Lezen

Schoolreis

Eindelijk was het voorbij het tellen van de nachten slapen. Vandaag was dé dag. Als echte groten -had haar juf  gezegd- zouden ze alleen mogen rond lopen. Doen en laten waar ze goesting in hadden. Er een echte BFF dag van maken. Al bestond dat toen nog niet.   Met een bus reden ze helemaal naar Adinkerke aan de zee. Naar een park dat vele jaren later ingepalmd zou worden door Plopsa. Met zijn allen vulden ze de laatste rij. Alleen maar meisjes. Gelach en geklets. De Vriendin en haar uitverkorenen het luidst. Plannen voor het reuze-rad en het treintje door de wereld van de bijen. Bij het binnenlopen van het park hoorde ze er nog bij. Een moment later, de anderen leken wel opgeslokt, stond ze alleen. Wachten en rondkijken leverden niks op. Geen van de vrolijke kinderen rondom haar waren meisjes van haar klas, laat staan het kliekje waar ze dacht bij te horen.   Toen ze –flash forward in de tijd- voor het eerst met haar eigen dochters door de opvolger van het Meli-park dwaalde, zag ze bij elke attractie die ze deden opnieuw, een blond meisje van tien. Alleen. De hele dag lang.   Pas wanneer het bijna tijd was om terug naar de afgesproken plek te gaan –in de late namiddag van wat dé dag zou zijn- kwam ze hen terug tegen. Of zij haar. Ze leken haar afwezigheid dan maar voor het eerst op te merken. Een enkel meisje nam een paar minuten. Of ze een leuke dag had gehad. Of ze die grappige circusvoorstelling ook had gezien? En die gekke jongens, toevallig uit een dorp in de buurt. Ze knikte.   Op de terugweg zat ze weer mee op de laatste rij. Het plaatske aan het raam. Gelach en geklets achter haar rug, ze telde opnieuw. Geen nachten deze keer maar lantaarns, langs de autostrade. Ze zag de lichten aanfloepen. Toen deden ze dat nog.                                                    

