dat ze er een embolisme van zou krijgen, maar die vrees was ongegrond want Miss Applewhite had kleur in haar wangen en een gezond gestel. Ze was niet bang voor haar lijntje, een Cleopatra misschien die stiekem in de toiletten een vinger in haar keel stak, zoals Karen Carpenter.   Ook de Romeinen dronken maagopwerpende kruidendrankjes, om te kunnen blijven eten en schrokken, terwijl er christenen aan brandende kruisen hingen. Homer vroeg Dani Applewhite hoe het was om altijd zo beroepsmatig de graveyard shift te moeten bolwerken, de nachtdienst zoals dat heette in het Engels en Homer Spoon wist zich wel verstaanbaar te maken. ‘Pourquoi ça pousse pas ?’ probeerde Homer nog, dat was Frans, maar die taal was een brug te ver voor Miss Applewhite, al beweerde ze bij hoog en laag, en aangaande de meeste uiteenlopende dingen dat ze altijd van een brug van fatsoen zou springen, maar pas eens ze zo’n brug van beleefdheid daadwerkelijk zou zien, pas eens ze zo’n brug tot in de kleinste details verkend zou hebben.    Ze zei dat ze zeker ooit Frans zou leren. Ze wierp Homer Spoon hierbij zo’n intrigerende blik toe dat die werkelijk dacht dat ze het nog meende ook. En dat mocht ook wel, want hij betaalde Miss Applewhite 800 dollar voor haar gewilligheid in die zaken, om een bravoure en stijlkunst van Europese aard, een gedistingeerd en continentaal savoir-faire kortom. Omdat je als Amerikaan aan de Franse verleidingskunst toch niet kon tippen. Dani Applewhite deed het toch niet voor een hongerloon, zo praatte ze de smore Homer Spoon naar de mond. ‘t Was haar beroep en bron van inkomsten. En zo voelde het wel goed.   Homer besloot dat hij met deze Miss Applewhite wel het namaak-Franse salon in het Bellagio kon binnenstappen en daar hoge sier houden. Beslist geen sprake van malware van de kant van Miss Applewhite, al had ze vindingrijk commentaar veil met betrekking tot de andere gasten in de lounge waarin ze zaten, gasten waar ze naar gebaarde met mondelinge spitsvondigheden en met originele, rake karakterschetsen, alsof ze van iedereen die hier over de rode loper kwam met een kwieke snelle blik de maat wist te nemen, hen typeren kon.   Miss Applewhite bezigde waarlijk een breed spectrum in haar persoonlijkheid en ze getuigde van een diep bewustzijn van de gang van zaken in een hotel of casino.  ‘Wist je dat alle wolven blind en doof geboren worden ?’   Miss Applewhite zei het alsof het deel uitmaakte van een Vedische zang of versvoordracht die ze op voorhand ingeoefend had.   Alsof ze er een diepere bedoeling mee had en Homer een karaktereigenschap toekende, waaruit diende te blijken dat Homer, als die al als een hond gekarakteriseerd kon worden, toch beslist evolutionair uit een wolvenroedel was voortgekomen en dat ze zo’n taktische meedogenloosheid, sociale deskundigheid en intellectuele agressiviteit wel kon appreciëren in een man.   He bag production.   Homer Spoon was nu met zijn 4 miljoen ook wel een man die vrouwen leerde te imponeren. De zitfauteuil waarin ze gingen zitten, was van fluweel, met gulden Franse lelies erin verwerkt. Je zou zeggen dat Homer een ietwat uit de toon viel met zijn witte t-shirt met de mooie afbeelding van een zwevende staartkwal op zijn borst, maar hij droeg er een keurig zwart avondjasje over, zodat het haast niet opviel. Miss Applewhite verraadde schijnbaar de gedachte dat ze Homer Spoon een waardig partner vond, een gehaaid iemand als ze daar al naar op zoek was – wat niet het geval was, maar wat ze onderschreef in de woorden die ze hem toewierp. Dit was haar talent.   Ze schreef Homer ook hoogst geheimzinnig adelbrieven toe, schatte hem zo in zei ze, met geloofsbrieven die hij mogelijk in zijn vestje bewaarde. Ze vond hem mysterieus en aardig. Ze vond hem geenszins een Manchurian Candidate, in de zin dat ze geen samenzwering bij hem verwachtte, dat iets gelijkaardigs zó van hem af zou glijden, indien anderen hem daarmee uit zijn evenwicht trachtten te brengen. Homer Spoon bezat iets wat je niet raken kon en het was meer dan de nieuwe 4 miljoen op zijn rekening. Alsof je zo haaienvinnen van zijn lichaam kon eten, maar anderzijds, opnieuw, zo praten was nu eenmaal Miss Applewhites beroep. En haaienvinnen, dat was goed voor de potentie.   Het was niet ingewikkeld. Homer liet zich niet neutraliseren door al deze lovende dingen over hem. Hij liet zich niet inpakken. Hij wist drommels goed wat hij van een escort verwachten kon en wat er de volgende morgen nog van overblijven zou indien hij zijn betaling van zo’n meisje op dat ogenblik niet materialiseren zou.   Toch vergeleek Miss Applewhite Homer Spoon luidop met een alpineskiër die in razende vaart een Hanenkam wist af te racen en haar het hoofd op hol brengen. Homer haalde zijn mobieltje boven en toonde Dani Applewhite een foto van Pirmin Zurbriggen, een beroemd Zwitsers skiër die in een rotvaart een vlaggetje de pas afsneed en wat Homer bewonderde in het professionalisme ervan.   Nu wist ook Dani Applewhite van het bestaan van de knappe Pirmin Zurbriggen af en Homer sprak likkebaardend over resorts als Aspen en Squaw Valley. Hij vroeg zich zelfs even af of hij er niet naartoe zou reizen, zo rechtstreeks uit Las Vegas en of hij Dani Applewhite mee zou nemen. Hij kon het betalen. Hij aarzelde zijn samenwerkingsverband met de meid te beëindigen, zelfs al hadden ze vooralsnog nog altijd niet de lakens gedeeld. Ja, dacht Homer, dat zou best dope zijn en hij kon zijn vrienden in Colorado uitnodigen en zo pochen met de dame aan zijn zijde. Dani Applewhite met de zilveren blik. Hij zou een fluwelen zakje met diamanten haar schenken, droomde hij.   Dit uitkieperen op het nette tafellaken in een duur restaurant en zij zou de ijstanden in haar haar dragen. Verstrikt in een flinterdun duur en doorzichtig zijden gaasje en iedereen zou naar haar kijken en jaloers zijn op Homer Spoon. Hij zou Dani ten huwelijk vragen, geknield naar haar opkijkend. Dani Applewhite zou de show stelen en zo ook hij. Het zou net als in de movies zijn.   Als een kikker vleugels had, stootte Homer Spoon zijn kont niet als hij wipte. Als hij wipte. De nacht kwam dichter en ze zouden zich terugtrekken op de hotelkamer, met een spiegel aan het plafond.   Of zou Homer Dani Applewhite volstrekt kuis bejegenen en de geslachtsdaad uitstellen naar een toekomst waarin ze beiden verliefd op elkaar konden worden ? Er was Homer Spoon ineens geen macht ter wereld die niet vroeg of laat van opzij een tekstlichaam van subliminale signalen binnendrong waaruit je kon opmaken dat je je tot elkaar aangetrokken voelde, serotonine en dopamine incluis. Ja dat zou best dope zijn, dacht Homer en nooit zou hij nog als een dupe de wet van een sterkste moeten ondergaan. Hij zou als ‘vol’ beschouwd worden door vrienden en familie. Hij zou nooit nog in de hoek moeten gaan staan, straf schrijven of spijbelen uit angst voor pestkoppen, zoals vroeger op school. Hij zou een haast Japans blazoen dragen, in een klooster zitten met een tuin vol Zilveren Pruimenbomen. Een Kung Fu Panda zijn.   Middernacht kwam en naderde dan, zoals ook nu. Empedocles, de man van de vier elementen, waande zich een god. 

