Lezen

6² ZKV’s (*)

WAAR OGEN EKSTEREN TRAPPELT HET ONGEDULD   OP SLAG  DE OPGESLAGEN TEKST GEVONDEN   WAAROM ZWIJGEN DIEREN DIE OOIT SPRAKEN   BAZEN ZIJN ONTSPOORD, TREINSPERSONEEL IS UITGERANGEERD   VROUW IS NIETS, ZONDER HAAR MAN   VROUW: ZONDER HAAR, IS MAN NIETS   *** SCHADUWEN MOETEN IETS FELLER BELICHT WORDEN.   KOM NAAR HUIS, THUIS IS WEG.   VERDRONKEN DROOM, GEEN REDDINGSBOEI MEER OVER   WAAROM ZAGEN, HET HOUT IS OP.   VERSCHROEIENDE ZONNESCHIJN KOMT NA VERFRISSENDE REGENBUI   CONGE IS OP, MORGEN WEER WERKEN.   *** AL ZOT GENOEG, DOE MAAR GEWOON.   GEEN EIKEN MEER, GEEN BRONSGROEN HOUT.   OP DE PURPEREN HEIDE STONDEN BRANDWEERLUI.   WAAR WEGEN ZIJN WAREN EERDER WILLEN.   LEKKER BINNEN, WAAR HET IJSKOUD IS.   DE HOOGSTE NOOT, DE REDDING VERAF   *** MUIZEN EN OLIFANTEN DOEN STOF OPWAAIEN   THINGS OF BEAUTY ARE TOYS  FOREVER   FATA MORGANAS GINGEN IN LUCHT OP   ZIJN APENSTAARTJE KRULT VAN DE PRET   DE SNEEUWMAN ZIET ZWART VAN MISERIE   DE FIERE AAP MET TROTSE GIETER   *** ZIJN GULP EN MOND STAAN OPEN   EEN UITGELEZEN BOEK BLEEF ZONDER LEZERS   DE UITGELEZEN WIJN BLEEF ZONDER PROEVERS   MATEN ONDER ELKAAR MET ONDERMAATSE KAMERADEN   EERSTE VIOOL SPEELT THE LAST TANGO   AALSTERSE VUIL JEANETTEN MET FAMEUZE T..ROTIN..ETTEN   *** GEEN PAPIER MEER, DRUKKEN WORDT GESTAAKT   VERKEREN, HET KAN, BREDERO ZEI HET   HEILIG HUISJE SLOOPT DE HEILIGE KERK   WAAR KRAAIT DE HAAN WEL NAAR   BEROEPSMOORDENAAR MAG BEROEPSGEHEIM NIET OPENBAAR MAKEN   GEVALLEN, IJSJE VERGETEN LOS TE LATEN         (*) : zes maal zeer korte zes woorden verhalen             

