Lezen

Koffie

KOFFIE   1.   “De koffie is op.” “Laat in de keuken nog een kan vullen.” “Er is geen koffie meer in de keuken. We moeten naar de winkel voor koffie.” “Ik kan hier niet weg schatje, ik kan hier niet weg.” “Dan ga ik.” “Nee, je blijft bij mij. Ik kan niet weg.”   Het is 1992. Ik ben zes. Ik schuil onder een tafel in een parochiezaal, tussen oude benen in panty’s van 100 den, de geur van gepoetste schoenen, het licht van de late zomerzon gebroken door het witte tafellaken. Tussen gefluister, vingergeroffel en af en toe schuldig gelach. Aan het raam helemaal achterin ruziën mijn ouders. De handen van mijn papa trillen, mijn mama frunnikt aan haar linkeroor. Ik zie hoe de paniek in hun lijf zich manifesteert, zich een weg naar buiten baant. Papa krabt zijn voorhoofd. Mama speelt met haar trouwring. Ze kijkt verbeten naar het buffet. De koffie is op.   Ik mag nog geen koffie, ik maak me geen zorgen. Al is mama strakker dan ooit, alsof ze hoekig werd en alle soepelheid uit haar lijf verdween. Dat is al zo sinds de geboorte. Wij zijn lieve kinderen. Ze ziet het niet.   Een week geleden keerden we terug uit vakantie in het Oosten van Denemarken, een ononderbroken rit van negen uur. Niemand gaf over. Linneke sliep door. Mama gaf de borst op de achterbank. Ik kreeg bij elke stop een nieuw stripboek. Suske en Wiske. Ik wilde Kiekeboe maar ik zeurde niet. Thuis aten we McDonald’s uit de drive-in, liep ik met mama door de tuin, gaven we de planten water, lieten de kippen los en proefden de eerste gevallen okkernoten. Dan bracht ik met papa de flessen wijn naar peter Pierre en tante Rika.   Tante Rika opende de deur. Ze keek niet naar mij. Ze keek naar papa. Ik zag nooit eerder een volwassene huilen. Een minuut later begon ook papa te huilen. Dan belden ze mama en toen die er was, begon ook die te huilen. En dan ook Linneke en dan ik. Maar ik huilde omdat ik met de racebaan wilde spelen en ik er niets van begreep. Peter Pierre was er niet, die haalde altijd de racebaan uit de kast. Op mijn eentje kon ik er niet aan. Tenzij, misschien, ik op een stoel ging staan.   Nog steeds verscholen onder de tafel, zie ik tante Rika zitten. Maar het is tante Rika niet. Ze is dunner en ze kijkt niet als een mens. Zelfs niet als een hond. Ze huilt zonder tranen. Haar schaduw heeft het origineel ergens achtergelaten. Ik ga plat op de grond liggen. Het begint er een beetje te stinken maar dat vind ik niet vies. Het wordt pas vies als het nergens naar ruikt. Zoals peter Pierre vanochtend in de kerk. Hij sliep niet. Want slaap stinkt.     2.   “We nemen een halfuurtje pauze. Versnaperingen zijn nog steeds te krijgen bij onze vlijtige helpers. Gewoon het vlaggetje in de lucht steken en de bitterballen zijn onderweg. En dan een dienstmededeling van de bar: het bier en de koffie zijn op. Ik herhaal: er is geen koffie meer, en geen pintjes. Wel nog thee en Duvel.”   De akoestiek in de refter is ellendig. Het is 2014. Ik ben 28 en zit op het toilet.   Halverwege de quiz staat mijn ploeg nog in de tweede kolom. Ik had hier een hele week naar uitgekeken. Naar iets dat ik onder controle heb. Naar ergens waar ik indruk kan maken. Iets waar ik de beste in ben. Maar niemand in Suske en Kwiske heeft me al vol bewondering aangekeken. Ik heb te snel gedronken. Ik heb koffie nodig.   Mijn hoofdpijn blijft zich uitbreiden. Vanochtend was het een licht tikken tussen mijn wenkbrauwen. ’s Middags, met de zon op zijn hoogst, voelde ik het tot in mijn haren. Ondertussen is er geen grens meer tussen mijn lichaam en de atmosfeer. Maar als alles ziek is, en jij voelt je anders, dan ben je gezond. Denk ik. Het is al te laat om een pijnstiller te nemen. Het is niet mijn bloed dat moet verdunnen, het is de lucht.   