Lezen

Zomerschoonmaak

Met een dikke buik is het lastig heffen, al helemaal op een broeierige dag, maar nestdrang hou je niet tegen.   Van zodra hij deze morgen de deur uit was, begon ik de laatste rommelkast in de babykamer leeg te maken. Sjaals, oude magazines en zelfs een paar schaatsen. De stofexplosie die ik veroorzaakte door ze schoon te vegen, danste in het zonlicht en kriebelde in mijn neus. Ik stak alles in de vuilniszak.   En daarachter zat de doos. Ik wist wel dat hij daar zat. Ik moest op handen en knieën om hem eruit te halen en kwam zuchtend amper recht. Voorzichtig zette ik hem op het kleine houten bureautje en ging zitten. Mijn vingertoppen volgden de nerven van het bureaublad tot ze de weg gememoriseerd hadden. dan lichtte ik, heel voorzichtig, het deksel op. Het gaf een knakje, en de baby gaf een venijnig schop tegen mijn ribbenkast. Daar lag de plattegrond van Utrecht en het sleuteltje van het kluisje dat bij het kruis op de plattegrond hoorde. Op de rand van de plattegrond stond het telefoonnummer dat ik ook nu nog soms op een aangedampte spiegel schrijf.   Hoe vaak heb ik getwijfeld? Heen of weer? Hij of hij? België of Nederland? Bij elke heen had hij gejuicht en mij ontvangen in een warmte die verslavend is. bij elke weer had ik zijn hart gebroken, maar de vrijheid gekregen om uit te zoeken wat ik wilde.   Toen ik tien jaar geleden terug kwam van het zwembad waar ik was gaan bezinnen omdat de twijfel weer had toegeslagen, vond ik op on hotelbed enkel dit kistje met een post-it. Zijn spullen waren weg. Hij was weg.  In zijn kriebelige handschrift: “Open mij over tien jaar.” In het kistje lag het stadsplan, het kruis en de sleutel. Een parallel universum.   Ik kieperde alles in de vuilniszak, en voelde de baby draaien.

Tine Tytgat
0 0

De zomerhoed

Je moet er mee staan. Met een hoed. Ik maakte me deze bedenking toen we op een terras tijdens één van die eerste versmachtende hondsdagen wat verkoeling en schaduw zochten en we de man zagen passeren die we vaagweg kenden. Al had ik hem in eerste instantie niet herkend. Gewoon omdat hij plots een zomerhoed op zijn hoofd had staan. Vestimentair kan de zomer soms rare beslissingen nemen voor een man als hij voor de kleerkast staat, dacht ik nog. Het was zo'n klassieke en blijkbaar opnieuw terug modieuze strohoed. Zo eentje die vader vroeger in de loop van juni uit de kleerkast tevoorschijn haalde en die hij tot de nazomerdagen van september op zijn hoofd hield. Overdag dan toch. Nee, het was eerder een witte maffia hoed met een zwarte band zoals we die Michael Jackson zagen dragen in de jaren ’80. Ik zag hem in mijn hoofd in het midden van de straat al een Michael Jackson danspasje ten beste geven. Maar hij stapte gelukkig gewoon verder. Het viel me ook op dat hij in combinatie met die zomerse hoed - het was echt bloedheet - een lang geklede broek droeg. “Kijk”, zei ik tegen mijn vrouw. “Een lang geklede broek dragen en dan een zomerhoed op je hoofd. Dat staat toch als een tang op een varken. Als het zo warm is dat een hoed voor schaduw op je bol moet zorgen, is een korte broek bijna een verplichting, niet?” “Misschien moet hij wel naar een feest”, antwoordde ze. Dat zou inderdaad kunnen. De zweetdruppels op mijn hoofd zochten ondertussen een weg naar beneden. Tot mijn zakdoek ze tegenhield. “Zou het trouwens iets voor mij zijn? Een hoed?”, vroeg ik nog, al vegend mijn met zakdoek. “Nee, je moet er mee staan”, antwoordde ik maar meteen zelf.   

Rudi Lavreysen
0 0

Er zijn vast concretere zaken dan poëzie die mijn aandacht verdienen

Ze werd geboren in de gesublimeerde uitdrukking van een kind aan de borst. Haar lippen krulden als een prinsessenboon naar de staak. Zweetdruppels parelden, morgendauw op haar voorhoofd. Twee erwten werden op dit ogenblik ingelegd.   Ooit wierp het haar vruchten af. Ik trok met een aardewerk onder de arm naar het gemeentehuis en noemde het ‘Poëzie’.   Ze nam de duisternis in zich op als een plant die het licht extraheert, sporadisch in een flits van grootmoeders fototoestel verstoord.   Dorst liep over, haar tong dronk de afscheiding van een brandnetelblad. Ze leek in niet meer dan een prinsessenboon op haar vader.   Thuis bleek het al middag te zijn.   Ik deed mijn best om mijn dochter de zorgen te geven die ze verdiende. Ze rustte op de versnipperde resten van een filosofisch handboek en haar wortels drenkten in de inkt.   Natuurlijk mistte het kind een moeder. Het buurmeisje behandelde haar stiefmoederlijk. Vaders goede intenties werden in de kiem gesmoord.   Ze verdroogde bij de vensterbank. Ik borg haar in een sigarendoosje en kroop in bed als een bloem onder wimpers van meeldraden. Straks droegen die de sporen van een diepe slaap.   Poëzie woekerde tussen groeven aan mijn voorhoofd, ontgroeide de geborgenheid van haar staart, werd een onuitroeibaar kruid.   Voor vader werd het harken om stro.   Hij probeerde haar taal bij te brengen. Schrijven werd een even onmogelijke opgave als het neerleggen van de pen. De wind van inspiratie ging liggen als een vermoeid blad op het water.   Poëzie begon te puberen. Enkel grootmoeders foto-album herinnerde aan hoe ik haar zag opgroeien. Hoe het speelde in de voortuin van mijn gedachten. Hoe onschuldig het was, hoe het zelden meer vroeg dan het nodig had.   Het was een braaf kind geweest.   Haar wortels dartelden als een ruimtevaartster over het maanoppervlak. Toen vestigde mijn dochter haar in de grond, een bij die even verpozing nodig had.   Nog voor de morgen was Poëzie volgroeid.   Ik droeg een gedicht op aan haar moeder en keerde de rug naar het papier als naar een witte muur.   Mijn ruggegraat prikte als de tandenstoker die mijn oogleden openhield, ik stond in het leven als een arbeider in de wachtrij.   Er waren vast concretere zaken dan poëzie die mijn aandacht verdienden.   Ik mistte mijn trein omdat ik bleef staren naar een jongedame op het perron. Hoe zij nu in mijn hoofdkussen geborgen lag en de deur zou uitwaaien als een struik haar vrucht afwierp.   Had ik dit alles niet als een streek van mijn pen beschouwd, waren er mogelijk echt kinderen van gekomen.   Het schoolwerk op mijn nachtkast bleef opgevouwen als een moeder die de strijk tot morgen uitstelt.     Ik had dit alles zeer serieus genomen, was het geen streek van mijn pen geweest, was het geen gril van poëzie, een valse nagel aan een vrouwenhand.

