Lezen

Het sollicitatiegesprek

  De man was verrassend lelijk. Of misschien niet lelijk, eerder enorm onaangenaam om naar te kijken. Zijn gezicht had teveel weg van een porseleinen pop. Zijn wangen stonden bol, maar zijn huid leek zodanig strak getrokken dat het leek alsof die achter zijn oren was vastgeniet. Zijn overdreven kleine mond leek vastgeroest in iets wat hij waarschijnlijk thuis in de spiegel oefende als glimlach. Ella bedacht zich dat wanneer die fijn geperste lippen op hun plaats zouden komen, de nietjes misschien zouden springen. En dat dat wel eens de reden kon zijn achter zijn onnatuurlijke grimas. “Wilt u iets drinken? “ klonk het plots, waardoor voor Ella duidelijk werd dat ze al enige tijd niet had opgelet wat de man had zitten zeggen. “euhm.. ““Geeft niets hoor, zo doen we dat hier wel vaker na calltime..” Hij pauzeerde na ‘calltime’ alsof hij indruk wou maken, met wat ogenschijnlijk zelf bedacht vakjargon bleek, en hij hoopte misschien dat ze zou vragen wat dat was, maar voor een callcenter was dat iets te vanzelfsprekend. De man wachtte niet op antwoord maar veerde recht uit zijn draaistoel en nam uit zijn rechterlade twee glazen, alsof hij geïnspireerd door één of andere film, blind was geworden voor hoe zoiets hopeloos dronken overkomt. Hij hield de glazen vast met een deskundigheid die verried dat hij eerder als garcon of elders in horeca had gewerkt, maar wellicht was dat niet de bedoeling. Het leek allemaal deel uit te maken van de zonet begonnen show die hij op wilde voeren, en waar nog niet direct een einde aan kwam.Het deed Ella denken aan een felgkleurde vogel die een dansje maakt voor een vrouwtje van een totaal andere soort. Uit de archiefkast rechts van zijn kantoor nam hij een halve fles rode martini. De gehele namiddag had Ella halsrijkend uitgekeken naar het moment waarop de aan het plafond bevestigde digitale klok in de belzaal, half vijf zou aangeven, en er een einde kwam aan de proefdag bij Sellpoint. Nu zou ze maar al te graag terug in die cubicle zitten. De glazen waren standaard glazen, het soort dofgewassen stapelglazen dat je ook in ziekenhuizen en rusthuizen terugvindt, en vertelden net zoals het door sellpoint uitgekozen interieur dat in alle kantoren hetzelfde bleek, niets persoonlijks over de man voor haar. Maar de rode martini deed dat wel. Ella amuseerde zich met het fantaseren van achtergronden bij mensen en dacht dat zijn vreselijk uitgesproken slechte smaak waarschijnlijk nog uitgesprokener zou zijn in zijn living, waar kitsch en duur uitziende maar lelijke spullen zijn karikatuur compleet maakten, en waar hij op Arabische muziek stond te dansen met blauwe glaasjes met een gouden randje, gevuld met rode martini. Een soort van niet-pianospelende Liberace, met wandtapijten en ivoren beeldjes.Tevreden over het zonet gecreëerde beeld, hervond ze een gevoel van persoonlijke tegengewicht en besloot ze om zich te focussen op de indruk die ze zelf wou maken. “ik drink niet, toch bedankt” Antwoorde Ella glimlachend. “Ik moet zo ook mijn zusje ophalen.. “ loog ze verder, in de hoop het alles in een speltempo achter de rug te hebben. De man leek te begrijpen dat wat hij ook van plan was, niet uitvoerbaar was in de tijd die zonet beperkt werd, en begon daarom sneller te praten. De fles zette hij haastig terug, terwijl hij Ella geruststelde, dat hij respect had voor iemands keuze niet te drinken, alsof dat een vreemde eigenschap van haar was, in plaats van andersom. Hij zette zich terug achter zijn desk en keek haar opnieuw met dezelfde grijns aan, terwijl hij zijn handen in elkaar vouwde om zich een nieuwe houding te geven. “Vandaag ging goed, je hebt geloof ik twee Ctp’s verkocht. En dat op minder dan een halve dag..” Haar ergernis voor het tweede gebruik van nutteloos jargon verbergend, knikte ze bevestigend. CTP was niet meer dan de afkorting voor contract particulier, wat nergens op sloeg omdat Sellpoint op het eerste zicht niets aan bedrijven aanbood. “Wel..” ging de man verder “Gelet op die score, en het feit dat je je zusje op moet halen, houd ik het kort; Mijn naam is Raoul Saeer, ik ben de floormanager, en zolang je hier werkt ben ik de GO-TO-man zeg maar, voor alle vragen of zaken die het werk aangaan.” Opnieuw die grijns..“Welkom bij Sellpoint” Wat volgde was een opsomming van behaalde realisaties die Raoul tot floormanager hadden gemaakt, de vermelding van de (blijkbaar toch niet zo heel erg bereikbare) optie om zelf misschien ook ooit zo ver te geraken en een uiteenzetting van wat daarvoor nodig zou zijn. Vervolgens tekenden ze beide een tijdelijk contract waarin werd opgenomen dat Ella geen van de bedrijfsgebruiken mocht doorgeven aan concurrerende bedrijven, alsook een tabel met vooropgestelde targets die bij het niet behalen, enkel uitkomst gaven op een job bij één van die concurrerende bedrijven. Sellpoint was, aldus Raoul, het neusje van de zalm. Ella die als geen ander wist hoezeer callcenters en hun medewerkers door de massa worden gehaat en uitgekotst, maakte zich een visuele voorstelling van tegen de stromende kots inzwemmende zalmen, met op kop de dikste Sellpoint-vis en bedacht dat er geen treffender vergelijking was dan degene die haar zonet was gegeven. Tot slot ontving ze inlogcodes voor het computersysteem waar de CTP’s in werden ingegeven, een tikbadge en de cijfercombinatie om toegang te krijgen tot de lift van het gebouw dat zeven op zeven, van 07.00 ’s morgens tot 23.00 ’s avonds volcontinue sales en service uitademde. Na de vreselijk geklede porseleinen poppenkop de hand geschud te hebben, was er geen weg meet terug. Ella zou maandag starten als Sellpointer.

