Lezen

Wespensteken

Als een zoemende zwerm opdringerige wespen zweefden de oordelen door de lucht.   Het oordeel van haar moeder voelde aan als een scherpe prik met een wrange nasleep. Toen haar mama haar huisje binnen was gekomen, voelde Marthe de onuitgesproken verwijten als een donkere sluier in de ruimte hangen: ‘Ik ging verdorie voltijds werken en voedde daarnaast ook nog 2 kinderen op. En jij hebt niet eens kinderen. En je hebt veel meer vakantie dan ik ooit gehad heb.’ Alsof ze zich in moest houden, zo veronderstelde Marthe, had haar moeder deze woorden ingeslikt toen ze op bezoek was gekomen. Ze had rond gekeken en met haar hoofd geschud. Ze was als een bezetene beginnen opruimen want hoe kon Marthe nu beter worden als haar hele huis vol met rommel lag? Het was natuurlijk goed bedoeld geweest. En Marthe wist ook wel dat ze niet anders kon dan dankbaar zijn voor al die goede zorgen, voor de zelfopoffering.   Vroeger zei haar vader vaak dat hij en mama het eten uit hun mond spaarden voor hun kinderen. Haar ouders gingen er prat op ouders te zijn die desnoods met nog grommende magen van tafel gingen om toch maar de laatste restjes van het scherp afgemeten voedsel aan hun twee dochters te kunnen geven. Jaren later pas was Marthe tot het besef gekomen dat die strategie haar ouders een flinke spaarpot hadden opgeleverd en dat ze nu, na jaren zwoegen, de villa hadden kunnen bouwen waarvan ze altijd gedroomd hadden.   Marthe wist dat het alleraardigst was van haar mama om wat vers bereid voedsel voor haar mee te brengen. Mama Greta vermeldde erbij dat ze die extra vitamientjes vast wel kon gebruiken. Ze was zelfs zo vriendelijk geweest rekening te houden met het vegetarisme van Marthe hoewel ze haar ongezouten mening – dat het ongezond was - daarover al vaak te kennen had gegeven. Niet alleen waren haar ouders zeer opofferingsgezind, ze waren ook heel goed in het oplossen van alle mogelijke problemen of kenden altijd wel iemand die dat in hun plaats kon doen. Zo sprak mama Greta over een dokter in het Leuvense die iédereen kon genezen. ‘Doe ermee wat je wilt, hier heb je alvast zijn kaartje’, had ze gezegd. En ze wou ook een datum vast leggen om te gaan shoppen want, zo zei ze, nieuwe kleren in de kast zouden Marthe’s energieniveau vast ook wel een boost geven.   Marthe had haar moeder aangestaard terwijl haar hart wild tekeer ging. Aan de grond genageld was ze er tegelijkertijd wel en ook niet. Ze had gezien hoe haar moeder haar blauwe schoenen had uitgedaan toen ze was komen aanwaaien; blauwe schoenen die perfect combineerden met de donkerblauwe broek en de lichtblauwe blouse. Gouden oorbelletjes en een gouden fijn bewerkt halssnoer completeerden het geheel. Marthe had zich ongemakkelijk gevoeld toen haar mama haar van kop tot teen met een diepe frons, vernauwde ogen en naar beneden gekrulde mondhoeken had gekeurd. Ze voelde zich klein in haar bijzijn en stond daar maar wat te staan in haar eenvoudige jeans en onopvallende trui. Ze had er te laat aan gedacht haar blauwe sokken met rode sterren in neutralere pantoffels te verbergen. Het nodige kappersbezoek had ze al een hele tijd uitgesteld. Het laatste waar ze de afgelopen periode mee bezig was geweest, was de snit van haar haar; tot op dit moment, oog in oog met de perfect geföhnde haardos van haar moeder.   