Vic de Bourg
15 0

C-mine-survival

  Een bloedappelsien, fietsslot en een pakje cent wafers heb ik de dag voordien gekocht, 's ochtends braaf mijn pilletjes geslikt, me als een schrijver goed vermomd, de witte banden van mijn fiets opgepompt.   Hij mag altijd mee. Goedemorgen, meneer de conducteur, voorlopig loopt en spoort het goed. Voor mijn stekelvarken heb ik geen ticket gekocht. De algemene voorwaarden vermelden enkel katten in een kooi, blindegeleidehonden en grote huisdieren, waarvoor men twee euro en dertig cent dient te betalen.   Doch. Dit dier valt niet onder de huisdieren. Maar hij reageert niet, op mijn stilzwijgen, denkt vast dat ik aan het lezen ben. Een kringgewinkeld boek. Mijn moeder is een stekelvarken. Hij tatoeëert mijn rail pass eerste klas. Knikt. Denkt. Dat ik de mensheid maar vermijden moest en toch. Ben ik vertrokken naar de hel.   Ik oefen het sérieux van doorsnee wezens, zucht. Het stekelvarken weet. Dat het niet lukken zal. Dat ik mij als een jonge onervaren kwal tussen veel volwassen voeten voelen zal. De trein, de dag moet voort, hij herbegint. Anders dan gisteren.   Veel wreder. Als een opgewonden nachtmerrie met rode wangen. Door een deur. Die automatisch sluit, het stekelvarken tweeëndeelt. Hij slaapt nu rustig want het kan, de kop het lijf, ze leiden nu een eigen leven in mijn rugzak.   Het lijf, zoals dat gaat, zal voorplanten. De kop zal denken. Dat het goed is. Dat ik het wel zal overleven. Ginds bij die mijn. Waar ik mijn blauwdruk slijten zal aan een handelaar in letters.   Ik zal eerst een beetje meedoen. Slenteren en leuteren. Met de meute. Voor de workshop een foto moeten maken van een vrouw bij een mijnschacht. Of in donkere gangen, schijnbaar zonder uitweg. Niemand zal het merken dat ik heel alleen terugkom. Niemand zal het weten dat ik die vrouw met blauwe jurk, die lekkere, ferme kuiten, glitter, ronde borsten, vastgeklonken heb.   Tot die kerel verschijnt. Jee Kast. Alles uit de kast haalt. Propere handen, behangpapierrollen vol Mister Properverhalen, Bulgaarse hoertjes, hotelzeep en een zweep voor al te brave woorden.   Ik denk dat hij iets zoekt, het in mijn ogen lezen kan, iets zoenen wil, zelf ook hunkert naar die blauwe vrouw met rode lippen. Zij. Die ik diep onder de aardkorst zal opsparen voor de nare dagen.   Tot zij. Daar in de Kleine Zaal. Plots weer uit de grond gekropen komt. Mijn blauwtje! Ik verstop me. Achter een mensenhoofd. In een boek. Diep in het zwarte zitje, hopend dat geen mens mij Bernd de Verschrikkelijke nog herkent en ik luister.   Naar verhalen over worsten in een pan en meisjes met geslepen tanden. Terwijl hij jeuk krijgt, de bloedsinaasappel in mijn rugzak en mijn script daar op een vettig tafeltje ligt. In de compressorzaal. Verscheurd.   Het is me wat en omdat het beter is, slik ik nog wat roze pillen, sluip naar het station en boven op een trein, lig ik te staren naar de sterren. Grote kleine zorgeloze beren, laat ze maar beweren, zeggen wat ze willen.   Ik had een dag te villen en mijn trein der traagheid vraagt het niet. Hoe en waarom. Met welke woorden. Welke verhalen het einde zullen halen. Ik laat het bloed heel rustig druipen. Laat het.   Ja. Laat mij en verlaat mij. Laat mij rusten. Rustig boven op de trein. Mijn appelsientje schillen.       uit de reeks  'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
0 0

Noors rood

    Een geluid dat Noortje niet kent: het geluid van een walvis. Als hij een wind(je) laat. Een blauwe vinvis eet zesduizend kilo per dag. Plankton, krill en visjes.   De grote behoefte proberen we ons niet voor te stellen; gelukkig wonen we hoog, zijn we nog eeuwen verwijderd van het tijdperk waarin een beter burgerkoppel beslist het landhuis dan toch in falurood te laten schilderen. Sikkens C4 40 20, op waterbasis.   Geen wrede toekomstverhalen. Over olielampen, walvistraan of ossenbloed. Ik stel Noortje gerust, want morgen. Morgen zal het eindelijk gebeuren. Game over voor de beer en dan kunnen we weer veilig uit de paalwoning kruipen, rupsen zoeken, bessen plukken, nootjes kraken.   Noortje wacht, tot ik een denkbeeldige pagina omsla. Ze raadt het vervolg. Haar wijs- en middelvinger knippen de contouren van de beer die in het bos, in onze geesten leeft. Met een stukje houtskool teken ik de speer die in zijn hart verdwijnt.   In de verte klinkt een roep, die maant de boomhut te verlaten. Mama. Dat de veggieburgers klaar zijn. Zelfgemaakt, in de vorm van een krokodil. Voor mij (omdat ik best van al leed verdragen kan) is het exemplaar zonder rechter achterpoot. Accidentje tijdens het paneren.   Tafelen. Het wordt gauw laat. Donker is het snel op winterdagen en met één hap bijt ze het beest de kop af. Genadeloos, daarna een lach.   Donkerder, dieprood is de ketchupdruppel op Noortjes kin. Ondeugend zijn haar wangen.           uit de reeks  'Kleinood'  