Robijn Bodijn
8 0

De Morgen en De Zalm.

Zware onweders hebben gisteren de Franse hoofdstad Parijs geteisterd. Verschillende straten stonden daardoor blank. Na de hittegolf volgden de onweersbuien en die hebben lelijk huisgehouden. Zo werden bomen ontworteld, en liepen straten en metrostations onder water. Dit is een berichtgeving op de website van De Morgen, in samenwerking met VTM : https://www.demorgen.be/buitenland/parijse-straten-blank-na-zwaar-onweer-b28472b2/   Wanneer ik de volgende woorden uit het artikel haal, krijgen we dit : ‘Zware onweders’, ‘Parijs geteisterd’, ‘lelijk huisgehouden’, ‘bomen ontworteld’ en ‘straten en metrostations liepen onder water’.   Apocalyps in de lichtstad. Parijs in staat van ontbinding. Dit artikel is een typisch voorbeeld van hoe je feiten kan verdraaien, hoe je dingen zoveel maal erger kan maken dan dat ze eigenlijk zijn.   Ik ben op dit ogenblik in Parijs, al 10 dagen en ik blijf hier nog 2 weken. Het artikel dateert van zaterdag 28 juli. Vandaag is het zondag 29 juli, is het op het middaguur alweer 20 graden en wordt het alsmaar warmer en warmer. De hittegolf was hier te voelen vanaf woensdag. De temperaturen bleven stijgen en de piek was op vrijdag bereikt.   Op vrijdagavond begon het inderdaad te regenen en te hagelen, afgewisseld met bliksemflitsen en wat gerommel in de hemel. Er was geen sprake van knallen die je van hier tot in Keulen kon horen, eerder een urenlang gebrom vanuit de wolken dat zich buiten de grenzen van het ‘75’ afspeelde.   Op de video zie je geen ontwortelde bomen en onderwater gelopen straten en metrostations. We zien overigens geen enkel metrostation, laat staan een ondergelopen metrostation. En geteisterd… ja, dat is wel zware woordenschat voor wat eigenlijk heet een heftige regenval met hagel.   Ik weet dat het komkommertijd is, de wereld lijkt stil te staan en er is inderdaad een pak regen en hagel gevallen, ook hier in hartje Parijs. Maar het afdoen als een geteisterd rampgebied vind ik persoonlijk er wel wat over. Het is hier helemaal zo niet gebeurd. Ook die banale video van een riolering die zoveel wateroverlast niet kan houden doet niet veel terzake. Tenzij je de hele opzet van het artikel verandert en iets wil schrijven over een overgelopen straatje in Parijs.   Met alle respect voor de auteur van het artikel, Rob Van herck.   Ik mag hopen dat De Morgen in de nabije toekomst, vol uitdagingen door verkiezingen (lokaal, nationaal en Europees), met Bannon en gevaarlijk populisme dat aan onze voordeuren staat, niet alleen serieuzere berichtgeving verschaft maar ook kritischer schrijft en informatie tiendubbel checkt.   En dat de zalm niet met de stroom meezwemt. Prettige zomer!   http://erwinabbeloos.over-blog.com/  