Ze hoopte angstvallig dat haar moeder niet ín haar kasten zou kijken. In háar kleerkast was alles niet netjes op kleur geordend zoals dat in de kleerkast van haar ouders wel het geval was. De potten en pannen in haar keukenkast stonden schots en scheef op elkaar gestapeld, haar boekenkast puilde uit en de kussens die normaal gezien in de sofa thuishoorden, lagen her en der verspreid. Van de eerste schok bekomen door dit onverwachte bezoek, lachte ze alvast wat onzeker en hoopte tevergeefs op een goedkeurende blik terwijl ze vervolgens de kussens voorzichtig terug op hun plaats legde. Ze durfde haar mama niet aan te kijken toen ze haar vroeg of ze misschien even iets wou drinken. Het was een vraag die ze zichzelf verplichtte te stellen ook al kende ze het antwoord al. Marthe wist dat samen gezellig wat bijkletsen er niet in zat op dit moment. Voor haar mama vereiste een gezellige babbel immers een mooi decor, een perfect uitgedoste gastvrouw en een dienblad waarop alles mooi gepresenteerd was.   Een slons, dat was ze. Een slons die gefaald had. Ze wou zo graag stralen en aan haar mama vertellen dat ze de ideale man tegen het lijf was gelopen, dat ze hem toevallig ontmoet had toen hij zijn grijze BMW achter haar blauwe Dacia had geparkeerd. Ze wou dat ze haar moeder kon vertellen over een geslaagd uitje met haar gracieuze vriendinnen, over een zwempartijtje in het privézwembad van een collega en over driegangenmenu’s in dure restaurants. Dat wou ze. Het zou haar leven eenvoudiger maken en de band met haar moeder hechter.   Maar sluimerend aanwezig in haar was er ook het diepe verlangen om neuskeutels uit haar neus te halen en onder de rand van de tafel te kleven in haar moeders bijzijn. Er was het verlangen om te pronken met haar nonchalante kapsel en slonzige trui. Er was de drang om slordiger te zijn dan ze  werkelijk was, overdreven uitgesproken meningen te verkondigen die niet strookten met die van haar mama, het schijnwereldje van haar moeder aan de kaak te stellen en het onrechtvaardige lijden van bedelaars en vluchtelingen voor haar moeders voeten te werpen.   Het luisterend oor waar Marthe naar verlangd had, was uitgebleven. Ze had willen vertellen over het onrecht dat haar was aangedaan, over hoe hard ze haar best had gedaan, over hoeveel weekends ze had opgeofferd om van haar lessen iets speciaals en boeiends te maken, over moeilijke leerlingen en moeilijke collega’s, over vriendinnen die altijd vonden dat zij niet te klagen had met zoveel vakantie, over haar pogingen leermethodes uit haar lerarenopleiding in de praktijk om te zetten, over haar goede intenties, … Ze had de kans niet gekregen en was op haar honger blijven zitten. ‘Misschien moet ik inderdaad maar eens naar die dokter in Leuven gaan,’ dacht ze. ‘Of misschien zullen wat nieuwe kleren in mijn kast me inderdaad goed doen.’   Ze herinnerde zich hoe ze jaren geleden, toen ze zelf nog middelbare scholier was, eens een erg slechte dag had. Ze voelde zich verdrietig, was in de zetel in elkaar gezakt en had gemompeld ‘niemand ziet me graag’. Ze had toen verlangd naar een troostende arm om haar schouders, een paar liefdevolle woorden, een paar woorden van hoop en vertrouwen. Ze had zo hard gesnakt naar een beetje goedkeuring, naar een pleister op de wonde. Hoofdschuddend en met haar ogen draaiend had haar moeder geantwoord: ‘Hoe loopt ge er nu ook bij? Het kan niet missen dat niemand u graag ziet als gij met een gezicht tot op uw hielen rondloopt. Om van uw troosteloze kledij nog maar te zwijgen.’ Zout in de wonde. De duimschroeven nog wat extra aangespannen.    