Lezen

Tip

Seks, een kelner en de kleine dood

Er is al zoveel nepnieuws op internet, dacht de schrijver. Laten we hem B. noemen. Zojuist, onder de douche, had hij een briljant idee gekregen om zijn schrijverschap te promoten. Hij zou een nepverhaal plaatsen op Azertyfactor, het forum voor would-be schrijvers. En aangezien de schrijver zijn identiteit als 'schrijver' bevestigd wilde zien door echte lezers, besloot hij een daad te stellen. Een namaakverhaal met een titel die 'click bait' zou vormen. Want veel risico liep hij daarmee niet.   Kan ik dat wel maken? dacht de schrijver vervolgens, toen hij de morele kant van zijn actie overwoog. Ik loop weliswaar geen gevaar, maar het is niet bepaald aardig tegenover de lezer. Maar daarop dacht hij aan de grootste bedrieger op aarde, president Trump. De lezer zal het me vergeven, want in vergelijking met deze non-valeur ben ik maar een klein stukje onbenul, en wie zal er beledigd zijn door een onbeduidend schrijvertje als blijkt dat men op een waardeloze link heeft geklikt? De klikker in kwestie zal zich eerder schamen voor zijn eigen sensatiezucht wanneer die veelbelovende link niets anders blijkt dan een natte wind. Staand achter zijn computer, want de schrijver tikt tegenwoordig staande, deed hij een klein dansje. Dat deed hij vaker als hij erg tevreden was over een goede ingeving, en dansen doe je eerder als je niet eerst uit je stoel hoeft te komen. Nu was er nog een titel nodig om als aas te dienen. Het eerste woord wist de schrijver al toen hij onder de douche zijn idee kreeg. Een 'no brainer' zoals de Amerikanen zeggen. Daar schrijven ze 'seks' als 'sex'. Maar aan die anglificatie doe ik mooi niet mee!, dacht B., nog steeds in een zeer zelfgenoegzame bui vanwege zijn idee. Maar als 'seks' het eerste woord van de titel vormt, moet er dan toch niet op zijn minst een heel klein stukje, beetje, deeltje echte seks in, please, please, pretty please? Vooruit dan maar, besloot B, want in dat geval bedrieg ik de lezer een beetje minder dan ik aanvankelijk van plan was. Maar niet te veel, want de lezer moet nog van alles doen, en het is slecht voor de economie als die zich door seks laat meesleuren. Dus bedacht B. het volgende. De vrouw tilde haar avondjurk op, en vroeg de kelner haar nogmaals te bedienen. De kelner, een werkstudent die psychologie studeerde aan de Universiteit van Amsterdam, boog zich over haar heen met de bedoeling haar glas bij te schenken. “Moet ik dan nog explicieter zijn?,” snauwde ze, harder dan ze eigenlijk had bedoeld. “Ik zei bedienen, wat denk je dat ik daarmee bedoel, snotneus! Ik loop al over van de wijn. Zet je tong aan het werk!” Niet slecht, dacht B. Nu nog meer click bait in de titel. Dan ben ik wel gedwongen om met het woord 'dood' in zee te gaan. Het gaat al over seks, dus dan is de kleine dood een mooie toespeling. Dat is echter nogal algemeen, dus laat ik de titel nog iets concreter maken, zodat de afgestompte lezer meteen kan projecteren. En daarmee had B. de eerste woorden van zijn verhaal definitief op het scherm. De kelner, die Vincent heette, en juist was gaan samenwonen met zijn eerste vriendinnetje, zodat hij best begreep wat de vrouw bedoelde, aarzelde. De vrouw was de laatst overgebleven gast, en enkel de kok, die in de keuken nog wat pannen afwaste, en hijzelf waren overgebleven in het restaurant. Als ik onder het tafellaken zit, zal niemand me zien, besefte Vincent. Hij zou ontslagen kunnen worden, maar die kans was klein als hij erin slaagde de vrouw snel te bevredigen. “Ik kom hier vaker eten, en jij wordt mijn vaste kelner,” zei de vrouw, toen Vincent vijf minuten later met een verhit gezicht zijn schuilplaats verliet. Niet veel later ontving het restaurant zijn eerste Michelinster.          