Op dit te lage toilet zonder privacy, met een deur die boven- en onderaan open is, herinner ik me iets uit één van mijn eerste gesprekken met mijn therapeut. Dat het niemand wat kan schelen dat mijn schoenen niet van veganistisch bioleer zijn, of mijn maandverband herbruikbaar. Dat niemand me uitlacht als ik Soedan niet op een kaart kan aanduiden. Gisteren probeerde ik bij hem te huilen. Maar ik gebruik geen papieren zakdoeken meer en mijn linnen exemplaar zat in de tas onder mijn stoel. Dus huilde ik niet. Begon ik over iets anders, een collega, het weer, de quiz waar ik zin in had. Ik zou moeten stoppen met therapie. Maar de schaamte om het uit te maken is nog groter dan die op het einde van elk gesprek, wanneer ik het geld overhandig en me vuil voel. Als ik buiten stap, doe ik dat snel, stiekem, met mijn blik ten gronde gericht. Ik vergeet waarom ik ooit begon.   Ik adem te veel lucht in, boer, trek mijn broek op. Terug aan de tafel zegt Linneke: “Ik dacht dat jij zo’n goeie quizzer was?”. Ik heb het koud en ik zweet. De koffie is op. Dan maar een Duvel.   3.   Het is vandaag. Ik ben ouder. Het stormt buiten, net als gisteren en morgen en ik heb de hele dag geslapen. Niet omdat ik moe ben, maar omdat ik moet schrijven. En wanneer ik moet schrijven, doe ik niets. Ik houd al twee weken de rolluiken gesloten om de warmte binnen te houden.   De koffie is op en de winkels zijn dicht en morgen moet mijn stuk binnen. Ik heb nog veertien uur. Mijn lief is in Seattle om een deal te sluiten, of misschien is hij al gesloten. Hij heeft me al twee dagen niet meer gebeld.   Ik neem de auto, dan hoef ik me niet aan te kleden. Ik word stilaan één van die dorpelingen die de auto neemt voor een boodschap aan het einde van de straat. Het waait echt wel te hard om te fietsen. Het is drie minuten rijden tot aan het tankstation. Er is altijd parkeerplaats.   Misschien had ik toch wat dagcrème moeten smeren. Het licht in de winkel is niet vergevingsgezind. Ik sta voor het rek met koeken, cake, koffie en vochtige doekjes. Er is geen fairtrade koffie. Alleen witte producten en Nescafé. Ik zoek op mijn telefoon naar de oorsprong van het koffiemerk van Carrefour. Een tl-buis flikkert. Ik zie mijn weerspiegeling in de koelkast met frisdrank, mijn witte Nikes opvallend fel. Krampen schieten door mijn maag. Ik probeer me te herinneren waarom ik die schoenen kocht.   Het lijkbleke gezicht in de koelkast kijkt me spottend aan. Mijn handen trillen. Het lijken mijn vaders handen wel. Ik draai me om en zie peter Pierre staan. Hij zegt: “Kan ik u helpen?” en verdwijnt. De enige andere persoon in de winkel is de vrouw met blauw haar achter de kassa. Ik koop niets en bel in de auto naar mijn moeder. Het is na tienen. Er neemt niemand op.   Ik start de wagen, ontsteek de lichten en zie een plastic zak over de parking waaien. Hij vliegt op en neer, van links naar rechts, en dan, plotseling, opnieuw naar de plek waar hij vertrok. Met wat dezelfde bewegingen lijken als eerder, waait hij terug op en neer, van links naar rechts. Tot hij vlak voor de vuilniscontainer opnieuw met een ruk naar links vliegt. Ik blijf een kwartier naar de plastic zak kijken.  Volg de keer op keer herhaalde bewegingen met mijn vinger tot ik het zie. De zak spelt een woord. De zak spelt ziek.   Misschien heeft het tankstation verderop wel fairtrade koffie. Onderweg belt mijn moeder terug. Ik hoor het niet, mijn telefoon staat op vliegtuigstand.