Hoewel het luisterend oor was uitgebleven en hoewel Marthe harde oordelen bij haar moeder vermoedde, deed het haar wel deugd dat haar huisje er nu weer netjes bij lag en dat ze niet hoefde te koken want daar had ze de energie niet voor. Ze bedankte haar moeder honderduit via berichtjes want zo hoorde het.   De tweede persoon die zijn angel op haar richtte, was de gepensioneerde buurman van Marthe. Hij sprak over een modeverschijnsel. ‘In mijn tijd bestond dat niet, een burn-out. Wij deden gewoon door en stelden ons daar geen vragen bij. En ’s avonds en in het weekend rustten wij een beetje uit.’ En ze voelde hem denken dat er toch wel iets grondig mis moest zijn met haar. Eigenlijk had ze het hem liever niet verteld. Maar toen hij vroeg waarom ze zo vaak thuis was, had ze het met een klein stemmetje toch maar verteld. ‘Oud worden, dat is pas wat hoor’, had hij gezegd waardoor ze zich extra schuldig voelde. Hij was oud en had allerlei klachten en zij zat gewoon thuis met een modeverschijnsel.   Ze kon wel door de grond zakken van schaamte. Wanneer ze wou uitleggen wat haar aandoening juist inhield, had hij plots last van hardhorigheid. Ze had voordien al vaker gemerkt dat hij hardhorig werd als ze vertelde over iets dat fout was gelopen op school. Hij hoorde plots ook niet meer goed toen ze verdrietig was na haar breuk met Thijs. Wanneer zij naar hem luisterde en hém bemoedigend aansprak, verstond hij haar altijd wel. ‘Mijn buurman is selectief doof’, had ze ooit tegen Jochen gegrapt. Marthe had altijd regelmatig wat soep naar de buurman gebracht of al eens een boodschap voor hem gedaan. Ze voelde zich er schuldig over dat ze dat op dit moment niet meer kon doen. Ze wist dat hij niet snapte dat ze nu zo vaak thuis was en toch minder voor hem deed. Steeds vaker begon ze hem te ontwijken.   Vriendin Lies zoemde rusteloos en hardnekkig om Marthe's oren. Marthe had de grootste moeite om te ontsnappen aan een nieuwe steek. Ze voelde hoe Lies, voltijds manager bij een groot bedrijf, vergeefse pogingen deed om te begrijpen dat iemand die in het onderwijs stond en zó veel verlof had een burn-out kon krijgen. Marthe hoorde haar zoemen en zoemen en steeds maar weer over zichzelf beginnen, over hoeveel stress zíj had en hoe weinig vakantie zíj had om te recupereren. Het deed Marthe's maag ineen krimpen. Met ingehouden adem hoorde Marthe Lies vertellen dat een ‘saunake’ haar altijd wel goed deed, dat ze de stress dan zó van zich af voelde glijden. Ze liet daarbij haar armen van aan haar hoofd naar beneden zakken en deed alsof ze alle stress wegblies. ‘Misschien moeten we nog eens samen naar de sauna, jij en ik‘ had ze voorgesteld. ‘Het zal je goed doen.’  Marthe had geaarzeld en drufde niet zeggen dat ze hoofdpijn kreeg van de sauna. Lies bleef maar dreigend zoemen en bracht Marhte in de war toen ze zich luidop afvroeg of het niet beter was om zo snel mogelijk terug aan de slag te gaan want ‘ Van zo thuis te zitten, begin je toch alleen maar meer te piekeren. Allé, ik zou dat toch hebben als ik thuis zou zitten. Dan zou ik piekeren en me vervelen. Ik zou het niet lang kunnen volhouden hoor.’   Het luisterend oor waar Marthe zo naar snakte, had ze nog niet gevonden. En ze gaf zichzelf op de kop: ‘Waarom kan je nu niet eens je huis opruimen of een beetje koken? Waarom kan je nu niet gewoon terug gaan lesgeven? Verman jezelf nu toch eens.’   Misschien kwamen de pijnlijkste wespensteken wel van zichzelf.