Vincent Baumgart
112 2

Meneer Kaprisky

   ‘Hoe heb je dát in godsnaam kunnen doen?’ Met een verontwaardiging die van overal uit hem lijkt te komen stelt hij de vraag aan de vrouw die aan het onthaal met een medewerkster in gesprek is. Hij kwam de lift uitgestapt en was er nadat hij haar in het vizier had gekregen in rechte lijn op afgegaan. Ze kijkt op in zijn richting  en meneer Kaprisky, klaar voor welk antwoord dan ook, zet op zijn vierentachtigste een hoge borst en neemt een uitdagende houding aan. Hij laat een arm op de balie rusten, buigt voorover waardoor hij op die manier er  eigenlijk niet stoer maar kwetsbaar uitziet, en kijkt haar ronduit minachtend aan. ‘Meneer Kaprisky, u alweer?’ vraagt mevrouw Fijs rustig. De directrice van de seniorie, meestal gekleed  in een zwarte rok en kleurige blouse, tovert een professionele glimlach op het gezicht . ‘We hebben elkaar gisteren nog maar gesproken’ zucht ze op een gespeeld ontgoochelde manier. ‘U had het recht niet’ zegt hij, kort en hard. Zijn donkere ogen staan glimmend in zijn oud verweerde gezicht dat droefheid en vooral woede uitstraalt. Ze glimlacht vriendelijk terug.  ‘Eerlijk gezegd meneer Kaprisky, ik vind het vervelend dat u er opnieuw over begint. Ik dacht nochtans dat het klaar en duidelijk was.’ De papieren die ze in haar handen heeft steekt ze tot driemaal toe in een doorschijnend plastic mapje, een handeling die onzekerheid verraad nu haar geduld op de proef wordt gesteld. Mevrouw Fijs is al meer dan tien jaar verantwoordelijk voor de bejaarden die in Herfstlied wonen (meneer Kaprisky vergat altijd het aantal maar het waren er zeker tachtig, hij zei nooit een  cijfer maar maakte met zijn handen de vorm van een grote cirkel). In het gevarieerd bewonerspubliek zaten er altijd wat zorgenkindjes zoals ze hen met geveinsde sympathie catalogeerde, bewoners waar je op de een of andere manier meer aandacht moet aan besteden. Oudjes met financiële problemen, medische zorgen of een labiele geestelijke gezondheid. ‘Ik ben burgemeester, sociale dienst en ziekenhuis in één’ zegt ze trots en zelfingenomen wanneer de gelegenheid zich voordoet. Ze kent niet iedereen even goed, maar meneer Kaprisky, met wie zij en een aantal van haar personeelsleden al tal van woordenwisselingen hebben gehad, heeft de reputatie korzelig en moeilijk in de omgang te zijn. Haar laatste interventie betrof zijn onbetamelijk  gedrag aan de gemeenschappelijke eettafel, waar hij niet kan nalaten rechtstreeks aan de hals van de waterfles te drinken. Ter verdediging brengt hij aan dat het een gewoonte is als een ander en ze in zijn land over zo’n bagatel niet zouden malen. ‘ Er staan toch nog flessen? Wel dan?’ Omdat hij moeilijk tot rede gebracht kan worden liet ze daarom het personeel de flessen buiten handbereik zetten, en een groot gevuld glas voor hem. Ze ging verder: ‘Meneer Kaprisky, verschillende malen hebben we  uw medewerking gevraagd. Het gaat dan telkens even beter,  maar meestal hervalt u na korte tijd in uw oude gewoonten. Echt, er was geen andere mogelijkheid dan ze weg te nemen, het spijt ons zeer. ‘ Terwijl ze het hoofd schuin houdt lijkt ze het een ogenblik oprecht te menen. Ze kan het goed, bezorgd lijken. Omdat hij het de afgelopen dagen een ijzersterk argument vond probeert meneer Kaprisky het opnieuw:  ‘U kan mijn dagelijkse oefeningen toch niet in het gedrang brengen? Onderweg moet ik kunnen uitrusten, dat heeft mijn dokter zo gezegd. Ik zal hem hiervan op de hoogte stellen, u hypothekeert gewoon mijn gezondheid !’ ‘Daar gaat het ons niet om meneer Kaprisky, uw gezondheid gaat ons wel degelijk ter harte’ , zegt ze diplomatisch. ‘Het gaat om hetgeen u rondstrooit.  U weet best dat er een bordje staat. Toegegeven,  voederen kan een aangenaam schouwspel zijn dat veel genoegen verschaft, en om die reden laten we het ook oogluikend toe, maar het moet binnen redelijke perken blijven. Er blijft best niet te veel liggen, en door de buitensporige hoeveelheden die u achterlaat is dat telkens het geval.  Zoals te verwachten is er door personeel en bezoekers ongedierte opgemerkt. Bovendien kwamen er ook klachten over rottende etensresten, een vies grasperk, kortom, ga zelf eens kijken als u wil, het is niet om aan te zien. Daarom zagen we ons genoodzaakt deze maatregel te nemen.’  En terug verschijnt een geoefende glimlach om haar antwoord formeel kracht bij te zetten en zo elegant mogelijk te besluiten. ‘Ik eis dat u ze terugplaatst’. Zijn ogen, mond en ongeschoren gezicht werken nu intensief samen en geven de diepte van zijn persoonlijk drama een gezicht in een gezicht, en door de spanning verschijnt speeksel in zijn mondhoeken dat hij met de keerzijde van zijn hand wegveegt. Een ogenblik is het stil en staan ze elkaar aan te kijken.. ‘Nogmaals, het spijt ons meneer Kaprisky, maar ik moet in onze seniorie aan de gezondheid en welzijn van onze bewoners denken, het zou….’ ‘Rústhuis’ werpt meneer Kaprisky haar nijdig in het gezicht, ‘ een ordinair ouwe-zakken-rústhuis! ’ zegt hij giftig en voelt dat hij opnieuw het pleit aan het verliezen is.  Ze glimlacht opnieuw. ‘Seniorie meneer Kaprisky, seniorie, ook daar hebben we het al over gehad.’ Opmerkelijk snel voor zijn leeftijd keert hij zich met een ruk om en nog maar half om zijn as gedraaid plant hij zijn wandelstok stampend als een wichelaar op de grond. De adrenaline verschaft hem vinnigheid die niet meer bij zijn leeftijd past. Hij struint richting zijn kamer en mompelt  in een taal die hij jaren geleden achter zich heeft moeten laten. Hij is er zich niet van bewust dat hij bij sterk doorleefde emoties als een noodkoffer bij eerste hulp de taal van zijn geboortegrond gebruikt. Als ze hem daarna naar de betekenis vragen van wat hij heeft gezegd kijkt hij ze alleen maar onbegrijpend aan. Meneer Kaprisky woont al vier jaar in Herfstlied. Dat typisch kenmerk van het lot, geruisloosheid, heeft hem tot daar gebracht. Al enkele jaren was er de groeiende zorg voor zijn vrouw Céline met wie hij sinds zijn achttiende was getrouwd. Toen het moeilijker werd haar alleen te laten, zelfs maar voor tien minuten, komt  voor het eerst de gedachte in hem op om ergens te gaan wonen waar Céline veilig zou zijn. Ook al wijkt hij weinig van haar zijde, er zijn toch nachten geweest dat ze begon te dolen en in het holst van de nacht het middagmaal begon klaar te maken, een gigantische hoeveelheid aardappelen schilde en langs de achterdeur de zwarte nacht betrad om al scharrelend in de duisternis verse peentjes uit de moestuin te halen, waarna ze met niet veel meer dan wat onkruid de keuken terug binnenstrompelde. Wanneer ze op een dag de postbode heimelijk een groot bedrag toestopt om een nieuwe wasmachine voor haar te gaan halen was het sein van hun nakend vertrek in alle stilte gegeven. In Herfstlied betrokken ze  een ruime tweepersoonskamer met zicht op de tuin, en Céline liet zich  in een zeldzaam opgewekt moment ontvallen: ‘ik denk dat mijn moeder hier ook woont, denk je ook niet Janek?’ Céline was nu al drie jaar dood. Het haar van haar man  is sindsdien nog grijzer geworden en ligt onverschillig op zijn hoofd, alsof het niet weet waarnaartoe en het ook niet wil te weten komen. Sinds haar dood is zijn lichamelijke conditie stelselmatig achteruit gegaan en heeft hij vooral last van ademtekort. “Ze heeft een groot stuk meegenomen” zegt hij tegen de dokter die maandelijks zijn kippenborst komt beluisteren.  “Alweer een hap die ze wegneemt, ik kan er niets aan doen” zegt hij telkens de arts meent dat het beter kan. Gelaten haalt hij de schouders op: ‘In mijn geboorteland is het een bekende spreuk als de overblijver, man of vrouw, meestal de vrouw, merkt dat al snel de weerslag van dat jarenlange zorgen de kop begint op te steken.’ De stethoscoop verdwijnt in de dokterstas. Hij gaat niet in op wat meneer Kaprisky zegt, maar geeft het advies in beweging te blijven, te wandelen, af en toe diep in te ademen en regelmatig  te rusten wanneer zijn lichaam daarom vraagt. Mevrouw Hertens, de enige bewoonster waar hij een regelmatig contact mee onderhoudt en op het einde van de gang woont, vergezeld hem soms. Deze weduwe, een minzame moeder van drie kinderen, is  de enige persoon die hij langer dan een kwartier in zijn nabijheid duldt. Hij weet dat de peilende nieuwsgierigheid en jacht op nieuwtjes waar hij zo een grondige afkeer van heeft haar totaal vreemd is, en ze weet ook, zoals hij het noemt, ‘de belangrijkheid der dingen liggen’. Ook mevrouw Hertens vindt het ongehoord waartoe de directrice na een bitse strijd opdracht gaf, en de tegenwerpingen en bemiddelingspogingen van haar kant hadden ook niet geholpen. Mevrouw Hertens kan perfect met de stemmingswisselingen van meneer Kaprisky om en lijkt de bijzondere gave te bezitten, of toch die indruk te wekken, te weten waar de diepere oorzaak te situeren is.  Ze verstaat de kunst nog dat beetje leven in hem te wekken en een zekere interesse en betrokkenheid bij wat er rond hem gebeurt op te laten leven. Daarom stelt ze hem alles aantrekkelijker voor dan het in werkelijkheid is. Als er bij een uitstap slecht weer wordt voorspeld zegt ze steevast dat er ook lange brede opklaringen zullen zijn, en hij gelooft het als ze hem zegt dat die vast en zeker voor hen zullen zijn. En als naar zijn idee een aankomende groepsactiviteit teveel belangstelling krijgt en hij de indruk krijgt dat er een massale toeloop van de hele seniorie te verwachten valt  trekt mevrouw Hertens rustig haar wenkbrauwen op en zegt: ‘Janek, zoveel zijn er nu ook weer niet ingeschreven. En er doet buikgriep de ronde.’ Soms lukken haar eufemistische verleidingspogingen, maar in de meerderheid van de gevallen blijft meneer Kaprisky op zijn kamer zitten. In het begin vroegen de medebewoners zich af wat die plotselinge eenzelvigheid en humeuromslagen in de recreatiezaal te betekenen hadden. De zeldzame keren dat hij  toch aan een groepsactiviteit deelneemt is de kans reeël dat er een moment aanbreekt dat hij plots zonder een woord te zeggen de tafel verlaat en zijn kamer gaat opzoeken. ‘Wat is er Janek? Voel je je niet lekker?’ Dat soort vragen had hij verwacht en zijn antwoord zat klaar.  ‘Ik ben een beetje moe, slecht geslapen vannacht. Die dekselse rug speelt weer op, maak je maar geen zorgen. Even rusten en ik kom dan wel terug.’ Maar hij komt niet terug. Of hij zegt dat er zo dadelijk nog bezoek voor hem onderweg is en ze gaat opwachten. ‘O, goed hoor’ zeggen ze, en kijken elkaar samenzwerend aan wanneer de kaarten opnieuw worden geschud en iedereen goed weet dat er niemand komt. Ze vinden meneer Kaprisky een moeilijk te doorgronden man. ‘Aanstellerij’ zegt de een, ‘luimen’ zegt een ander. Na een tijd vragen ze hem niets meer. Ze letten er ook niet meer op als hij arriveert, houden niet langer rekening met zijn aankomst, zijn aanwezigheid of vertrek. Meneer Kaprisky is als de onzichtbare wind die komt en gaat. Mevrouw Hertens ziet het aan en weet niet goed wat ze er moet mee aanvangen, en het enige wat ze doet is hem stil nakijken wanneer hij de gang doorloopt en verdwijnt. Op andere momenten is hij bij het middageten dan weer aangenaam gezelschap, onderhoudt zich vrijelijk met disgenoten, maakt af en toe een grapje, maar dan gebeurt het dat er door een onbekende oorzaak een duistere wolk zijn geest binnentrekt. Het gebeurt op dezelfde manier  zoals een slechtvalk een duif in open lucht slaat : onverwacht, plots en bruusk. Een hinderlaag waar hij nooit aan went. Zijn gezicht betrekt, kijkt niemand nog aan terwijl hij opstaat  en zonder nog iets te zeggen beent hij de zaal uit. Om dit vreemde gedrag krijgt meneer Kaprisky van zijn medebewoners allerlei eigenschappen toebedeeld, maar vooral het feit dat ze weinig van hem te weten komen werkt hen danig op de zenuwen. Is er iets vervelender dat een levensgeschiedenis door koppig stilzwijgen niet blootgelegd wordt, zeker als die onverkwikkelijk zou kunnen zijn ? Is het niet onbeleefd om een vraag van een bejaarde onbeantwoord en in onzekerheid te laten? Wat heb je anders nog dan elkaars herinneringen te delen als het leven bijna voorbij is? Het zijn van die weinige dingen die een oude dag nog zin geven. Op de drempel van de dood  zouden er geen mysteries meer mogen bestaan. In het aanschijn van de dood is alle openhartigheid na te streven. Ze hadden zijn vrouw Céline natuurlijk gekend en wisten nog goed hoe ze met haar fragiele blik van een vogeltje de eerste dag Herfstlied binnenkwam. Soms konden ze van haar een nieuwtje ontfutselen maar minder vaak dan hen lief was. Het laatste jaar van haar leven hebben ze af en toe het nachtelijk geroep moeten aanhoren, en op een keer ook de politiewagen gezien die badend in blauw licht haar midden in de nacht thuisbracht. Meneer Kaprisky had toen niets gehoord. In de uren onzekerheid die op de verdwijning volgden stelden ze hem de vraag of er eventueel familieleden op de hoogte moesten gebracht worden. ‘Ze zoeken immers vertrouwde mensen en plaatsen op’  zeiden de hulpverleners behulpzaam terwijl hun kleine radio’s aan hun buikriem stemmen braakten. Ze bleven bij hem en wachtten op nieuws. Ze hadden mevrouw Hertens tot steun erbij geroepen en waren zo te weten gekomen dat meneer Kaprisky een zoon had die ver weg woonde en nooit op bezoek kwam. Meer dan vage aanwijzingen waren er niet.  