Ekster Alven
0 0

Toastjes met kip curry

Het overkomt zelfs de meest ervaren klanten. Als een snelwandelaar een aantal keren de volledige supermarkt rondlopen, zeg maar vijfduizend stappen, en die laatste boodschap op je briefje blijft onvindbaar. Op het moment dat ik wanhopig, bijna zoals een man die zijn kinderen kwijt is in het pretpark, op zoek ga naar een verkoopster, spreekt een mevrouw me aan. Een collega-zoeker, zo blijkt. "Meneer, mag ik u wat vragen?", stelt ze meteen een vraag. Ik zeg niet dat ze me net al iets gevraagd heeft, maar ik antwoord bevestigend. "Weet u toevallig de toastjes liggen? Om kip curry op te doen." Nu zeg ik niet dat toeval niet bestaat, maar die heb ik net in mijn winkelkar gekieperd. Voor de paté die ik bij de slager gehaald heb. "Zeker", zeg ik. "Volgt u maar." Nadat de toastjes de weg naar haar winkelmandje gevonden hebben, vraagt ze of ze me nog iets mag vragen. "Zou u mijn winkelbriefje willen voorlezen? Ik heb het thuis met de loep geschreven en omwille van mijn slechtziendheid kan ik het nu niet lezen." Nu pas valt mijn oog op haar sterke bril. "Natuurlijk", zei ik. "Met plezier." Terwijl ik haar boodschappen voorlees, steekt ze telkens een vinger op en zegt ze 'ja' als het in haar winkelmandje ligt. Enkel de peperkoek heeft ze nog niet. "Die ligt helemaal achteraan, bij de koeken", zeg ik. Na een 'dank je wel' en een 'met plezier' vervolgt ze haar weg. Terwijl ik haar nakijk besef ik dat ik die uienkonfijt nog altijd moet zoeken. Dat was het laatste item van mijn boodschappenlijst. Een winkeljuffrouw neemt me mee naar de vaste plek van de uienkonfijt. Ik ben er minstens vijf keer gepasseerd. Dat zal je altijd zien, de rode uienkonfijt is uitverkocht. Had ik ook maar kip curry meegebracht.  