tamaralenaerts
0 0

Symbool der herinnering

Diep van onder zijn kap neemt hij het gebouw voor hem in zich op. Het symboliseert zijn haat. Maar ook zijn liefde. Zijn tweestrijd. Tussen de tranen die vallen verschijnt een grijns. Die grijns verandert in een lach van onmacht, tot de volgende huilbui er op volgt. Zijn herinneringen houden hem gezelschap. Of liever… ze weigeren hem te verlaten. Als een hardnekkige kanker blijven ze steeds terugkomen. Hoe vaak hij zichzelf al heeft overtuigd om er gewoon mee te leren leven, het lukt maar niet. Dus zit hij hier. Alweer.   Terwijl hij rechtstaat, neemt hij de fles whiskey die op de grond staat in zijn rechterhand. Of hij geen single malt wou, vroegen ze hem nog in de winkel. Wat maakt het uit… Elke fles helpt vergeten. In één teug slaat hij het laatste kwart van de fles achterover. Hij kijkt naar het etiket, terwijl hij nadenkt over hoe het kan dat hij zijn hersenen zo snel uitmoordt, maar de herinneringen altijd maar overleven. Verse tranen spatten uiteen op de lege fles. Hij kijkt naar de zitbankjes die aan de toren bevestigd zijn. Hoger dan dat durft hij niet meer. Alsof hij het niet waard is. Alsof het hem pijn zal doen om tot de top te kijken. Onmacht wordt frustratie. Verdriet wordt frustratie. Te veel frustratie creëert woede. Nog voor hij er erg in heeft, spat de fles net als zijn tranen uiteen. Het onmiddellijke schuldgevoel lijkt niet logisch. Hij haat het. Maar hij houdt er van.   Met zijn hoofd naar de grond slentert hij naar huis. Wanneer de voordeur open zwaait, wordt hij begroet door de gloed van computermonitoren. Op de schermen zijn beelden te zien van de toren waar hij net vandaan komt. Gehackte veiligheidscamera’s tonen hem live hoe het volledige plein er nu uitziet. Hij gaat zitten en begint in de duisternis terug te spoelen. Eerst tot hij de fles in beeld ziet komen. Dan nog verder terug. Tot wanneer hij aankwam. Op geen enkel moment is hij herkenbaar op de camera’s. Steeds draait hij net op het perfecte moment zijn gezicht weg. Het resultaat van een half jaar alle hoeken leren kennen. Tevreden draait hij zich om in zijn bureaustoel. Tien lege flessen begroeten hem vanop de kast. De grijns keert terug op zijn gezicht, die al snel het gezelschap krijgt van een traan. Langzaam staat hij op en strompelt naar het bed. De wereld draait, zijn gedachten draaien. Toch overvalt de slaap hem al snel.   Wanneer de volgende avond valt, staat hij klaar aan zijn voordeur. Hij kijkt nog even door de gang tot in de woonkamer. Daar hangt zijn apotheose klaar, over een steunbalk geworpen en met de lus die hem lijkt toe te lachen. Maar het is nog geen tijd. De herinneringen aan deze stad hebben hem kapot gemaakt, dus gaat hij niet alleen ten onder. Naast hem staat een trolley. Zo’n typisch ding waar je bejaarden mee naar de markt ziet gaan. Hij neemt het handvat stevig vast en trekt het ding naar zich toe. Een gedempt gekletter van glas op glas is merkbaar. Hij kijkt er even naar en trekt de flap open. Hij haalt de bovenste fles uit en neemt een stevige slok. Vooraleer de fles terug te stoppen, werpt hij een blik het gapende gat. Daar zitten de flessen van op de kast. Leeg zijn ze echter niet meer. De fles verdwijnt terug in de trolley en de voordeur zwaait open. Hij is klaar voor de laatste tocht.   Uren wandelt hij rond, om zeker te zijn dat het stadscentrum verlaten is. Zo lang een enkeling gezien wordt, is het geen tijd. De stad moet doods zijn. Dood zijn. Doods zijn. Hij is niet meer in staat een verschil te zien. Na de zeventiende doortocht is hij het zeker. Er is niemand meer. Hij gaat zitten op het enige bankje waar hij buiten het zicht van de camera’s valt. Hij neemt de bovenste fles, opent ze en drinkt het laatste restje uit. Eens hij die heeft neergezet, neemt hij de volgende fles. Deze heeft geen dop. Alleen een zakdoek die uit de hals steekt. Nog even denkt hij over de verlossing die hem thuis wacht. Het einde van alle herinneringen. Het einde van zijn pijn. Maar ook het einde van zijn hoop. Plots slaat de twijfel weer toe. Met bevende handen neemt hij zijn aansteker. Maar hij kijkt niet naar de fles. Zijn blik gaat langzaam omhoog, naar de top van de toren. Terwijl zijn duim op het wiel van zijn aansteker rust, komen alle herinneringen als een sneltrein langs…

NonkelPie
0 0

Afscheid - Opdracht 3 - Veerle Schaltin

De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.              