Zijn medebewoners heeft hij er nooit met een woord over gerept, en ook Céline was niet zo helder meer dat ze klaarheid zou kunnen scheppen. Elke keer het er naar uit ziet dat er een dreigende vraag op komst is brengt hij het gesprek naadloos op iets anders, begint over brood dat ’s morgens zo hard is dat je er een nagel mee in een tafel kan slaan, waarop hij meteen de gang op gaat om dat ergerlijke feit nog maar eens te gaan melden. Wanneer er tijdens de maandelijkse handwerksessies alweer knusse familienieuwtjes worden uitgewisseld en de toespelingen als hete kolen onder zijn voeten worden gelegd, kruipt hij op een of ander onzichtbaar podium en begint schampere opmerkingen te maken. Het werkstukje waar hij aan bezig is houdt hij dan overdreven trillend in de hand, trekt zijn onderlip naar beneden en spartelt als een idioot met spastische bewegingen heen en weer op zijn stoel. Meneer Broenders  giechelt als hij hem bezig ziet, maar giechelen doet meneer Broenders bij nader inzien heel de dag door. De anderen zitten half verveeld half geamuseerd hem aan te zien tot hij zich excuseert en wegduikt in zijn stoel wanneer zijn auditie afgelopen is. Het gevaar is geweken, hij voelt opluchting maar ook een diepe schaamte om zijn afleidingsmaneuvers die hem elke keer met afschuw vervullen en hem een verliezer doen voelen. Ongeacht welk weer het ook mag zijn, meneer Kaprisky vertoeft veel en lang aan de vijver van de seniorie. ‘Hij ziet de eenden liever dan ons’ had meneer Govaert eens smalend aan tafel  opgemerkt, en kreeg daarmee veel instemmend gegrom. Het komt wel eens voor dat men hem totaal verkleumd binnenhaalt. Het deert hem niet, de week erop kan het zijn dat hij er bij vriesweer opnieuw zit. Van zodra hij de eetkarren op de gang op restjes heeft doorzocht en genoeg buit verzameld heeft trekt hij naar de waterplas. Hoewel het een inspanning is die veel van hem vergt is er een innerlijke dwang die hem voortstuwt. Rustig en gedoseerd legt hij de honderd meter vanaf het hoofdgebouw af, leunend op zijn wandelstok. De eenden en waterhoenen verdringen elkaar zodra ze hem zien. Ze kennen hem, zijn bruine plastic jas en gebreide muts met jaarringen. Hij opent de papieren zak en gooit een handvol het water in maar zijn interesse gaat naar iets anders uit dan het gespartel voor hem. Hij begint de hemel af te speuren. Wanneer de meeuwen een voor een arriveren verschijnt een grijns op zijn oude stoppelbaard, een zeldzaam moment wanneer er geluk op af te lezen valt. ‘Jullie zijn er.’ zegt hij luidop. Eerst een enkeling, dan een tweede. Een minuut later zijn ze met vijftien. Zo gaat het elke keer. Genadeloos verjagen ze de eenden en eisen agressief alles op wat het water drijft.  Meneer Kaprisky kijkt er ontspannen naar. Tussen al dat overstemmend gegil  en geschreeuw spreekt hij zoete lokwoordjes naar de meeuwen die hij alleen verstaat. Als de laatste restjes uit de zak geschud zijn en in de chaotische wirwar voor hem de zoveelste ruzie uitgevochten wordt, gaat hij op de bank zitten en sluit de ogen. Aan zee. Zon lokt mensen naar het strand, zon die zijn ogen tot fijne spleetjes knijpt. Af en toe sluit hij ze omdat ze door de zon aan het tranen gaan en ze wil laten rusten. Achter de felle gloed van zijn oogleden speelt een tafereel dat hem sinds die dag niet meer heeft verlaten. Dat ene moment werd, daar in de sluitertijd van zijn geschiedenis, voor altijd gevangen. De warme wind, het geluid van stemmen en lachende kinderen, het krijsen van ruziënde meeuwen. Zijn kind. ‘Gaan we ze lokken met brood papa? Ik wil ze van dichtbij kunnen zien, misschien kan ik er wel een vangen!’ Zonder een antwoord af te wachten tast een kleine hand in een tas die half onder het zand bedolven ligt. Hij grabbelt en vindt de rest van een boterham die hij haastig als een stuk papier versnippert en in kleine stukjes in een halve cirkel op de grond strooit. Hij loopt enkele meters achterwaarts zodat hij de plek geen moment uit het oog verliest en niets hem ontgaat. Het kleine lijfje staat vol spanning toe te kijken en peilt regelmatig het gezicht van zijn papa. Het duurt niet lang voor er een meeuw landt, en dan nog een. Ze roepen soortgenoten bij elkaar. Verzamelen geblazen. De intensiteit van het moment dringt helder tot hem door. Voor het eerst voelt hij zich werkelijk vader terwijl hij daar op de grond zit toe te kijken. Geluk dat soms zo klein als een zandkorrel is, weerklinkt nu massaal in zijn binnenste en ervaart die dag een veelvoud van dat zeldzame goed waarvan hij de grootheid niet kan vatten. Terwijl zijn knieën dieper het zand in gaan kijkt hij met nieuwe ogen naar zijn achtjarige zoon, dat deel van hemzelf dat joelend meeuwen achterna zit. ‘Ogen dicht papa! Je moet straks raden wat ik aan het doen ben! Een verrassing, opgepast!’ Hij ziet hoe zijn zoon van binnen en van  buiten zo vreselijk op hem lijkt, dat bloed dat zo met het zijne is vermengd. Hij weet niet wat het is dat zijn zintuigen tot deze uitersten drijft, maar hij zit er middenin. Met zijn duikersbril rent de knaap als een vliegtuigacrobaat het groepje meeuwen achterna die bij zijn woeste doortocht beheerst opvliegen en enkele meters verder neerzeilen. Ze lijken ervaring te hebben met gekke kleine mensen. Molenwiekend, alsof hij een bocht dreigt uit te vliegen, maakt hij plots rechtsomkeer en zet met opengesperde armen een volgende aanval  in. Hij kirt van genoegen wanneer hij na talloze pogingen uitgeput ophoudt met rennen en in het zand ploft. Hij ziet hoe zijn zoon met zijn handen in zijn zijde zwaar staat te hijgen en nauwelijks iets kan uitbrengen. Hij kijkt zijn vader lachend aan en slaat op net dezelfde manier als hemzelf nat zand van zijn voetzolen af: in drie keer, zoals je een dronkenlap wakker maakt. Mijn jongen, waarom ben je uit dit leven weggegaan? Niemand weet het. Onuitsprekelijk. Alleen de meeuwen. In het voorjaar, wanneer de natuur uit een lange slaap wakker begint te worden en na de winterperiode zoals elk jaar weer een aantal residenten overleden zijn, zit meneer Kaprisky aan de vijver wanneer een akker ernaast wordt omgeploegd. Vanaf de bank ziet hij hoe een horde meeuwen met hysterisch gekrijs achter een tractor aan heult en keer op keer in duikvlucht de vers omgeploegde voren als een uitgestald  banket aanvallen. Hoewel de papieren zak opengesperd staat strooit meneer Kaprisky niets. Hij kijkt een tijdje naar de tractor en zijn gevolg en draait traag de zak terug dicht. Hij gaat zitten en sluit de ogen.  Broodkorsten, afgesneden kaaskantjes en zwoerdjes blijven naast hem op de bank staan. De eenden voor hem blijven verwachtingsvol kringetjes draaien, maar hij is niet in hen geïnteresseerd. Hij merkt ze zelfs niet op. Gejoel, een kleine hand, wilde aanmaningen van een uitgelaten kind. Een vader die zich op een bijna pijnlijke manier verbonden weet. De keerzijde. Wanneer hij een goede dag heeft en zich in redelijke staat voelt probeert hij nog wel eens tot op de plaats te gaan waar de bank stond, maar na twee pogingen geeft hij het op.  Hij vreest zijn kamer niet meer te halen als hij niet ruim genoeg de tijd krijgt om op de bank op adem te komen. Ontstemd en ontgoocheld moet hij de lege plek aanzien en keert hij na een paar meter onverrichterzake  terug. De adem wordt jachtiger en het tempo vertraagt. Er breekt een tijd aan dat meneer Kaprisky zijn kamer nauwelijks nog verlaat en de minste inspanning een ware opgave voor hem begint te betekenen. Er is  Bovendien is er niet  veel innerlijke kracht meer dat hij nog kan opbrengen. Op een dag verwondert het personeel er zich over dat hij al dagen niet meer heeft gezeurd. Zijn buren zien hem zelden nog  in de gang. Alleen mevrouw Hertens brengt  hem af en toe een bezoek en zegt dan: ‘eet iets Janek’. Op een keer, wanneer ze bij hem in de kamer is en aanstalten maakt haar eigen kamer te gaan opzoeken, zegt hij met gehavende stem en zonder haar aan te kijken:  ‘Het andere deel van mijn adem gaat er ook aan. Mijn long is als een feestballon die stilaan leegloopt en rimpelig en zielig aan de deurklink hangt’ . Mevrouw Hertens knikt en probeert een opbeurend woord te spreken.  ‘Is dat nog een andere spreuk uit je land?’ Ze glimlacht en kijkt hem daarbij zo warm aan dat hij op zijn beurt haar hand neemt en er een kus op drukt. Het is de eerste keer dat hij haar aanraakt. ‘Bedankt Suzanna, bedankt’ , en hij staart verder uit het raam. De bank is nu al drie maanden in opdracht van mevrouw Fijs weggehaald. Toen het hem door begon te dringen dat ze niet meer op haar beslissing zou terugkomen, schopt op een middag  Janek Kaprisky zijn pantoffels uit en kruipt met zijn kleren aan in bed. In diezelfde week maakt hij nog eenmaal zijn opwachting bij het bureel van mevrouw Fijs. Met een nauwelijks hoorbaar stemgeluid harkt hij zijn woorden bij elkaar terwijl hij in de deuropening blijft staan, en klinken de woorden als een smeekbede. Eerst zegt de directrice geen woord. Ze lacht alleen maar van achter haar bureau en schudt met het hoofd. ‘Nog een fijne dag meneer Kaprisky’ wimpelt ze hem af en gaat verder met haar werk. Meneer Kaprisky laat de schouders zakken en hoopt dat ze nog eens opkijkt, wacht nog even en trekt dan toch de deur achter zich dicht. Een drietal weken daarna, op een namiddag in september, ontwikkelt meneer Kaprisky hoge koorts die zich zo vastberaden aan zijn leden vastsnoert dat niemand aan de ernst van zijn toestand twijfelt. Zijn arts wordt er bijgehaald die zijn wens respecteert : hij wil niet meer naar het ziekenhuis worden gebracht. Ondanks de medicatie blijft de koorts in de loop van de nacht verder stijgen en trekt met perioden rusteloos door zijn lichaam. Na een korte doodstrijd sterft Janek Kaprisky in de loop van de daaropvolgende dag. Ze hadden ervoor gezorgd dat hij niet heeft geleden. Mevrouw Hertens week de laatste uren niet van zijn zijde. In zijn persoonlijk dossier stond onder de rubriek contact geen enkele naam of telefoonnummer vermeld. Twee dagen later haalden werkmannen op een uur tijd zijn kamer leeg. Ze plaatsten vier grote blauwe plastic zakken in een kleine spreekruimte aan het onthaal en gaven de kamer een grondige poetsbeurt. Op de herdenkingsdienst waren maar een handvol mensen aanwezig. Ze gingen hem missen zeiden ze, maar de meeste tranen kwamen als ze aan hun eigen leed en verdriet dachten. De meesten koesterden een zekere bewondering voor zijn vreemde authenticiteit en het onzegbare dat ze meenden met hem te delen. Een kaartje met zijn gekalligrafeerde naam werd tussen andere namen op een kurkbord geprikt. Bij gebrek aan plaats wordt een maand later een ander kaartje er bovenop geprikt. Herfstlied verwelkomde na enkele dagen voor de achtste keer dat jaar een nieuwe bewoner. Het leven gaat verder en alles verandert voortdurend. De tijd neemt alles en iedereen onder handen, oud en nieuw volgen elkaar op. Met meneer Kaprisky verdwenen ook de meeuwen. Het was of ze er nooit geweest waren en ook alle meningsverschillen die ze ooit met hem hadden gehad. Op een vroege maandagmorgen pakken vier mannen in fluorescerende werkpakken de tuin grondig aan. Afbrokkelende randen van de vijver worden opgehoogd en met folie afgeboord, en ook de kuilen in het wandelpad rondom de vijver worden met steenslag bijgevuld. Grof gemalen boomschors worden als grote donkere stukken chocolade tussen de bloemperken gestrooid. Het kleine boogvormig sierbrugje krijgt met een hogedrukspuit een grondige reinigingsbeurt. Ook de bank wordt terug op zijn plaats gezet. Een paar meter verder, waar het grasperk naar de oever afhelt, staat nu op dezelfde plaats als voorheen een bord op een nieuw hardhouten paaltje. De oorspronkelijke tekst is verdwenen en met witte grondverf overdekt. Voortaan staat er in schreeuwerig rode kapitalen te lezen: ‘STRIKT VERBODEN TE VOEDEREN’.