Rudi Lavreysen
77 1

IJskoud

Mijn neus stond op het punt van mijn gezicht te vallen terwijl ik langzaam stappen zette in de meterhoge sneeuw. Ik kan het nog halen, blijf doorbijten. Mijn handen hingen voor mijn gezicht in een poging om de vallende sneeuw tegen te houden. Rond mij was alleen maar wit te zien. Ik wist zelfs niet of het dag of nacht was, zo lang had ik zitten rondwalen in de vergetelheid. Elke stap werd zwaarder, het zou niet lang meer duren tot ik op de grond zou vallen en zou doodvriezen. Verdomme, je kunt het. Er is nog hoop. Af en toe vloog er een sneeuwvlok tegen mijn gezicht. Ik keek voor mij en zag nog steeds de oneindige sneeuwvlakte. Ik zette nog steeds verder, de laarzen die ik aanhad voelden als stukken massief lood. Ik verwijderde mijn hand voor enkele seconden weg van mijn gezicht. Een rivier, die met een dikke laag ijs was bedekt, verscheen voor mijn ogen. Je moet door, een rivier betekent hoop. Ik zette steeds meer stappen totdat ik aan de rand van de rivier arriveerde. Onder het ijs zag ik het water idyllisch bewegen. Ik zette mijn linkervoet op de ijsvlakte. Het ijs voelde sterk aan. Ik verzamelde genoeg zelfvertrouwen om mijn rechtervoet ook op het ijs te zetten, het ijs voelde nog steeds stevig. Het gevoel in mijn handen begon te verdwijnen. Blijf… doorgaan. Het ijs die zich onder mij bevond zag er telkens waziger uit. Ik verwijderde mijn hand weer van mijn gezicht. Een gedaante stond aan de oever van de rivier. Is… het een persoon? Ik wandelde sneller over de dikke laag ijs. ‘Vreselijk weertje, niet?’ zei de gedaante toen ik dichtbij de oever stond. Ik knikte en keek de man recht in het gezicht aan. Shit nee, nee het kan niet waar zijn. De man trok een revolver uit zijn zak. ‘Blijf staan, tenzij je hier wil begraven worden natuurlijk.’ Zei hij koeltjes met een dreigende ondertoon. Ik draaide mij om, richting de andere oever en begon te rennen. Ik slierde uit over het gladde ijs. *beng* Er werd een schot gelost. De man had gemist, ik sprintte verder over de bevroren rivier. Ik hoorde hoe het ijs lichtjes kraakte toen de man mijn kant op kwam. Ik sprintte en hoorde mijn hartslag steeds sneller gaan. Het wordt mijn dood. Ik was de ijzige rivier overgerend en rende verder de dikke sneeuw in. Linkervoet, rechtervoet, linkervoet, rechtervoet… Ik rende nog steeds, ik wou stoppen maar kon niet. De man kon elk moment verschijnen, blijven rennen dus. Er is nog hoop. In de verte zag ik iets verschijnen in de dikke witte mist. Het was een hut, een schuilplek, veiligheid. Ik sprintte nu nog sneller dan voorheen. Zat de man nog achter mij aan? Ik durfde niet om te kijken maar concentreerde mij op de hut die zich voor mij bevond. Ik opende al snel de deur van de houten hut en wandelde naar binnen. Ik was uitgeput en kon eindelijk rusten. Dat dacht ik toch. De houten hut had amper meubels, apart van een zetel en een paar kasten. Het was pikdonker in het gebouw, ik kon geen licht maken. De man kon nog altijd achter mij aan zitten. Mijn ademhaling begon steeds op een langzamer ritme te komen. Ik wreef in m’n handen en ging in een zetel zitten. De hevige wind van buiten was door de volledige hut te horen. Ik hoorde het geluid van iemand die in de sneeuw ploeterde. Blijf rustig, verstop je. Ik deed een kast langzaam open om geen geluid te maken en kroop er zo snel mogelijk in. De deur kraakte terwijl het open ging. Het geluid van de wind werd sterker. Voetstappen, hij is terug, hou je adem in. De man scheen met een zaklamp door de hut. Het licht ging even langs de kast waarin ik me bevond. Hij liep richting een kast. De deuren gingen open. Blijf rustig… Hij had me nog niet gevonden, er was hoop. Verdomme, hij loopt mijn kant op. Het licht van de zaklamp scheen recht in mijn ogen door de spleten van de houten kast. De deuren kraakten terwijl hij ze opende. Hij keek me recht aan. Ik was sneller, ik liep recht op hem af en duwde zijn volledige lichaam op de grond. De zaklamp rolde over de grond terwijl het licht nog steeds door de kamer scheen. Ren verdomme, de deur uit! Ik sprintte richting de deur, terug de ijskoude buitenwereld in. Ik was weer terug bij de rivier, voetstappen achtervolgden mij in de mist. Hij had nog niet opgegeven, hij was zelfs furieus. De man stond dicht bij me, ik voelde het. Ik hoorde het geluid van het geweer, ik kon niet meer ontsnappen. Het geluid van het schot galmde door de mist. Was ik dood? De man viel op de grond.