Bernd Vanderbilt
0 2

de boshoer

Ik heb lang gedacht, tot gisteren eigenlijk, dat een boshoer niets meer was dan een onschuldige giechelgroet van een tienjarig kind dat nog eens voet op Franse bodem zet. Maar toen ik gisteren ging wandelen, kwam ik te weten dat er achter die infantiele woordspeling een echt mens schuilt. Een vrouw van vlees en bloed. En ik kan het weten, want ik kwam haar gisteren tegen.   Als het buiten wintert, doet het dat ook in mijn hoofd. Daar vriest het, kraakt het, ligt het leven even stil. Het bos is mijn chauffage. Erin wandelen mijn wollen plaid. Ik was gisteren nog geen vijf minuten ver, de boslucht begon net aan haar grote ontdooitruc, toen ik in de berm een vrouw zag zitten, omhuld in enkel een roze badpak. Soms verraadt een vrouwelijke rug en en de manier waarop die overloopt in haar hals al dat ze verdomd mooi moet zijn. Soms. Want toen ik deze vrouw op de schouder tikte en ze zich omdraaide, kon ik niet anders dan veronderstellen dat zij achterstevoren in de rij stond toen God het vrouwelijk schoon uitdeelde.   Het zou onbeleefd geweest zijn om het na een enkele blik op haar verrimpeld paardengezicht op een lopen te zetten, dus vroeg ik haar vriendelijk wat ze hier zat te doen. En of ze het misschien niet wat te koud vond voor een badpak. Ze huilde. Met de paar flarden die ik tussen haar gesnik kon verstaan, reconstrueerde mijn intussen volledig opgewarmde hoofd automatisch haar verhaal. Geen klanten meer. Te oud. Te lelijk. Ik begreep dat het roze badpak het enige was dat haar nog restte. En het bos. Haar en mijn chauffage. Onze zachte plaid.   Kom boshoer, zei ik, we gaan wandelen. Met uw schoon badpak.    

joke
207 0

het dorp

Ik schreef mijn eerste roman. Na twee pagina's was ik uitverteld. Ik ging naar buiten en wandelde in het rond. De buurvrouw stond de stoep te schrobben. Ik zei hallo, maar ze verstond mij niet. Ik was niet van hier, ik was een inwijkeling uit het noorden van Oost-Vlaanderen. Daar schrobben ze ook stoepen. Ook daar verstaan ze mij niet. Ik wilde mijn dorp beter leren kennen. Het koor had nog een plaatsje vrij. Ik bood mij aan. Vijftien huisvrouwen ontvingen mij met open armen. We zongen over Jezus, over God en over Maria. Daarna praatten we over koetjes en kalfjes. Letterlijk. Eén huisvrouw zag mij zuchten. Ze legde haar hand op mijn rechterdijbeen, fluisterde in mijn oor dat ze mij begreep. Dat ze ook liever over kippen en kuikentjes babbelde. Haar man had de grootste kippenkwekerij van het dorp. Waar vroeger de plaatselijke jeugd les kreeg, liepen nu vijftienduizend gevederde vrienden op een kluitje. Het was een mooie stiel. Die beesten stonken als de pest, maar liefde dat ze gaven, ge houdt het niet voor mogelijk. Ik knikte en bestudeerde haar ogen. Ze waren bruin met grijze spikkels. Haar wimpers fladderden onophoudelijk. Haar rimpels trilden van excitatie. Als ze lachte zag ik het achterste van haar tong. Ze kakelde maar door, luider en luider. Ik keek op mijn gsm en deed alsof ik een belangrijk telefoontje kreeg. Ik ging naar buiten, naar de regen, de heerlijke regen. De huizen blonken zoals steeds onder te felle straatlantaarns. Opritten barstten uit hun voegen. Dit was mijn dorp, hier was ik beland. Hier moest het gebeuren.