Lode Van Wabeke
0 0
Tip

Familietrekjes

Je zag al van ver dat ze het niet gewoon was met een computer te werken. Balancerend op het puntje van een gekantelde stoel, in een houding waar een ander al vlug rugpijn van krijgt, tikte ze met twee stijve vingers afwisselend op het toetsenbord, net kleine poten van een dressuurpaard. Haar ogen pendelden onafgebroken tussen haar vingertoppen en het scherm. Ze talmde en wachtte voortdurend het gevolg van haar trommelen af, en deed dan verder. Haar lichaam was gespannen als een veer, en leek op iemand die voor de eerste keer een pasgeborene een badje geeft. Tussen computers en haar ging het niet al te best, ze vond die onwillige dingen die nooit deden wat je vroeg maar niets. Maar deze keer had ze alle daadkracht bij elkaar geschraapt, en nam zich voor een email te schrijven, een persoonlijke elektronische brief aan haar broer Herman in Nieuw Zeeland. Eerst had ze gedacht de mededeling via Skype over te brengen, zoals steeds bij vermeldenswaardig nieuws, maar verleden jaar, toen hun moeder op haar vierenzeventigste  onverwachts overleed, was dat geen goed idee geweest. ‘Jacqueline, het mag dan wel de andere kant van de wereld te zijn, je boodschap was heel onbehouwen en zonder voorbereiding veel te bruusk aangekomen’ schreef hij later terug, en voegde er de vraag bij dit soort boodschappen voortaan schriftelijk per email mee te delen.‘ Terwijl ze over zijn smakeloze opmerking nadacht, er is immers geen goede manier om slecht nieuws te brengen, duwde ze onbewust zo hard op de toetsen van het klavier dat het leek alsof ze insecten aan het dooddrukken was. Zonder op te kijken riep haar man, languit gelegen vanuit de zetel:  ‘Mens, de mechaniek is er al lang uit verdwenen, ram toch niet zo op dat ding.’ Ze schrok van haar brute kracht, en om zichzelf een houding te geven keek ze naar haar handen. Ze inspecteerde een kleine wonde onder de kleefpleister op haar duim, opgelopen tijdens het opscheren van dertig bolheesters die nog dezelfde morgen dringend op transport moesten worden gezet.  Alles wat haar oudste broer zei had belang, altijd al geweest. Hij bepaalde de norm. Ze had ontzag voor hem en benijdde al haar hele leven tal van eigenschappen waar ze alleen maar kon over dromen en zich van kindsbeen de mindere deed voelen. Deze keer wou ze, het was een beetje gek vond ze zelf, waar het vandaan kwam wist ze niet zo goed, deze keer wou ze op gelijke voet met hem staan. Schrijven had haar nooit gelegen, het was voor haar niet de meest effectieve manier om te communiceren. Ze verkoos daadkracht boven verstand, een functioneel telefoongesprek boven een brief.  Het toestel dat onder haar neus stond te zoemen, en het delicate nieuws dat ze moest meedelen, zorgde voor een prikkelbare geladenheid. De aanhef van de brief, waar ze het al vrij vlug over eens was, bleek het makkelijkste deel. Ze tikte vrij soepel, bij wijze van opwarming, de eerste letters van haar brief bij elkaar: ‘Beste Herman, beste broer, ik hoop dat het goed met je gaat.’  Geen slecht begin voor iemand die nooit brieven schrijft’, sprak ze zichzelf moed in. Het was een klassieke opener, maar twijfelde even of er een vraagteken achter hoorde. Ze beet op haar onderlip, zag beide mogelijkheden voor haar geestesoog, maar liet de zin gewoon staan. Ze dacht na of de beleefdheidsformule nog uitgebreider moest zijn, maar hield het doel van haar brief strak voor ogen en schreef prompt: ‘Het gaat niet goed met onze jongste broer.’ De zin die daarop volgde, waarmee ze tegen haar natuur in haar onwennigheid een mysterieuze sfeer opriep, werd traag en behoedzaam ingetikt: ‘Er is iets met hem.’   Jacqueline leek in niets op haar twee broers. Fysiek was er nog het meeste overeenkomst, donkerbruine ogen sinds generaties overgeleverd en een licht geprononceerde onderkaak die hen alle drie een soort aristocratisch uiterlijk gaf.  Als kind waren ze heel verschillend. Jacqueline was de meest jongensachtige van de drie. Praktisch ingesteld,  eerder kortaangebonden dan diplomatisch, meer een doener dan een denker. Herman daarentegen, de oudste, bleek al vroeg een bolleboos in chemie. Even zwijgzaam als zijn koolstofverbindingen, stond het al vroeg in de sterren geschreven dat hem een gouden toekomst wachtte wanneer hij op een dag in de voedingsmiddelenindustrie met een nieuw recept furore maakte. Oxydatiereductie noemde het, het woord was al die jaren in het familiegeheugen gegrift gebleven, maar uitgezonderd van Herman had niemand ooit kunnen uitleggen waar het over ging. ‘Iets met voeding’ zeiden ze onmachtig.  Hij woonde al jaren in Nieuw Zeeland, en leidde een multinational van ontbijtgranen. Ironisch, Herman die aan de andere kant van de wereld een herwaardering van de ontbijtcultuur aan de man probeerde brengen, maar vroeger nooit voor tien uur iets naar binnen stak. Pierre was socialer en innemender dan zijn broer en verslond al vroeg boeken die voor een ouder publiek waren bestemd. Hij lag altijd voor op schema. Elke dinsdag reed hij naar de bibliotheek, naar een van de drie vestigingen waar hij lid van was, verzamelde haastig de boeken die op zijn lijstje gekribbeld stonden, en verdeelde de buit over twee fietszakken. De voorraad stapelde hij in twee rijen op zijn nachtkastje, met de ruggen tegen elkaar, in een bepaalde volgorde die hij aanbracht, en las de boeken van boven naar beneden. Het was nauwelijks een verrassing wanneer hij filologie ging studeren. Zijn proefschrift handelde over Angelsaksische literatuur tijdens het interbellum, en nog voor hij gepromoveerd was kreeg hij een betrekking als leerkracht Nederlands in een middelbare school vol gillende tienermeisjes. In de nabijheid van haar broers voelde Jacqueline zich afwijkend van de intellectuele norm. Ze bezat al vroeg een opmerkelijke dadendrang, wou zo vlug mogelijk groot worden, geld gaan verdienen en niet teveel tijd verliezen aan beuzelarijen (zoals ze studeren noemde). Pierre hielp haar stilzwijgend bij het maken van opstellen en andere schrijfwerkjes. Hij legde telkens zo goed als volledig de laatste hand aan deze werkstukken nadat ze eens bij het maken van een opstel zo overstuur raakte dat ze drie dagen van school moest wegblijven. Ook zij had uiteindelijk haar bestemming gevonden, en samen met haar man Rudy runden ze nu al veertien jaar Domus Sylvatica, een boomkwekerij gespecialiseerd in bladhoudende sierheesters en coniferen in treurvorm. Zaakvoerders van een pépinière zoals ze het zelf het liefst in gezelschap zei . Het was de enige distinctie die ze zichzelf aanmat. Ze staarde naar het scherm en deed verwoede pogingen een behoorlijke, welluidende zin op poten te zetten. Ergens verwachtte ze dat die automatisch uit de vorige twee tevoorschijn zou komen, maar de cursor bleef ongeduldig ter plaatse trappelen. Ze maakte een eind aan haar getob door te besluiten het verhaal van begin af aan te vertellen, zonder franjes, recht toe recht aan, zoals ze het zelf voor zichzelf in de tijd zag uitrollen. ‘Het begon drie weken na zijn boekvoorstelling.’ Ze beroerde kalmer de toetsen nu , en de woorden vloeiden makkelijker uit haar weifelende vingers. ‘Pierre heeft me verteld dat hij jou enkele foto’s van die avond heeft doorgestuurd, klopt dat? Als dat zo is, dan zal je hem ook wel diep weggezakt in die sofa op het podium hebben zien zitten. Met de knieën hoog en dat ontembaar warrig haar van hem (net een clochard), leek het of hij in zijn woonkamer televisie zat te kijken. Hij beantwoordde met een gelukzalige blik de vragen van het lezerspubliek. Je weet Herman, hoe lang hij aan die eerste roman heeft gewerkt, hoeveel dat geschrijf voor hem betekende, een droom die werkelijkheid werd. Na al die jaren is het hem dan toch gelukt.’ De syntaxis van haar zinnen kon beter, maar tot dusver vond ze dat ze het er niet slecht vanaf had gebracht. De inhoud en de gebeurtenissen waren het voornaamste. ‘We hebben het niet zien aankomen Herman. We zouden hem zeker geholpen hebben mochten we het in de gaten hebben gehad, dat begrijp je wel. Op een avond belde hij. Ik vond het vreemd, want zoveel belt hij niet, en zeker ’s avonds niet. Hij zei : ‘Wat een miserabele vent ben ik toch. Je gelooft het niet. Ik heb drie komma’s teveel gevonden in mijn boek.’ Het klonk bespottelijk in de oren, een volstrekt belachelijk detail, maar zijn stem was bloedernstig. ‘En zeker zes plaatsen waar ik wél een komma zou hebben gezet.’ Daarop was er een geanimeerd lachje van mijn kant. Hij werd boos. ‘Het is echt niet grappig Jacqueline, godverdomme écht niet! Ik probeerde het goed te maken. ‘Staan zulke foutjes dan niet in elk boek, Pierre? Hij mompelde iets onverstaanbaar. ‘Vraag aan je uitgever of hij het bij de volgende druk aanpast, dat kan toch?’ zei ik hulpvaardig. Dat leek hem enigszins gerust te stellen. Het gesprek ging verder over ditjes en datjes, gewone dingen, maar hij kwam er steeds weer op terug. Het was blijkbaar een ontgoocheling buiten alle proportie, en hij kon er niet over zwijgen. Daarna hoorde ik een week niets meer van hem, tot hij kort voor de paasvakantie opnieuw belde. Ik stond met een snoeischaar en handschoenen in de hand wanneer hij door mijn mobieltje schreeuwde. ‘Het is helemaal verkeerd! Hoe is het mogelijk dat ik dat niet heb gezien?’ en weer waren er die verwensingen die hij over zichzelf uitriep. Het duurde even voor ik begreep waar hij het over had. ‘Pierre, waar heb je het over?’ vroeg ik.  ‘Wel, versta je het dan niet, er moest staan: ‘zijn gezicht kon niet verhullen dat’.   Alweer dat boek. Ik kon nog altijd niet de juiste schuifjes in mijn hoofd open en dicht trekken, en zei daarom niets. ‘Jacqueline? ‘Het staat er helemaal verkeerd Jacqueline!’ Ik hield me rustig maar zei nogal koeltjes: ‘Ja Pierre, en wat dan nog?’ ‘Er staat gedrukt : zijn gezicht kon niet verbergen dat. Begrijp je het dan niet? Verhullen is niet hetzelfde als verbergen. Verhullen was het enige geschikte woord dat daar moest staan, dat een ander cachet aan de zin gegeven zou hebben, hem dieper doen resoneren, ernstiger klinken. En nu is het te laat, een valse partituur. Elke keer dat ik er naar kijk wordt mijn maag in stukken gekliefd.' ‘Pierre. Luister eens. Overdrijf je niet een beetje?’ zei ik, en hoorde een begin van angst in mijn stem. Hij ging gewoon verder en wist niet of hij mij gehoord had. ‘Dat ik daar over gekeken heb, ondenkbaar gewoon! Uiterààrd moest het dat zijn. En groezelig moest smoezig zijn, op die plaats althans. Nog zo iets verdomme: verslodderde groenten is een prachtige metafoor voor een slijmerige desintegratie van een groente, en er staat – het is toch waanzinnig godgeklaagd- verpieterde. Dat schrijft iedereen, verpieterd! In de zesde klas schrijven ze godverdomme al verpieterd! Hun opstellen staan er vol van! Waarom heb ik gewoon niet wat langer aan het manuscript gewerkt?  Dat was het moment waar ik kordaat ingreep.  ‘Omdat je er zowat acht jaar aan hebt gewerkt’ zei ik kortaf. ‘Je moet iets kunnen afwerken Herman, en dat heb je gedaan.’ Stilaan verloor ik mijn geduld. Ik dacht dat het iets van schrijvers was, die altijd sluimerende ontevredenheid over hun werk. Ik vond dat dat overdreven kunstenaarsgedoe maar eens over moest zijn. Ik trok al langer mijn wenkbrauwen op bij het zien van foto's die hij ons liet zien, van wufte sjaaltjes in schimmige schrijversclubjes, het schouderkloppend tutoyeren na het voorlezen van een middelmatig werkstuk en het aanhoren van die eeuwige discussies over het maatschappelijk belang van literatuur. Het was allemaal navelstaarderig gewauwel. Ik luisterde maar met een half oor meer toen de klaagzang aanhield. ‘Maar dat is het hem juist Jacqueline, het is niet afgewerkt! Het is helemààl niet afgewerkt Jacqueline!’ Moet ik daarvoor zo lang aan dat kloteboek hebben gewerkt, om met zo iets halfslachtig voor de dag te komen? Om van het ene op het andere hersendodende woord te stuiten?’ Ik verborg zo goed mogelijk mijn ergernis en zocht wijze woorden bij elkaar. ‘Jacqueline? Ben je er nog?’ ‘Pierre, ik denk echt dat je overspannen bent. Ik weet dat dit belangrijk voor je is, maar het is uiteindelijk maar een boek, probeer het eens te relativeren’, waarop hij de telefoon dichtgooide. De derde keer, twee weken later, belde hij midden in de nacht. Onaards, met een griezelig morbide stem en een gejaagdheid alsof hij net op straat overvallen was, zei hij schor:’ Mijn kind (hij noemde het boek zijn langverwachte kind) is van een prachtig schepsel tot een afzichtelijk gedrocht geworden. Een huiveringwekkende metamorfose zus!‘ Ik luisterde alleen maar, en wou alleen maar dat het niet zo herkenbaar in de oren klonk. ‘En er is nog meer! Ik had Vicky niet met de buurjongen moeten laten gaan, want dan stopte de familielijn door haar erfelijke belasting, en dan was Harry bij Esther weggegaan en bij haar broer in de zaak gegaan, waar ze dan meer….’ ‘Pierre, alsjeblief, hou daar mee op ! Ik ging zitten en kneep mijn ogen dicht. Luister, het verhaal is wat het is. Het is zoals het leven zelf, nooit af, maar wat gebeurd is is gebeurd, aanvaard dat nu toch eens. Er zijn zoveel dingen in het leven die we niet kunnen herschrijven, hoe graag we dat ook zouden willen.’ Met lange halen haalde hij opnieuw uit, een weeklacht en gebroken slierten die van hoog naar laag gingen, en doorheen al dat geslobber klonk totale ellende. Plots hield het op. Ik hoorde hem zijn neus snuiten. In een poging zijn ademhaling onder controle te krijgen ademde hij diep in en uit. ‘Nog één iets Jacqueline, en dan hou ik er over op’ zei hij, schijnbaar tot rust gekomen. ‘Ik luister’ zei ik. Het interesseerde me dan al lang niet meer, maar ik was heel erg bezorgd. ‘Stilligschade.’ ‘Wat?’ ‘Stilligschade. Dàt zou waarachtig de titel geweest moeten zijn. Ik las het in een artikel over scheepvaart…het woord trof me recht in het gezicht…als een schip te lang aan de kade ligt… loopt de rederij financiële schade op…maar zie je, je kan het ook toepassen op relaties…die lopen ook schade op wanneer ze te lang stil liggen…snap je? Het zou een kanjer van een titel geweest zijn.’ Ik hoorde hem broeierig ademen. Het was binnenin in hem nog altijd even erg, alleen huilde hij niet meer. Opeens besefte ik dat hij te ver heen was, dat hij het alleen niet meer aankon. ‘Ik spring in m’n kleren en ben zo dadelijk bij je, is dat goed?’ vroeg ik. Hij leek het niet te horen.   Het was alsof een orkaan door zijn woonkamer was gegaan. Hij keek me niet aan wanneer hij me binnenliet, en zei tegen niemand in het bijzonder dat mentholsigaretten even grote rommel waren als gewone. Overal lagen papieren verspreid, een puinhoop waar een halve dag een wervelstorm doorheen was gegaan. Honderden bewerkte versies uit zijn manuscript, doorstreept met rood, blauw en verscheidene fluo kleuren in de kantlijn, lagen overal. Te midden van zijn op hol geslagen biotoop zag ik een tekstblad liggen, exemplarisch voor al de rest, waar nerveus gekraste pijlen van de ene naar de andere kant getrokken waren, en waar drie enorme uitroepingstekens met grove halen bij een veelvuldig omcirkeld woord de wacht hielden. Hij zag er niet uit. In de provisiekast was geen beschuit meer te vinden, hij leefde al dagen op koffie en suiker. Drie weken oude post lag ongeopend in een hoek gegooid. Het ganse appartement geurde naar ongewassen lakens en bejaardruikende mannen. Twintig geschenkexemplaren van het boek, ik herkende ze meteen aan de blauwe litho van Monet op de voorzijde, waren allen in stukken gescheurd, de gelamineerde kaft in een pijnlijke grimas getrokken.  ‘Pierre, zou je het geen goed idee vinden...’ ‘Geloof je me Jacqueline?’ vroeg hij, recht in mijn ogen starend, terug neergedaald op aarde. Ik zag zijn rode, met droefheid doorlopen hondenblik en hield voor een keer mijn immer kordate wijsheden voor mezelf. Ik wist niet goed wat hij me vroeg te geloven, maar ik wou dit kleine voorschot aan vertrouwen niet schenden.  ‘Ik geloof je Pierre’ zei ik, zo overtuigend mogelijk. Ik glimlachte naar hem en probeerde na te denken over wat er verder moest gebeuren. ‘Laten we ergens naartoe gaan waar je even tot rust kunt komen’, bracht ik aan. ‘Daarna ruimen we de boel hier wat op en kan je weer verder werken. Maar eerst rust. Vindt je dat goed?’ ‘Ik bespaar je verdere details Herman, maar ik nam hem na lang over en weer gepraat tenslotte mee naar huis, deed wat telefoontjes, en op het moment dat ik dit schrijf is hij aan zijn achtste dag  opname toe. De artsen hebben ons tot op vandaag nog niet veel gezegd. Ik heb vooral fronsende voorhoofden gezien en voorwaardelijk gepraat gehoord waar waarheid in zat,  maar voor verontruste oren zijn ze  nutteloos: het zal tijd vragen, we zullen zien, laat ons nog even afwachten tot we meer zicht hebben op, enzovoort.. Vier dagen geleden zei een begeleider iets wat me sindsdien niet meer heeft losgelaten  ‘Vaak is het pasmunt voor angst’. Rudy en ik vroegen ons af wat hij daar mee bedoelde. Zo Herman, je weet nu evenveel als wij. Van zodra we meer nieuws hebben laat ik het weten. Duim voor ons, en als je goede raad hebt hoor ik het wel.’ Jacqueline rondde haar brief met een paar gemeenplaatsen af en ondertekende. Vele groeten en dikke kussen, ook aan Dilby. Jacqueline en Rudy.’   Op het moment dat ze haar brief nog een derde keer wou nalezen, stond haar man van de sofa op en rekte zich uit. ‘Gaan we slapen? Jij blijft maar aan dat ding zitten. Het is al halfelf, en morgen om zes uur staat de vrachtwagen hier te toeteren voor die lading Zuid Frankrijk.’ ‘Ik kom zo’ zei ze, maar keek niet op van het scherm. ’Ga maar al.’ Ze las alles nog eens opnieuw, wijzigde hier en daar iets, voegde bij, verwijderde een woord of een enkele keer een hele zin. Ze leek een beetje op een alchemist die de koortsachtige zoektocht ondernam naar de geheimen van het universum, dezelfde reis die zovelen voor haar al hadden gemaakt en die ze opgewonden door haar hele lichaam voelde gaan. Rond middernacht legde ze de laatste hand aan de brief. De letters dansten voor haar ogen. Morgenvroeg eerst nog eens herlezen en dan doorsturen. Ze sloot af, klapte de computer dicht en ging slapen. Eenmaal in bed probeerde ze de slaap te vatten, maar het lukte niet. Een gestage brij aan gedachten, een overbeladen vracht die ze maar niet weggeduwd kreeg kroop uiterst traag voorbij. Ze dacht aan haar broers, aan haar kinderen, haar opvoeding, de andere vrouwen die ze kende, de ene associatie voedde de andere en verbond alles tot een grillige maar onuitputtelijke ketting. Maar wat het meest in haar carrousel ronddraaide was de brief. Een hinderlijk gevoel van onvolledigheid speelde haar parten, een knagend onbehagen dat ze niet naast zich kon leggen. Had ze alles verteld? Was het goed geschreven? Anderhalf uur later stond ze op, ging met een zucht aan de salontafel zitten, en klapte de laptop open. Ze las: ‘Beste Herman, beste broer, ik hoop dat het goed met je gaat.’ Haar ogen gleden over het scherm en speurden scrupuleus in de tekst naar arglistige woorden die achter haar rug om terug in de tekst zouden zijn geslopen. Ze printte na enkele wijzigingen de vier bladzijden tellende brief nog eens af, want al doende had ze had ontdekt dat lezen op papier nu eenmaal anders is dan lezen op een scherm. Ze sorteerde alles mooi op de rand van de tafel, en wanneer er geen plaats meer was legde ze ze in stapeltjes op de grond,  in hoopjes op gelijke afstand van elkaar, als hokjes van een hinkelspel. Ze nummerde ze een voor een, zodat ze misschien een evolutie kon waarnemen, van goed naar beter naar best. Ze was nu zelfverzekerd: ze wou een foutloze brief schrijven. Ze wou dat haar broer trots op haar zou zijn, en haar niet meer het kneusje van de familie zou vinden. Ze hield zich sterk dat ze niet alleen een sterke inhoud kon neerzetten, maar dat ook op een onberispelijk taalkundige manier kon doen. ‘De vorm draagt de inhoud’, had Pierre haar ooit eens gezegd. Nu, zoveel jaren later, wist ze daadwerkelijk waar hij het over had gehad. Ze las, en las, en las opnieuw. Een nieuwe, ongekende en rusteloze wereld opende zich voor haar. Het was kwart na vijf, en op alle beschikbare oppervlakken in de woonkamer lagen vellen bedrukt papier. Binnen drie kwartier zou een vrachtwagen de oprijlaan oprijden, zou ze samen met haar man de vrachtwagen helpen laden en twee uur later hem naar zuidelijke richting zien vertrekken. Ze stond op en ging naar de badkamer, gooide wat water in haar gezicht en zette de ontbijttafel klaar. Ze maakte telkens een omweggetje langs de salontafel en las enkele zinnen op de laptop na. Het was nog niet zoals ze het wou hebben, er was nog heel wat te doen. Elke keer ze dacht klaar te zijn, sprong onverwacht iets uit de tekst naar voor dat aan haar aandacht was ontsnapt. ‘Hebbes’ zei ze luidop, en in haar ogen zat een onbeheerste wilde glans. ‘Eerst ontbijten, dan de leibomen en bolcatalpa’s laden, en met wat geluk kan ik het rond acht uur nog een keer nalezen.‘ En voor de zoveelste maal spuwde de mond van de printer een blad uit.