Esje Volter
89 0

Spektakel in de Hercules

De Hercules Fitness Club werd opgericht tijdens de fitness-rage van de jaren tachtig. Dat kun je makkelijk zien. Er hangen posters van Jane Fonda en andere iconen in spandex en beenverwarmers. Veel van de toestellen die er staan zijn al lang uit de mode en in geen enkele andere gym nog te vinden. Maar hier staan ze dus nog. Sommige worden zelfs nog gebruikt. Al zijn de meeste niet meer dan decorstukken. Je kan er de jaren tachtig ook nog ruiken. Meer dan drie decennia zweet heeft zich in de muren en de vloeren opgeslagen. Oudemensenzweet en puberdruppels. Zweet vol hormonen, vol hoop of vol schaamte. Nieuwe klanten die, aangetrokken door de lage prijs, een kijkje komen nemen in de Hercules, blijven nooit langer dan een halfuur. Ze zien al snel hun vergissing in. Dit is geen plek voor hen. Dit is een andere wereld. Hier komen geen normale mensen. Een groepje vaste klanten houdt de boel al jaren recht. Ze hebben er een alternatieve werkelijkheid gecreëerd, waarin ze zich thuis voelen. Ze komen allemaal verschillende keren per week. Sommigen zelfs elke dag. Al traint niet iedereen even hard.   Hugo, een veertiger, met dunne, witte benen en een bierbuikje doet al jaren drie keer per week de zelfde oefening. Al is oefening veel gezegd. Dit is zijn vaste routine. Hij doet zijn schoenen uit, buigt vijf keer door de knieën, zijn armen wijd gespreid. Dan gaat hij een uur lang op een fitball zitten wippen. Na het wippen gaat hij nog eens vijf keer door de knieën, maakt een buiging en gaat dan een praatje maken met Bertrand.   Bertrand is er al bij van in het prille begin. Toen was hij een enthousiaste halterheffer die ook wel eens meedeed met aerobic als er fris vrouwelijk schoon was. Maar hij kwam vooral om te praten. Hij kende iedereen en iedereen kende hem. Halfweg de jaren negentig is hij op het werk van een stelling gevallen. Zijn lichaam kreeg een duw, die het nooit meer te boven kwam. Hij komt nog steeds elke dag, gekleed in een te kleine jeansshort en een wit onderlijfje. Elk jaar heeft hij een nieuw paar blitse sportschoenen. Altijd het laatste nieuwe model. Niemand heeft hem ooit nog een toestel zien aanraken met een andere bedoeling dan er op te leunen.   Zijn lievelingen zijn de drie Betty's, ook oudgedienden. Eigenlijk heten ze Nancy, Brigitte en Monique. Geen mens die nog weet hoe en wanneer ze de drie Betty's geworden zijn, maar iedereen noemt hen zo. De drie vrouwen zijn zo verschillend in lichaamsbouw dat je ze, mochten ze hol zijn, als een baboesjka in elkaar zou kunnen schuiven. Brigitte is de dunste en de kleinste. Monique is groot en struis. Terwijl Nancy er mooi tussenin zit. Al dertig jaar trainen ze samen. Ze volgen de mode in fitness-land op een ruime afstand. Laatst kwam Nancy op de proppen met een damesbladartikel over Zumba. Maar bij meerderheid werd beslist dat de Betty's zich met zo'n moderne gril niet zouden bezighouden. Ze houden het bij de step-aerobicpasjes die ze al zo lang doen. Liefst met muziek uit de jaren tachtig. 'Physical' van Olivia Newton John is hun vaste afsluiter.   De droevigste figuur in de Hercules is Marnix. Hij is een man uit twee delen. Boven zijn middel is hij goddelijk gespierd. Zijn onderkant is een vormeloze massa. Marnix was zo bezeten van gewichtheffen, dat hij niet in de gaten had hoe zijn benen in deze lompe klomp veranderden. Volgens de dokters is het niet meer te herstellen. Spieren zijn uit zijn benen naar zijn bovenlichaam gemigreerd en zijn niet van plan nog terug te keren. Zijn indrukwekkende torso steunt op een zitzak van eigen vet. Hij komt dagelijks naar de gym en verplaatst zich op een houten karretje dat hij met zijn armen voortduwt.   De Tempel is de trots van de fitness club. Hij wordt zo genoemd omdat hij enkel daarover kan praten. Over hoe zijn lichaam zijn tempel is. Hij ziet het als zijn missie die tempel in ere te houden. Net als Marnix is hij bovenmatig gespierd, maar bij hem zitten alle spieren wel op de juiste plaats. Zijn huid is heel het jaar door gebruind. Zijn tanden stralend wit. Op zijn hoofd een weelde aan blonde krullen. Hij heeft alle clubrecords op zijn naam staan: 850 keer pompen, 120 kg trekken, 160kg stoten. Niemand van de club komt nog maar in de buurt van deze prestaties.   Vandaag is er plots een nieuweling opgedoken in de Hercules. Met zijn lange haren, zijn roze broek en gifgroene hesje, zijn tattoo van Popeye en zijn vreemde piepstemmetje, zou hij wel eens kunnen passen in de club. Bertrand voelt zich geroepen om de nieuwkomer aan de tand te voelen. 'Mooie muscles, kerel. Waar ga je normaal trainen?' 'Ik oefen thuis met cementzakken en strijkijzers. Ik heb al een paar fitness-centra geprobeerd, maar ik voelde me er niet thuis. Toen hoorde ik van deze club.' 'Welkom, vriend. We kunnen altijd vers bloed gebruiken.' 'Zijn dat de clubrecords?' Hij wijst de vergeelde lijst aan de muur aan. 'Ja. Die zullen niet snel veranderen. Allemaal bovenmenselijke prestaties van de Tempel. Een echt beest.' Er verschijnt een glimlach op het gezicht van de nieuwkomer. 'Ik denk dat ik jullie wel eens kan verrassen. Dat pompen kan ik zeker verdubbelen. Ik begin er meteen aan. Tel je mee?' Zonder tijd te verliezen gaat de krachtpatser op handen en voeten staan, de rug recht als een plank, en begint als een razende te pompen. Bertrand roept de anderen. 'Hé jongens. De nieuwe gaat de records van de Tempel breken! Dat wordt lachen!'   De eersten die erbij komen staan zijn twee van de drie Betty's. Ze laten hun hoelahoep vallen en huppelen opgewonden naar de hoek met de spiegels waar het spektakel plaats vindt. Brigitte is nog even bezig zich aan de greep van de hoelahoep te ontworstelen. Van de drie is zij de beste in deze discipline. Al hoeft ze daar zelf niets voor te doen. De hoelahoep heeft in haar frele lichaam de ideale danspartner gevonden. Het ding gaat met haar heupen aan de haal en er is weinig dat ze kan doen om het te stoppen.   