Maarten Verhelst
0 0
Tip

Traditie.

    Daar staat ze weer, met schort en plakkerig haar. Kalkoen in de oven, check. Groenten al dente, check Aardappelroosjes klaar op de bakplaat, check. Elk jaar dezelfde vernedering, nooit is het goed, nooit wordt ze geprezen voor haar moeite. De tafel is feestelijk gedekt, alle trends op voorhand uitgeplozen, dit jaar alles in het wit met fris groen op tafel. Sober, maar elegant, stijlvol zoals het een vrouw van de wereld betaamt maar niet te gewaagd want dat kunnen haar schoonouders niet smaken. Het feest zal al beginnen als ze de deur open doet. Haar schoonmoeder zal haar blik traag over haar lichaam laten glijden en een afkeurend knikje zal haar bevestigen dat die jurk echt te strak, te kort, te groen, te... gewoon niet is. Ze zal slikken en blijven glimlachen terwijl ze de jassen aanneemt. De tafel zal te kleurloos zijn, wist ze niet dat het kleur was dit jaar? Uiteraard is de kalkoen niet gaar genoeg, de aardappelroosjes te licht van kleur, man wat had ze er genoeg van. Voor de oven laat ze zich op het krukje zakken en ziet zichzelf weerspiegeld in het ovenvenster. Een rooie kop met plakhaar en een veeg saus op haar wang. Dit ben ik niet, ik het rebelse meisje van vroeger sta hier godverdomme een kerstdiner in elkaar te flansen. En voor wie? Resoluut staat ze op, een glimlach speelt om haar lippen, haar ogen sprankelen vuurwerk als ze met een ruk het tafelkleed onder de borden vandaan trekt. Een verhelderend lawaai gaat een kalme stilte vooraf. Ze hoort nog net de deurbel als ze de achterdeur achter zich dichtrekt en de koele avond instapt.     (c) hanneke, tekst en beeld.

Miss Blue Sky.
9 0

Met Coco naar Cambodja

  Op de eerste dag schiep God zichzelf en op de tweede dag was ik een mol. Ik wroette door de grond, groef mijn eigen gangen en genoot. Sappige regenwormen, engerlingen, joeg naar hartelust op wijfjes met een zachte pels.   Er was toen niet één mensengedrocht, geen ene homo sapiens die kloeg, over molshopen, geen enkel wezen dat gazonzorgen, een zitmaaier had.   Op de derde dag was alles bevrucht, baande ik me een weg omhoog en bij toeval zat hij op de plaats waar ik het daglicht zocht. Hij vloekte, schiep die dag de reetkevers, de aambeien en voor de kinderen als troost aardbeien en kersen.   Op de vierde dag was hij pisnijdig, werd ik een mens en schiep hij met de restjes van zijn meesterbrein de vreemde medemens.   Er zaten toen veel gaten in de tijd, het was al gauw een eeuwigheidje later, de vijfde dag van een december en ik staarde hen aan, een massa, een wereld, door mijn fruitbokaleglazen.   Veel minder dan in mijn mollentijd schuwde ik het wereldlicht en ik wilde ik ging, zoals van plan, gewoon naar de Fuckatlon. Kijken meten afwegen en weten wat ik 's nachts verwerken zou, dacht weer aan mezelf, kocht een zwarte penispels. Ik dacht aan hem toen ik ze zag. Capoten in een glitterdoosje met de smaak van aambeien.   Content met mijn nieuwe fallushoes keerde ik huiswaarts en daar aangekomen zag ik Doesjka in het achterhuis. Schaars gekleed, haar smarttelefoon in de hand. Dat "jawel, het internet, de wifi werkten en de thermostaat kapot moest zijn".   Doesjka had de meute ook gezien en Pietje van Pittem, de groenselkweker was er bij geweest. Ze had hem herkend de klootzak, hij die haar Moldavische ouders koude winters lang spruiten, miljoenen van die groene schetebollen had doen trekken tegen een paar schamele centen.   Ze zei dat haar lijf brandde, ze furieus was, jarig ook, vandaag zestien, dat haar vliesje spande. Ik moest glimlachen. Zo lichtgelovig ben ik niet en zette vastberaden de pan op het vuur, "om die reetkevers te braden, vers van de markt!"   "Morgen komt ie," stelde ik haar gerust, "in een ommedraai ben je er van verlost. Echt!"   "Je redt je wel, morgenvroeg vertrek ik," ging ik verder, "a holiday in Cambodia, met bobonne en Coco", want ik had het aan bobonnetje beloofd, op haar sterfbed, om haar as samen met die van Coco te verstrooien in Kampot, in een koele branding, of had ze Kampenhout willen zeggen en was haar laatste adem net iets te kort geweest?   Kampot! Het ware dan maar zo. Het ochtendgloren van dag zeven brak aan en het kwaad van dag zes was intussen al geschied. In de verte zag ik geen zee, wel het dartelste rood, op de vensterbank in het achterhuis, groeiend aan dat ene plantje.   Aardbeien; ik strompelde naar de pick-up, viel over de lege flessen lambiek en redde de naald uit de benepen cirkel waarin ze de ganse nacht was blijven draaien: Fresh Food for Rotting Vegetables, released by Cherry Red Records en mijn katerpoten schoven het vinyl voorzichtig in de hoes.       uit de reeks  'Reizen met Robby'