Erwin Abbeloos
201 0
Tip

Over tijd

‘Wanneer komt de bus?’ De vrouw klemt haar knalrode handtas tegen haar trui, die te dun lijkt voor deze tijd van het jaar.  ‘Binnen een kwartier!’ roept een jongeman in witte kleren haar toe voor hij de deur achter zich dichttrekt. Zwaar knalt ze in het slot. Het raam, dat uitkijkt op het buitenplein, trilt. Het tandeloze kereltje in de sofa ernaast lacht schel. ‘Zo staat ze daar de hele dag! Altijd met die handtas! Te wachten op de bus!’ gilt de vrouw naast me op de bank. Zulma heet ze. Dat heeft ze me daarnet toegeschreeuwd. Een meisje van een jaar of twintig komt uit de keuken. Ze glimlacht naar me en geeft de tandeloze man een potje vanillepudding en een lepel. ‘Ho, ho, ho’, doet hij en al snel dumpt hij een lillende brok in zijn donkere krater. ‘Wanneer komt de bus?’ ‘Nog een halfuur!’ antwoordt het meisje en ze komt naar me toe. Shana staat er op haar naamkaartje. Zulma stoot me aan. ‘Zie maar eens goed, die daar, die heeft een neusbel! Kijk! Ziet ge het!’ Het meisje lacht. Het fonkelende steentje op haar neusvleugel beweegt mee. ‘Jij komt zeker voor je oma, niet?’ vraagt ze me. Ze legt een hand op mijn schouder. Ik knik en wijs naar het doosje pralines op mijn schoot. ‘Ze verjaart vandaag.’ ‘Maar kind toch!’ roept Zulma. ‘Die zijn veel te hard voor haar! Dat kan ze niet meer bijten, hoor!’ ‘Wanneer komt de bus?’ klinkt het aan de andere kant van de kamer. Shana loopt naar de gang. ‘Ik zal ze gaan halen.’ Plets. De pantoffels van Mister Toothless zitten onder de gele smurrie. Hij laat zich echter niet ontmoedigen en lebbert rustig verder. Zulma kruipt dichter naar me toe. Ze houdt haar hand voor haar mond. ‘Ik weet waar ze zit’, zegt ze in een vergeefse poging tot geheimzinnig gefluister. ‘Ik weet waar jouw moemoe zit! Op de wc!’ Ze duwt haar kin naar voren en spert haar ogen open. ‘Op de wc! De hele dag!’ Ik schuifel naar rechts, tot het geraamte van het bankstel pijnlijk tegen mijn heup duwt. Het helpt niet: Zulma kruipt dichterbij en tokkelt met kromme vingers op het doosje pralines. ‘Dat kan ze niet eten, hoor!’ Mijn neus incasseert een stoot halfverteerde boterhammen-met-kaasgeur, een gewaagde aanvulling op de walm detergent die in deze muren huist. Een monotoon geratel klinkt uit de gang. Shana komt om het hoekje en duwt een rolstoel naar me toe. Het ijzeren geval houdt krampachtig een in elkaar gezakte vrouw samen. Haar benen slingeren slordig heen en weer. Het kost moeite haar te herkennen. Deze slechtste versie van mijn grootmoeder went niet. ‘Hier is ze’, zegt Shana en ik vraag me af of ze zich oefent in overbodige zinnen. ‘Vooruit Zulma, jij gaat nu in bad. Dan kan Fien hier bij haar kleindochter zitten.’ Ze rijdt de rolstoel zo dicht mogelijk bij de bank. Zulma staat mopperend op en stort zich op haar looprek. Er hangen belletjes aan. Langzaam slokt de gang haar onder een luid geklingel op. ‘Je zult zien dat ze weer moet gaan pissen!’ roept Zulma me nog na. Mijn grootmoeder staart naar de tv aan de wand. Er is een zwart-witfilm bezig. Ik klop voorzichtig op haar arm. ‘Moe, ken je me nog? Ik kom jou bezoeken.’ Haar ogen draaien naar me toe. ‘Uw gezicht komt me bekend voor’, fluistert ze. Ze klinkt alsof ze gisteren een zwaar feestje heeft gehad. ‘Ik ben je kleindochter. Zeg, jij verjaart vandaag! Wist je dat nog?’ Ze kijkt weer naar het plafond. ‘Ikke? Vandaag? Hoe oud word ik dan?’ ‘Wanneer komt de bus?’ Dit keer wordt de vraag gesteld aan een man die zijn vader komt bezoeken. Hij antwoordt niet. ‘He, he, he’, doet de man zonder tanden. Zijn lege puddingpotje ligt op de grond. Ik klop weer op de arm van mijn grootmoeder en lok haar ogen mijn richting uit. ‘Je wordt 93 vandaag!’ '93?' herhaalt ze. 'Ik dacht 39.' Ze bedoelt het serieus. Ik houd het doosje pralines in de lucht. Haar handen reageren niet. Snel leg ik het doosje op haar schoot. 'Proficiat hè moe.'  Ze zucht. 'Is hier ergens een wc?' ‘Je hebt daarnet een halfuur op het toilet gezeten, moe. Je hoeft nu toch niet opnieuw?' 'Verdomme, moet een mens hier in zijn broek pissen misschien?' Haar stem klinkt onverwacht scherp. ‘Waar zijn die meiskes hier?’ Er komt een struise verzorgster uit het koffiekamertje. 'Ik moet naar de wc!' herhaalt mijn grootmoeder. ‘Dan zal ik je eens helpen, Fientje’, zegt de vrouw, die bij nader inzien een snor blijkt te hebben, maar geen naamkaartje. ‘Zal ik jou eens helpen? Natuurlijk help ik jou.' Haar zware stem doet me vermoeden dat ze ooit een man is geweest. ‘Wanneer komt de bus?' Mevrouw Snor draait de rolstoel van me weg en kijkt me aan. ‘De kleindochter, zeker? Niet persoonlijk nemen, hoor. Zo gaat het altijd met Fien.’ Ik sta op en loop hen een eindje achterna. Voor de deur van grootmoeders kamer blijf ik staan. Mevrouw Snor rijdt de rolstoel naar binnen. Ze tilt mijn grootmoeder zonder moeite op. 'Zo, dan zet ik jou weer op het toilet.'  'Dag moe. Tot binnenkort', roep ik, terwijl de deur van de badkamer dichtklapt. ‘Ze is weer gaan pissen! Zie je wel!’ hoor ik Zulma roepen uit een naburige kamer. Geen idee waarom ze zo schreeuwt, want met haar gehoor schijnt er niets mis te zijn. Ik wandel door de leefruimte en merk dat de tandeloze rakker zijn puddingpotje heeft opgeraapt. Haast acrobatisch schraapt zijn tong de laatste gele restjes van het plastic. Zou het voor die overschotjes een verlossing zijn om in het niets te verdwijnen? De vrouw met de rode handtas staat voor de toegangsdeur. Er hangt een papiertje op met een code. Ik toets de cijfertjes in op het paneeltje aan de muur. ‘Wanneer komt de bus?’ Ik kijk de vrouw aan. Nu pas zie ik dat haar ogen nat zijn. In het zijvakje van haar handtas zit een knuffelkonijn gepropt. ‘Wanneer komt de bus?’ Ik schraap mijn keel. ‘Ze heeft vertraging’, antwoord ik.