Fien Meynendonckx
31 1

Morgen

Beste persoon x,   Hier spreekt persoon y. Ik ben 20 jaar zit in mijn 2de jaar dierenarts.  Ik vraag me af of ik morgen er nog zal zijn? Ik zal misschien sterven door een hartaanval of door iets anders. Ik weet niet of ik wel zal hebben genoten van mijn laatste dag. Zal het een weekdag zijn of een andere gewoon weekend zijn?. Ik zal nooit weten wanneer ik sterf maar mijn levensverwachting is achtenveertig. Ik zal mijn kind misschien zijn op groeien maar niet mijn kleinkind maar dat is het probleem van vandaag niet.Ik heb pijn en pijn en nog eens pijn soms hoop ik om er niet te zijn. Om de pijn voor die paar seconden kwijt te zijn.Dan wordt je wakker en dan voel je zo een helse pijn dat je er niet meer wil zijn.  Daarom hoop ik dat ik zal kunnen afstuderen van de unief om mijn leven te kunnen leiden en mijn liefde en geluk te vinden in de zoektocht naar geen pijn zonder medicijnen of zelfmedicatie. Ik hoop op een leven na vandaag om deze mooie dag terug te kunnen delen met mijn hondje, gezin en toekomstige liefde. Want na vandaag wil ik leven, ik wil dit elke dag kunnen zeggen en ervoor zorgen dat ik mijn dromen kan waarmaken. Andere mensen kan helpen en hun dag beter maken. Ik zal nooit weten wanneer ik sterf maar mijn levensverwachting is achtenveertig. Ik zal mijn kind misschien zijn op groeien maar niet mijn kleinkind maar dat is het probleem van vandaag niet.Ik heb pijn en pijn en nog eens pijn soms hoop ik om er niet te zijn. Om de pijn voor die paar seconden kwijt te zijn.Dan wordt je wakker en dan voel je zo een helse pijn dat je er niet meer wil zijn.  Daarom hoop ik dat ik zal kunnen afstuderen van de unief om mijn leven te kunnen leiden en mijn liefde en geluk te vinden in de zoektocht naar geen pijn zonder medicijnen of zelfmedicatie. Ik hoop op een leven na vandaag om deze mooie dag terug te kunnen delen met mijn hondje, gezin en toekomstige liefde. Want na vandaag wil ik leven, ik wil dit elke dag kunnen zeggen en ervoor zorgen dat ik mijn dromen kan waarmaken. Andere mensen kan helpen en hun dag beter maken.