Bernd Vanderbilt
0 0

diep geplooid

Ik ben in Canada geweest. In Thailand. In Guinée-Conakry. In Noorwegen en de Faeröer Eilanden. In de Stationsstraat in Peer ben ik nooit geraakt, dat moet ik toegeven. Toch heeft de wereld geen geheimen meer voor mij. Ik ken haar door en door. Ik geloof haar tot in haar diepste plooien. Elke rimpeling, elke oneffenheid, elke ademtocht: ik weet wat ik eraan heb en wat ik kan verwachten. Een windvlaag zal over zeventien seconden die zilverberk doen sidderen, let op mijn woorden. Bladeren zullen straatstenen bedekken, buren zullen vloeken. Ik vergeef je je kwetsbaarheid. Je tranen. Die keer dat je mij betrapte met dat andere meisje. Je bent zo mooi, ik zweer het je. Je bent de enige die mij kent. Die ik toelaat mij te kennen. Je bent mijn eeuwige rotonde, mijn verkeersdrempel, mijn verkeerd geplaatste wegomlegging. Ze mogen zeggen wat ze willen, maar zonder jou zou ik hier niet zijn. Neen, ik zou een garagebox huren in de Stationsstraat in Peer. Ik zou er onze wagen parkeren en wassen met zeep. Het vuile water zou ik in het rioolputje gieten, daar zijn rioolputjes voor. Ik heb je nooit een rozentuin beloofd, maar kijk, onze tuin staat er prachtig bij. We hebben meidoorn, esdoorn, schietwilg en knotwilg. Ons gras is wild en ontembaar. Drie grasmachines hebben we al kapot gemaaid. Onze leverancier wrijft in zijn vettige handen. Zijn ogen blinken als we zijn kiezelparking oprijden. Hij maakt een Senseo en grijpt blindelings naar een bestelbon. Hij kent jouw naam, niet de mijne. Zijn balpen doet het werk terwijl hij naar je borsten staart. Zijn neus verraadt een onfortuinlijke bokscarrière. Mijn vuisten jeuken. Ik sla hem finaal naar de diepste plooien van ons vlakke land. In de toonzaal hangt een bosmaaier van Stihl. Dat bakje zal de klus wel klaren. We tekenen voor ontvangst en rijden de avond in. De wind zal ons leiden.

Maarten Verhelst
0 1