Aline
0 0

Punk is dood

Punk is dood. Punk is dood, maar wij leven nog ons miserabele leven. Punk is dood, net als al mijn dromen en hoop, als mijn wilskracht en als mijn brandende vuur. Ze zijn weggewaaid met de zomer, weggewassen door de winterse buien, ingesneeuwd en doodgevroren. Maar niet vergaan. Ergens, heel diep vanbinnen brandt nog een klein vuurtje, dat heel misschien deze kille wand kan doen smelten. Vuur en water, regen en sneeuw, zomer en winter, uiteindelijk is alles relatief in dit leven.   Je beste vriend van gisteren kan je vijand zijn vandaag en wie daarnet nog je idool was, kan morgen je duivel zijn. Maar zo gaat het leven, toch? Zo is de gang der natuur: mensen komen, mensen gaan, uiteindelijk blijft alleen je kleine ik bestaan. Hoe dicht je ook bij elkaar staat, hoe goed je elkaar ook kent, hoezeer je ook van elkaar houdt: er is altijd dat ene onverkende plekje, die ene blinde vlek, dat kleine grote geheim dat zich schuilhoudt, als een donkere alligator onder het wateroppervlak, klaar om elke onvoorzichtige duif op te vreten met huid en haar.   Natuurlijk is het beeld niet zo eenzijdig als dat. Niet elke duif is zo stom om te rusten bij een alligator en niet elke alligator slaat altijd toe. En dan nog: alles is relatief. Misschien hapt het monster naast het verschrikte beestje. Misschien weet de ongelukkige zich nog los te rukken of komt hij er gewoon met de schrik vanaf. Misschien. Hoe dan ook zal de duif toch waarschijnlijk enkele teerbeminde pluimen verliezen. Misschien ontkomt hij wel het riviermonster, maar hij kan nooit meer vliegen of hij sterft aan een infectie. Dwaalt hij rond, helemaal alleen terwijl zijn vrienden en familie ver boven hem vliegen.   Of misschien groeien zijn veren net terug, groter en sterker dan voorheen. Misschien vindt één of andere malle dierenrechtenactivist het arme wezentje en wijdt er de rest van zijn leven aan. Misschien. Alles is relatief. Maar ondanks alle relativiteit, ondanks dat al ons drama toch vaak een slechte komedie blijkt te zijn, blijven we maar toneel spelen. We houden ervan om te klagen over hoe pijnlijk die wonde wel was en hoe groot de alligator. We blijven de alligator maar zwart maken. Hoe had die alligator zelfs het recht om in die rivier te liggen, dat kon toch helemaal niet zijn? Het was niet hun schuld dat ze aangevallen waren! Zij hadden daardoor wel de vijfde prijs in hun langeafstandswedstrijd gemist! Was dat niet erg genoeg?   Leugens, overdrijvingen, banalisering en diabolisering, komedie en tragedie: we leven ervan alsof het brood is. Alles voor de ik, niets voor de jij. Wie eerst komt, eerst maalt, wie achter hinkt, heeft pech. Tot wij pech hebben, dan is het plots belangrijk. Nu ja, belangrijk is ook relatief. Eigenlijk weet je pas hoe rekkelijk iets is, hoe groot je drama is, tot je de andere zijde van de medaille hebt gezien, tot je een andere, diepe wonde hebt gezien. Maar dat gebeurt bijna nooit. Waarom? Omdat we allemaal te druk bezig zijn met onze wedstrijden te vliegen, om toch maar de beste en de eerste te zijn. En wie nooit stopt om beneden wat te drinken, ziet nooit de dode en zieke duiven die daar voortstrompelen.   Slechts af en toe komen we een karkas tegen. Een lege oogbol die je aanstaart. Een oorverdovende stilte die uitdijt. Dan plots besef je hoe relatief alles is, hoe relatief je drama, je wedstrijd, je wonde van die arme alligator die nu door de dierenrechtenactivist is overgeplaatst naar een kooi. Misschien moeten we daarom minder vaak wedstrijden vliegen en vaker neerstrijken bij diegene die niet meer kunnen vliegen. Misschien moeten we daarom minder klagen en meer houden van. Minder liegen en meer lachen. Minder ‘ik’ en meer ‘jij’. Misschien. Alles is relatief. Evenals het kleine vuurtje dat in me brandt, dat toch weer ietsje groter is geworden, net als het ijs dat nu toch weer wegsmelt, net als de regen die nu weer overwaait. Net als punk. Het is allemaal een kwestie van tijd. Punk is dood. Lang leve punk.