veerle schaltin
7 1

Seks

Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er toen is geslagen in de goede manieren. In hoe het moest. In hoe je er anders zonder slag of stoot buiten werd gebonjourd. Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Langzaam. Er moesten nog gevechten geleverd worden. Paus de zoveelste vond het Humanae vitae op papier oneindig belangrijker dan dat in het lijf en de leden van zijn kudde. Condoom, de pil: verboden! Dus zongen wij, leerlingen van de klassieke humaniora, in uniform, gniffelend (we zaten in het laatste jaar!) dat we een jeugd van maagden wilden zijn.   Dat was nog vòòr de unief en de sexuele revolutie. Toen ging het nog zo. Geen – of geen noemenswaardige- voorlichting thuis. Op school: geen haan die daar naar kraaide.  En dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen? Ik dacht: ze vindt dat mooier. Het geeft meer ruimte. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Dat gebeurde wel meer: het was een moeilijk college, dat van ons. Of was ze verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.               Maar is dit de juiste weg? Moet ik het –nu al – moet ik het met jullie , voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Oorlog, bijvoorbeeld. In Vietnam, bijvoorbeeld. Napalm. Agent Orange. Een meisje van twaalf dat bloot, onder het oog van zwaar bewapende Amerikaanse soldaten, schreeuwend over de weg loopt, weg van de plaats waar haar familie werd neergeschoten. Op dat moment hebben veel mensen al televisie. En komt dat beeld, komen vele andere beelden, rechtstreeks in de huiskamers terecht. We shall overcome. Bob Dylan. Joan Baez. En Martin Luther King. Maar dàt was met de mars tegen het racisme. Is hij toen vermoord? De Zesdaagse oorlog, bijvoorbeeld. Eén oorlog uit de uitzichtloze reeks die later volgt van Israel versus Egypte, Israel versus Syrië, in de Sinaï, op de Golan Hoogvlakte. Israël versus de Arabieren, eigenlijk. De guerilla in Zuid-Amerika, bijvoorbeeld. Fidel Castro. Presente!. Che Guevara. Presente! Camilo Torres. Presente! Allende. Presente! Pablo Neruda. Presente! C.I.A.. Pinochet. Abajo! Abajo!   De strijd tegen de Apartheid in Zuid –Afrika, bijvoorbeeld. Het ANC. Mandela. Soweto. Amandla! Amandla!   Of die andere oorlog, bijvoorbeeld. De oorlog in het westen. Tegen het starre, autoritaire gezag. Tegen de hypocrisie van de macht. Vòòr emancipatie, inspraak, democratisering. Vòòr vrijheid, voor gelijkheid, voor broederlijkheid. Mei ’68. De studentenrevolte (kort daarna: Neil Armstrong, de eerste landing op de maan, "That's one small step for [a] man, one giant leap for mankind"). Maar we zijn bezig met de studentenrevolte! Rudi Dutschke. Daniël Cohn – Bendit. Sartre. de Beauvoir, Derrida, Marcuse. The summer of love. De hippies.  Het Vondelpark in Amsterdam. Marihuana. L.S.D. . De Praagse Lente. De Rote Armee Fraktion. Bader Meinhoff. Ook bij ons. Staking in de mijnen: Zwartberg. Ludo Martens. Pol Goosens. Alle macht aan de arbeiders, Amada. Kris Merckx. Geneeskunde voor het volk.  En natuurlijk ook Wilfried Martens: de Vlaamse kwestie. Leuven Vlaams. ‘Walen buiten! Walen buiten!’.   Onze stemmen botsen tegen de gevels. Ook de lijzige stem van Boudewijn De Groot, met vele liederen. Dat lied van Bob Dylan, herwerkt door Lennaert Nijgh, vooral die laatste twee strofen:               Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.       * * *               Maar nee! NEE! Wat zit ik hier weer te taffelen, rond de pot te draaien, te treuzelen en te beuzelen! Wat ben ik op slag weer paraat om te documenteren en enthousiast te wezen over Het Grote Schema. Over het wat en het hoe en het waarom, het wanneer van De Grote Stromingen in de Maatschappij. (licenciaatsthesis van Niels Klerkx. In verband daarmee ook: het artikel van Bas Kromhout: ‘Het revolutiejaar 1968’. Of de film ‘Leuven ’68, de studentenrevolte die het land deed daveren’. Zal, naar het schijnt, volgend jaar uitgebracht worden, gepatroneerd door Fonk vzw. Alles te vinden op Google). Verdomd! Verdomd!   Maar het is zo verleidelijk, zo meeslepend. Je bent er zo weinig zelf in geïmplementeerd: je moet niet nadenken, je staat er buiten. Oh, hallo! Is dit de juiste schrijfwijze van de naam Simone de Bauvoir? Nee, het is de Beauvoir. Letterlijk: beau-voir. Tiens, kleine d. Was ze van adel? Eens kijken, haar biografie. Ja, dus. En had ze iets te maken met de soixant-huitards.? Natuurlijk. Sartre, om te beginnen. En dan: De Dolle Mina’s!  Feminisme. Belangrijk in de sixties? Laat me eens kijken… NEE! STOP! Weeral twintig minuten verder! NEE! NEE!   En nog eens: NEE. Ik wil het hier Niet hebben over de Grote Principes van deze tijd. Daar werd al genoeg in geploeterd, gewroet, gespit, gedolven. Het gaat hier over een autobiografie! En trouwens, dat overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Vliegtuigen die hun laadbakken openschuiven, bommen die een heel dorp van het ene moment op de andere in een hel veranderen, vijfhonderd doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd (denk ik toch?) hun edelste delen blootgeven (ze houden wel sokken en schoenen aan: dat loopt makkelijker?)en  vrouwen op de place publique vrolijk keuvelend, gehuld in kleurrijke lange rokken en fladderende blouzes, hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?               