Gitta VR
0 0

Madonna Woman of the Year 2016 (Billboard).

Wat weten we over Madonna ? Wat weten we over Madonna de zangeres en wat weten we over Madonna de vrouw achter de zangeres? Ik laat het aan het internet over om een beknopte geschiedenis van haar carrière te lezen. Wat we wél weten is dat Madonna volgende maand 60 wordt en wat we misschien niet weten : Madonna was Billboard’s Woman of the Year 2016. Who cares hoor ik het al. Woman of the year, dat klinkt een beetje als de werknemer van de maand. En wat met al die andere werknemers… of artiesten? Een Youtube filmpje wakkerde mijn nieuwsgierigheid aan. Zoals bij iedereen afgelopen nacht kreunden de muren van mijn slaapkamer onder de hitte en was in slaap vallen totaal niet mogelijk. Ik keek naar wat live performances van haar. Het mag gezegd worden dat haar shows puur amusement en genieten is. Na drie keer verschillende dansversies van ‘Vogue’ gestreamd te hebben, zonder me te hebben verveeld of te hebben gegeeuwd, was de volgende video : “Madonna Woman of the Year 2016”. Het begon een beetje als business as usual. Queen Madonna wordt op het podium gevraagd, krijgt een denderend applaus, krijgt een beeldje. En dan vraagt ze om stilte. Haar eerste woorden waren niet echt origineel : ‘I always feel better with something hard between my legs’, refererend naar haar award en heel even dacht ik : oké, gaan we die toer weer op, een druk op ‘next’ en zo naar een volgende versie van ‘Vogue’. Maar dan veranderde alles. Ondanks de lelijke facelift die ze sinds enkele jaren heeft ondergaan (het resultaat van haar MDNA Skincare?), verscheen een streng kijkende Madonna op de scène. Voor het eerst sinds 1982 – sinds 1982! – zag ik een Madonna die, figuurlijk naakt, open en bloot haar verhaal kwam vertellen. Over die jonge Madonna eind jaren ’70 tot de vrouw van vandaag. ‘I stand before you as a doormat. Oh, I mean, as a female entertainer. Thank you for acknowledging my ability to continue my career for 34 years in the face of blatant sexism and misogyny and constant bullying and relentless abuse’. De toon was gezet. De beginjaren in New York waren niet zo romantisch als sommige biografieën laten doorschijnen. Maar al deze ervaringen hebben haar ook gesterkt en ‘ (…) it also reminded me that I am vulnerable’. Sterk! ‘There are no rules — if you’re a boy. If you’re a girl, you have to play the game. (…) Be what men want you to be. (…) I was called a whore and a witch. One headline compared me to Satan. I said, ‘Wait a minute, isn’t Prince running around with fishnets and high heels and lipstick with his butt hanging out?’ Yes, he was. But he was a man. This was the first time I truly understood women do not have the same freedom as men’. Madonna werd emotioneel : ‘It’s not so much about receiving this award as it is having this opportunity to stand before you and say thank you. Not only to the people who have loved and supported me along the way, you have no idea…you have no idea how much your support means’.   En dan kon ik met verbazing alweer gaan slapen. Verbaasd omdat ik geen zelfbeklag heb gehoord, omdat ze niet in het hokje van 60-jarige vrouw wil geduwd worden door feministen die haar pathetisch vinden. They just don’t get it. Madonna is zeker niet de perfectie en dat zegt ze ook niet. Natuurlijk zijn er artistieke misstappen en persoonlijk vind ik de ‘MDNA skin care’ er ver over maar hey, it’s business and you’re adult enough if you want to buy that shit. De dagcrème uit de Lidl doet ook wonderen (if not even more..). Wat een man mag, mag een vrouw ook. Een constante in haar songs en haar carrière. Something t oremember.   Link :  https://www.youtube.com/watch?v=c6Xgbh2E0NM&t=64s http://erwinabbeloos.over-blog.com/