M323
0 0

Station Brussel Zuid

In deze trein van gebrekkig Frans met woorden fonkelend Spaans en snoeihard Nederlands wil ik blijven en glijden naar de verre horizon.   De pijn en zorgen achter mij verkleinen tot stip en stipjes in een  oase uit een droog verleden. Ik fantaseer; mijn gedachten zijn nu vrij. Hier alleen vreemden die mij liever zijn dan mijn eigen vader.  Met deze mensen, een mix van alle echtheden bij elkaar, wil ik verder trekken op het spoor dat ik vaak op een andere wijze bekeek.   Daar waar de rail in de diepte van een meter en een half mij vaak aanzuigt en trekt, voelen de stalen vluchtwegen onder mijn ongemakkelijke zitting als een uitvlucht naar een nieuw begin.   Kan een vrouw in de tweede helft van haar leven, haar kinderen gebaard, haar schepsels naar beste vermogen grootgebracht, losbreken van de realiteit?   Mijn reis zal stoppen in Brussel Midi, drie zalige lange uren strekken zich tevreden om me heen en ik reis. Het gevaarte zal aan mij trekken wanneer ik stop aan de Zuid. Mijn lief zal mij hier straks treffen, maar ik lonk naar een koffie in een papieren beker in mijn trein.   Hoeveel teksten zou ik schrijven al reizend naar heel ver weg. Ik bundel de berichten twinkelend op mijn telefoon tot ze dood is en onontvankelijk verklaard. Het geld thuis raakt op, mijn hond sterft van verdriet, mijn dochter redt het wel maar zal voor haar leven getekend zijn door haar afvallige moeder die koos voor haarzelf. Mijn lief trekt na een week terug naar zijn laatste vrouw en haakt in waar hij was gebleven om in ieder geval te kunnen leven. Mijn moeder dementeert en zal zich mij herinneren als de het jonge lieve kind. Mijn vader heeft zijn andere gezin en merkt niet dat ik verdwijn.   Ik zou losgaan helemaal. Compleet los van alles wat ik moet en maak een afspraak met de verleiding van het leven zonder dwang.   Het verschil met 30 jaar geleden toen ik in plaats van rails de wolken onder mij zag wegtrekken is de opgebouwde muur van verantwoordelijkheid die ik, of ik wil of niet, met hand en tand verdedig. Nog voordat mijn scherm van mijn smartphone zwart wordt zullen mijn genen mij terugroepen. Met slome modder aan mijn schoenen trek ik ze los van de grond, werp een blik achterom naar de groene weiden waar mijn fantasie vogels fluiten van geluk. Ik zal mijn jas dichtknopen en de kraag hoog opzetten. Gewapend voor de volgende reis zet ik mij in tegengestelde richting en zie de rugzakken op hun jonge schouders voorbij zweven.   Ik laat een streep na van verlangen lichtend in de mist. Mijn grond is waar ik zijn moet. Het leven onder dwang maar gevormd door mijn keuzes en de hoop op nog 50 jaar.   Ik slik mijn tranen in. Ze branden in mijn keel. De geruststelling dat ik niemand teleurstel verzilt de pijn.

Susanna
6 0

Geheel gesloten trapten zij in mij rond (B. Schierbeek - De andere namen)