Nee, dus. Het is niet te abstract. Maar toch: dat is geen autobiografie. Niet al wat in de vorige paragrafen gezegd wordt,  kan mijn hoofdpersonage, mijn protagonist, al weten. Toch niet beseffen. Ze zit nu in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hier bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Da zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan- de helft van alle                  porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er precies werk van maken.             Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Onnozelaar. Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze zit elke week in Bellarmino, dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over ontwikkelingslanden, heb ik gehoord. Hewel, man, ik ga ‘s avonds liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …                                                              * * *               Daar gaat ze… En het is weer van dat. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar dingen die ik denk, die ik voel, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest… Enfin. Laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik –weer eens - mezelf vergeten… Zo was ze dus, toen ze eenentwintig was.                                                              * * *   ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is erin verzopen.’  En ze stapt het lome weer in van eerste warme zomerdagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast.    Hoe ze vervuld is van waar ze daarjuist nog over praatten. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingepompt dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar dat het anders zou worden. Zij, de jongeren van nu, zij zouden hier mee breken. Ze zouden anders gaan leven, radicaal. Zij zouden kiezen voor de liefde. Love and Peace. Geen saaie conventies, geen verstarde instituten zouden hun leven beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst: burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Ze zouden het niet meer hebben over onderontwikkelde landen, nee. Niet domineren. Ze zouden houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur.  Hoe ze hier stapt. Nooit nog zal ze zo gelukkig zijn, alles is mogelijk. Ze is alles in allen. Nu. Ze wandelt, ze stapt  onbezorgd genoeg om houden van te laten overstromen, iedereen, alles mee te sleuren, te omvatten. Het ligt als dauw in haar ogen, ze absorbeert het, straalt het uit. Wat straal je zo vroegen haar vriendinnen maar ze wàs niet verliefd op Jules of Jef, ze was verliefd op leven.  En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van de idee dat god liefde zou zijn en dat Alle Menschen Brüder werden.   Het licht kantelt: het wordt donker. En frisser. Ze rilt. Ze moet denken aan wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Wie wil jij zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. En het antwoord is: nee. Van tijd tot tijd loopt ze er over te piekeren. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het weten? Wil ze iets, worden voor zichzelf? Verrek! Het is zo’n volmaakte dag. En nu dit! Ze zet haar gedachten weer op het juiste spoor.  Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit... Die nacht droomt ze.                                                              * * *   Rondom om is alles grijs. Een groot, groot podium, zonder mensen. Dan ziet ze,  hoe van de donkere ondergrond zich een gestalte probeert los te maken. Het is een vrouw, slank, gekleed ook in het grijs, met een doek over het hoofd. Ze kan het gezicht van de vrouw niet zien - een angstig vermoeden  overvalt haar. De vrouw op de grond slaagt er in half omhoog te komen. Maar wanneer ze helemaal recht wil staan, wordt ze geslagen met een echte zweep met een dik handvat. Elke keer opnieuw. De vrouw blijft zitten, half recht. Maar wat?  Ze kan het niet geloven. Het is waanzin. Maar dit is, wat ze ziet. De gestalte die geselt heeft van de andere vrouw de doeken rond het hoofd overgenomen. Ze ziet er uit als een non. En … ze heeft het gezicht en gestalte van haar moeder! De zittende vrouw vindt nu steun op een steen die haar tegen komt: een grafsteen. Het is de naam van haar grootmoeder die op de grafsteen staat! De zittende vrouw leunt zwaar op de steen. Maar ze wordt weer neergeslagen, opnieuw en opnieuw, tot ze met haar buik op het graf ligt, het hoofd op de steen, de nek bloot. ‘Maar ik héb mijn nek al gebroken!’ zegt ze in paniek. Nu staan haar moeder en haar grootmoeder gearmd, samen, zoals ze op een foto zouden staan. De grootmoeder verdwijnt. De moeder blijft. Nog even. Dan verdwijnt ook zij in een schitterende glans.  Het laatste wat ze ziet: de persoon die de rol van haar moeder speelt, heeft nu een soort ‘mini-omheining’ op haar – nu witte – sluier, zoals de Arabische sjeiks dragen om hun hoofddoek op de plaats te houden.                                                  * * *   De volgende dag is ze bang als ze wakker wordt. Die droom: absurd! Totaal onbegrijpelijk! En dan vooral die herkenning: ik!! Waanzin!! Haar moeder die haar met een zweep slaat, het graf in!! Een oneerbiedige vergissing van haar onderbewustzijn! Ze onderdrukt de droom meteen. Ze stuurt hem de zwarte nacht in, vanwaar hij is gekomen. Maar van tijd tot tijd…             