Lode Van Wabeke
0 1

Vriendin

Als het waar is dat tijd de eigenschap heeft dat ze alles vluchtig maakt en vervormt, iets waar ik nog niet verder over heb nagedacht, wil ik toch niet wachten en de schade beperken door jou een soort brief te schrijven met wat al maanden door mijn hoofd gaat. Het lijkt de beste manier om daar orde te brengen: een brief gericht aan jou, waarin ik je aanspreek alsof ik je ken en doe alsof je er nog bent. Laat me beginnen met te zeggen dat het ridicuul en zelfs onkies is om nog aanspraak te willen maken op jouw vriendschap, maar bij gebrek aan beter je toch maar vrijpostig zo blijf noemen: vriendin. Het blijft een diepe ontgoocheling dat we niet de kans hebben gehad daadwerkelijk vrienden te worden, want ik denk dat daar een goede kans toe was, al weet ik niet hoe ik het toen aan boord had moeten leggen. Het woord spreek ik graag uit, vriendin, het klinkt troostend in de oren, een aangename klank die mij doorheen de dag op een of andere manier soelaas biedt.   Al meer dan anderhalf jaar ben ik nu elke dag thuis. Officieel is het nog zomer, maar daarnet, wanneer een windstoot door de bomen ging en enkele al geel geworden blaren van tussen het pak blies en voor de deur van het tuinhok liet neerdwarrelen, was er toch al een voorbode van de herfst. Als overlevingsstrategie probeer ik min of meer een vaste dagindeling te handhaven, iets wat ik eens in een boek over monniken heb gelezen. Ik weet niet meer precies hoe het er stond, het ging ongeveer zo: ‘Als het moeilijk gaat, doe dan verschillende kleine dingen per dag, liever dan één groot.’ Dat was goed gezien van die paters, dat moet ik ze nageven nu ik het in praktijk probeer te brengen. Ze geven je dagelijks iets om handen als probaat middel tegen gek worden. Als ik iets te eten wil hebben moet ik boodschappen doen, wat de reden is waarom ik me ’s morgens moet wassen, aankleden en naar buiten gaan, de bus nemen en kleine vervelende maar noodzakelijke conversaties voeren. Mijn dagen worden voortdurend door triviale dingen gestut en probeer zo goed en zo kwaad als het kan dat snoer van kleine doelen af te werken. De ene dag lukt het best, de andere dag hapert de ketting al vanaf het moment dat ik rusteloos wakker wordt. Je moet me geloven vriendin, iedere dag zeg ik een miljoen keer dat ik dit niet heb gewild. Het laat me geen rust. Op die vreselijke momenten wil ik gewoon een ordinaire vluchtroute nemen. Ik rol mij als een diertje in de zetel onder het deken op en probeer alles van die dag mijn hoofd uit te gommen, al is het nooit helemaal weg als je goed kijkt, je blijft zien wat er geschreven stond. Het duurt nooit lang vooraleer het zonder aankondiging weer daar is en het ene na het andere beeld binnensluipt. Vreemd genoeg worden ze vergezeld van een jeugdherinnering waarvan ik te midden van de emotionele chaos dacht dat het niets met jou te maken had. Het heeft een tijdje geduurd vooraleer ik besefte waarom ze na al die jaren er terug is, want mijn hoofd is de laatste tijd immers een rariteitenkabinet, een circus van onregelmatigheden, een vuilnisbelt van beelden. Maar zij tweeën, die dag met zijn weerzinwekkende realiteit en dat andere, zij zijn altijd samen. En ik weet waarom.   Ik sta op een bijgeschoven stoel aan de voet van de massieve staande klok in de kleine huiskamer bij mijn grootouders, en hoog op mijn tenen draai ik langzaam aan de lange wijzer tot mijn grootvader laat weten dat het juiste uur bijna is bereikt. Hij staat vlak achter me om een eventuele val te voorkomen. ‘Nog een klein beetje verder Nadine, doe maar, net voor de vijf moet je stoppen’ zei hij dan bijvoorbeeld, kijkend op zijn polshorloge. Het was een vast ritueel als ik bij hen logeerde, een secuur werkje dat mij als zevenjarige werd toevertrouwd en ik gewetensvol volbracht. Het had met eer te maken, maar dat woord kende ik toen nog niet. Het verliep steeds op dezelfde manier:  bij mijn aankomst rende ik de voordeur door, liep zonder een woord te zeggen met drie treden tegelijk de krakende trap op en gooide mijn tas vanuit het deurgat de logeerkamer in, waarna ik weer vlug naar beneden stormde om het kersenhouten meubel te gaan bekijken. Wanneer de gewichten languit en uitgeput onderaan de kast hingen was het onmiskenbare teken gekomen en sommeerde ik met ongeduld mijn grootvader. ‘Opa, kom! De klok.’ Eerst trokken we samen ratelend de koperen gewichten aan de ketting omhoog. Dat was veruit het makkelijkste deel. Ik besteeg een stoel, strekte mijn arm languit richting wijzerplaat en begon te draaien.  Wanneer de Romeinse zes was gepasseerd die het half uur aanwees, weerklonk in de buik van het meubel een diepe baritonstem, dan nog eens op het uur, om vervolgens  met onverstoorbare regelmaat verder te tikken alsof er niets was gebeurd. Ik sprong van de stoel af, grootvader sloot de lange glazen deur met ingelegd fineer achter me, en nog even bleven we naar die imposante schildwacht kijken die de hele woonkamer vanaf de oostelijke muur overschouwde. Het is ronduit lachwekkend dat ik je dit hier zo allemaal uit de doeken doe, een anekdote uit mijn jeugd, ik denk gewoon dat ik tussen alle ravage en verdriet mijzelf en jou iets probeer duidelijk te maken. Vandaag lijkt alles nog op precies dezelfde manier te gaan, behalve dat ik nu de wijzer de andere kant aan het opdraaien ben. Gek is dat. Ik zag het niet meteen, ik had tijd nodig om mij te realiseren dat het een soort werkzame, genezende gedachte is dat alles goed wil maken en wil herstellen wat ik heb gedaan. Het is het beschermende harnas waar ik me deze dagen in tooi, ergens de hoop levendig houdt dat op die manier tijd terug te winnen valt. Ik draai tegenwijzerzin en denk uitgeput dat ik al heel lang op de stoel sta. Ik heb alleen nog oog voor uren die achterwaarts gaan. Geloof je me vriendin, als ik je opnieuw zeg dat ik dit niet heb gewild, zelfs niet voor mijn ergste vijand als ik die zou hebben? Ik denk terug aan jou die dag, wanneer ik je voor het eerst en het laatst heb gezien.   Na het verzamelen van alle gegevens en individuele verhoren die al een vroegtijdige veroordeling in zich droegen, begon het officiële onderzoek een kleine week later. Drie dagen op rij moesten we ononderbroken voor hen beschikbaar zijn, en in de late uren van de eerste dag vernam ik dat ook jij er bij was. Nog altijd is het een kwelling als ik aan dat moment terugdenk , een afvuren van schuldgevoelens tussen de veel te levendige details die te zwaar om dragen zijn. Ik las je naam en herkende onmiddellijk de paspoortfoto op de ellendig lange lijst, en toen dacht ik iets waar ik me achteraf voor schaamde: god, het kan me niet schelen, laat het geen waar zijn, laat het iedereen zijn maar niet haar. Veel herinner ik me van die dagen niet echt meer. Wanneer in een draaimolen steeds weer dezelfde vragen op je gericht worden om inconsistenties in je verhaal op te sporen laat je op een bepaald moment onvermijdelijk los. Zoals verwacht werd op een morgen, ongeveer vier weken later, mijn ontslagbrief aan huis gebracht. Vooraleer de postman aanbelde zag ik hem met een bundeltje het pad oplopen en een pen klaar in de hand. Bij het overhandigen herkende ik het logo meteen, een ‘V’ in de vorm van een arend die van een rotswand opvliegt en met de woorden BLUE AIR SECURITY eronder. Het deed me niets. Het eerste wat me van die dag steeds te binnen valt is het moment kort na het telefoontje. We hebben net onze ochtendpauze achter de rug. Verdwaasd door het slechte nieuws dat ik enkele minuten daarvoor te horen kreeg en nog niet volledig is doorgedrongen neem ik mijn werkpost terug in. Ik word duizelig wanneer ik er met veel moeite in slaag het rekensommetje in mijn hersenen tot een goed einde te brengen: ‘Niet eens vier maand!’. Ik wil het van achter mijn monitor uitschreeuwen. ‘Nog geen vier maand heeft hij het op zijn nieuwe school uitgehouden! En de psycholoog zei dat het zo goed ging, ja toch? En de reacties op de medicatie waren zo veelbelovend?’ Een donkere golf van woede begint net onder mijn maag zijn opgang en snoert stelselmatig mijn borstkas verder in. Ik begin de omvang van de situatie te vatten en voel me onwel worden. Bliksemsnel gaan allerlei gedachten door mijn hoofd. Ik probeer ze te rangschikken, te begrijpen, er orde in aan te brengen maar ze blijven maar komen, net als de bagage die naast me op de band voorbijkomt. Weet je, sommige woorden zijn rake metaforen als het er op aankomt gemoedsgesteldheden te omschrijven. ‘Verlamming’ is daar een van, het meest passende woord  bij wat door me heen ging, geflankeerd door bergen machteloosheid.   In mijn beroep is een uiterst geconcentreerde aandacht onontbeerlijk. Tijdens de werkuren moeten alle zintuigen op scherp staan. Excuses voor half werk zijn er niet. Ik weet niet of jij soortgelijke regels kent in jouw beroep, maar van elk gepresteerd uur moeten we verplicht vijftien minuten weg van het scherm. Omdat een gezonde geest maar gedijd in een gezond lichaam wordt eveneens in een aantal sportfaciliteiten voorzien. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een intense taakspanning het best wordt volgehouden indien ze wordt voorafgegaan door een zo goed mogelijke ontspanning van ten minste  twaalf minuten. Die had ik net achter de rug als de telefoon in mijn achterzak aan het trillen ging en nog juist de tijd had om op te nemen. Achteraf bekeken had ik het  beter niet gedaan. Eigenlijk is elke afleiding van welke aard dan ook tijdens werktijd verboden. Ik begrijp nu waarom. Ik had geen andere mogelijkheid meer dan veertig minuten lang focus proberen te houden en alle gedachten op zijn minst tot aan de volgende rustpauze te parkeren. Maar het lukte niet. Ik hoorde de directeur van Lennert  steeds weer die vreselijke dingen zeggen. Klastitularis…vuistslagen na een terechtwijzing…enkele maanden werkonbekwaamheid…burgerlijke partijstelling... En dan, na de samenvatting van de gebeurtenissen, de genadestoot: borderline. Hij deed geen moeite de beschuldigingen te verbergen en mee te delen welke heldere pedagogische principes hij en de school er op nahielden. Wat onuitgesproken impliceerde dat het systeem al generaties onfeilbaar was. Zonder maar een beetje in de buurt van het soort woorden te komen die aan begrip deden denken, somde hij een aantal punten op die onze systematische nalatigheid moesten aantonen. Het was zonder meer duidelijk dat we tekortgeschoten waren en alles een rechtstreeks gevolg was van een laakbare opvoeding. Ik was al lang verslagen toen hij nog een versnelling hoger schakelde: ‘Kom me niet vertellen mevrouw, dat het bij u nog geen belletje heeft doen rinkelen, een vierde school op twee jaar tijd?’   