Onderweg waren er de wegen, de omkadering van een landschap dat in mij rond trapte en de gedachten des heden verdwenen kort in mijn maag die zich settelde in dit lichaam: de gedachte ‘eindelijk’ keerde zich nog eens licht om en verdween daarna voor goed. Het was zomer, het zou winter kunnen geweest zijn en de nachten waren warmer dan de dagen die weinig verrassends met zich meebrachten en doch, telkens ik wakker werd, werd alles als nieuw: de abstracties die me aanstaarden uit de muren nieuw, de mensen rondom mij telkens nieuw, de handen waarmee ik greep… een wakker worden dat wel eens nee zei… een gedachte? Eerder een toezegging voor de onwetenden, ik stelde daarmee de nieuwe dogma’s, maar dan ongeschreven.   Geheel gesloten zullen ze wel in mij rondtrappen maar de maat wordt gezet met een toon die geheel gesloten verloren is in zichzelf en alleen op zichzelf bestaat dus en mij de oren toe krijgt zonder geforceerd een ontkenning van het blije te blijken; ik ben een aardmens en ken mijn toebehoren van buiten en de mensen die me dragen ken ik van binnen en geheel gesloten verachten zij mij soms maar ook dat ligt in mijn aard die de rijken aanstaart en de blinden aanstaart omdat ik meer weet van het niet-zien dan zij en de zieken aanstaart omdat ik meer weet van volledig zijn dan zij, zij kunnen volledig zijn maar ik ben een volledig onder- wezen dat altijd onder zal blijven: onder de maat van het leven dat ook wel zwaar is verdwe- nen onder de straal van het zicht dat iedereen heeft op elkaar en de dingen die zingen en de mensen die woekeren in de muren die ik betast met nieuwe handen… slechts een gedachte zou er tussen mij en de ontwaking, een symbiose met het leven waarvan er slechts één écht organisch de verdwenen tijd bezingt. De tijd, van wie ik lethargisch wil zijn zoals Bert al zei, ik die lethargisch de tijd vrijt, die passief de rij mensen bedwing zonder gek te worden zoals iedereen aldoor gek is geworden en de tijd spastisch bedwing zodat ik nieuwe dogma’s schrijf voor een eigen leven dat leeft in arrogantie maar IK BEN VRIJ en dat zingt me goed   AT LAST I AM FREE I CAN HARDLY SEE IN FRONT OF ME   Twijfelt de wanhoop me toe maar ze zit me goed in mijn ruggenwervel die mijn baken van mens-zijn zou kunnen zijn maar het niet is, eerder de bele- ving van het organische dat samenleeft, van het onder-zijn, van de regels die nog geschreven moeten worden maar waar ik al naar leef, de fata morgana die de tijd verspreid over la mélodie du bonheur want alleen in klank slaag ik er nog in te denken.   alles dat verdwijnt dat verdwijnt sprak hij en ver zat hij er niet naast toch zou ik nog enkele keren willen horen naar zijn gedachten in klank een gedachte? nee eerder een uiteenzetting over het zweverige het aangetaste die ik met mijn bloedeigen handen verwerk tot kamer waar ik in huis de muren zijn blauw ik ben blauw de vrienden zijn koud en tijdelijk ik ben vooralsnog voor altijd   Het laat weinig aan de verbeelding over, deze 4x4 die me plooit tot ontkenning van mezelf. Ik laat alles toen buiten mezelf die zichzelf kan zijn in het ijle van de tijd en de kamer plooit zich dubbel op een zucht van mij maar ik heb niet veel nodig om hét te voelen en daarmee bedoel ik dat ik meer volledig ben dan zij dat meer zie in het viriele dan zij dat ik meer een onderwezen zal blijven dan zij en de staat zal blijven geloven in tegenstelling tot zij omdat het accepteren ervan is als een vrolijke bevrijding die ik alleen in dat aanvaarden terugvind. Aanvaarding. Aanvaring. Ontkennen om uiteindelijk te verpletteren onder de blik. De blik die alles aanpast naar zijn ongeschreven formules die het 2D een 3D verkopen op een lens die alles toelaat maar ook de kritiek die meer ziet dan het ongeziene die de politiek ontzet verlaat voor een andere veldslag om dan terug te keren hahaha die het geweld alleen maar wilt maar niet krijgt en de über aanslag is de aanslag op het geweld.     Het geweld buiten deze vier muren is een afval dat altijd buiten zal blijven die altijd buiten zal vrijen die altijd buiten zal steigeren in zijn successen maar ook in zijn afvaart die altijd buiten zal bedreigen maar dus nooit hier binnen die altijd de klank zal blijven van de wereld.   Soms ook ik die de situatie met geweld bespeelt en geheel gesloten mijzelf van binnenuit gewelddadig kapot trapte en de ogen uit krabde tot ideeën van een zicht die geheel buiten zichzelf van binnenuit bestonden en I have decided to take off my eyes from the pain die dus niet van tevoren maar pas achteraf de situatie als fetisj act bestempelde want alles - ook geweld - bestaat uit een obsessief trachten de situatie te veranderen als een perfomance die een act is - niets dan een act - die steeds in herhaling valt maar omdat we het telkens als nieuws zien worden we niets van dat geweld beu en heb ik mezelf achteraf nadat ik mezelf had getrapt en opengekrabt, mijn hart uit gesmeten over de straat en achtergelaten zodat al wie er nu nog liep in de horror van mijn liefde verzonk. Alweer in een fictief zicht dus.