versta
11 0

Schaamnamen

Mijn vrouw en ik vinden het leven soms al zot genoeg, daarom gingen we op carnavalszondag wandelen, in plaats van ons in de carnavalsdrukte te begeven. Bij het terugkomen - we wonen vlakbij het centrum - waren de zotskappen al in zeer goede doen. Er nestelde zich meteen een carnavalsdeuntje in mijn hoofd, waar het de rest van de dag niet meer uitgeraakte. Ik geef de titel even mee, maar het gevaar is natuurlijk dat u er nu de rest van de dag mee zit. Echt waar, ik heb de hele dag ‘Er staat een paard in de gang’ zitten neuriën. Bij het slapengaan stond de knol nog altijd bij ons in de gang. “Geef me dan maar de Nederlandse zanger Tim Knol”, zei ik tegen mijn vrouw. “Hij heeft een gekke naam, maar zijn songs mogen er best zijn”. Het bracht me op het idee om na te gaan of het geen artiestennaam is. Niet dus. Wat meer is, maar liefst 5.906 mensen in Nederland hebben de familienaam Knol. Er bestaat een speciale website waar je die stamboomzaken kan opzoeken. Wist je bijvoorbeeld dat er 1.095 noorderburen zijn die ‘Pannenkoek’ heten? Op zich niet zo gek, want hier hebben we mensen met de naam ‘Struyf’. Ook de familie ‘Baksteen’ woont er. Om van de ‘Poepjes’ nog maar te zwijgen. En van het één komt het ander. Voor ik het wist botste ik op schaamnamen. Een combinatie van een bijzondere voor- en familienaam, dat een gek resultaat geeft. Ze bestaan naar verluidt echt, die mensen. Wat denkt u van meneer ‘Cor ten Broeck’? Of mevrouw ‘Conny Plassen’ en de dame ‘Anna Nas’. Veel gekker moet het toch niet worden. Al vond ik deze familienaam nog het beste. Bijna 2.000 Nederlanders dragen de naam ‘Buurman’. Je zal er toch maar naast wonen, niet?