Erwin Abbeloos
0 0

Koude voeten

    Het sneeuwde en de verwarming in de galerij werkte alweer slechts op halve kracht. Dus toen ik om vier uur nog steeds geen kat gezien had, besloten mijn verkleumde ledematen en ik dat het welletjes geweest was. Ik sloot af en stak de straat over om de metro in te duiken, maar bedacht mij. Een goed glas whisky bij de open haard in mijn favoriete bar was wat ik nodig had.   Eigenlijk is die bar zowat mijn tweede thuis. Ze heeft dan ook iets van een grote woonkamer met haar comfortabele clubzetels en salontafeltjes met gezellige schemerlampen.  En er zijn heel wat hoekjes waar je je perfect kan verschuilen. Iets wat ik, die letterlijk in een  glazen huis werk,  wel kan appreciëren.   Ondanks het vroege uur was er veel volk maar er kwam net een plaats vrij bij het vuur.   Terwijl ik me ontdeed van de lagen waarin ik me verpakt had  kreeg  ik het gevoel  bekeken te worden.  Was het de man  tegenover mij die half verborgen zat achter zijn krant? Ik  bekeek de nonchalant gekruiste benen in donkerblauwe krijtstreep,  de zwarte glimmende schoenen en het streepje harig scheenbeen boven de sokken. Lange bleke vingers hielden de krant vast  waarboven een tufje golvend haar uitstak. Misschien.     Ik nestelde me met mijn boek en een glas single malt in de zetel en  voelde me langzaam ontdooien. Maar het gevoel bekeken te worden bleef. De man leek nog steeds verdiept in zijn krant en neen er waren geen gaatjes in geknipt.  Ik gniffelde bij de gedachte, waarop hij de krant liet zakken en me met één opgetrokken wenkbrauw aankeek.  “Sorry”, zei ik blozend en gebaarde naar mijn boek. Hij plooide zijn krant dicht en begon me openlijk te taxeren. De brutaliteit ervan verontwaardigde me evenzeer als het me flatteerde maar het verhinderde me vooral om verder te lezen. Ik sloot mijn boek met een klap, liet een hoorbare zucht en beantwoordde zijn blik.  Op zijn gezicht verscheen een ondeugende glimlach waar ik onmogelijk aan kon weerstaan.  De wereld leek een moment te haperen, dan stond hij op, liep weg en kwam niet meer terug. Beduusd keek ik naar de lege zetel. Er lag iets in, het houdertje van een sleutelkaart met een kamernummer erop. Echt?   Het was er eentje van het chique boetiekhotel dat aan de bar grenst en  waarvan de gasten directe toegang hebben via een deur in de hal. Ik keek van het kaartje naar de deur, aarzelde en dan, alsof iemand het startschot gegeven had leegde ik mijn glas, grabbelde mijn spullen bij elkaar en liep er recht op af. Een koppel dat net vanuit het hotel kwam en knikte me vriendelijk toe, de man hield de deur voor me open. Erachter lag  een salon van waaruit  ik een restaurant kon zien waar gasten aan de high tea zaten.  Een hotelbediende kwam mijn richting uit. Rechts van mij was een trappenhal. Ik liep vlug de trap op alsof ik wist waar ik was. Kwam iemand me achterna? Ik durfde niet omkijken en het enige geluid dat ik hoorde was dat van mijn roffelende hart. Had ik al ooit iets spannender gedaan?   Ik bereikte de derde verdieping. 329 was het kamernummer. Mijn voetstappen werden gedempt door het dikke tapijt, 323, 325,… Ik vertraagde. Wat als hij het nu simpelweg verloren had? Of als het niet van hem was? Wat als iemand anders opendeed? Zijn vrouw?  Aan de deur gekomen, luisterde  ik  of ik stemmen hoorde. Hij zou toch niet naakt de deur openen?  Wel, ik was hier nu. Ik klopte. Geen reactie. Ik klopte opnieuw en nog eens.  Niemand.  Al de spanning leek mijn lichaam in een keer te verlaten. Ik had zin om me op het tapijt te laten zakken.   Ik hoorde de ping van een lift en dacht nog, ik moet hier weg, toen een stem achter me zei: “Kan ik u helpen?” Te laat, ik was betrapt. Ik begon zenuwachtig in mijn tas te rommelen en mompelde “ik ben mijn kaart kwijt.” “ Bedoelt u deze?” zei de stem. Ik keek op en daar stond hij met zijn ondeugende grijns. Ik probeerde tevergeefs om niet te blozen. “Ik denk het wel” zei ik terwijl ik de kaarthouder omhooghield.  “Be my guest?” glimlachte hij  en hij reikte me de kaart aan.   Terwijl de deur achter ons dicht klikte voelde ik zijn vingers zachtjes door mijn krullen glijden. Ik begon oncontroleerbaar te trillen.  Ssst, zei hij sussend en nam mijn beide handen vast. Hij wilde me naar het bed leiden maar iets in mij steigerde. “Neen!” riep ik  in paniek en hij liet me verschrikt los. “Neen?” “Neen”. Het bleef een paar tellen stil “Jammer”, zuchtte hij dan en hij gooide de deur wijd open. Ik voelde me meteen stom maar het was voorbij, game over.   Thuis wachtte opgewarmde kost, de afwas en misschien een flauwe romcom?          