Ondertussen is Hugo gestopt met wippen. Plichtsgetrouw gaat hij nog vijfmaal door de knieën. Hij maakt een buiging en komt bij de anderen staan. 'Hoeveel heeft hij er al gedaan?' 'Honderd veertien, honderd vijftien, honderd zestien, …' 'Dit duurt nog wel even. Wanneer komt de Tempel? Dit wil hij niet missen.' 'Ik heb hem een sms'je gestuurd. Honderd drieëntwintig. Hij komt zo. Honderd vijfentwintig. Honderd zesentwintig, …'   Marnix hangt aan de optrekstang aan de andere kant van de oefenzaal. Hij is zo geconcentreerd met zijn oefening bezig dat hij niet meer ziet wat er rond hem gebeurt. Brigitte is ondertussen van haar ronde aanhouder verlost en haalt hem uit zijn roes. 'Hé! Marnix! Die nieuwe gaat de records van de Tempel verbeteren. Kom je niet kijken? Ik help je wel naar beneden.' 'Niet nodig.' Hij slingert een paar keer heen en weer aan de stang om snelheid te maken en katapulteert zichzelf dan in de richting van de recordpoging. Hij landt comfortabel op zijn zachte onderkant. De anderen zijn in koor aan het tellen. 'Tweehonderd tweeënnegentig, tweehonderd drieënnegentig, tweehonderd vierennegentig …' In de eindeloze weerspiegeling lijkt het publiek een mensenmassa, met steeds dezelfde figuurtjes als in een goedkope tekenfilm. Popeye steelt de show. Wanneer komt Brutus? 'Moeten we dit niet filmen?' vraagt Brigitte, terwijl ze erbij komt staan. 'Straks komt de Tempel te laat.' 'Laat maar. Daar is hij al.' 'Nu gaan we het krijgen.'   De Tempel heeft zich gehaast. Zijn sportschoenen zijn slordig geknoopt. Hij draagt een badjas en heeft zijn krulspelden nog in. 'Wat is hier gaande? Wil je me voor schut zetten? Let maar op dat je jezelf niet belachelijk maakt.' 'Hij is goed bezig. Hij heeft er al bijna vierhonderd.', zegt Bernard. 'Misschien lukt het hem wel.' 'Dat wil ik nog wel eens zien.', antwoordt de Tempel. Er klinkt meer twijfel in zijn stem dan hij zou willen. Hij gaat vlakbij zijn zwoegende uitdager staan. Zijn handen in zijn zij. Een spottende grijns op zijn gezicht. 'Je bent bijna aan de helft, kerel. Word je nog niet moe?' De nieuwkomer gaat onverstoorbaar door. 'Vierhonderd en drie, vierhonderd en vier, vierhonderd en vijf, …' 'Hij heeft toch nog geen pauzes genomen, hé. Want dan telt het niet. Ik heb mijn record in één beurt gehaald.' 'Nee hoor, tempelmans. Hij is nog geen moment gestopt. Hij doet het veel sneller dan jij, trouwens.' Bertrand ziet zijn kans schoon om de Tempel te treiteren. 'Voor mij blijf je de beste. Zelfs al breekt hij je record.', zegt Monique om de situatie te ontmijnen. Maar ze is te laat. De Tempel heeft zijn badjas afgegooid en staat nu in zijn onderbroek en sportschoenen.   'We gaan het anders doen.' Hij duwt op de rug van de nieuwkomer zodat hij wel moet stoppen met pompen. Het koor telde net vierhonderd achtentachtig. 'We doen het tegelijk. Hier tegenover elkaar. Nu meteen.' 'Maar ik was al over de helft.' De tempel lacht gemeen, wanneer hij het stemmetje van zijn uitdager voor het eerst hoort. 'Piep. Piep. Wat is dat? Een muis in het lichaam van een god? Voorlopig heb ik het hier nog voor het zeggen en bepaal ik de regels. Als je me toch kan verslaan, dan zien we wel.' De anderen discussiëren even, maar gaan uiteindelijk akkoord met het voorstel van de Tempel. Popeye kan niet anders dan instemmen. Er wordt afgesproken dat het duel over een kwartier begint.   Beide deelnemers krijgen nog even de tijd om zich mentaal voor te bereiden en hun spieren te stretchen. Nancy gaat de cassettespeler halen en Hugo zet een paar stoelen voor de toeschouwers. Brigitte neemt haar smartphone uit haar handtas, zodat ze de wedstrijd kan filmen. De twee rivalen hebben zich elk in een kleedkamer teruggetrokken. 'Wat denk je?', vraagt Bertrand aan Marnix. 'Wie haalt het?' 'Die nieuwe natuurlijk. Heb je hem daarnet niet bezig gezien? Die belegt zijn boterham met kerels als de Tempel.' 'Ik weet het niet. Hij zal toch wel al een beetje moe zijn van daarnet. En als de Tempel kwaad wordt, kan hij altijd meer dan je zou denken.' 'We zullen zien. Daar komen ze. Snel, Brigitte. Begin maar met filmen.'   Uit de boxen van de cassettespeler schalt 'The eye of the tiger', terwijl de krachtpatsers het strijdtoneel betreden. De nieuwe kijkt wat onwennig. De Tempel bespeelt zijn publiek. Hij klopt op zijn borst en showt zijn biceps. De Betty's gieren het uit. 'Komaan, tempeltje. Ga ervoor. Just do it!'   Ze gaan tegenover elkaar in de juiste houding staan. Nancy staat achter de nieuwe en Monique achter de Tempel. Zij moeten de tel bijhouden. Bertrand telt af en geeft het startsignaal. De Tempel begint aan een onmogelijk tempo. Wanneer Monique honderd telt, zit Nancy nog maar aan zevenentachtig. Maar even later begint de Tempel te verslappen. Zijn ritme wordt trager en onregelmatiger. Zij uitdager haalt hem in. In geen tijd heeft hij een voorsprong van vijfentwintig. Hugo is de eerste die de barsten in de schouders en armen van de Tempel opmerkt. 'Jongens. Zien jullie dat? Het is weer zover.' 'Stop. Tempeltje', zegt Brigitte. 'Voor ons hoef je je niet te bewijzen.' 'Blijven filmen jij! Ik stop niet!' Driftig perst de Tempel deze woorden tussen zijn opeen geklemde kaken. Een paar tellen later valt zijn lichaam in honderden stukjes uiteen. De nieuwkomer stopt geschrokken met pompen. Hij is bijna aan achthonderd gekomen. Alle kleur is uit zijn gezicht verdwenen. Nadat hij even verschrikt heeft staan staren naar wat overblijft van zijn tegenstander, pakt hij zijn sporttas en zet het op een lopen. Waarschijnlijk komt hij niet meer terug. Het record blijft nog wel even op de tabellen staan. Monique begint de brokstukken op te vegen. 'Dat wordt puzzelen om die weer in elkaar te zetten. Heb je alles kunnen filmen, Brigitte?'     16-24/06/'17