Dries Verhaegen
52 0

Kamperen voor Dummies  (vervolg) Het belang van echte vrienden

Wat is er belangrijker dan vrienden? Vrienden waarop je kunt rekenen! Die je door dik en dun bijstaan en waar je volop plezier mee kunt maken. Zij leerden ons kamperen en alles wat er bij hoort. Hierbij denk ik met heimwee terug naar de vakanties die we met hen doorbrachten. Helaas slaat het noodlot soms toe als iemand van die vrienden komt te overlijden. De wereld van de wederhelft van de overblijvende partner stort ineen. Plots blijft er één vriend over… de harmonie, de samenhorigheid ontwricht. Niemand weet hoe zich te gedragen, te verwachten. Het verdriet is gemeenschappelijk, ongemeen hartverscheurend. Overspoelt door herinneringen snak je naar die dagen van toen maar je kan enkel elkaar troosten. Samen mijmeren naar alle momenten toen we nog met vieren waren.  ‘Weet je nog…’ Automatisch herbeleef je alle mooie momenten, we schateren het uit… terwijl onze harten huilen. Na de overlijdens-ceremonie keert iedereen naar huis om zijn wonden te likken, het gemis een plaats te geven. Tijd heelt alle wonden al blijft het gemis voor immer aanwezig. En je hoopt dat er nog ruimte is voor een hereniging. De drie musketiers zonder Dartagnan.  Plots is er dan dat telefoontje, een berichtje of een uitnodiging op facebook waar je hart sneller van begint te kloppen. In je hoofd vechten blijdschap en ontroering voor de eerste plaats. Toch breekt een gedachte door:  ‘De dood heeft onze vriendschap niet kunnen verbreken!’ Wanneer, waar dat weet ik niet maar we gaan misschien terug samen kamperen om een band te koesteren die soms mooier is dan verwantschap.