Dulcantor
0 0

Vexations

De waanzin had toegeslagen. De mensen spraken allang niet meer. De Vexations voor piano van Satie waren alomtegenwoordig. De mensen stonden voor hun ramen geplakt in absolute onwezenlijkheid. De wrakende eindigheid had zijn werk gedaan. De eindigheid had ook de genade in zich en belichaamde daarmee ook de oneindigheid. Zij was het alles en het niets en met haar visionaire krachten had ze de mensheid bevroren en haar voor de ramen gepostuleerd. Echter hun geesten, hun gezamenlijke geesteskracht ging door en door in eindeloze aanschouwing. Ramen, helder als nooit tevoren, kaderden de mensen als bevroren silhouetten. Tralies zouden alleen een overbodige luxe zijn. Satie, steeds weer en weer, het kwam uit de hemelen, alles overstemmend. De luchten raakten er drachtig van en zij keerden zich binnenstebuiten in een zuurstofrijke droogte. Gekmakend impressionistisch was licht en geluid, in onophoudelijke melodie, zonder begin zonder eind. Vraag en antwoord in de rusten tussen de noten, altijd weer naar de climax van de onopgeloste melodie, zonder soulaas in de noten. Het thema een gapende krater. Er was iets geknakt in de memen van de mensheid, definitief onomkeerbaar. De huisdieren hadden het dagelijkse leven van de mensen overgenomen, om de steden en straten in hun waarde te laten. Alfa en Omega, de één vormende entiteit, had enkel haar invloed op abstracte breinen. Honden en katten waren haar zorg niet. De parkieten en de papegaaien waren gaan vliegen. De honden hadden de straten ingenomen. De mensen zeiden allang niets meer met hun uitdrukkingloze gezichten als een passe-partout. Voldoening gevende honger en dorst was niet meer. Voor hun ramen kwam ook de verlossende slaap niet meer. Uit de hemelen; De tonen van Satie steeds dissonanter met langgerekter noten, maar het drong niet meer door, ze hoorden allang niets meer. Ze zagen enkel. Het absurde tafereel op de straten aanschouwend. Ze keken zolang totdat de werkelijkheid ook niet meer te zien was. De hemelen waren fluor blauw, de straten en gebouwen in schakeringen van fluor roze en paars, de dieren in fluor geel. Het interieur in de huizen hadden geen nut meer. Het meubilair onaangeraakt. Er was enkel nog de periferie op de contouren van de buitenmuren; Van binnen naar buiten met de onmogelijkheid als een immanente dode metafoor. Binnen straalde een wit licht, zo fel dat je er niet in kijken kon, maar door de ramen heen verlichtten de huizen de straten. Zij, onbeweeglijk voor hun ramen, konden alleen de straten inkijken. De reptielen en knaagdieren hadden het allang begrepen en waren hun riolen ingevlucht. De honden beten alle katten dood en zij, zij zeiden allang niets meer. De evolutie had haar werk gedaan in haar finaliteit en de bakstenen bouwen waren het pronkstuk om statig te wezen voor de oneindigheid. En zij was traag schertsend gelukkig.    

Manuel Van den Fonteyne
1 0

mama

Gisteravond wou Juliette buurtpolitie kijken, ok, 1 aflevering en dan gedaan. Ik was ondertussen begonnen in de keuken, met de afwas. De tv gaat uit. "mama, ben je nog niet begonnen aan het eten!" ze heeft honger, dat hoor ik , lichtjes kwaad is ze … neen, ik ga nu beginnen, .. kom je me helpen? Hier een wortel, die kan je schillen en in stukjes snijden. Nee, ik wil niet. Ik leg hem op de tafel in de living, met een snijplank en een mes. Uiteindelijk schilt ze hem, … Ik ga de vistaart maken, uit het receptenboek van Jamie Oliver, ‘’zo jong nog!’’ merkt Juliette op, staat hij op de foto op de cover van zijn kookboek. Uiteindelijk helpt Juliette me … Ze pelt de gekookte eieren, ze heeft een lifehack gezien hoe je dat moet doen, een tas met koud water erin om ze te laten afkoelen.. Ik doe verder. Wortel en ui bakken, … waar is de slagroom? Juliette snijdt de vis in reepjes, ze heeft nog niet zoveel kracht in haar pols, gaat moeilijk, dus ik help. Ze plet de aardappelen en dan zetten we de schaal in de oven. Nog een half uurtje… tot 20u25 dus, ze zet de timer. We zitten in de zetel, tafel is gedekt. De timer loopt af. Etenstijd. Jonas moest nog 10 min z’n game afwerken op tv, Fort nite .. Aan tafel. "Mama, het is niet lekker, het is heeel lekker" zegt hij… de sloeber. Een lach op z’n gezicht. Juliette vindt het ook lekker. We genieten. Ondertussen al bijna tijd. Afruimen. De rust van de avond kan beginnen. Om 21u moet Juliette naar boven, zodat ze om 21u30 in haar bed zit, dat is het plan telkens… Ik ga om 21u30 met Jack naar buiten. Richting het restaurant. Veel licht, hoge ramen, ik zie de mensen zitten aan tafel, ontspannen, praten, een groepje komt net naar buiten en neemt met weinig woorden afscheid. Salu. Ik wandel door tot voorbij de caravan die in de tuin staat van een huis verderop. Er brandt licht. De tv is aan. Gordijnen dicht, maar ik kan een glimp van het tv-scherm zien. Een man zit daarbinnen. Ik zie hem soms. Met een vrouw, z’n moeder?, aan tafel, zitten ze, .. Enkel een hek is de afsluiting van de tuin, geen beschutting, je kan binnenkijken, in de tuin, en in het bijgebouw, naast de caravan, waar hij in de winter zit. Ik keer terug. De maan schijnt met een sliert wolken eromheen. Ze is op weg naar vol. Jonas gaat om 22u naar boven. Een zoen. Slaaplekker. De ideale wereld is vanavond, maar eerst nog voetbal. Ik lig in de zetel, val bijna in slaap… Strompel naar boven, oef, eindelijk, zachtjes doe ik de badkamerdeur open en steek het licht aan.  