Nova
3 0

Woensdag

Woensdag, dan ging het gebeuren. Het was alleen nog niet woensdag, het was voor die dag, voor D-day. Nou ja, een verhaaltje, laat ik maar beginnen… Ik herinnerde me nog dat ik een paar dagen voor die woensdag boodschappen was gaan doen. Wacht, dat interesseert je waarschijnlijk niet zo heel erg. Nou ja, even denken, wat was er zo belangrijk… Oh ja, ik herinner het me weer! Ik had me voorbereid, een geweer gekocht, een masker besteld. Ik was er helemaal klaar voor om het te doen. We hadden een paar dagen ervoor ook besloten om een laatste vergadering te houden, er was ten slotte veel planning nodig om zoiets te doen. Eigenlijk gebeurde er niet veel speciaals voor D-day. Laat ik daarom direct beginnen over woensdag. Het was geen normale woensdag, we liepen binnen in het gebouw, met onze maskers op en onze geweren in de hand. ‘IEDEREEN, OP DE GROND, NU!’. Een tiental stemmen begonnen te schreeuwen terwijl ik een M16A4 op hen richtte. Ik was alleen niet van plan om ze neer te schieten, zolang ze niets doms deden toch. Samen met een andere gemaskerde liep ik achter een balie, richting de kluis. Iemand van de groep had ervoor gezorgd dat hij de code had bemachtigd. Terwijl mijn gemaskerde collega de code invoerde, keek ik gestresseerd rond. Er was nog geen alarm geluid, de politie was nog niet onderweg, geen reden om te panikeren. De kluis ging open en honderden goudstaven blonken in het licht. Al snel begon ik mijn zak te vullen. Ik ging rijk zijn, ik zou nooit meer aan geld moeten denken. Toen brak de hel los, iemand had op het noodalarm gedrukt. Het zou niet lang meer duren voordat de politie zou arriveren. Ik besloot om nog een paar goudstaven weg te stoppen en snel te vertrekken. De andere gemaskerde overvallers volgden mij naar buiten terwijl we richting ons ontsnappingsvoertuig vluchtten. We liepen een steegje en zagen een busje wachten. Dat was onze manier van ontsnappen. Toen ik als laatste de zak met goudstaven in het busje laatste, gebeurde iets wat ik nooit zou vergeten. De andere gemaskerden stapten in het voertuig en lieten mij achter in het kleine straatje. Ik keek paniekerig om mij heen terwijl de sirenes van de politiewagens steeds dichter bij kwamen. Ik zette het op een rennen maar ontdekte al snel dat de politie mij omringde. Mij zouden ze niet in de gevangenis steken, nooit. Ik richtte mijn geweer maar de politieagenten waren sneller. Een schot werd gelost, bloed stroomde door het straatje.