tijl
0 0

Sexual Healing

Zuid-London, december 1983   Terwijl hij van de gevangenispoort naar de bushalte wandelde, neuriede Frank Re-born van Toots and the Maytals. Zijn Dr. Martens maakten vrolijke sprongetjes op de kiezels. Hij was drieëntwintig en werd opnieuw geboren. Vijf jaar geleden was hij hier als stuurloze jongeling binnengekomen. Als man stapte hij buiten. Enkel de tattoo op zijn borst bleef een pijnlijke herinnering aan het agressieve rotjong dat hij was geweest.   Hij had de cel gedeeld met Steve, een skinhead van de eerste generatie, die dertig jaar had gekregen voor de moordpoging op een politie-agent in '71. Hun eerste kennismaking was op een vechtpartij uitgedraaid. Toen Steve hoorde dat Frank gestraft was voor het mishandelen van een zwarte winkeluitbater, stak hij een woedende preek af. 'Ziek word ik van skins zoals jij. Je hebt geen idee waar het om gaat, snotaap. Waar denk je dat onze levensstijl vandaan komt? Waar komt onze muziek vandaan? Types als jij maken deze beweging kapot. De politie, dat is onze vijand. En het establishment. Hippies ook. Maar je eigen klasse, zwart of wit, die laat je met rust. We zijn lotgenoten. Toen ik in de jaren '60 skin werd, draaide het om de muziek. We dansten ons te pletter. We zopen ons kapot. Er sneuvelden al eens wat ruiten. We sloegen al eens een hippie in elkaar. Maar we deden het samen. Blanken en zwarten. Jamaicanen en Engelsen. Het was een feest. Toen gastjes als jij erbij kwamen is alles naar de kloten gegaan.' Frank antwoordde met zijn vuisten. Steve liet zich niet doen. De cipiers lieten begaan. Na een tijd werden ze toch vrienden. Steve werd een mentor voor Frank. Sterke verhalen, maatschappelijke discussies, danspasjes, muziekgeschiedenis. Een cipier waar ze enigszins bevriend mee waren bracht wekelijks een paar platen voor hen mee. Ska, Rock-steady, Punk en Soul. In de recreatieruimte luisterden en dansten ze elke dag een uurtje. Frank keek op naar zijn celmaat en verachtte meer en meer het racistische leeghoofd dat hij zelf was geweest.   Hij nam de bus naar zijn oude buurt. Zijn ouders leefden niet meer. Het huis was nu van hem. Hij was benieuwd naar de staat waarin hij het zou aantreffen. Wat hij door het raam van de bus zag beloofde in ieder geval niet veel goeds. Hoe dieper de bus doordrong in de arbeidersbuurt, hoe troostelozer de aanblik. Het proces van verloedering had zich de voorbije jaren duidelijk doorgezet. De overheid gaf niets om deze straten. Dat zou de komende jaren niet veranderen. Thatcher had een half jaar eerder een overweldigende verkiezingsoverwinning behaald. Daar hadden de op de muren gekalkte slogans niets aan kunnen verhelpen. Het was zaterdagvoormiddag. Er was veel volk op straat. Zure oude gezichten en gevaarlijke puistenkoppen. Punks en mods. Jamaicanen en Pakistanen.   Frank had niet verwacht zijn jeugdvrienden terug te zien in zijn eigen huis. Blijkbaar hadden ze na de dood van Franks ouders de woning gekraakt. Het was een soort clubhuis geworden. De hele straat kon meegenieten van de loeiharde muziek. In de voortuin stonden wel tien vespa's geparkeerd. Ramen waren met planken dichtgemaakt. De muren stonden vol graffiti. Phill had hem als eerste gezien. Hij stompte Frank keihard tegen de schouder als verwelkoming. 'Frankie Boy! Hij is terug, jongens! Onze maat is terug! Hoe gaat het met je, kerel? Ze hebben je toch niet klein gekregen, daar in de nor! Hier, man, pak een pint! Je hebt geluk. Straks is er voetbal. FA Cup. Die eikels van Swindon komen naar the Den. We zijn alvast wat aan het indrinken.' Het was vijf jaar geleden dat Frank nog een voetbalmatch had gezien. Goed ging het niet met zijn team Millwall. Ze verkommerden in de derde divisie. Maar tegen het nog lager geklasseerde Swindon Town hadden ze wel een kans en het enthousiasme van Phill en de anderen werkte aanstekelijk. Een half uur later was hij met een bende luidruchtige heethoofden onderweg naar het stadion.   De wedstrijd werd een ontgoocheling: een 2-3 nederlaag. Maar het was vooral het gedrag van zijn maten waar Frank zich aan ergerde. Ze hadden amper oog voor de wedstrijd. Ze kwamen om stoom af te laten. Al voor de aftrap vlogen flessen heen en weer tussen het thuis- en het bezoekersvak. Frank kreeg een fles tegen zijn jukbeen. Net vrij en al een blauw oog. De liedjes die zijn makkers zongen waren van het ranzigste dat hij ooit gehoord had. Toen er na de wedstrijd relletjes uitbraken rond het stadion, raakte hij zijn vrienden kwijt. Het speet hem niet. Alleen, met zijn hoofd diep in de kraag van zijn anorak, baande hij zich een weg door de drukbevolkte straten. Het duurde niet lang voor het donker werd. Voor het eerst sinds hij die ochtend was vrijgelaten had hij het gevoel echt vrij te zijn. Hij wist niet waar hij was of waar hij naartoe ging. Een heerlijk gevoel na vijf jaar in dezelfde cel. Zijn hoofd zat vol muziek.   Frank kwam voorbij een pub. Een honderdtal uitgelaten jongeren van allerlei pluimage stonden op de stoep te wachten tot de deuren open zouden gaan. Special Brew stond geprogrammeerd, een lokale ska-band die covers speelde van Bad Manners, The Specials en The Beat. Hij ging in de rij staan. Het leek alsof hij in één van de verhalen van zijn oudere celmakker was terechtgekomen. Zwarten en skinheads stonden zij aan zij. Niemand was hier om te vechten. Dansen was het enige wat ze wilden. Toen de deuren eindelijk open gingen, wrong de brede slang van mensen zich door de smalle ingang van de pub. In het gedrum werd Frank tegen een heerlijk geurende Jamaicaanse aangedrukt. Ze zouden de rest van de avond aan elkaar blijven kleven. Zonder woorden dansten ze het hele optreden samen. Het was een fantastisch concert. De sfeer was geweldig. Zweet drupte van het plafond. Pas na het laatste bisnummer sprak Frank zijn danspartner aan. 'Ik hou van je stijl. Je ziet er echt prachtig uit.' 'Dat blauwe oog staat je beeldig', antwoordde ze gevat. Ze heette Rose. Hij was niet van plan haar nog te lossen.   Toen ze even later samen onderweg waren naar haar appartement, dacht Frank plots aan de tattoo op zijn borst. Hoe zou hij dat straks uitleggen? Hij deed het bovenste knopje van zijn hemd dicht en probeerde het probleem weg te denken.   Het was een klein tweekamerappartement. Er stonden vreemde poppetjes en voorwerpen op de kast. Een aandenken aan haar grootmoeder, vertelde ze. Die had haar leven aan voodoo gewijd. Ze legde een plaat op de pick-up. 'Heb je deze al gehoord? De laatste van Marvin Gaye. Hij is helemaal terug.' 'Goh, nee. Dat is niet echt mijn soort muziek. Al moet ik toegeven dat dit me wel bevalt.' Rose rolde een joint. Frank ging languit op de bank liggen. Sloot zijn ogen. Genoot van de muziek. Toen Rose aan zijn hemdsknopen begon te frunniken, werd Frank nerveus. 'Mag het licht uit? Dan voel ik me meer op mijn gemak.'   Ze plaagde hem nog even maar deed toen toch het licht uit. Ze sloot de gordijnen. Het werd pikdonker. Frank vergat alles en liet zich meevoeren naar een wonderlijke wereld vol wellust. Het contrast met de kale muren van de cel waar hij de vorige nacht nog had geslapen kon niet groter zijn. Hij gaf zich volledig over. Toen Rose zijn borst likte, gingen over zijn hele lichaam de haartjes rechtstaan. Haar glijdende tong leek de griezelige vorm van de tatoeage te volgen. Toen nam ze hem in een houdgreep tussen haar benen. Haar heupen maakten wilde, kronkelende bewegingen. Wanneer ze het hoogtepunt bereikte, steeg uit haar opengesperde mond een machtige lichtstraal op. De hele kamer baadde plotseling in een helwit licht. Frank schrok. Hij wou zijn borst afdekken. Maar het hakenkruis was verdwenen.   30/09/'17  

