Lezen

Vorige levens

Nee daar ben ik niet van overtuigd, zei ik. Ze had me gevraagd naar mijn geloof in vorige levens. Ik was niet voor dat deel verleden naar haar gereden op een vrije dag, ik had een afspraak gemaakt om mijn familie op te stellen in de ruimte.  in de tijd. Vanuit mijn ervaringen, kennis, gedachten, en bijgevolg met alle beperkingen vandien. Maar het zou niet gaan over beperkingen, het zou gaan over mogelijkheden. Het bleek mogelijk om een deel van mijn bloedverwanten in haar kamer op te stellen. Toch was er ook plaats voor mijn levensgezel en voor een thema.  Zelfs twee.   Thema: veiligheid. Familie: vader.   Op een cirkelcormige mat van Ikea had ik mijn vader klaar gelegd.  Precies achter mij. Ik keek naar de grote Buddha, en zolang ik naar de houten figuur keek, kon ik mijn vader niet zien. Hij kon niet in mijn ogen kijken. Wij kenden geen verbondenheid.   De vrouw trad binnen in een vorig leven, leunde stoer tegen een muur, keek lichtjes arrogant op me neer. Zij werd man toen ze daar stond en wist zich geen identiteit te geven. Ik twijfelde amper aan zijn geloofwaardigheid. Hij had geleefd. Hij had een rol gespeeld in het leven van mijn vader, had op een gluiperige manier misbruik gemaakt van zijn kinderlijk vertrouwen. Mijn vaders openheid naar de wereld en zijn sluimerende seksualiteit werden bekeken met misprijzen. Mijn vader liet zijn hoofd hangen, de hals in een diepe plooi naar voren. Hij zocht gulzig en dorstig de schouder van zijn moeder, vond geen schoot waar hij geborgen en veilig mocht zijn. Boos werd hij. Boos! Maar hij strekte zijn hals en keek als een gluiperd rond, de belofte makend dat wraak ooit zoet zou smaken.   Ik keek in de ogen van de vrouw die in vorige levens geloofde, zag mijn vader en zijn spijt. Herinnerde mij hoe hij vaak onder mijn rokje keek. Ik zocht de Buddha, vond minder hout.  