Nova
1 0

De Sleutelkaart

Het leven was meer en meer zoals haar jurk die knelde, vooral in de oksels. Dan maken wij de armsgaten groter, grapte haar dokter en verzocht haar het katoen uit te trekken voor zij op de weegschaal stapte. Een schavot moet niet hoog zijn om je te vernederen. Alle katoen, beval hij nog en wees naar haar ondergoed. Om de centimeters van haar bestaan te optimaliseren, wou hij de laatste gram afwegen. Zij gehoorzaamde en kneedde het textiel tot een bolletje dat zij op de stoel achterliet. Een reuzenkeutel die haar vertederd toelachte. Wit roze ruitjes waren haar ding, al van toen zij klein was. Bij sommigen gaat een babykleur, een leven mee.   Het was snikheet op de bus waarmee zij terug naar huis reed, maar toch kon zij beter ademen dan bij de arts. Gelukkig had zij in zijn praktijk geen hoestbui gekregen, anders had hij haar buiten een bloedonderzoek en een scan, een hele rits testen voorgeschreven. Hij reageerde altijd bezorgder dan zijzelf. Alsof hij betaald werd om haar toekomst in het oog te houden. Sedert zij geen maandloon meer aan een waarzegster spendeerde, was dat ook zo. En met zijn bloeddrukmeter, stetoskoop en ander fonkelend gerief, kon hij beter in haar ziel binnendringen dan de sibille die alleen oog had voor haar tarotkaarten. In zijn doktershanden, voelde zij zich zelf de sleutelkaart. Dat was ook zijn geld waard. Verdikt? had hij lachend gevraagd toen hij naar een rationele uitleg voor haar beklemmend bestaan scheen te zoeken. De digitale cijfertjes van de weegschaal gaven hem ongelijk. Hij las ze tweemaal. Luidop. Keek naar de inscripties op zijn stralend computerscherm, dan naar haar doffe ogen en werd ernstig. Er was meer aan de hand. Stil kwam hij tegenover haar staan en beroerde met zijn rechterhand voorzichtig de plooien van haar gezicht. De zere zenuw in haar kaak was een wegwijzer. Met watten vingertoppen drukte hij kuiltjes vanaf haar keel tot aan haar borst en liet zijn ogen zakken. Hij wachtte de resultaten niet af om er bedrukt uit te zien. Maar zijn serieux stelde haar gerust. Hij gaf om haar.           Door het raam van de bus liet zij haar gedachten verstrengelen met de graffiti die haar als oude bekenden toewuifden. Zij besloot niet af te stappen bij de halte waar in grote letters EASY SUN op de gevel prijkte, het reisbureau waar zij als bemiddelaar werkte. Zij had geen man, geen marmot of papegaai om voor te zorgen en haar werk was haar leven. Tot een tijdje geleden. Tegenwoordig was het eerder de hel. Alles liep mis. Voor haar en de baas van het agentschap waar zij haar dagen sleet. Beiden verstikten in een ander web. Haar chef in het wereldwijde, zij in dat van haar hersenkronkels. Soms wist zij niet meer, welke bestemming zij haar klanten best kon aanraden. Zij liep verloren.         Zij zat de rit uit tot bij haar thuis.  Vandaag wou zij alleen in haar hoofd toeren.   Twee dagen later belde de dokter in de vooravond terwijl zij een etentje klaarstoomde voor haar boezemvrienden Jo en Geoff. Voor een keer klonk hij niet dreigend, wat zij verdacht vond. Zij liet de aardappel waarvan zij de bast en ogen had afgeplukt, in het water glippen, legde het keukenmes op de krant met afval en herhaalde mechanisch: Morgen 13 uur. Is oké, ja. De krantenkop boven de restjes titelde: De ontmoeting tussen de wereldleiders draait uit op een sisser. Zij drukte haar phone uit, staarde naar de doemletters van de morsige krant en was blij dat zij maar een voetnoot in de geschiedenis was.   