tijl
0 0

Pico Bello

Ik had hem leren kennen op café. Hij heette Pico. Hij was er alleen en ik ook. Aan de bar raakten we aan de praat. Hij ging gekleed zoals enkel rockmuzikanten en werklozen gekleed gaan. Een smerig wit onderhemd, een versleten leren jas en cowboylaarzen aan zijn voeten. Toen ik ernaar vroeg zei hij dat hij geen instrument kon bespelen, maar wel steeds de groove in zich voelde. Een werkloze, dus. Hij had nog voor een aannemer gewerkt, maar dat was misgelopen. Hij wou graag voor zichzelf beginnen. In het zwart. Maar voorlopig was daar nog niet veel van in huis gekomen. Hij kon eigenlijk alles, vertelde hij terwijl hij gulzig aan de trappist slurpte die ik voor hem betaald had. Schilderen, pleisteren, sanitair, elektriciteit, vloeren en daken, hij kon het allemaal, maar het werk vond hem niet. Hij was nochtans niet duur. En hij was goed. Daarom noemde iedereen hem Pico Bello, toch? Misschien sloeg die bijnaam wel op zijn tronie, dacht ik. Sommige vrouwen werden aangetrokken door een ruw, gehavend mannengelaat. Ik woonde hier toen nog maar pas. Samen met mijn jeugdliefde Bea had ik dit huisje gekocht. Het was klein en goedkoop. Er was nog heel wat werk aan, maar wij zagen wat het kon zijn. In onze gedachten was het een kasteeltje. Helaas waren we allebei geen doe-het-zelvers en was er niet genoeg geld om werklui in te huren. Deze kerel zou wel eens van pas kunnen komen. 'Ik heb misschien wel wat werkjes voor je. Het hangt van je prijs af, natuurlijk.' Op slag veranderde zijn houding. De nonchalance gleed van hem af. Hij ging rechtop zitten en hij lachte zijn verwrongen gebit bloot. 'Ik zou het eerst eens moeten zien. Dan maakt mijn secretaresse, nu ja, mijn moeder een offerte voor je op. Wat moet er precies gebeuren?' Hij wenkte de barman en wees naar de lege glazen. Ik vertelde hem over het lekkende dak, de ouderwetse keuken en de aftandse badkamer. 'We willen ook meer licht in huis. Het is klein en donker. We willen een gevoel van ruimte creëren. Oh, en een nieuwe vloer. Er ligt linoleum nu. Dat lijkt nergens naar.' 'Dat klinkt als een hoop werk, maar ik krijg het voor mekaar. Wees daar maar zeker van. Pico Bello krijgt alles voor mekaar.' We spraken af dat hij 's anderendaags om tien uur eens langs zou komen om het huis te bekijken. Er werden nog een paar trappisten besteld en de gesprekken werden steeds onnozeler. Ik kon zijn tempo niet volgen en schakelde over op koffie. Plots werd onze conversatie onderbroken doordat een vrouw met een enorme boezem tussen ons in kwam staan om vier gin-tonics te bestellen. Zijn dronken blik ging gloeien van geilheid. Het leek wel alsof hij in haar decolleté zou duiken. Ik zag het aankomen. Hij zou een platte opmerking maken. 'Wil je dat ik je help dragen, schat, of zet je de glazen op dat gigantische balkon van je?' Weer lachte hij de ruïne in zijn mond bloot. Onhandig greep hij naar haar borsten. Als een sloophamer werd de handtas tegen de linkerkant van zijn hoofd aan geslingerd. Hij viel van de barkruk. Stamelde dat het maar een grapje was, dat vrouwen toch zo lichtgeraakt konden zijn tegenwoordig. Iedereen in de kroeg was rechtgestaan. Een reusachtige man uit het gezelschap van de rondborstige dame maakte aanstalten om Pico een lesje te leren. Ik hielp hem overeind en verontschuldigde me in zijn plaats. Aan één blik van de barman had ik genoeg om te weten dat het tijd was om te gaan. Voor ons allebei.   De volgende ochtend werd ik gewekt door een lange schreeuw van de deurbel. Het geluid sneed mijn wazig brein doormidden. Toen hoorde ik Bea mijn naam roepen. Ik keek op de wekkerradio. Drie minuten over tien. Ik had niet gedacht dat hij zou opdagen en zeker niet zo stipt. Bea wist niets van mijn afspraak met Pico. Afgezien van mijn zacht gefluisterde 'Slaapwel' en een gemurmeld 'Ben je daar nu pas?' van haar kant hadden we nog niet met elkaar gesproken sinds ik de avond voordien naar de kroeg was vertrokken. Hij zag er verrassend fris uit. Hoewel hij die nacht toch een stuk verder heen was dan ik, leek zijn lichaam al helemaal hersteld van de zuippartij. Zijn haar was in een dotje geknoopt en hij droeg een geruit hemd. Toen hij me zag klaarde zijn gezicht op. Hij wou naar binnen stappen, maar Bea hield hem met gestrekte arm buiten de deur. 'Deze gast beweert dat je hem werk beloofd hebt', zeiden haar strak gespannen lippen. 'Sinds wanneer beslissen we zo'n zaken niet meer samen?', vroegen haar opengesperde ogen. 'Hij komt eens kijken voor hoeveel hij het zou kunnen doen. De badkamer, de keuken, het dak. Hij zegt goedkoop te zijn. We kunnen er toch maar beter eens aan beginnen. Anders wordt dit huis nooit ons droomhuis. Als we zijn prijs kennen, beslis jij of we het doen.' Pico schonk Bea een brede glimlach en knipoogde. 'Ja, schat, jij beslist.' Bea keek hem enkele tellen aan. Toen keek ze naar mij. Een glimlach. Ze liet de deurpost los. 'OK, dan. Kom maar binnen. Wat kan er misgaan?' Pico maakte een buiging en stapte handenwrijvend binnen.   Zijn offerte was belachelijk laag, maar zelfs voor we die te zien kregen, hadden we al beslist. Het klikte. Hij had ons tijdens de prospectie ingepakt met zijn grapjes. Hij begreep wat we met het huis wilden en was er net zo enthousiast over als wij. We hoefden ons geen zorgen te maken, had hij ons op het hart gedrukt. We hadden prachtige plannen en hij zou zorgen dat ze werkelijkheid werden. Een week nadat ik hem had leren kennen zat Pico al tegels los te kloppen in onze badkamer.   Ik was zelden thuis als hij aan het werk was. Wanneer ik na een lange dag op kantoor thuis kwam, was het telkens een verrassing welke kamer hij nu weer afgebroken had. Ik kon geen logica vinden in zijn manier van werken. Maar volgens Bea, die wel vaak thuis was en hem af en toe een handje toestak, liep alles gesmeerd. 'Zo gaat het nu eenmaal bij een verbouwing. Eerst wordt er afgebroken om daarna weer op te bouwen.' Toen na een paar weken overal in huis gereedschap rondslingerde, emmers hard geworden cement stonden en over alles een laag steengruis lag, begon ik me zorgen te maken. Wist Pico Bello eigenlijk wel waar hij mee bezig was? Er was nog steeds enkel maar gesloopt. In het midden van de woonkamer stond een palet bakstenen. Het nieuwe bad dat we gekocht hadden was gebarsten toen hij het samen met Bea de trap op had proberen te duwen maar had laten vallen toen de trapleuning afkraakte. Aan het dak was hij ook al begonnen. Het was een natte november. Regen drupte door drie verdiepingen heen in het bad dat onder aan de trap was blijven staan. Het was al bijna tot de rand volgelopen. Een lege siliconenspuit dreef op het water.   Bea leek mijn bezorgdheid niet te delen. Ze was opvallend vrolijk. Terwijl ik de hele nacht lag te piekeren, sliep zij als een roosje. Soms nam ze me, midden in de nacht, stevig vast, zonder wakker te worden, terwijl ze zacht kreunde of half verstaanbaar lieve woordjes prevelde. Wanneer ik haar 's ochtends vertelde waarover ik had liggen piekeren, stelde ze me gerust. 'Het zal misschien wat langer duren dan we hadden gewild, maar het resultaat zal pico bello zijn', grapte ze.   Ondertussen werd ons leven met de dag minder comfortabel. We wasten ons in een teiltje, aten enkel nog boterhammen en raakten gewend aan het vocht en het vuil.   Op een avond ging Bea de stad in. Ze had afgesproken met Lara, haar hartsvriendin. Ze nam de fiets die ik gebruikte om op het werk te raken. Om half drie was ze nog niet thuis. Ik probeerde haar te bellen, maar kreeg enkel de beltoon en de begroeting op haar antwoordapparaat te horen. Bij de vierde poging kreeg ik het antwoordapparaat onmiddellijk aan de lijn. Had ze haar gsm afgezet? Ik tikte het nummer van Lara in. Die viel uit de lucht. Nee, ze kon Bea niet doorgeven. Waarom niet? Omdat ze niet bij haar was. Ik had Lara wakker gebeld. Ze zuchtte dat ze niet wist waar Bea kon zijn. Maar ik moest me geen zorgen maken. Ze zou zo wel thuiskomen. Lara wenste me welterusten en beëindigde het gesprek. Ik was in paniek. Mijn hart tikte als een klopboor. Verschillende mogelijke scenario's gingen door mijn hoofd. Het één nog rampzaliger dan het ander. Ik moest iets doen. Maar wat? Ik wist niet waar ze was of bij wie. Ik kon enkel wachten en hopen dat ze gauw weer bij me zou zijn. Terwijl ik op haar wachtte kleefde ik de tegels die al weken klaarlagen in de badkamer. Even voor zes hoorde ik de sleutel in het slot. Ze schrok toen ik opgewonden voor haar stond. Op haar gezicht de bedrukte uitdrukking van een terechtgestelde. Aan haar hand had ze een fiets die niet de mijne was. Ik keek haar vragend aan.   'Ik moet je iets vertellen', begon ze aarzelend. 'Het is Pico. Ik ben verliefd op hem.' Het voelde alsof de grond onder mijn voeten, waar al lang tegels hadden moeten liggen, werd weggetrokken. 'Je fiets is gestolen', ging ze verder. 'Dit is zijn fiets. Je mag hem gebruiken om naar het werk te fietsen.' Op dat moment had ik haar iets kunnen aandoen. Woede maakte zich meester van mijn lichaam. Ik voelde me vernederd. Ik slaagde erin mijn agressie op de fiets te richten. Ik stampte een paar keer op de wielen. Toen zag ik de slijpschijf. Ik sneed het rijwiel in twee helften en vertrok te voet naar mijn werk.   Nu deel ik dit bouwval met schimmels en zwammen. Bea is bij Pico en zijn moeder ingetrokken. Hij komt er om begrijpelijke redenen niet meer in om zijn werk af te maken. Aan een slakkentempo probeer ik het huis zelf op te knappen. Doe-het-zelffilmpjes op youtube maken me wegwijs in de verraderlijke wereld van het klussen. Kamer voor kamer bouw ik ons droomhuis op. Het mag wat kosten. Tijd en geld. Het moet prachtig zijn als ze terugkomt. Want die gedachte houdt me op de been: dat Bea ooit terugkomt om hier samen met mij te wonen.   Ik liep het verliefde koppel onlangs tegen het lijf in de stad. Ze lieten elkaars hand los toen ze me zagen. Het was een kort, onwennig gesprek. In de eerste woorden klonk al het afscheid. Twee dingen waren me opgevallen. Haar ogen hadden weer de glans, waarvan ik me nu pas realiseerde dat hij al jaren verdwenen was en Pico had een beugel nu.   7-10/11/'17  