Paula Dumont
0 0

De (op)donder

  Hoe langer ik er bij stil sta, hoe meer ik het onder ogen moet zien: de supermarkt is dé plaats bij uitstek waar je ze kan treffen, of toch bij uitstek van de plaatsen waar ik me geregeld vertoon en waar ik veelal helemaal opgefokt terug buiten kom. Doorgaans lopen ze – klein van gestalte maar lastpakken van formaat – me onophoudelijk voor de voeten en dwarsbomen me op alle denkbare manieren. Onwaarschijnlijk veel zin heb ik dan om hen met de koppen tegen elkaar te slaan en het kost me meer dan eens helse moeite me te bedwingen ze een ferme trap tegen hun wiebelende konten te verkopen. Keer op keer verbaas ik me over het feit dat het merendeel van deze koters hun ouders totaal in hun greep heeft en ik erger me onwaarschijnlijk aan de controle die zij kunnen afdwingen, over van alles en nog zoveel meer. Tenenkrullend hoor ik hoe zo’n vrouw met geanimeerde en infantiele stem elke potentiële aankoop uitvoerig overlegt met haar kroost, van welk  ‘vleesje’ de kleine tiran op zijn of haar boterhammetje wil tot de kleur van de nieuwe tandenborstel voor papa toe. Buitengewoon irritant vind ik dat. Luidkeels en op een gebiedend toontje uit zo’n petieterige dwingeland, al dan niet vanuit het zitje in het winkelwagentje, z’n eisen. De ouder in kwestie neemt, tot mijn grote ontsteltenis, deze ‘gesprekken’ lachwekkend serieus, zien medezeggenschap van de koter als pijler van een hedendaagse opvoeding. Alles wat zo’n uk repliceert wordt door hen als fenomenaal beschouwd en men lijkt te veronderstellen dat ook andere klanten blijmoedig worden na het aanschouwen van dergelijke tafereeltjes. Glunderend speurt men rond in de verwachting een vertederde blik van hen op te vangen maar daar komen ze bij mij niet mee weg, onder geen beding! Angstvallig ontwijk ik elk oogcontact en verbeten zet ik mijn tocht door de supermarkt verder. Liefst ben ik dan ook zo snel mogelijk terug thuis terwijl hun schelle stemmen nog lang in mijn hoofd nagalmen. Het meest ergerlijke voor mij is het moment waarop zo’n booswicht een driftbui krijgt, zich schuimbekkend op de grond werpt of z’n keel oorverdovend open zet. Met man en macht tracht ik me dan te verzetten tegen de destructieve neigingen die plots in me opkomen, terwijl mijn vuisten zich ballen en het zweet me langs alle kanten uitbreekt.   Gisteren werd het eventjes spannend: op de kledingafdeling van het grootwarenhuis had zo’n ettertje me bijna omver gelopen. Krijsend als een wilde kat, met een speelgoedfiguurtje in z’n vieze knuist. Luttele ogenblikken later kwam het, terwijl ik rustig een nieuwe regenjas stond uit te zoeken, opnieuw aandraven. De haren wapperend, een verwilderde blik en een kin vol kwijl. Zonder uit z’n doppen te kijken stormde de kleine opdonder mijn richting uit en stampte met z’n plompe voeten abrupt op mijn voet, keihard bovenop mijn ingegroeide teennagel. De scherpe pijn schoot door mijn zenuwbanen, helemaal naar boven tot in mijn oksel. Kronkelend van de pijn zocht ik steun tegen het rek met de regenjassen. Mijn hart ging sneller slaan en ik merkte dat ik knarsetandde van woede. Ondertussen stond de gemene snoodaard me met open mond en een verfoeilijke blik aan te gapen. En toen kwam het… Stoutmoedig stak het kleine rotzakje zijn tong uit, naar mij! Voor ik het goed en wel besefte was het te laat, ik verloor mijn zelfbeheersing en gaf het kleine monster een ferme kneep in de arm. Geen gewone maar een ongelooflijk venijnige kneep. Behendig gooide ik ook mijn nagels mee in de strijd en klauwde, voor wat extra smart, hard en diep in het jonge rozige vlees. Vóór het onthutste jong brullend weg spurtte, kreeg ik eventjes de kans om – niet zonder voldoening - het resultaat van mijn daad te bewonderen: een grote felrode veeg op de bovenarm en verder nog de onbetwistbare sporen van mijn nagels: opvallend roodblauwe strepen, een beetje gerafeld met een paar loshangende huidflapjes erbij. Als ik het goed gezien heb begon het zelfs een beetje te bloeden. En op de vloer de stille getuige: een minuscuul bontgekleurd speelgoedpiraatje, haastig op de grond geworpen door het panikerende duivelskind. Opeens kreeg ik het enorm benauwd. Ik hoorde hoe het jong jammerend om zijn moeder jankte en ontwaarde vanuit mijn ooghoeken een rijzige jonge vrouw die met verontruste blik kwam toesnellen. Ik moest mijn hachje redden en verdwijnen, snel! Vliegensvlug glipte ik één van de krappe pashokjes van de klerenafdeling binnen en kon nog net als de bliksem het gordijn dicht schuiven terwijl de haastige voetstappen van de vrouw steeds dichterbij kwamen, met hoorbaar in haar kielzog de trappelende en nog steeds blèrende snotneus. Opdat ze mijn voeten niet vanonder het driekwart lengte gordijn zouden zien uitsteken, was ik ijlings gaan zitten op het krukje in een hoek van het hok en had ik met behoorlijk wat moeite mijn beide voeten opgetild. Je kon niet zeker genoeg zijn. Het tweetal stond even te dralen in de omgeving van mijn schuilhok en het oplawaai bracht in horten en stoten zijn onhelder relaas van de feiten. Na een poosje hoorde ik hen tot mijn opluchting afdruipen, hun zoektocht naar de boosdoener gestaakt. Na nog een paar minuten waakzaam afwachten verliet ik mijn tijdelijk onderkomen, met opgeheven hoofd en een nauwelijks te verhullen glimlach op mijn lippen.   In de wachtzaal zit Tobias lusteloos en met een bleke snoet op de schoot van zijn moeder, een Playmobil piraat in de hand. Nu en dan staart hij gekweld naar zijn arm terwijl zijn moeder troostend haar armen om hem heen legt en hem verzekert dat de dokter hem snel zal genezen. De deur zwaait open en een kleine, gezette vrouw met blozende wangen stapt de wachtzaal in. Ze draagt een lange witte doktersjas en lijkt hiermee indruk te maken op Tobias. De dokter kijkt het duo onderzoekend aan. “Komt u maar door,” glimlacht ze minzaam. “Dag lieve kleine jongen, jij bent mijn laatste patiëntje vandaag. Gaat u beiden maar zitten en vertel het eens”. “Het is een bizar verhaal”, zegt de moeder, “maar mijn zoontje beweerde gisteren in de supermarkt dat hij werd aangevallen door een vrouw. Een zonderlinge vrouw die plotseling heel kwaad werd op hem en, zoals u ziet, zijn arm lelijk verwondde.” De mama van Tobias doet ratelend het huiveringwekkend voorval verder uit de doeken. Over hoe ze samen met Tobias nog op zoek ging naar de vrouw maar dat er niemand te bespeuren viel, dat ze de wonde zo goed mogelijk zelf verzorgde maar zich toch ongerust maakte vandaag. Hoe het een pak van haar hart is dat ze nog op consultatie kon komen vanavond. Dat het vermoedelijk een gestoorde vrouw moet zijn en dan die enge nachtmerrie van Tobias vannacht en hoe hij sindsdien erg angstig en in zichzelf gekeerd is. “Ziet u, dokter, we zijn nog maar pas in dit dorp komen wonen en kennen hier nog niemand. Tobias heeft al moeite om te wennen aan het nieuwe huis, een nieuwe peuterklas, … En nu dit…”  De dokter luistert vol aandacht naar het verhaal en knikt nu en dan. Ze maakt een paar notities en bestudeert uitvoerig de wonde. “Inderdaad, mevrouw, dit is een uiterst onbehaaglijke situatie. Wat naar voor uw zoontje. Heeft u dit voorval met de verantwoordelijke van de supermarkt besproken?” “Tuurlijk”, beaamt de moeder, “maar ze vonden het een vreemde historie en ik had de indruk dat ze het niet serieus namen of erger nog, dat ze mij veroordeelden omdat Tobias even aan mijn aandacht ontsnapt was…“ Aangedaan slikt de moeder van Tobias een paar tranen weg. “Ach mevrouw, dat is zo vervelend voor u. En hoe ongehoord van ze om dit als een akkefietje af te doen. In ieder geval schrijf ik u iets voor om de wonde goed te ontsmetten en mooi te laten helen. En praat er maar veel over met uw zoontje, dat helpt ook. Tegen de angst en zodat hij opnieuw een beetje vertrouwen krijgt. Maak hem maar duidelijk dat dit een uitzonderlijke gebeurtenis is en dat volwassenen dit niet horen te doen en doorgaans ook niet doen, hoor je dat Tobias?” Met priemende ogen kijkt ze Tobias aan. Tobias staart met sombere blik terug, omklemt met zijn kleine handje stevig de Playmobil piraat en verroert verder geen vin. “Het komt wel goed”, zegt de dokter op geruststellende toon, “hou de wonde goed in de gaten, als de roodheid en de pijn wegtrekken hoeft u niet terug te komen. En anders kom je gerust langs”. De dokter loodst hen bemoedigend naar de deur, ze geeft de moeder van Tobias een stevige handdruk, knipoogt naar de dreumes en aait hem zacht over zijn kruin. “Tot kijk hoor, kleine piraat!”.   Dokter De Donder sluit de deur, trekt haar doktersjas uit en gooit deze met veel zwier over de kapstok. Ze zucht diep en werpt verveeld een blik op haar horloge. “18u45, nog snel even naar de supermarkt”, mompelt ze tegen zichzelf. Ze schiet haar nieuwe regenjas aan en stapt - licht mankend - naar buiten. “Oh, uncus incarnata, au nom du dieu toch”, foetert ze, “Straks maak ik voorgoed korte metten met die verdomd ingegroeide teennagel!”      