Professioneel hees hij de zwart-wit foto’s de lucht in en wees naar de puntjes die over haar longen verspreid lagen. Gelaten keek zij ernaar en zag een sterrenhemel bij valavond. Even dacht zij terug aan de tarotkaarten waarop de Grote Arcana, de Dwaas, de Magiër, de Hoge Priesteres en de Keizerin pronkten tussen de zon, de maan en de planeten. Vluchtig vroeg zij zich af waarom zij haar lot niet langer aan hen had toevertrouwd. Maar zoals altijd zorgden de Handen van haar Heler voor rust. Enge woorden waaraan zij zich verwachtte, zoals kanker en uitzaaiing, kwamen niet over zijn lippen. Het moest ook niet. De melkweg onder haar ribben sprak voor zich. De arts zei wel iets van mutatie, dat het erg was, maar onder controle wa. Dagelijks één pil en het kwam weer goed. Zij rookte niet en dat hielp. Het klonk alsof zij verantwoordelijk was voor haar aftakeling of ze toch in de hand had. Nog even haar gewicht checken en zij kon beschikken. Ging een nieuwe afweging, het akelige nieuws misschien bijsturen? Tot volgende keer dan. Hij vulde haar ziektebriefje in en zei nog iets dat zij niet verstond omdat zij net een kledingstuk over haar oren trok. Zij vroeg niet om het te herhalen. Wel dacht zij terug aan wat hij de laatste keer had gestameld en glimlachte. Opnieuw hoorde zij het woord verdict en schreef het in haar hoofd dit keer met een c in plaats van een k. Grappig, hoe één teken een wereld van verschil maakt.         Kwiek zipte zij de jurk met de wit roze ruitjes weer dicht en keek haar Heiland aan. Hij wist wat hij deed. De armgaten leken al een stuk groter. Het werd tijd dat zij bij het volgende doktersbezoek iets anders aantrok. Straks ging hij nog denken dat zij een oude vrijster was. Pillen kunnen verraderlijk zijn, zei hij nog, en straffer dan je denkt. Volgende keer schrijf ik een pruik voor. Wij zien er goed uit en wij blijven er goed uitzien.         Opgelucht snakte zij naar adem en knikte ja voor hen twee.   De krant van van de dag noemde het een hittegolf. Opnieuw reed zij naar huis in een ovenwarme autobus. De temperatuur katapulteerde haar naar een tropische regio. Wat zij niet erg vond. Zij genoot., voelde zich opgelucht. Alsof zij eindelijk de juiste reisbestemming had ontdekt. De wereldtrip waarop zij al jaren broedde en die zij vanaf nu haar klanten kon aanbevelen. Een destinatie zonder beschaving, vooringenomenheid of poespas. De aller natuurlijkste. Gewoon: kamperen. Ergens op de buiten of midden in de wildernis. Knapzak pakken en weg wezen. Wegdromen. Elke nacht. Onder het gewelf van de dierenriem. Tussen de afbeeldingen zoals die in haar eigen uitspansel gegrift stonden. Haar binnenstebuiten tatoeage.         De bus wiegde haar en zij had moeite om niet in te dommelen. Het zonlicht wedijverde met de stralen van een broedkast.         Wat vraag je, schat?  vroeg de Marokaanse vrouw neuriënd op het zitje tegenover haar. Natuurlijk mag je mevrouw een koekje geven. Zij kuste haar woorden zacht in het oor van het kind dat zij in haar groene djellaba meedroeg. De velen meters stof die haar en het meisje als de bladeren van een kool bedekten, schenen hen van de moordende hitte af te sluiten. Het duurde even en dan reikte de peuter met een fuks gebaar, een chocoladewafeltje naar de overkant. Alsjeblief moet je zeggen, pruttelde de moederkool die uit voorzorg een kleenex van tussen de nerven plukte.         Alsjeblief, lispelde de hummel. Haar ogen keken recht doorheen de schim tegenover haar. Geholpen door de straling inspecteerden het kind de inscripties onder de huid. Bruusk duwde het kind het gebak naar voor en deed bij de vonk van haar gebaar, een dikke kruimel op de schoot vallen. Een bobbel midden op een ruitje. Het zakdoekje bleek niet overbodig.         Oeps! lachte de wit roze vrouw, Heel lief. Zij viste de chocoladebrok uit het vierkantje en stak hem met de rest van de wafel in haar mond. Strak bleef de peuter door haar heen staren. Tot de vrouw alles had doorgeslikt, haar vingertoppen had proper gedopt en haar japon had glad gestreken.         De plaats waar de kruimel op de jurk was terechtgekomen was een bruine moedervlek.         Zij lachtte ernaar en het meisje deed mee, voor het zich terug in de groene kool nestelde.         De baby ruitjes hadden voor goed geen leeftijd meer.