tijl
0 0

Spreidingsplan

Het dorp was zo goed als klaar voor Kerstmis. In de straten hingen lampjes en versieringen. Tientallen kleine kerstmannen bengelden aan de gevels van de huizen. Uit het kapsalon van Albert kwam zeemzoete kerstmuziek en op het dorpsplein was Octaaf de kerststal aan het bouwen. Dat was toevallig één van zijn specialiteiten. Het was koud, maar zijn moeder had hem goed ingeduffeld. Een dikke jas, oorwarmers, warme handschoenen en een kerstmuts. Vrolijk fluitend timmerde hij de planken van de kerststal vast. Het begon zachtjes te sneeuwen.   In het huis met huisnummer 101 was het lekker warm. Samson zat in zijn mand naast de kerstboom te dutten. Gert was druk bezig in de keuken. De geur van pannenkoeken vulde het huis. Er werd op de deur geklopt. Samson schrok zich een ongeluk. 'Gertje! Er klopt iemand op de deur!' 'Ja, Samson. Ik kom al.' Terwijl hij zijn handen schoon wreef aan een vaatdoek, beende Gert door de woonkamer naar de voordeur en gooide die met een hautaine zwaai open. Het was de burgemeester. Hij was erg bleek en probeerde met een zakdoek het angstzweet op zijn voorhoofd te deppen. 'Ja, ik moest kloppen want …' 'De bel doet het niet. Ik weet het.' 'Vrienden! Ik zit in de puree. Jullie moeten me helpen.' 'Oei oei, meneer de burgemeester. Wat zie je er zwaluwachtig uit. Heb je een plobreem?' 'Samson heeft gelijk. Je ziet er erg zenuwachtig uit, burgemeester. Ga zitten. Vertel op. Wat scheelt er?'   De burgemeester liet zich zuchtend in de sofa vallen. Gefrustreerd keilde hij zijn hoge hoed tegen de muur. 'Het komt allemaal door dat verdomde spreidingsplan!' 'Wat is dat, Gertje, een splijtingszwam?' 'Het spreidingsplan, Samson. Dat is een plan van de regering om ervoor te zorgen dat over het hele land vluchtelingen uitgestrooid worden.' 'Inderdaad, Gert. Dat heb je goed uitgelegd. Nu is ook ons dorp in de prijzen gevallen. Het is een ramp!' De burgemeester haalde een brief uit zijn binnenzak en gaf die met trillende handen aan Gert. 'Hier. Kijk zelf maar. Deze brief komt van de afgevaardigde van de minister.' 'Mwaaa, lees voor, Gertje. Ik wil ook horen wat de afgezaagde van de verkwister te vertellen heeft.'   De brief was helder. Vandaag zouden vier vluchtelingen uit Raqqa naar het dorp komen. De burgemeester moest de Syriërs goed ontvangen en onderdak voor ze zoeken. Anders zouden ze teruggestuurd worden.   'Ik heb een briefje aan de poort van het gemeentehuis gehangen waarop staat dat ik bij jullie op bezoek ben. Straks staan die vluchtelingen hier voor de deur. Wat moet ik nu doen? Er is in dit dorp toch geen plaats voor vier vreemde mannen. In het gemeentehuis kan ik ze in geen geval laten logeren. Ze zouden mijn miniatuurvliegtuigjes kunnen stelen. Je weet maar nooit met die gasten.' 'Maar Gertje, kunnen die vlugge dingen niet bij ons blijven slapen. Wij hebben toch plaats genoeg.' 'Dat gaat niet, Samson. Vanavond komt Marlène pannenkoeken eten. Ik hoop dat ze deze keer eindelijk eens blijft slapen. Vanavond kan ik echt geen vier arabieren in huis hebben. Wie weet vallen ze Marlèneke wel lastig en dan wil ze me vast nooit meer zien. Misschien kunnen ze bij Albert terecht. Ik zal hem eens bellen. Ik heb een uitstekend argument om hem te overtuigen.'   Het duurde even, maar uiteindelijk hoorde Gert de oververhitte tenor van zijn buurman schetteren door de hoorn. 'Hallooooo!' 'Ha, Albert …' 'Het is Albertooooo!' 'Ja, Alberto, wij hebben een probleem, maar jij kan ons helpen. Niet zomaar, natuurlijk. Er staat lekkers tegenover.' 'Oh, dat klinkt goed. Mmmm, lekkers. Vertel, wat moet ik doen?' 'Straks verwelkomt ons dorp vier nieuwelingen, maar er is nog geen huis waar ze kunnen wonen. Mogen ze bij jou blijven slapen?' 'Ik weet het niet. Hangt er vanaf wat voor lekkers je te bieden hebt. Is het taart? Chocolade? Of snoepjes?' 'Er ligt hier een flinke stapel pannenkoeken in de keuken. Als je ons uit de nood helpt krijg je er drie.' Het bleef even stil. De burgemeester tikte grijnzend met zijn wijsvinger tegen zijn hoofd om Gert te complimenteren met zijn slimme plan. 'In dat geval zal je een ander slachtoffer moeten zoeken', was het verrassende antwoord van de kapper. 'Ok, ik begrijp het al. Je krijgt vijf pannenkoeken. Met slagroom!' 'Nee, je begrijpt het niet. Je mag me nog honderd pannenkoeken beloven. Je hebt me niets te bieden. Ga maar eens kijken in de keuken. Daar vind je nog hooguit de herinnering aan pannenkoeken terug. Ik ben ze namelijk net komen stelen. De slagroom heb ik trouwens ook meegenomen. Het heeft gesmaakt. Je hebt dus helemaal geen pannenkoeken om uit te delen. Zonder beloning kan ik je niet helpen. Je zal die gasten ergens anders moeten steken.' 'Albert, dat is heel lelijk van je. Die pannenkoeken waren voor Marlène. Nu kan ik helemaal opnieuw beginnen met bakken. We gaan hier nog een hartig woordje over spreken. Nu moet ik ophangen, want er wordt op de deur geklopt.'   Op de stoep stonden vier mannen met bruin geschilderde gezichten en grote koffers. Ze hadden het koud. 