Ingrid Strobbe
7 0

Obariyon

De hele omgeving was op een paar dagen tijd volledig tot een waar herfstspektakel omgetoverd. De grond lag bezaaid met duizenden, gedroogde bladeren. Degene die nog steeds volhardend aan de bomen bleven hangen, dreigden elk moment hun strijd te moeten opgeven. Een spoor van kleine, witte wolkjes rees op vanuit de schoorsteen. Gedurende de wintermaanden kon het hier best koud worden. De enige verwarming in zijn hut was een oude houtkachel. Buiten een paar roestplekken werkte deze nog goed. Het deed waarvoor het moest dienen, meer moest niet voor hem. Als Kaito het warm wou hebben, moest hij gewapend met een bijl, diep het bos ingaan om hout bijeen te sprokkelen. Vond hij niet genoeg, dan zocht hij speciaal achter een oude, zieke boom om neer te vellen. Ook al duurde het zo soms uren om genoeg hout te vinden, hij wou de jonge bomen een kans op leven geven. Wederzijds respect noemde hij het. Tenslotte zouden bomen de mens wel kunnen overleven. Hetzelfde met zijn eten, hij doodde enkel hetgeen dat hij volledig zou opeten en gebruiken.   Kaito had deze hut met zijn eigen bloed, zweet en tranen gebouwd, samen met zijn broer. Het was misschien niet zo groot, maar meer had hij niet nodig. Hij had afstand gedaan van al het materiële, geen afleidingen meer. Doorheen de jaren was er een zekere afkeer voor de maatschappij in hem gegroeid. Hij kon het niet langer uitstaan om hier nog langer deel van uit te maken. Het werd zelfs zo erg dat hij andere mensen begon te mijden. “Ze zouden je alleen maar doen lijden,” dacht hij bij zichzelf. Kaito zat er niet ver naast. Heel zijn leven was hij in dienst geweest bij hetzelfde bedrijf. Op een gegeven moment stond hij zelfs aan het hoofd van zijn eigen afdeling, leidinggevende over een tiental mensen. Toen het echter slechter begon te gaan met het bedrijf, aarzelde ze niet om hem als eerste te laten gaan, omwille van zijn leeftijd zogezegd. Geld was voor hen het allerbelangrijkste. Dat ze zijn leen verwoestten was voor hen niet belangrijk.Gezien zijn leeftijd was er geen enkel bedrijf dat stond te popelen om hem nog in dienst te nemen. Gedurende enkele jaren was Kaito werkloos, maar af en toe kon hij nog ergens een tijdelijke job strikken. Wanneer één van zijn beste vrienden met een lucratief voorstel afkwam, aarzelde hij geen seconde. Zijn laatste spaargeld investeerde hij in het bedrijf van zijn vriend, met de belofte dat hij zijn geld verdubbeld zou terugkrijgen. Wanneer ook dit bedrijf ten onder ging door de economische crisis, was zijn vriend echter met de noorderzon vertrokken, inclusief met Kaito zijn laatste spaargeld. Geld dat hij nooit nog zou terug zien. Op dat moment besefte Kaito dat hij niemand echt kon vertrouwen, zelfs zijn beste vrienden niet. Niet veel later verbrak hij dan ook al het contact met iedereen die hem voordien nauw aan het hart lagen. Geld was de regesten ziekte die de mensheid kende, de oorzaak van alle miserie op aarde. Iets wat ervoor had gezorgd dat we een beschaving konden uitwerken, zou uiteindelijk ook zijn eigen ondergang worden. Toen uiteindelijk ook het moment kwam dat Kaito zijn huis moest verkopen om alle rekeningen te kunnen betalen, was voor hem de maat vol. Hij liet alles achter en nam zijn toevlucht tot de hut die hij samen met Yuuto, zijn oudere broer, had gebouwd toen hij 26 jaar oud was. Ze hadden dit gebouwd om een soort clubhuis te hebben waar ze de drukte van Shizuoka* konden ontvluchten. Een plaats waar ze in alle stilte konden gokken, drinken en alle andere activiteiten die het daglicht beter niet zagen. Geregeld kwam Yuuto hier ook met vrouwelijk gezelschap voor een romantisch weekendje, zoals hij het graag noemde.   