Cindy Van de Velde
0 0

Kassa 4

Kassa 4. Aan kassa 4 staan geen klanten. Ik heb een mandje met fruit, witte wijn en Italiaanse delicatessen. Aan de kassa zit een vrouw met een hoofddoek. Ze zegt “Bonjour” maar kijkt me niet aan. Ik zeg “Bonjour” terug. Mijn mandje is 24,56 euro waard. Dat zegt ze ook zonder me aan te kijken. Ik geef een briefje van 50 euro. Op de rolband legt ze het wisselgeld terug. ‘Bonne journée’ zegt ze, zonder me aan te kijken. ‘Bonne journée’ zeg ik haar en ik verlaat de winkel.   Kassa 4. Aan kassa 4 staan geen klanten. Ik heb een mandje met fruit, witte wijn en Italiaanse delicatessen. Aan de kassa zit een oudere dame, grijsblond of blondgrijs, ik merk het verschil niet meer, ik schat haar leeftijd rond de 60. Ze zegt ‘Bonjour’, glimlacht en begint te scannen. Ik zeg ‘Bonjour’ terug. Mijn mandje is 24,56 euro waard. Dat zegt ze me terwijl ze me het bedrag op haar display toont. Ik geef een briefje van 50 euro. Ze geeft me mijn wisselgeld in mijn handen terug. Ik wens haar ‘Bonne journée’, ze wenst me ‘Bonne journée’ terug.   Kassa 4. Aan kassa 4 staan geen klanten. Ik heb een mandje met fruit, witte wijn en Italiaanse delicatessen. Aan de kassa zit een jongeman, ik schat rond de 20, luidop de mérites van voetballer Mbappé te loven tegenover een collega. Ik zeg ‘Bonjour’, de jongeman prevelt, zonder me aan te kijken, een ‘Bonjour’, scant mijn producten en praat verder. Ik heb het raden naar de prijs. Ik geef een briefje van 50 euro. Hij legt het wisselgeld op de rolband, zegt snel een ‘Bonne journée”, staat op en gaat verder praten bij zijn collega.   http://erwinabbeloos.over-blog.com/    

Erwin Abbeloos
21 1

Een vingerknip.