Heb jij kinderen, vriendin? Ik vermoed van wel, wanneer ik aan het speeltje denk dat je voor mij uit je handbagage moest halen. Dan heb je geen moeite je voor te stellen welke hoop zich in mij begon te nestelen wanneer na een moeilijke periode de toekomst zich voorzichtig positief begon af te tekenen. Niet dus. Mijn val die dag was diep vriendin, recht naar beneden, zo verticaal als maar kan zijn, zeker als ook mijn moeder elke gelegenheid te baat neemt om op de meest foute momenten te herhalen dat ik mijn huwelijk beter nog een kans had gegeven. Je valt naar beneden, je slaat een paar keer vertwijfeld met je hoofd hard tegen de rand aan, en op de bodem wacht de wanhoop. Het alarm gaat af wanneer iemand onder de metaaldetector doorloopt. Ik hoor het nauwelijks wanneer mijn collega routineus de man aanspreekt en een vraag stelt zonder op een antwoord te wachten: ‘Nederlands? Français? English? Check your pockets please. Ik hoor deze woorden een miljoen keer per dag. Ik ben er getuige van hoe mensen in lange rijen aan de veiligheidscontrole aanschuiven,  waar met rustige onverschilligheid de inhoud van hun broekzakken geleegd wordt en broeksriemen, horloges, sleutelbossen en reisdocumenten in plastic bakjes worden gestopt om gescand te worden. Een paar seconden later verdwijnt de bagage achter een gordijn van rubberen lamellen en laat de monitor over de inhoud geen geheimen meer bestaan. Nauwgezet bestudeer ik de radiografische beelden van verschillende soorten handbagage, aktentassen en handtassen. Bij onduidelijke determinatie en de minste twijfel controleert mijn collega de inhoud samen met de eigenaar die kans krijgt zich te verantwoorden. Vloeistoffen en scherpe voorwerpen gaan er onherroepelijk uit, dat zal je wellicht wel weten. Gelukkig gaat het in die biotoop waar ik dagelijks in vertoef meestal over onbeduidende dingen. Mensen grossieren in voorspelbaarheid als het op reizen aankomt. Afhankelijk van de bestemming nemen ze meestal dezelfde dingen mee. Broeken, truien, ondergoed en toiletgerief gaat de grote bagage in, en gaat pas op de hotelkamer weer open. De handbagage weerspiegelt datgene dan weer wat men tijdens de reis binnen handbereik wil hebben, wat men van bij vertrek tot de eindbestemming nodig heeft, aangevuld met aankopen uit de taxfree shop. De inhoud verraadt bijna alles over de eigenaar. Een koffer kun je een soort handtekening noemen, een persoonlijk hologram. De kleur, de grootte en de vorm kondigen aan welk type hem uiteindelijk van de transportband zal nemen. Dames kiezen meestal een middelgrote koffer met opvallende jongemeisjeskleuren en stevige wielen onder. Wanneer het grote valiezen zijn die met oude broeksriemen en brede elastiekbanden vastgegespt zijn, dan  is er overduidelijk mannenwerk mee gemoeid. We bekijken niet louter het materiële wat ter controle wordt aangeboden, maar voelen ook intuïtief aan wanneer de eigenaar en de bagage al dan niet bij elkaar passen. Er moet eenheid zijn, het plaatje moet kloppen. Op die manier hebben we al verschillende gestolen reistassen gerecupereerd  omdat er -  zoals mijn collega’s en ik in het jargon zeggen-  iets schort tussen hond en baasje. De kloof tussen een keurig geschikte tas en een sjofele, onverzorgde hand die hem vasthoudt bijvoorbeeld, kan een veelzeggend detail zijn dat ons doet gaan twijfelen. Je vraagt je waarschijnlijk af waarom ik je over al deze oninteressante dingen vertel, maar zie het als een wijze van verantwoording zodat ik er misschien zelfs nu nog in slaag aan jou een beetje begrip te ontfutselen. Mijn taak is, of liever was, en daar doe ik niets van af, ernstig en professioneel te noemen.   Vanuit een ooghoek merk ik dat een collega langer dan verwacht met een uitgebreide inspectie bezig is. De man met een korte broek in palmboommotief verleent nauwelijks medewerking en blijft voortdurend sakkeren dat hij nog maar zeven minuten heeft vooraleer zijn gate onherroepelijk sluit. Dat kennen we. Staat in de top drie van excuses. Ik stop de band nadat ik bij een andere passagier iets heb opgemerkt dat nagekeken moet worden. We doen het liever niet, al kan het soms niet anders door personeelsgebrek, het moet nu eenmaal eerst gebeuren vooraleer we verder kunnen gaan. Ik verlaat kort mijn post en ga eigenhandig de controle uitvoeren. Veiligheid voor alles.  Ik loop naar je toe en je staat me achter de band verwonderd aan te kijken, niet wetend wat er aan de hand is. Je draagt een mantelpakje ( ik let niet bijzonder op klederdracht maar toevallig hou ik erg van wat je op dat moment draagt). Het bovenstukje hangt los over je schouders gedrapeerd. Je opgestoken haar, zo dik en heel anders dan het mijne, ligt half nonchalant, half gracieus in een wrong op je hoofd neergevlijd. Een haarklem heeft zich er stevig in vastgebeten en houdt alles op zijn plaats. Je glimlacht. Ik heb het moeilijk je dezelfde welwillendheid te betonen, mijn gezicht voelt gekwetst en hard aan, niet in staat om er beweging in te krijgen. Je bent niet van je stuk gebracht door mijn gebrek aan wederkerigheid. Je zegt vriendelijk: ‘ Wat is het precies dat u wil nakijken mevrouw?’ ’Rechts onderaan, iets met batterijen. Laat mij gewoon even zien alstublieft.’ Je trekt de tas dichter bij je en ritst ze open. De manier waarop je handen door de bagage gaan maakt me rustig. ‘O dat!’ zeg je, en je weet onmiddellijk waar het over gaat, terwijl je lacht en het opgelucht uit de tas naar boven haalt. ‘Dát mevrouw’ zeg je met ernstige trots, ‘is een elektrisch speeltje, een diertje dat in gordijnen kan klauteren.’ Je kinderlijk enthousiasme van dat moment deel ik niet, en wanneer ik je vraag de geschenkverpakking te openen verwacht ik protest (zo gaat het elke keer), maar het enige wat ik krijg is weer die innemende glimlach. ‘Dat papier bekijken ze toch niet eens wanneer ze het na een halve seconde wild kapotscheuren om de schat er uit te halen.’ Je opent voorzichtig de verpakking en ik kijk ongeïnteresseerd naar het ding met de oranje fluorescerende vacht, een mislukte harige imitatie van een marmot, of met heel veel verbeelding een stokstaartje, dat kan ook. Ik inspecteer het voorwerp, zeg dat alles in orde is maar dat het wel raadzaam is op voorhand batterijen uit toestellen te halen. Je gaat er niet op in. ‘Alles voor de twinkeling in hun oogjes, niet?’ zeg je, maar vermeld er niet bij  aan wie je die pretoogjes wil ontlokken. Heb je je eigen kind voor ogen, of een neefje, een buurjongetje? De warmte van je stem, de manier waarop je het allemaal zegt, de vreemde mix van mijn en jouw aanwezigheid, je lach en je volkomen rust brengen me tot tranen die ik ternauwernood kan tegenhouden. Ik ben weekhartig en kwetsbaar, en gevoelig voor elke vorm van erkenning die ik zo nodig heb. Nauwelijks zichtbaar staan de tranen klaar om uit te breken, twee uiterst kleine zoutmeertjes in elke ooghoek, maar je ziet het. Bijna ongezien leun ik ook met een hand tegen de band aan in de hoop er steun te vinden, en ook dat is niet onopgemerkt aan je voorbijgegaan. Een moment ontmoeten onze ogen elkaar en voel ik dat je de waarheid omtrent mijn bestaan kent, tot ik bruusk afbreek en ongemakkelijk wegkijk. Ik schaam me daar zo onbeschermd voor je te staan. Ik herpak me. ‘Dat volstaat mevrouw, u kan verder. Goede reis.’ zeg ik tegen je. Ik maak aanstalten naar mijn werkpost terug te keren en ben al enkele meters van je verwijderd  wanneer ik je nog iets hoor zeggen. Ik heb het niet goed gehoord, draai me om en kijk je richting uit, tussen het lawaai van de transportband en de intercomstem die een laatste oproep tot inscheping omroept. Ik vraag of er nog iets scheelt. Wanneer je het een tweede keer voor me herhaalt neem je doeltreffend alle duisternis en vragen van die dag uit mij weg : ‘Alles komt goed.’ En je lacht opnieuw, op maat van mijn voorzichtige blik die je nu recht aankijkt.  ‘Alles komt goed, je zult zien’ zeg je opnieuw.  Je straalt niets anders dan geruststelling uit. Voor ik maar in staat ben iets zinnigs over mijn lippen te krijgen, een ‘dank u’ misschien of een andere erkentelijkheid,  maak je de tas terug dicht en loop je de grote terminal in. ‘Nadine?’ vraagt mijn collega enkele meters van me vandaan, ‘kun je…’ en wijst naar de lange rij die zich ondertussen heeft gevormd en tekenen van ongeduld vertoont. Ik zoek nog een ogenblik tussen het eeuwig gewriemel maar je bent verdwenen.   Al vroeg liet hij weten dat hij anders was, die zoon van me, toen hij zo geel als een maiskolf veel te vroeg ter wereld kwam en wekenlang in het ziekenhuis moest verblijven. Uit pure hulpeloosheid begin ik te lachen wanneer ik de opgestapelde zorgen rond Lennert een voor een bijeen begin te harken. In de loop der jaren zijn ze even talrijk als problematisch gebleven en gewoon maar van aanschijn veranderd, meegegroeid zeg maar. Het is waar wat ze in de volksmond zeggen: kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen. Daar in de couveuse moest dat vroeggeboren lichtgewicht veel te vroeg en op eigen kracht ervoor zorgen dat zijn longen ontplooid raakten. Ook de darmen moesten heropgevoed worden zodat ze zouden doen wat van ze verwacht werd: voedingsstoffen opnemen. Al die dingen waren toen bron van heel wat slapeloze nachten, ook voor de dokters wanneer een een zeldzame complicatie hen weer de boeken injoeg. Voor de problemen waar hij als kind niets kon aan doen en zomaar over ons hoofd werden uitgestort, daar kregen we alle begrip voor. Maar wanneer de tijd voor die zogenaamde verantwoordelijkheidszin gekomen was en hij alle krediet verloor voor wat hij nu en dan uitrichtte, conventies geschonden werden en dure raad niet opgevolgd, voelde ik dat we elke dag een beetje meer werden achtergelaten.   Het moment waar het om gaat en waar het in mijn hoofd nog altijd schemerig blijft, maar waar in mijn plaats de camera onweerlegbaar heeft geregistreerd, dat is het moment waar ik de wijzer opnieuw achteruit begin te draaien. Er komt een kleine rugzak voorbij, een doodgewone zwartrode studentenrugzak met zijzakjes die achter de lamellen van de afgeschermde box verdwijnt.   Ik zie niet wat ik had moeten zien.   Het is vreselijk om dat toe te moeten geven na alle trainingen waar ons op afwijkende vormen werd gewezen, op maskeertechnieken, waar ons geleerd werd een gelaagde compartimentering te herkennen en de voorwaarden op te noemen om een unipolaire luchtdrukontsteking tot stand te kunnen brengen. Vriendin, het spijt me zo, maar ik zie het niet, mijn ogen kijken wel naar de monitor maar zien niet. Waarschijnlijk is er op dat moment in het corpus eveneens een duidelijk afwijkende densiteit waar te nemen waardoor de zone een verdachte kleuring op het scherm krijgt. Ik zie ook de ragfijne staaldraad niet die precies het midden doorboort. In plaats daarvan zie ik Lennert en de heisa die oplaait aan een vuur dat ik niet kan beheersen. Het is uitgesloten dat ik naar mijn man terugkeer. Ik heb het geprobeerd, maar hij was de eerste die me in dat nieuwe samenzijn alleen liet wanneer het moeilijk ging. Men zegt dat het beter is voor de kinderen, dat een moeder en vader in huis altijd beter is. Dat was het morele ideaal waar ik me liet door leiden. Misschien is dat zo voor anderen, maar niet in ons geval. Lennert zou zich nog roekelozer hebben gedragen waren we nu nog samen geweest, de ruzies pookten de agressie in hem op en riepen wellicht naar zijn eigen duisternis, maar het blijft een veronderstelling, het leven is geen vergelijkende studie. En wat mij betreft: onwetendheid is zowel een vloek als een zegen. De rij wordt kleiner. Zes intercontinentale vluchten die in de vooravond opstijgen zullen rond vijf uur nog voor een piek zorgen, maar het grootste deel is achter de rug. Het gaat er ontspannener aan toe, wat niet wil zeggen dat we onze aandacht verliezen. Na een half uur is de rij zo goed als opgedroogd, al sijpelt er af en toe nog iemand door. Onze dienst loopt bijna ten einde. Twee en een half uur later, op het moment dat ik mijn auto op de parking opzoek en je glimlach als een warme gloed opnieuw voor me zie, een vreemde engel die het uitgelezen moment en de juiste woorden uitkoos, verdwijnt driehonderd mijl uit de kust van Schotland vlucht DL 714 van de radar.  