Wanneer er enkele wandelaars spoorloos waren verdwenen op een week tijd, staken er verschillende geruchten de kop op. Van een zelfmoordpact, wat wel vaker gebeurde in de regio rond Mt. Fuji, tot zelfs een seriemoordenaar. Toen ze een tijdje later enkele van hen hadden gevonden, of wat er nog van overbleef, kwam er snel de de legende van een Obariyon* ter sprake. Een Obariyon wachtte in de bossen op nietsvermoedende reizigers, om dan op hun rug te springen. Als de reiziger hem meedroeg op zijn rug, werd het monster zwaarder en zwaarder. Tegelijkertijd knauwde het op de schedel van de reiziger, om hem nog meer pijn te bezorgen, tot hij uiteindelijk zou bezwijken onder zijn gewicht. In meeste gevallen was een ontmoeting met één van deze Yokai* niet dodelijk, en gaf het enkel rugklachten, maar toch wezen de bewijzen op zijn aanwezigheid. Yuuto was altijd al bijgelovig geweest, en toen hij hoorde van een Obariyon die zogezegd in de buurt zou rondhangen, is hij nooit meer in de hut geweest. “Je kan daar beter wegblijven,” zei hij nog tegen zijn jongere broer. Maar Kaito was een realist. Hij geloofde helemaal niet in dingen die hij niet met zijn eigen ogen had gezien, dus hij bleef nog wel geregeld de hut bezoeken. Tot het moment er kwam dat het menselijke egoïsme hem ertoe had genoodzaakt om er permanent zijn woning van te maken. Het was een grauwe dag in oktober. Wolkenvelden verhinderden elke poging van de zon om door te breken. Kaito had beter een ander seizoen gekozen om te verhuizen, maar als hij het in deze condities kon overleven, zou het altijd wel lukken. Hij was op zijn dagelijkse zoektocht naar brandhout toen hij zijn mening over Yokai moest herzien.   Een felle regenbui had een uur voordien het hele landschap omgetoverd tot een ware modderpoel. Droog hout vinden in deze omstandigheden zou een heuse onderneming worden. Bij elke stap zonken zijn voeten keer op keer diep in de modder weg. Een krachtstrijd tegen de natuur die de hele dag zou duren en hem uiteindelijk uitgeput zou achter laten. Het zag er naar uit dat Kaito het die avond niet warm zou hebben. Hij werd genoodzaakt om met lege handen huiswaarts te keren. Wanneer zijn voet voor de miljoenste keer vast kwam te zitten in de diepe, bruine smurrie, hoorde hij een stem in de verte. “Tasukete*!” Het klonk als een kinderstem. Het hulpgeroep van een kind drong door tot diep in zijn ziel. Met moeite trok hij zijn been los, alsof de kreet om hulp hem net dat beetje meer kracht gaf. De kreet leek uit het oosten te komen, de tegenovergestelde richting van zijn hut. Toch kon hij zich niet weerhouden om te gaan kijken. Ook al had hij een afkeer van mensen, hij kon geen kind in nood achter laten. Met zijn bijl in hand, baande hij zich een weg naar het oosten. “Tasukete!” Het