    Het geluid van een vingerknip net naast m’n oor, meer was er niet nodig om te beseffen dat er weer eens een vakantie aan m’n neus zou voorbijvliegen. Ik had nochtans zo gehoopt op een uitstapje naar zee. Het verlangen dat ik had om de zilte zeewind eens te mogen voelen razen door m’n korte lokken zou niet ingevuld worden. Eens het tintelende gevoel te ervaren van zout op mijn lippen, starend naar de schepen die lijken te zweven over de kabbelende golven, schitterend in de onschuld van de ochtendzon. Schelpjes te zoeken in het mulle zand met m’n voeten in de schuimende branding van de zee. Zandkorrels laten glijden door mijn vingers als vloeibaar goud om er dan het grootste zandkasteel mee te bouwen, dat vast en zeker zal bestormd worden door een leger tinnen soldaatjes. Eindeloos turen naar de einder door een verrekijker om dan zeemeerminnen haasje-over te zien spelen. De opwinding te mogen voelen wanneer ik een verborgen schat zou ontdekken die verstopt lag tussen het wiegende helmgras. Om dan met grote ogen en bonkend hart de kist te openen en de geur van chocolade te ruiken die me zou bedwelmen en verleiden om in het water te gaan in het gezelschap van een zoogdier. Racend op de rug van een dolfijn die trouwens m’n beste vriend zal worden, laverend tussen zeilboten met verbaasde toeristen die me horen juichen en zien hoe ik een school vissen begeleid. Ik, als aanvoerder van een zotte bende vissen, luidkeels liedjes zingend over dronken piraten totdat m’n keel schor is en stokt. Om dan hijgend aan wal te gaan, gebruind door de felle zomerzon. Me neer te vleien in het warme zand tussen algen en dansende kwallen en een veilig deken van zeebries over me heen te slaan. In slaap te vallen op het ritme van eb en vloed om te dromen over vuurtorens die walsen op hemelse muziek georkestreerd door strandredders in roze tutu’s, blazend op hun toeters. Neen, dat alles hoef ik te missen…omdat ik arm ben. Een zielig onzichtbaar kind dat woont op een éénkamer flatje in hartje stad. Verscholen tussen de kilheid van vier grijze betonnen muren waar de schimmel langzaamaan omhoog kruipt. Eenzaam in de grote-mensen-wereld die ik geeneens begrijp. Spelend met kakkerlakken en kreupele spinnen tussen het geluid van over de grond scharrelende bierflessen. De koude vloer te voelen door m’n gescheurde broek en mijn buik te horen protesteren van honger, ronkend als een oude dieselwagen. M’n maag lijkt aan m’n rug te plakken als kleverige kauwgum. Ik laat een geladen zucht, een traan loopt traag over mijn wang en baant zich een weg door het vuil op m’n gezicht. Ik veeg m’n tranen droog, verkleumd door angst om achtergelaten te worden door ma en pa. Ik sta op de toppen van m’n tenen en rek mijn lang pezig lichaam zodat ik uit het raam kan kijken. Een blik op de groezelige stad met toeterende auto’s, zwevend door de straten. Bomvolle bussen die duistere figuren lijken uit te spuwen. Bedelaars die zich smekend voor de voeten gooien van rijke zakenmannen in de hoop een aalmoes te vergaren voor een schamele hap gevuld met vervuilde lucht. Ik hoor het geluid van een winkelalarm en kan nog net een dief zien wegvluchten achterna gezeten door een briesende verkoopster met flanellen benen. De dief duikt heimelijk de ondergrondse metro in met zijn gestolen buit, de mollige verkoopster blijft radeloos achter. Plots zijgt ze neer als een slagroomtaart die te lang in de zon heeft gestaan. Ze ligt roerloos op het voetpad tussen wriemelende voeten die zich haastig begeven naar een zinloze afspraak. Niemand reageert, niemand vertoond ook maar enige emotie. M’n mond gaat traag open en ik wil schreeuwen om hulp, maar m’n woorden zijn kleurloos als grauwe regenwolken die een mistroostig gordijn trekken over de bedorven aarde. Ik bal m’n vuisten als vernietigende bommenwerpers en bonk schreeuwend op ’t raam. Niemand wil me horen, niemand wil me ook maar aanzien als een levend wezen met een slapend hart. Ik draai me om en slenter droef naar de oude koelkast die in de hoek van de kamer staat. Ik trek de koelkastdeur open en grijp met bevende handen naar niets...echt niets. Ik laat me zakken door de benen van slapte en staar naar de houten deur. Ik wacht op schimmige bezoekers die me misschien komen bezoeken, met een doos gevuld met bonbons in alle kleuren van de regenboog. In gedachten ontrafel ik vliegensvlug de felroze blinkende strik met trillende vingertjes. Ik til het deksel van de doos op en kies er ééntje uit. Ik beeld me in dat ik eraan lik. M’n tong strelend over de hemelse chocolade. Het smaakt naar vakantie op een exotisch eiland ver weg dobberend in de Stille Oceaan. Ik hoor kinderen op ukeleles spelen, wiegend in een rokje van gebreide lianen. Ik neurie zachtjes mee en m’n oogleden worden zwaar. Ik val in een diepe slaap. Ik droom...ik droom dat schatrijk ben en wereldberoemd. Ik word geprezen in alle windstreken, benijd tot ieders grote spijt. Ik zucht… ik zucht, hij is geladen. Ben ik gelukkig nu? Ik laat me drijven op  wolken van verbeelding, waar dromen en verlangens mekaar vervullen in ieders ziel. Mijn ziel lijkt te zweven boven m’n lichaam. Ik word gewichtloos en stijg omhoog naar witte wollige wolken die geplakt hangen tegen een helblauwe hemel. Daarboven aangekomen hoor ik harpmuziek gespeeld door engelen met opvallende tattoos. Een rode loper wordt haastig voor me uitgerold. Ik vlieg zwevend over het robijnkleurige tapijt en zie engelen met guitige ogen die me verleidelijk wenken. Ik vlieg verder en ruik aangebrande rijstpap op een bedje van appeltjes met een snuifje kaneel. Ik meen te lachen, m’n hart maakt een vreugdesprong. Hier voel ik me wél thuis. In de verte zit een heilige spelend met zijn lange witte baard gezeten op een troon van slagroom. Hij lijkt te prevelen en opeens roept hij m’n naam. Zou ik langsgaan? ‘Kom nader, jij kleine kapoen. Wees niet bevreesd. Je bent hier veilig in ’t hemelse rijk. Je kan hier spelen met een allegaartje aan engelen en drinken uit de eeuwige jeugdfontein. Je slaapt in een donzig bedje wiegend op het ritme van de oneindigheid. Sluit je ogen, nu…en tel langzaam tot acht. Ik hoorde een vingerknip, opende m’n ogen en…wat had je nu gedacht?

Sandra Ringoot
17 0