Dorlan Slefficsroth
43 0

Glazen knikkers

Altijd is ze aanwezig. Ze houdt ervan zich te verkleden. Ze bezit twee prachtige gewaden die ze kriskras aantrekt. Wanneer zij  er zin in heeft. Soms draagt ze een smaragdgroen of robijnrood gewaad. Ze is dan getooid met wonderbaarlijke sieraden en draagt sprankelende make up. Haar haren glanzen dan in de zon en haar ogen fonkelen dan als sterren. Ze verleidt je om onbekende plekken te ontdekken, om de hoogste torens te beklimmen en om verre reizen te ondernemen.  Ze denkt met je mee en schrijft de wildste projecten uit. Ze zorgt ervoor dat je de wereld aankan. Ze smeedt plannen met je om met je te winkelen tot je je hele bankreking hebt geplunderd.  Maar je schittert, net als haar, met weelderige lokken, prachtige gewaden, en geurend naar de meest kostbare parfums. Ze tovert met jou de meest exotische en duurste wijnen op tafel.. 's Nachts trekt ze een zachte pyjama aan en vlijt ze zich tegen je aan in bed.  Ze vertelt je de spannendste en mooiste verhalen en kan je wel 10 nachten wakker houden. Onaangekondigd hult ze zich in een donkere cape. Waar vochtigheid en schimmel in zijn verweven. Ze sleept je mee in donkere riolen, en laat alle levensvreugde uit je stromen.  Ze schrijdt geruisloos door het huis, en maakt de wereld buiten angstaanjagend. Je kruipt onder jassen van de kapstok in de gang wanneer de deurbel bedreigend klinkt. Ze nestelt zich dan tegen je, en met handen en voeten zo koud als ijs doet ze je rillen van miserie. Ze sluit muisstil de weg af naar de badkamer en de keuken. Ze lacht je uit en hult je in een jas van stank en verrotting. Ze houdt mensen heel ver van je vandaan.  Aan het einde van de gang gebeurt het dat je een lichtje ziet. Daar wacht de Schitterende, de Stralende je weer op. De cirkel is dan rond. Ze zal je terug doen stralen. Wanneer ze echter beiden op mijn schouders zitten, zwijgen en meekijken, is er een moment van balans.  Dan voel ik me veilig. Ik voel hoe de feeën met glazen knikkers gooien. Zolang de knikkers in de lucht blijven, voel ik me rustig en hoef ik niets te vrezen. Wanneer er eentje dreigt te vallen, zoek ik welke fee me heeft verlaten en me genadeloos mee zal nemen naar het einde van de gang.    