kwam steeds dichterbij. Hij was duidelijk in de juiste richting aan het lopen. In eerste instantie dacht hij dat er een kind, net zoals hij, vast kwam te zitten in de modder. Maar toen hij eindelijk bij de oorsprong van de hulpkreet was aangekomen, was er niemand te bespeuren. Geen kind, geen modderpoel die groot genoeg was om in vast te komen zitten. Kaito krabde in zijn haar en vroeg zich af wat er in godsnaam aan de hand was. Had zijn eenzame afzondering eindelijk zijn tol geëist? “Obusaritei*!” klonk het opeens boven hem. Verschrikt richtte hij zijn aandacht op de boomkruinen. “Wie klimt er nu met dit weer in een boom,” dacht hij bij zichzelf, “en dan nog op zo’n afgelegen plaats?” Hij bleef rondkijken, in de hoop de kleine jongen te spotten, maar er was niemand te bespeuren. Kaito dacht dat hij gek aan het worden was, tot opeens de stem weerklonk in de dichte vertakkingen boven hem. “Obusaritei!” “Waar zit je dan?” vroeg Kaito. Wederom kwam er geen antwoord. Zijn ogen kamde de hele omgeving uit, maar nog steeds kon hij niemand vinden. “Obusaritei!” “Ik wil wel, maar dan moet ik eerst…” Voor hij zijn zin kon afmaken, viel er een zware last op zijn schouders. Door het gewicht zakte hij op zijn knieën in de modder. Zijn handen liet hij vallen op een paar platgestampte bladeren.   Minutenlang probeerde Kaito recht te komen, maar hij was uitgeput. Het gewicht duwde hem steeds terug de modder in. Hij greep zijn laatste wilskracht bijeen en uiteindelijk lukte het hem om recht te komen. Met bibberende knieën probeerde hij zicht stap voor stap richting zijn hut te begeven. Eénmaal hij recht was gekomen leek het gewicht wel mee te vallen. Het had hem gewoon verrast, dat is al. Alleszins dat probeerde Kaito zich toch wijs te maken. Met elke stap die hij nam, werd het gewicht zwaarder en zwaarder. Steeds verdwenen zijn voeten dieper in de modder. In de verte zag hij hoe zijn laatste brandhout, klein witte wolkjes door de schoorsteen joeg. Hij besefte maar al te goed dat de laatste warmte zich een weg door de spleten in de muur naar buiten baande. Na een uitputtende trektocht, door het nu moeras geworden gebied, bereikte hij uiteindelijk zijn vertrouwde hut. Eénmaal toen hij binnen was, greep hij met beide handen naar zijn schouders, in een allerlaatste poging om het gewicht van zijn rug te gooien. Hij zakte bijna ineen in deze poging, maar uiteindelijk lukte het hem om zich te bevrijden van de zware last. Terwijl hij de last op de grond had gegooid, was hij echter verbaasd dat er geen mens of geen Yokai lag. In de plaats lag er een groot aardewerk voor zijn voeten, tot op de rond gevuld met goudklompjes. Meeste reizigers zouden de kreet van een Obariyon negeren, maar diegene die zo vriendelijk waren om de last te dragen zouden rijkelijk beloond worden. Het gebrek aan egoïsme had ervoor gezorgd dat Kaito in alle weelde van zijn laatste dagen kon genieten.     Shizuoka: Shizuoka is de hoofdstad van de prefectuur Shizuoka in Japan. Obariyon: een mensachtig wezen dat in bossen leeft. Het wil enkel een lift op de rug van reizigers, wat resulteert in hevige rugpijn. Yokai: bovennatuurlijke wezens uit Japanse mythologie en folklore. Obusaritei: Ik wil een ritje op de rug.  