Lode Van Wabeke
23 0

Wervelwind

Op een grijze, sombere ochtend eind november wandelde Greta het neogotische begijnhof van Sint-Amandsberg binnen. Ze hoorde de verdorde bladeren kraken onder haar voeten terwijl ze naar het huisje van haar dochter Lore liep. Ze snoof de geur op van de herfst en wandelde voorbij het centrale grasplein en de Sint-Elisabethkerk. Vóór ze aanbelde, herschikte ze snel nog even de ruiker oranjerode bloemen die ze voor de gelegenheid gekocht had. Haar hart begon sneller te bonzen omdat ze zich afvroeg in welke toestand ze Lore zou aantreffen. Aan de telefoon had haar dochter wanhopig geklonken. Waar Lore normaal gezien alle hulp weigerde, had ze er nu zo wat om gesmeekt.   Lore opende de deur en toverde een armzalig glimlachje op haar gelaat. Het was zo’n glimlach waarbij de mondhoeken wel omhoog krullen, maar de ogen het onverhulde verdriet verraden. ‘Bedankt voor de bloemen,’ mompelde Lore nauwelijks verstaanbaar.   De pas gepensioneerde bediende voelde de grond onder haar voeten wegzakken. Angst omklemde haar hart toen het compleet uitgeputte wezen dat ooit haar stralende dochter was geweest, de ruiker bloemen van haar aannam. De rommel aanschouwend schoten Greta’s ogen alle kanten op: een vaas met verlepte anjers op de salontafel met daaromheen tientallen tijdschriften, boeken en andere paperassen; de laminaatvloer vol vlekken en kruimels; stofwebben aan het plafond; ramen vol strepen; een grote stapel afwas op het aanrecht,… Een gevoel van radeloosheid overviel haar. Ze bracht haar linkerhand naar haar hart en hapte naar adem.   Vliegensvlug raasden honderden gedachten als bliksemschichten door haar hoofd.  ‘Deze puinhoop móet opnieuw geordend worden’, dacht ze. ‘Ik moet dit zo snel mogelijk in orde krijgen. Als ik dit niet kan regelen, wat voor moeder ben ik dan?’ Wanhopig rondkijkend nam ze de rommel in zich op en begon ze met haar hoofd te schudden. ‘Nee, nee, nee, ik heb niet jarenlang een kot betaald om al dat geld nu in vlammen te zien opgaan. Iets waarvoor ik zelf vroeger nooit de kans heb gekregen, kan ik nu niet als een vervlogen droom uit handen geven.’   Hoofdschuddend baande ze zich een weg naar de living. De ontreddering die ze in eerste instantie had gevoeld, maakte langzaam maar zeker plaats voor een onverstoorbare vastberadenheid. Ze klemde haar tanden op elkaar.   Als een bezetene ging ze aan het werk, haar dochter daarbij – niet moedwillig - negerend. De magazines over geschiedenis en die met de veelbelovende oneliners op de cover, stapelde ze netjes op elkaar. De nog half gedekte tafel vol kruimels en etensresten, lege verpakkingen en sporen van hoop die aan diggelen was geslagen, maakte ze in een mum van tijd terug toonbaar. Ze vergat daarbij regelmatig om adem te halen, maar haar focus bleef ze behouden. Ze moest en zou dit oplossen, al vergde dit het laatste van haar krachten. Niemand zou haar beletten om met fierheid over haar dochter, die leerkracht geschiedenis was, te spreken. Niemand zou haar ervan weerhouden een toekomst te hebben met kirrende kleinkinderen en een respectabele schoonzoon. Niemand.   Haar lippen op elkaar geperst, stoomde ze verder door het huis, grondig alles wat niet lag waar het thuishoorde op zijn plaats leggend. De prei, wortelen, courgette en paprika die Greta thuis zorgvuldig in stukjes had gesneden en nadien had ingevroren, haalde ze uit de door haar meegebrachte koeltas tevoorschijn. Onverstoorbaar door het bleke gelaat van haar dochter, plaatste ze de potjes met groenten netjes in het diepvriesvak naast de eenzame pizza die erin lag. Het diepvriesvak was net groot genoeg voor de aangeleverde nieuwe portie energie. ‘Wat extra vitamientjes zullen je goed doen’, zei ze tegen Lore zonder de reactie van haar dochter af te wachten. Lore stond er een beetje wezenloos bij, af en toe iets oprapend of op zijn plaats leggend. Ze voelde zich schuldig omdat ze er zo’n puinhoop van had gemaakt en ze de energie niet had om er iets aan te doen. Ze had het gevoel dat ze gefaald had als dochter, als leerkracht, als huishoudster, als vriendin.   Terwijl Greta als een straaljager naar de stofzuiger liep en de stekker ervan in het stopcontact stopte, probeerde ze Lore op te monteren: ‘We moeten dringend een datum vastleggen om nog eens te gaan shoppen.’ Ze keek haar dochter even aan met een flauw glimlachje en verwachtte niets anders dan instemming met haar voorstel. Net voor het zuigende ding lawaai begon te maken, voegde ze eraan toe: ‘Wat nieuwe kleren in jouw kast zullen je goed doen. Daar zal je vast van opkikkeren.’ En toen zette ze zelfvoldaan de stofzuiger in gang.   Met een tomeloze energie en een mateloze wilskracht maakte ze in een handomdraai de kleine living, de keuken, het halletje en de slaapkamer van haar dochter, die vorige maand 29 was geworden, stofvrij. Zo hoopte ze om ook de ballast die haar dochter met zich meedroeg, te kunnen wegzuigen. Op deze manier hoopte ze niet alleen het huis van haar dochter maar ook het arme kind zelf nieuw leven in te blazen.   Na een kortstondig afscheid keek Lore haar moeder met een zwaar gemoed na. Ze zag haar met snelle pas het kasseiwegje aflopen dat naar de poort van het Begijnhof leidde. Als een wervelwind was ze gekomen en weer gegaan, honderduit pratend en opruimend om toch maar niet geconfronteerd te worden met het bleke gelaat van haar dochter.

Aline
0 0

Noch zij de winters

Drie schrijvers lopen bij maanlicht op de kade.De eerste zegt,' Oh, waar is de liefde, waar is de schoonheid, de weelde? Alleenzaam als ik is niemand. Want niemand kan ooit weten wat het is om te leven met deze zwaarte, die tevens als rook is. Ontastbaar maar altijd daar. Ben ik dan blind? Is het daarom dat ik niets meer zie dat de moeite waard lijkt?' Met één hand houd hij zijn jas gesloten terwijl de koude wind aan zijn kraag rukt. Hij staart diep in de verte, als enige lijkt hij het mysterie te kunnen ontrafelen van de duisternis.   De tweede schrijver kijkt hem aan en zegt, terwijl zijn adem witte wolken maakt die in de koude lucht verdwijnen,' Ik ben een tuinstoel dat te lang in de mist heeft gelegen. Wie heeft me achter gelaten bij deze donkere bomen? Er is geen zon en het mos kruipt steeds verder, over mijn hart en over mijn hoofd en over mijn oren. Ik hoor niets meer, zelfs geen wolven. Het mos kruipt in, maar niets is zacht en donzig. Hij neemt zijn eerste slok uit zijn flacon en veegt zijn lippen af met zijn duim.   De derde knikt en zegt dan ,'Wat heb ik gedaan om dit te verdienen, waar is de genade, of de genadeslag? Vleermuizen omcirkelen de mooie vrouwen die ik een leven lang heb gadegeslagen. Leeuwen sluipen op straat, soms springen ze op achter me en dan brullen ze oorverdovend in mijn oren. Ik heb een levenlang liefdesverdriet zonder liefde te hebben gekend. Is dat mijn zoektocht, mijn queeste? De liefde, ik die bang ben van mijn eigen schaduw? Want daarom woon ik in de schaduw. Uit angst. Er is maar één lamp die brandt in mijn huis en die is zwart.'   Samen delen ze de flacon die de tweede schrijver mee had genomen, en al lallend waggelden ze naar hun onderkomen. Een man in een net pak opent de deur en het derde gezel haalt nog een slof sigaretten uit. De eerste schrijver stapt naar de biljarttafel, en begint zijn spel.   'Wee ons, 'roepen ze beide,' Niemand torst de lasten die wij torsen. Wij kijken weemoedig neer op de kinderen, die geen winter ooit gezien heeft. Noch zij de winters.'

Stelselmatig
14 0

Toen ik vijftig werd

Toen ik vijftig werd, regende het. Mijn plan was om in de voormiddag een wandeling te maken in het stadspark. Dat was nu geen optie. Ik ging aan het raam van de woonkamer staan en stak een sigaret op. Het was de laatste van het pakje. Misschien was het wel een goed idee om te stoppen met roken, nu ik vijftig was. Rond lunchtijd rinkelde de telefoon. Mijn vader. Of ik morgen eens naar zijn televisie kon komen kijken, want die was stuk. Toen ik hem vroeg of hij niets vergat, antwoordde hij dat ik niet flauw moest doen. Vijftig was nu ook weer niet zo speciaal. Na het telefoontje besloot ik dan maar zelf deze dag wat feestelijk te maken. Ik ging naar de bakker en kocht er een frambozentaart en drie elcairs. Dat ik die alleen zou opeten, hoefde niemand te weten. Daarna ging ik naar de krantenwinkel. Ik haalde er een ‘Win for life’ krasbiljet en een nieuw pakje sigaretten. Stoppen met roken kon ook nog wanneer ik zestig werd. Thuis legde ik de cd van Eros Ramazzotti op. Iedereen heeft recht op een guilty pleasure, zeker op haar verjaardag. Ik haalde een fles wijn uit de kelder en zocht naar kaarsjes. Ik vond er maar één van. Die moest dan maar volstaan. Het maakte het uitblazen ook een stuk makkelijker. Ik ging zitten op de bank met het gebak en nam de ‘Win for life’ uit mijn handtas. Voor één keer die dag had ik geluk: ik kraste vijfhonderd Euro. ‘Lang zal ze leven,’ zong ik en nam een hap uit een eclaire.Zo werd het toch een mooie dag, die dag dat ik vijftig werd.

Ans DB
43 0

Pingpongen

Het was een collega die het me nogal geërgerd vertelde. "En dan laten ze dat tweede woord nog goed lang doorklinken, waardoor het nog erger wordt. Ik verveeeeeel me. Aaaah, dan kan ik ze wel achter het behang plakken". Ik meende te zeggen dat er bij hem toch geen papier aan de muur hangt, maar ik besloot hem op te beuren met een verhaal uit onze jonge jaren. "We waren in de vakantie echt kampioenen in het naspelen", vertelde ik hem. "Zeker sport. De Ronde van Frankrijk hebben we dikwijls gefietst. Met op het einde een massasprint, ook al waren we maar met drie. We hebben zelfs ooit een tennisveld aangelegd op het gras. Om een tornooi van Wimbledon te organiseren. Met een scorebord en al. Het zag er echt geweldig uit. Als ze op tv 'De sterkste man ter wereld' uitzonden, verzonnen wij de dag erna een dergelijke competitie met de jongens uit de buurt. Bij slecht weer wisten we ons binnen te amuseren. Zo speelden we 'Hoger Lager' na met een kaartspel. Ooit hebben we zelfs 'Dallas' willen naspelen." Dat laatste verzon ik ter plekke, maar ik zag al een glimlach op zijn gezicht verschijnen. "Vooraleer we een echte tafeltennistafel hadden, waren we aangewezen op de tafel in de woonkamer. We hadden ergens een net gekocht en dat spanden we in het midden van de tafel. De vijzen maakten krassen onder de tafel, maar daar zwegen we wijselijk over. De plankjes waren nog van hout, waardoor het geweldig veel lawaai maakte als je tegen het balletje smashte. Het plastic vel met nopjes kwam op de duur los, waardoor we het met Pritt opnieuw moesten lijmen. Dat werkte natuurlijk voor geen meter. En die tafel moest nog gebruikt worden om aan te eten. Dan lieten we het net gewoon staan. Ik herinner me zelfs dat vader en moeder op een hoek van de tafel aan het eten waren terwijl wij verder pingpongden. De wedstrijd moest nu eenmaal uitgespeeld worden." Ook dat laatste aspect was nooit gebeurd, maar mijn collega begon nu al luidop te lachen. "Dan landde er wel eens een balletje tussen de aardappelen. Of in de soepkom. Ja, echt soep met pingpongballetjes." "Nu ben je aan het overdrijven", schokschouderde hij. "Maar wel een goed verhaal."  

Rudi Lavreysen
0 0