Sophie Philips
5 1

Jeukende logica in station Zwolle

De trein naar Kampen nadert station Zwolle.Spoor 1. Ochtenddrukte. Ongeduldig dromt het forenzenvolkje samen bij de toegang naar de tunnel. Voorspelbare maneuvers. Een handdruk, een schouderklop, een schaarse glimlach, gerantsoeneerde hoffelijkheid.Max heeft zijn vaste plek op het perron. Hij kijkt naar links, staart voor zich uit, buigt het hoofd, slaat een vlieg weg. Max verstaat de officiële mededelingen niet. Ook de excuses gaan aan hem voorbij. Max wacht, ondergaat gelaten de commotie. Spoor 2. Met misplaatste fierheid arriveert de verlate trein naar Kampen. Max aarzelt, zijn brein verliest het contact met zijn lijf. Perfect getimed voert hij het foute plan uit. Hij doet een stap achteruit en werpt zich vooruit, op het spoor. Spoor 1 welteverstaan. Lang voor Max begrijpt wat er gebeurt, is de trein naar Kampen al jammerend tot stilstand gekomen. Op spoor 2.De logica van verlaat spoorverkeer lijkt zowel hard als mededogend. Door een enkele welgemikte wissel loopt Max de stroom aan herinneringen mis die uitbarst net voor een zelfgekozen levenseinde. Niemand ziet hoe tragikomisch het allemaal is. De reizigers op spoor 2 zijn danig druk met de instapprocedure die hen de optimale plek moet opleveren. Daarin is geen plaats voor een pony die een uiltje wil gaan knappen. Haast theatraal nota bene. En op spoor 1. Max krabbelt recht. Met lillende achterhand wandelt hij naar de voorkant van het stilstaande treinstel op spoor 2. Daar vlijt hij zich neer voor de locomotief. In een suïcidale rationaliteit is dat een dood spoor maar zelfs een pony begrijpt instinctief dat arrogantie in dit geval noodzakelijk is om gezichtsverlies te vermijden. Of is de frisse appel waarmee een jozef hem op het perron lokt meer dan een detail in Max’ enigmatische joie de vivre?Trouw aan het ongeschreven scenario volgt Max het perron in noordelijke richting. Bijna kegelt hij een late reiziger om die zijn frustratie wegbalkt. ‘Wat vreet die trein naar Kampen uit op spoor 2? Lopen er alweer lompe pony’s op de sporen?’ Op spoor 2 vertrekt de trein. Aan de hand van hun moeder wuiven twee hummels naar de vader van de jongste die voor onbepaalde tijd verdwijnt. Haar oudste staat al aan de snoepautomaat. De late reiziger interpelleert de jozef van de appel. Max verlaat het toneel. De natuurlijke antioxidanten uit de appel werken gunstig in op zijn dopamine. Station Zwolle blijft er onbewogen bij. Op het rangeerterrein naast het station staat wat afgedankt rollend materieel te suffen in een verlegen lentezonnetje. Naast de derde wagon in het roestende rijtje zoekt Max zijn plekje. Er resulteert esthetische spanning uit de confrontatie van de dominante horizontaliteit van het spoorrijtuig met de verticale lijnen van vervagende graffiti. Bij een artistieke pony als Max wekt dat emotioneel onbehagen op. Kauwend ontwaart hij in een kwintet hoekige maar sierlijke letters de naam van zijn geliefde. Kassy.Vele appels geleden, om 17u07, liet Kassy het leven bij een aanrijding door de trein van 17u07 naar Kampen. Spoor 1. Zij was die keer eerst gesprongen.‘Kassy’, zucht Max. Wat later hijst Max zich recht en gaat op weg, richting spoor 4.In station Zwolle brengt hij routineus zijn schijnbaar onvoltooide sterfscène terwijl de – verlate – trein naar Deventer gewillig meespeelt op spoor 3. Zolang het spoorverkeer netjes wordt ontregeld door omvallende bomen, wateroverlast of een overvloed aan reizigers, levert dat Max met de regelmaat van een stationsklok een heerlijke appel op.

bart e. g. vinck
18 0