Fanny Vercammen
0 0

verdikte tijd

Die dag op de trein tikte de tijd tergend traag voorbij. Er was geen rood sein, geen technisch probleem, geen mensen op het spoor of geen andere trein die voorrang moest krijgen en dus stiefelden we aan een gestaag tempo richting Brussel. Ik zag lege wasdraden en argeloos achtergelaten driewielers, een man in boxershort die lusteloos in zijn ballen dabde, een verzameling van afgedankte frigo’s en wasmachines waar kippen tussen scharrelden, verveelde koeien die onbegrijpend naar me terug staarden. En toch, terwijl de achterkant van het leven als een woeste rivier aan m’n ogen voorbij raasde, verdikte de tijd in de trein tot honing die maar niet van je lepel wil vallen.    Het gebeurde in het vorige station. Een menigte druilerige pendelaars verdrong zich voor de deur, maar niemand van hen kon voorbij aan de immense, zweterige vetklomp die zich als eerste in de wagon neer plofte, naast mij. Als op commando gingen de haren op mijn armen overeind staan.  Ze doorbraken eensgezind en zonder aarzelen de millimeter afstand tussen zijn arm -bloot, donker behaard en bezweet - en de mijne. Schielijk trok ik mijn arm terug en krabde in mijn haar. Daarbij probeerde ik subtiel ook mijn oor te bedekken, om toch maar die zware, hijgende ademhaling niet te moeten horen. De kolos boog zich voorover en opende daarbij zijn benen om ruimte te geven aan zijn pens. Ik wilde elk mogelijk lichaamscontact vermijden, sloeg mijn benen over elkaar en dook verstijfd ineen tegen het raam. Steunend greep hij zijn rugzak en haalde er een van vet doordrongen papieren zak uit. De geur van warme worstenbroodjes die eruit op steeg haalde mijn maag, nog nuchter om kwart over zeven ‘s ochtends, overhoop. Ik dwong mezelf om uit het raam te kijken. Voor het eerst in jaren pendelen vervloekte ik mezelf dat ik geen headset bij had, zodat muziek op zijn minst het geslobber en gesmak uit m’n oren kon verdrijven. Tot twee keer toe verdween de hand opnieuw in de papieren zak. Ik sloot m’n ogen en probeerde me te concentreren op een vluchtplan. Zijn lichaam was echter zo gigantisch in omvang dat ik hem niet zomaar voorbij kon. Het idee hem te moeten aankijken om te vragen of ik er even langs mocht, joeg de rillingen over mijn rug. Ik stelde me varkensoogjes voor, smakkende lippen die glinsteren van het vet, vier kinnen, zweet dat langs zijn slapen naar beneden stroomt. Ik panikeerde bij het idee dat hij niet vóór mij zou afstappen en overwoog de mogelijkheid om desnoods een station verder te reizen. Mijn ene been begon zwaar en dof te tintelen, maar ik kon het andere er niet af nemen zonder de man te raken. Ik verbeet het nu brandende gevoel, overwoog of ik zou afstappen in Brussel Noord, ook als de papzak bleef zitten, of één, desnoods twee haltes verder zou rijden. Hem aanspreken, in zijn gezicht moeten kijken en mogelijk ook moeten aanraken, of nog minstens vijf minuten langer deze kwelling ondergaan?   Ik opende m’n ogen nog voor ik besefte waarom, en werd overweldigd door een plotse invasie van zintuiglijke stimuli. Ik rook een doordringende stank, als van gebakken ui en camembert die te lang in de zon heeft gelegen. Tegelijkertijd zag ik de immense, witgerande zweetvlek die nu vlak voor m’n gezicht zweefde. Ik voelde hoe zijn arm m’n knie raakte in een poging het vettige zakje in het vuilbakje te proppen dat onder het tafeltje hing waar ik me in al mijn afgrijzen aan vastklampte. Pardon, baste de papzak, en daarbij vloog er een restantje van zijn worstenbrood voor me door in de richting van mijn arm die over het tafeltje lag. Met een schok kwam ik overeind. Ik stootte zowel m’n knie als m’n elleboog tegen het tafeltje en kon amper een schreeuw onderdrukken. Pijn schoot door m’n arm en beide benen. Het onder bacteriën en speeksel bedolven stukje vermalen vlees en dierlijk vet dat net zijn grote vraatzuchtige mond verlaten had, belandde op mijn arm, net onder mijn pols. Vol afgrijzen hield ik m’n arm voor me uit en hoewel mijn jas me gelukkig gered had van direct contact met het minuscule, half vermalen etensrestje, voelde ik m’n pols gloeien. Mijn obese buur zat inmiddels terug recht. Hij haalde luidruchtig zwoegend adem, alsof hij zonet een marathon gelopen had onder de Griekse zon in plaats van enkel zijn arm uit te steken naar een vuilbakje. Ik wilde een zakdoekje nemen om m’n mouw proper te vegen, maar mijn rugzak onder mijn zitje was net buiten bereik. Ik strekte mijn arm al uit, maar besefte dat ik zodanig veel opzij moest buigen dat ik niet anders kon dan de dikzak met mijn schouder te raken in zijn derde buikkwab. Bovendien zou mijn neus even ter hoogte van zijn meurende oksel blijven hangen, dus zag ik maar snel van dat idee af. Stiekem veegde ik het voedselrestje aan de zijkant van het zitje voor mij en nam me voor om mijn jasje vanavond onmiddellijk in de wasmachine te steken.    Ik keerde me terug naar het raam en met m’n ellebogen op het tafeltje en mijn vingers nu ostentatief in mijn oren keek ik door zijn weerspiegeling heen hoe we aankwamen in Vilvoorde. Bijna extatisch registreerde ik ‘s mans aanstalten om uit te stappen. De walm van ui en camembert toen hij z’n arm op de hoofdsteun voor hem legde, het gekreun dat hij uitstiet toen hij zichzelf omhoog probeerde te hijsen. Het hijgen toen hem dat niet lukte, de scheet die aan hem ontsnapte bij de tweede poging. Eindelijk stond hij daar, in al zijn logheid, en voor het eerst durfde ik hem aan te kijken. Hij nam zijn rugzak en draaide zich om om uit te stappen, zijn met pukkels bedekte bouwvakkersreet liet hij me na als onvergetelijk adieu.  

Hilde Christens
59 2