Rudi Lavreysen
35 0

Als toekomst vooral verleden wordt

Er is iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat. Dat moet ik uitzoeken, voordat ik er helemaal onderdoor ga. Daarom vlucht ik, deze avond nog. Waarheen weet ik niet, ook niet of ik het zal overleven. Ik weet simpelweg niet waar ik ben. Voor hetzelfde geld zitten we te midden de Sahara-woestijn. Ik laat dit achter in de hoop anderen wakker te maken, ik zit hier namelijk niet alleen… Of zijn het acteurs? Velen zie ik voor het eerst, terwijl sommigen doen alsof ze me kennen. Sommigen die ik dan wel lijk te kennen, doen alsof ze me niet kennen. En waar ik ze van ken, is zo vaag, het ligt steeds op het puntje van mijn tong, maar ik kan er gewoon nooit opkomen. Het is hier net een gekkenhuis. Maar één ding weet ik zeker: ik ben niet gek! Ik weet niet eens hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik ben een gedecoreerde militair uit het Belgisch leger, dat weet ik nog. Ik heb jaren in Duitsland gediend. Ben ik ooit terug naar België gekeerd? Ook dat is vaag. Er komt hier een vrouw op bezoek. Ze is midden veertig. Ze zegt dat ze mijn dochter is. Ze is vriendelijk, dat wel. Iedereen is hier vriendelijk. Verdacht vriendelijk. Volgens mij is de vrouw de sleutel. Ik ken haar niet, nog nooit gezien, laat staat dat ze mijn dochter is. Soms zie ik beelden als ik slaap van een meisje in een roze jurkje dat mij papa noemt, maar die is hooguit zeven, laat staan, in de veertig. Hoe laat is het eigenlijk? Ik moet me haasten. Ik heb niet veel tijd meer! Mijn dochter dus. Mijn dochter is geboren in ‘69. Het is echt een schatje. Ze is nu zeven en haar lievelingskleur is roze. Als ze een tekening voor me maakt is zelfs de zon roze. Vorige zomer wilde ze dat ik haar kamer in het roze verfde, de schat. Het was blauw eerst, hemels blauw. Anna, mijn vrouw, dacht dat we een zoontje gingen krijgen, dat voelde ze aan hoe het stampte, zei ze. Maar ik ben dolblij met mijn dochtertje, hoor. En ze aanbidt me. Ik weet dat dat niet blijft duren, maar nu geniet ik in volle teugen. Ik denk dat het aan de pillen ligt. Vanavond kreeg ik een blauwe pil. Om in te slapen, zeiden ze. Maar ik heb hem niet genomen. Ik heb hem doorgespoeld in het toilet op mijn kamer. Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat. En waar is hier? En hoe kan een mens hier eigenlijk slapen met al dat licht en dat lawaai. Het is niet de Sahara-woestijn. Als ik door het raam kijk zie ik een snelweg in de verte, of dat denk ik toch te oordelen aan de gele straatlantaarns en de vele autolichten. Ik heb mijn rijbewijs gaan halen gisteren. Mijn voorlopig, zes maanden proefrijden en dan mijn vast rijbewijs. Er zijn niet zoveel mensen die met een auto rijden waar ik woon. Ook Anna zegt dat ze geen behoefte heeft aan het stuur te zitten van een voertuig dat sneller rijdt dan dat zij loopt. Anna wil met mij trouwen, dat heeft Peter, haar broer, me onlangs verteld. Ze wacht erop tot ik eindelijk op één knie ga zitten. Dat moet, zou ze gezegd hebben, als hij niet op één knie gaat zitten, trouw ik niet met hem. Ik wil eigenlijk nog een beetje wachten. Tot ik iets meer geld heb. Tot ik een origineel idee heb. Iedereen kan op één knie gaan zitten en een ring om iemands vinger schuiven. Uiteindelijk moet ik voor de KMS ook nog heel veel werk doen. Anna werkt al, studeren zag ze niet zitten, dat doen vrouwen doorgaans trouwens toch niet. Waarom zouden ze? Om te kuisen en eten te maken? Dus kan ik me wel inbeelden dat ze niets liever wil dan haar leven te beginnen, maar voor mij is het anders. Ik heb zeker vier jaar van studies voor de boeg. Nog enkele weken en ik wordt gepromoveerd tot korporaal. Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat! Eigenlijk moet ik dat uitzoeken. Uitzoeken waarom ik hier ben. Waar hier is. En vooral uitzoeken waarom een vrouw van in de veertig mij papa noemt. Zie ik er dan al zo oud uit? En waarom komt ze hier? Ze komt bijna alle dagen, zegt ze, maar vanmiddag was de eerste keer dat ik haar heb gezien. Ik ben hier pas, hoe kan ze me dan bijna dagelijks opzoeken? God, ik ben zo moe. Hoe laat zou het zijn? Al na middernacht? Ik ben geen nachtmens. Nooit geweest. Als ik in de kazerne slaap, worden we gewekt om 05,00 uur. Ik ben benieuwd of dat morgenochtend hier ook zo zal zijn. Zelfs in het weekend sta ik niet later op dan 07,00 uur, tot groot ongenoegen van Anna. Zij zou heel de morgen in bed kunnen blijven liggen. Dat is wel het meest ondraaglijke punt aan haar. Ze kan ook zo laat opblijven. Nog één hoofdstuk, zegt ze dan en wijst naar de pagina’s van haar boek, terwijl ze lieflijk naar me glimlacht. Die glimlach laat iedereen smelten, en mij in het bijzonder. Maar dat ene hoofdstuk is meestal wel een heel lange. Misschien ben ik neergeschoten en is dit hier een militair hospitaal. Maar ik kan me niet herinneren in actie geweest te zijn. Ik moet echt weten waar ik ben, en vooral waarom mensen doen alsof ze me al jaren kennen. Of ben ik in een Russisch experimenteel laboratorium. Ik heb er al horen over vertellen. Dat de Russen gedragsveranderende experimenten uitvoeren op betrapte spionnen en krijgsgevangenen. Maar ik ben geen spion. Het laatste wat ik weet is dat mijn statieplaats Duitsland was. Vlakbij de grens, dat wel, maar nog altijd het Vrije Duitsland. Misschien hebben ze me ontvoerd. Dat kan natuurlijk. Alles kan. Nee, niet zo zwart denken, Honoré, er zal wel een logische verklaring zijn. Goh, ik een spion, het zou wat zijn. Ik kan nog niet eens mijn gevoelens verbergen voor mijn eigen vrouw. Hopelijk komt zij morgen op bezoek in plaats van die vrouw van in de veertig die me zelfs kust alsof ze me al jaren kent. O, hopelijk komen ze dan beiden niet op hetzelfde moment. Hoe moet ik een veertigjarige dochter uitleggen aan mijn vrouw? In Duitsland ben ik niet meer, daarvoor spreken er hier veel te veel en veel te goed Vlaams. Ik zorg voor de eerste opleiding van de jongens die hun dienstplicht komen doen. Jonge, klungelige knullen die met hun armen geen weet hebben. Zo moet ik er ook uitgezien hebben toen ik die eerste dag op het appèl van de KMS verscheen. Met dat verschil dat wij het met volle overtuiging deden. Toch vinden de meesten, wanneer ze afzwaaien, het de beste tijd van hun leven. Soms verlang ik er naar om zelf ook terug zo jong te zijn en alles opnieuw te kunnen beleven. Ik zou niets veranderen. Niets! Wat is er toch met mij aan de hand? Ik weet het echt niet meer. Wat geven ze me hier dat ik me zo buiten de tijd voel? En in godsnaam waar is hier? Zou ik met iemand hier kunnen praten? Als het een ziekenhuis is dan moeten er ook dokters voor de ziel zijn, toch? Maar ik ben niet gek! Daar ben ik honderd procent zeker van. Het is gewoon wazig, dat is het, alles is gewoon wazig. Alsof er een mist in mijn hersens hangt. Als ik terug in een vertrouwde omgeving zal zijn dan komt het allemaal wel terug, dat moet wel! Ik ben moe, doodop. Ik heb nood aan slaap. Even de zorgen vergeten. Met een frisse kop denk je beter.   “Honoré, nog niet aan het slapen?” Verschrikt draai ik me om en kijk in de vriendelijke ogen van een zwarte, iets te dikke vrouw. Haar witte kleren steken scherp af tegen haar zwarte huidskleur. In mijn concentratie heb ik de deur niet horen opengaan. “Kom, ik help je naar bed,” zegt ze, terwijl ze naar me toe stapt. “Te weinig slaap is niet goed voor je Alzheimer, weet je.” “Komt mijn vrouw morgen? Anna?” “Je vrouw? Maar schat die is al twaalf jaar dood!”