Hemelszoet
0 0

Vakantiefoto / Center Parcs 1998

Ik ben het kleedhokje nog niet uit of de weeë geur van chloor en frieten draait mijn maag al in een knoop. Ik slik de koffiekoek van vanochtend weer door en wankel me een weg over de glibberige zwembadtegels. Het geroffel van de regen op het glazen dak zwelt aan in een  verwoede poging de kinderstemmen daaronder te smoren. Tevergeefs. De natuur delft wel vaker het onderspit in parken als deze. De bruine bladeren van de tropische planten zijn daar stil getuige van, hun wortels onder de tegelvloer gekneld als Chinese vrouwenvoetjes.   Naarstig nippen mama en papa al aan een moezelwijn bij de bar. Het afval op tafel verraadt de reeds verorberde kaaskroketten.  Voedsel is een mooie uitvlucht om geen woorden in de mond te moeten nemen. Moezelwijnen om wat niet gezegd wordt door te spoelen. Ik plof neer op een van de witte strandstoelen die ze bezet houden. Ilse zit naast me, mokkend ingeduffeld in twee strandlakens. Ze wou eigenlijk al niet mee gaan zwemmen. De buik was te groot en de bikini te klein. Mijn verwoede pogingen om haar van dat idee af te brengen bleven onbeantwoord. Ook de jongste was met haar kinderkleren het spreken ontgroeid.   Ik zak onderuit en maak oogcontact met de clown in het plonsbad. Er spuit water uit zijn oren en een troep kinderen hangt  huilerig aan de glijbaan die zijn buik met de bodem van het badje verbindt. Zijn belachelijk brede grijns trekt de knoop in mijn maag wat strakker. Ik wend mijn blik af. Ondertussen komt ook Daan aangelopen, enthousiast gesticulerend dat de golven in het grote bad weer begonnen zijn. Ik hoor nu pas de sirene galmen die hen aankondigt. “Eerst nog een familiefoto” oppert vader. Zuchtend komt Daan naast mama staan. Papa houdt de camera omgekeerd voor zich uit en telt af.  Op de achtergrond grijnst de clown meewarig mee.    

Fien
39 0

Bestaan is weerstand bieden

Bestaan is weerstand bieden in Bethlehem. Het staat er op de muur geschreven. To exist is to resist. Tegen die muur. Tegen de waardigheid die die muur tracht te ontnemen. Tegen de opkomende wanhoop, het opborrelende cynisme aan  de checkpoints die de lange grijze betonmassa splijten om ze in haar betekenis te bevestigen. Een van twee kanten, twee maten, twee gewichten. Van Wij en zij, van een eigen identiteit die ligt in de negatie van de ander. Bestaan is weerstand bieden. In de vorm van die graffiti die dat grijze vlak breekt, de vorm van woorden die de  ogenschijnlijk zelfverklaarde betekenis van de muur ondergraven. Bestaan is weerstand bieden, tegen de werkelijkheid van alledag, tegen het uitzicht op die muur. Het is het bestaan van de muur in vraag stellen, weigeren ze te zien zoals ze je wordt opgedrongen, mogelijkheden creëren, alternatieven. Bestaan is weerstand bieden tegen de idee dat muren bestaan uit koud beton en groepen scheiden eerder dan creëren.  Bestaan is weerstand bieden tegen de Palestijnen en de Israëli’s in ons denken, tegen de imagoverlagende en respectabele winkels in de binnenstad, tegen profiteurs en harde werkers, tegen monsters die onze waarden ondermijnen en ridders die ze hoog in het vaandel dragen, tegen economische groei en ondergang, tegen waanzin en rede. Bestaan is weerstand bieden tegen de aanname dat categorieën natuurgegevens zijn, tegen de veronderstelling dat muren bestaan uit stenen in plaats van de weerstand die hen bijeen houdt. Bestaan is weerstand bieden. 

Fien
40 1