Nick Van Loy
0 0

Gast

We moeten het dringend eens hebben over de grootste schending van de mensenrechten sinds de mensenrechten. Die gruwelijke trend die getuigt van zo’n barbaarsheid dat hij kinderverkrachting, terrorisme en de oprichting van De Romeo’s degradeert tot kattenkwaad. Misschien maak jij je er ook schuldig aan. Natuurlijk maak jij je er ook schuldig aan! Inderdaad, we moeten eens praten over die compleet, on-bruik-bare microlavabo’s in mensen hun gastentoilet.   Ik heb geen grote handen. Waarschijnlijk zeg ik daarmee zonder het te weten dat ik weerzinwekkend klein geschapen ben, maar ik hoor mijn vrouw niet klagen. En de jouwe ook niet trouwens. Nu ja, die van jou wel, maar dan in de zin van: ‘Mijn man heeft dat nog nooit gekund bij mij, Hans. En zeker geen vier keer in anderhalf uur. Misschien moet ik dat op z’n personeelsfeest maar eens zeggen tegen die fake blonde Vanessa van HR als ze weer op zijn zaad staat te azen met haar smerig paardenbakkes.’ Magische handen? Absoluut. Grote, nope.   Kan iemand mij dan eens uitleggen waarom ik tegenwoordig in geen énkele gasten-wc nog de handenwasbeweging kan maken, zonder mijn rechterhand kreupel te raspen aan de straalbreker van de kraan en terwijl dat kot onder water te zetten alsof de loodgieter de sifon is vergeten? Heb ik het Koninklijk Besluit gemist dat zei dat het alleen nog toegelaten is om scháálmodellen van lavabo’s te kopen? Of heeft heel België collectief beslist dat handen wassen nichterig is en heeft Bibi Smetvrees hier nog altijd niet door dat die dingen er enkel pro forma hangen, zoals dichtgenaaide vestzakken, Fort Escort-spoilers en het ‘Welkom in Ninove’-bord?   Drie weken terug, tijdens een etentje bij vrienden, was ’t weer van dat. Toen de obligate gezelschapsspelfase van de avond was aangebroken, zag ik m’n kans schoon om aan de teamverdeling te ontsnappen door m’n blaas vol zure dozenwijn te gaan ledigen. Tot zover alles oké. Ik doe proper m’n ding, knoop m’n broek dicht, draai mij een kwartslag en daar hangt hij. ‘Fancy zeepbakje,’ dacht ik. Tot ik zag dat er geen zeep in lag en er een kraan boven hing. Een halve minuut later sta ik hyperventilerend te staren naar de tsunami-restanten op de grond, de muur, mijn hemd, broek, schoenen en het plafond. De lavabo is droog gebleven.   M’n gedachten schieten alle kanten uit. ‘Mijn vrienden gaan denken dat ik half hun huis heb ondergezeken. Zij wéten niet hoe zacht en respectvol ik die bril naar boven heb gezet. Hoe ik met de vaste hand van een hartchirurg heb gemikt om geen enkele druppel nog maar in de buurt van de rand te laten komen. Al wat zíj zien is hoe hun gastentoilet veranderd is in een voetbad vol zeik.’ Exact op dat moment gebeurt het. Door een of andere gestoorde kronkel in mijn hersenen, denk ik: ‘Fuck het. Fuck het gewoon! Als mijn imago van propere vriend dan toch om zeep is, kan ik er evengoed volledig voor gaan.’   Ik doe het deksel van het toilet dicht, laat mijn broek terug zakken en pers er met alle macht een halve lasagneschotel en twee potjes tiramisu uit. Daarop schep ik, met de souplesse van een bouwvakker die z’n vijfhonderdste villa invoegt, elke keer wat in m’n handpalm en smeer het uit over de muur. Na tien minuten heb ik ongeveer elk plekje van m’n canvas gevuld en sta ik buiten adem naar mijn werk te kijken. En dan pas besef ik het. Er wáren andere opties. Ik hád die druppels kunnen opkuisen met een paar velletjes toiletpapier. Ik hád kunnen terugkeren naar de rest en hen zeggen dat die spatten in ’t wc en op m’n kleren geen pipi, maar water waren. Dat de lavabo te klein was. Achteraf is het altijd gemakkelijk natuurlijk. Die avond was de laatste keer dat ik Thomas en Femke gezien heb.   Kapot gezocht heb ik mij. Maar ik heb ‘m. De allerkleinste lavabo die ik kon vinden na elke sanitairsite van West-Europa door te lichten. Het ding ziet eruit als een doormidden gezaagd soepbord, je krijgt er amper een wijsvinger in. Sinds vorige vrijdag hangt hij. En langzaam maar zeker pak ik ze allemaal terug. Etentjes dat ik al georganiseerd heb! Geen één gaat buiten zonder dat ik hem of haar langs de pot heb gestuurd met de lopendste chili con carne die je ooit gezien hebt, de eetdag van de KWB inbegrepen. Dat ze godverdomme zelf eens ervaren hoe ze gast na gast tot de waanzin drijven met hun perverse mind games. Ik zweer het je, tegen dat ik deze humanitaire crisis heb opgelost, kan je baantjes trekken in de wastafel van elke wc in België. En dan ga je zien dat iedereen z’n handen wast in onschuld, alsof het nooit anders geweest is.     PS Thomas, Femke, als jullie dit lezen, denken jullie er dan nog even aan om de Doodle in te vullen?