'We moesten kloppen want …' 'De bel doet het niet. Ik weet het. Jullie zijn vast de Syrische vluchtelingen. Kom binnen. Welkom in ons dorp.' Terwijl hij de vier jonge mannen binnenliet, gebaarde Gert naar de burgemeester en naar Samson dat ze hun ogen open moesten houden. Albert had hen al bestolen vandaag. Eén keer was genoeg. De burgemeester nam een houterige pose aan, kuchte even en stak van wal. 'Aan allen die gekomen zijn: proficiat! Wat een prestatie om helemaal tot ons dorp te lopen vanuit dat verre gat. Goed gedaan! Aan allen die er niet geraakt zijn: euh, ook proficiat. Jullie hebben het tenminste geprobeerd.' Iedereen klapte in zijn handen bij deze mooie woorden van de burgemeester. Eén van de vluchtelingen pinkte een traan weg. 'Hallo, vlugge dinges, ik ben Samson.' De vier mannen hielden erg van dieren en één voor één gaven ze Samson een liefdevolle knuffel. Nu had de hond ook bruine verf op zijn snoet. Er werd wat afgelachen. Maar toen het de vreemdelingen begon te dagen dat er nog geen huis was voor hen, sloeg de stemming om. 'Als jullie geen slaapplaats voor ons hebben, worden we teruggestuurd. Dat heeft de afgevaardigde van de minister heel duidelijk gezegd.' De burgemeester kon het niet meer aan. Er kwam al een beetje stoom uit zijn oren. De voorbode van een aankomende stressexplosie. Gelukkig werd toen net op de deur geklopt.   Het was Octaaf, nog steeds met de kerstmuts op zijn hoofd en ingepakt alsof hij op het punt stond om naar de noordpool te vertrekken. 'Ik moest kloppen want...' 'De bel doet het niet. We weten het.' 'Hij staat er! De kerststal is klaar. Octaaf heeft het weer gefikst. Ah ja, want kerststallen bouwen, dat is toevallig één van mijn specialiteiten. Dat zegt mijn Miranda ook altijd. Dan zegt ze: “Pa, zoals jij kerststallen bouwt, zo… Ja, zo bouw jij kerststallen, hè.”'   Boven Samsons hoofd ging een gloeilampje branden. 'Mwa seg, ik heb een idee. Kunnen de vlugge vingers niet in de kerststal van meneer de raaf slapen?' De ogen van de burgemeester fonkelden. Met zachte dwang duwde hij de nieuwkomers in de richting van de deur. 'Dat is een prachtig idee, Samson. Ze zullen zich er meteen thuis voelen. Hun huis in Syrië ziet er waarschijnlijk net zo uit. Komaan, jongens. Pak jullie koffers. Iedereen mee naar het dorpsplein. Naar jullie nieuwe huis.'   Toen ze even later op het dorpsplein het bouwwerk van Octaaf zagen, keken de vluchtelingen maar beteuterd. Het zag er gammel uit. Erg veel bescherming tegen de wind en de sneeuw bood het niet. Bovendien zat er al een gezin in. Van plaaster weliswaar, maar ze namen toch plaats in. En er stonden gewoon beesten in huis. Dit soort omstandigheden kenden ze, maar ze hadden gehoopt ze eindelijk achter de rug te hebben. Octaaf merkte niets van hun ontgoocheling. Integendeel, trots deed hij uit de doeken hoe stevig en robuust hij de stal wel gemaakt had. Om zijn beweringen kracht bij te zetten, ging hij met zijn volle gewicht tegen een zijmuur aanleunen. 'Zie je wel. Kan niet steviger.' Maar de muur begaf en de stal zakte in. Met veel kabaal ging de constructie tegen de vlakte. Octaaf lag tussen de planken en palen op de grond. Kermend van de pijn. Zijn bril schuin op het puntje van zijn neus. Zijn kerstmuts was afgevallen en lag wat verder tussen het puin. De plaasteren beelden van Jozef, Maria en hun bezoekers lagen aan gruzelementen. Kindje Jezus werd nog net gered door de grote, grijpende handen van Gert. 'Hoe kan dat nu? Ik heb nog zo mijn best gedaan.' jammerde Octaaf.   De vluchtelingen hielpen de amateurschrijnwerker recht en begonnen onmiddellijk met de wederopbouw van de kerststal. Iedereen hielp mee. Plots hoorden ze iemand streng kuchen. Achter hen stond de afgevaardigde van de minister met twee politieagenten. 'Mijnheer de burgemeester. Wat is hier aan de hand? Jij moest voor deze mensen een huis vinden. Dit is een stort. Zeg nu zelf. Het lijkt wel het nieuwe Calais. Ik ben erg teleurgesteld in jou en je dorp.' 'Maar, maar, maar, …' De burgemeester kon hier niets tegen inbrengen. Hij zocht naar woorden, wijze woorden, woorden die bij een man met zijn waardigheid horen, maar er kwam enkel gebrabbel uit zijn mond. De afgevaardigde van de minister deed teken naar de agenten, die onmiddellijk de bruin geverfde mannen in de boeien sloegen en naar de combi leidden. 'En die daar, die hond. Die heeft ook bruine verf op zijn gezicht. Vast één van hen. Neem hem ook maar mee.'   Het hele dorp was toegestroomd en zag hoe Samson en de vluchtelingen weggevoerd werden. Alberto zong een pakkend afscheidslied. Mevrouw Jeannine en Miranda bekommerden zich om de ongelukkige Octaaf. De burgemeester sloeg zichzelf hysterisch krijsend met een hamer op het hoofd. En Gert kreeg net een sms-je van Marlène: 'Hoe zit het met de pannenkoeken?'.   Twee weken later kwam er een kaartje uit het buitenland.   Vrolijke kerst vanuit Raqqa. Samson.   Gert zette het kaartje naast de lege mand.   6-7/1/'18  

tijl
0 1

Kip met champignonsaus en kroketjes

Overal ter wereld doen mensen elkaar de duvel aan. Als het er om gaat een ander te treiteren kent onze creativiteit geen grenzen. Ook hier in het hart van Vlaanderen, in het dorpje B., in de fermette net buiten de dorpskern waar Danny en Frieda woonden.   Danny had altijd het hoge woord gevoerd. Zijn woordenschat bestond vooral uit scheldwoorden. Als het moest dan brulde hij. Zijn wil was wet. Frieda mocht enkel spreken wanneer hij dat uitdrukkelijk toeliet. Deemoedig schikte ze zich in haar rol van huisslavin. Ze kende het klappen van de riem. Brutus, de hond stond nog net iets lager op de ladder, maar het scheelde niet veel. Slaag kregen ze allebei, voortdurende verwijten ook, maar de hond kreeg als laatste te eten. Eerst vulde Danny zijn dikke buik. Hij deed dat in de zetel voor televisie met een glas bier erbij terwijl Frieda zich weer in de keuken terugtrok en Brutus op een paar meter afstand likkebaardend lag toe te kijken. Als het eten naar zijn zin was, bleef Danny schransen tot alles op was. Voor de hond liet hij hoogstens een botje of een stukje vel over. Als het hem niet smaakte, bleef er genoeg over voor zijn vrouw, maar dan moest het wel vaak uit de vuilnisbak opgevist worden. Eén keer per week, op zondag, maakte ze kip met champignonsaus en kroketjes klaar. Dat vond hij hemels. Er bleef niets voor haar over. Maar de hond kon zijn geluk niet op als hij het karkas kreeg voorgezet en haar man was een paar uur lang in een goede bui. Op zondag kreeg ze nooit slaag voor zes uur 's avonds.   Danny speelde zijn dominante positie in het nest kwijt toen hij op een vrijdagavond in beschonken toestand een driedubbele koprol met de wagen maakte en in een rolstoel terecht kwam. Zijn hersenen kregen een lelijke deuk te verwerken, die hem niet alleen tot aan zijn nek verlamde, maar hem ook zijn vermogen om te spreken ontnam.   Aanvankelijk ging Frieda zich nog meer uitsloven dan voorheen. Ze waste hem dagelijks, voerde hem geduldig zijn lievelingskostjes, duwde zijn rolstoel door de straat terwijl ze Brutus uitliet. Nooit gaf hij een teken van waardering. Zelfs nu hij haar niet meer kon slaan of uitschelden, bleef hij haar met zijn ijskoude blik voortdurend op haar waardeloosheid wijzen. Geleidelijk aan begreep Frieda dat ze niet langer bang hoefde te zijn. Haar man, haar beul, haar bullebak was niet meer. In diens plaats zat daar een weerloos wezen dat voor zijn overleven volledig van haar afhankelijk was. Hun wereld had zich omgekeerd. Boven was onder en onder was boven geworden. Hij kreeg enkel nog witloofsoep te eten die hij met een plastic rietje moest opslurpen. Hij vermagerde snel, maar dat kon hij wel hebben. Frieda genoot ervan om haar man langzaam te zien verdwijnen voor haar ogen. Ze waste hem niet meer. Als hij begon te stinken zette ze hem in de tuin. Om de paar dagen rolde ze hem door het gras en spoot hem af met de tuinslang. Hij was zich ten volle bewust van wat er gebeurde. Dat kon ze zien aan de machteloze woede in zijn ogen wanneer ze zijn ellendige lot bespotte.   Op zondag bereikte haar sadisme zijn hoogtepunt. Dan zette ze hem in de keuken en maakte kip met champignonsaus en kroketjes klaar. Terwijl de kip in de oven lag te garen en het frituurvet pruttelend op temperatuur kwam, ging ze de tafel dekken voor zichzelf. Hem liet ze zitten, gevangen in het aroma van zijn lievelingsgerecht. Een straaltje speeksel op zijn kin. Hopeloze hunker in zijn ogen. Daarna moest hij toekijken hoe ze de kip voor zijn ogen opat. Meer nog dan van het heerlijke feestmaal genoot Frieda van de onmacht van haar man.   Op de zesde zondag ging het mis. Frieda zat Danny te treiteren. Ze hield hem kroketten en stukjes vlees voor. Bracht ze tot vlak bij zijn mond. Wanneer hij probeerde te happen, trok ze de vork schaterlachend terug. Dolle, wreedaardige pret. Plots stokte het lachsalvo. Ze greep met beide handen naar haar keel. Ze probeerde te kokhalzen. Een minuscuul botje was vastgeraakt in haar keel. Ze was aan het stikken. Wild om zich heen zwaaiend viel ze op de grond. Danny glimlachte. Terwijl zijn vrouw schokkend lag te sterven op de vloer, hield hij zijn ogen op het bord voor hem gericht. In gedachten liet hij zich voorover vallen met zijn gezicht in het bord, om het als een varken leeg te schrokken en schoon te likken. Maar zijn lichaam verroerde niet. Toen sprong Brutus op tafel. Triomfantelijk snoof hij de geur van de kip op voor hij zich op het bord stortte.   20-21/09/'17    

tijl
30 0