Hans Verhaegen
0 0

Een koud kunstje

  “Godver!” roep ik terwijl ik mijn handen in een reflex omhoog gooi. Bijna was ik uitgegleden! De sneeuw, gisteren nog een bondgenoot in de instagramwedren, is vannacht veranderd in een verraderlijke ijsvijand. Wanneer ik weer bekomen ben, schuifel ik voetje voor voetje verder. Een visioen van hoe mijn oude dag er zal uitzien dringt zich op. Na nog enkele zenuwslopende meters, die in deze koude aanvoelen als kilometers, bereik ik eindelijk het begin van mijn oprit, waar mijn auto staat. Een zielige jammerklacht ontsnapt uit mijn keel wanneer ik merk dat het portier vast gevroren is. Deze ochtend heb ik een meeting, het is belangrijk dat ik op tijd op kantoor ben! Ik zou de ramen al ijsvrij kunnen maken, ware het niet dat de ijskrabber in de auto ligt. “Problemen?” vraagt een bekende stem achter me. Ik huiver. Wanneer ik me langzaam omdraai zie ik Cynthia staan, naast haar fiets. Mijn buurvrouw is altijd net zoals het weer vandaag; ijskoud en op geen enkel moment boven het vriespunt. Haar toon klonk had bezorgd geklonken, maar ik weet wel beter. Haar ogen fonkelen en rond haar mond zie ik een spoor van een grijns. “Tsja, mijn auto is volledig bevrozen. Ik geraak er niet in,” besluit ik haar spelletje mee te spelen. Mijn blik niet loslatend rommelt ze in haar handtas, op zoek naar haar handschoenen. “Doe zoals ik en neem de fiets. Beter voor het milieu….” haar ogen glijden spottend over mijn lichaam “En voor jezelf.” Witheet van woede probeer ik krampachtig een gevatte repliek te bedenken. Pas wanneer ik haar de hoek om zie fietsen geef ik aan mezelf toe dat zij deze slag gewonnen heeft. Het is jammer dat woede niet te meten valt met warmte. Mijn auto zou op slag ontdooid zijn. Ik kijk op mijn horloge en besef dat de tijd begint te dringen. Tegen beter weten in probeer ik de portieren van mijn wagen nog eens te openen. Zoals verwacht zitten ze nog steeds muurvast. Ik neem mijn gsm in mijn ijskoude handen en ontdek op Google dat warm water de snelste oplossing is voor mijn probleem. Wanneer ik me omdraai, om in huis water op te warmen, zie ik uit mijn ooghoek op de oprit van het ijskoude kreng iets glinsteren. Cynthia’s huissleutel! Deze moet uit haar tas gevallen zijn, toen ze op zoek was naar haar handschoenen. In eerste instantie ben ik meteen bezorgd. Wanneer ze vanavond moe thuiskomt van haar werk zal ze ontdekken dat ze in deze vrieskou buitengesloten is. Ik kan er echt niets aan doen dat ik toch een beetje begin te grinniken.   Even later manoeuvreer ik mijn niet-meer-zo-bevroren-maar-toch-nog-steeds-heel-koud-aanvoelende auto voorzichtig langs de brievenbussen, de baan op. Het zou heel makkelijk geweest zijn om Cynthia’s sleutel achter te houden, ze zou gedacht hebben dat ze hem elders verloren had. Ik ben best trots op mezelf dat ik me niet verlaagd heb tot haar niveau. Cynthia kan haar sleutel zo vinden als ze wil. Maar dan moet ze er wel aan denken om onder de reclame in haar brievenbus te kijken. Ik rijd de straat uit en glimlach.

MiMa
0 0
Tip

Muze

Als ik een muze had zou jij het zijn Zou ik schrijven over Hoe jij je gedachten om geweien vouwt Hoe koperdraad je lijf dooradert Hoe je soms de werkelijkheid nadert Maar nooit raakt Horizontale asymptoot Horizontaal over elkaar Ik ben nooit goed geweest in wiskunde We bevinden ons ergens tussen nul en oneindig   Zou ik schrijven over Hoe fietszadelschedels in kudde door jouw kamers zweven Hoe je handen zich even Snel nestelen in natte klei Als in natte vrouwen die lijken op Persephone van Bernini Marmervlees Koudwatervrees Hoe jij vrouwen doet opstijgen als rooksignalen verspreid in een stad Ik ben er één van Ik roep: brand We bevinden ons ergens tussen nul en oneindig   Hoe je me in mijn imaginaire boomhut in het donker omhult Met obscure muziek onder andere Hoe je zegt kijk Alles wat we zien is op weg naar het einde Kijk kijk Maar alles wat we niet kunnen zien zal blijven de ruimte die niet tussen ons in is Kijk Passie is een spel van clair-obscur Kijk Hoe je zegt kijk En ik meer en meer een rooksignaal word Ik roep: brand   Hoe je woorden openbloeien of uit elkaar spatten Afhankelijk van hoe zwaar we ons bezatten Afhankelijk van je zinsbouw klemtoon klankkleur Of de avondgeur Of de ochtendlucht Hoe je zucht Als het te snel licht wordt Je bent nooit goed geweest in wiskunde maar wel in bed Hoe je groot en sterk bent en met je lijf een echte boomhut om me bouwt Hoe ik zeg dat ik groot en sterk genoeg ben zo en jij me bijna gelooft Of op z’n minst je best doet   Verticale asymptoot Je schiet hoog de werkelijkheid voorbij De ruimtevaarder zwaait Heeft me een bericht gestuurd en mijn hemellichaam licht op onder het scherm Of ik een muze heb   Limieten zijn voor mensen die goed zijn in wiskunde We bevinden ons ver buiten nul en oneindig            

Marieke Ornelis
71 0