Malakh Ahavah
0 0

Aan de moeders van kinderen met autisme die het beu zijn

Lieve mama, Ik weet dat je van me houdt, meer dan van het leven zelf, dat heb je zo vaak verteld toen ik nog een baby was en enkel jouw gezicht zag als een vast en zekerheid. Dat je niets liever wil dan dat ik opgroei tot een gelukkige stabiele volwassene, dat is toch wat elke ouder voor zijn of haar kind wil? Je had zo’n grote verwachtingen, nog voor ik geboren was. Verwachtingen die je nu bijna elke dag, op aanraden van dokters moet bijstellen. Elke dag zie je me weer thuiskomen na een drukke dag op school, en zou je liever hebben dat ik ergens anders bleef, ik weet niet of dat beter zou zijn, maar jij kan mij wel wegdoen, je kan zelfs weglopen van me… Maar ik kan niet weglopen van mezelf. Elke dag beloof ik mezelf dat ik een beter kind voor jou zal zijn, je zal sparen van het verdriet en de paniek die in mijn onderbuik elke dag borrelt tot het overkookt. Elke dag wil ik een beter mens zijn, een betere leerling voor de juf. Elke dag sta ik op met het vaste voornemen te doen wat iedereen van mij verlangt, en wat bij anderen zo natuurlijk lijkt te komen: een hand te geven aan de nieuwe mensen die op mijn pad komen, zelfverzekerd in de ogen te kijken als ik iemand moet spreken, en vooral niet achter je been wegschuilen omdat ik bang ben voor de nieuwe gezichten die mij tegemoet komen, en al zeker niet schreeuwen als vermoord als iemand me aanraakt. En toch doe ik het elke dag weer. En dan is er opnieuw die morgen, soms uitgeslapen, want hoe vaak lig ik niet te piekeren over dingen waar ik eigenlijk niet over zou moeten piekeren, alleen in mijn kamer, waar niemand me kan overprikkelen of me angst aan kan jagen, en dan maak ik weer die loze beloftes, maar dan komen ze, de dingen die ik niet ken, niet begrijp, niet verwacht, en dan voel ik het borrelen en borrelen tot het overkookt, want overkoken zal het doen, dat weet ik vanaf het moment dat ik het voel borrelen. Ik ben net zo machteloos als jij, mama, ondanks de beloftes. Ik stel teleur, dat weet ik, en dat hoor ik vaak genoeg, en dat terwijl ik ‘s morgens alleen op mijn kamer mezelf zo heb beloofd om niet teleur te stellen. Vandaag heeft iemand me gezegd dat je kan genezen door het drinken van bleekmiddel… Als je me zou vragen om het te drinken, zodat ik zou genezen, dan zou ik het doen, misschien nog meer voor jou dan voor mezelf, want ik wil niets liever dan je een gelukkig, stabiel kind geven. Hiervoor heb je niet getekend, dat weet ik. Het vraagt teveel, en de wereld begrijpt het niet, omdat ik het borrelen kan verhinderen van koken tot ik bij iemand ben die ik vertrouw, en de enige die ik echt vertrouw ben jij. En dan is het allang meer dan koken, is het als een vulkaan die uitbarst. Dan doe ik je pijn, omdat ik weet dat jij de enige bent die ik mag pijn doen, en toch nog van me zal houden. Jij bent namelijk de enige die ook nadat mijn masker is afgevallen, en ondanks dat je me een lastig kind zal vinden, toch de volgende dag aan mijn bed zal staan om mij wakker te maken. Dat weet ik, dat is de zekerheid die ik heb. Misschien moet je een nieuw kindje maken, zonder autisme, die je geen tranen in de ogen geeft, maar een glimlach rond je lippen. Waar je als kind geen zorgen over moet maken hoe het van school zal komen, of waar je je geen zorgen over moet maken dat het als tiener midden in de nacht je zal opbellen om het te komen halen omdat het liever dood wil dan nog lege omhulsels te zien, waar je je geen zorgen over moet maken of het ooit meer zal zijn dan een zorgenkind, je geen zorgen over moet maken wat er met hem of haar zal gebeuren als jij er niet meer bent. Ja, dat verdien je, dat had je eigenlijk verwacht voordat ik geboren was. Want ja, net zoals het jou pijn doet om mij ongelukkig en overprikkeld te zien, doet het mij pijn jouw ongelukkig te zien met mij. Ik doe alles voor je, mama, ja, zelfs weggaan, want dat kan ik wel voor jou doen, ondanks dat ik maar niet kan vluchten van mezelf. Zo vaak heb ik dat geprobeerd, ik zet dan mijn hoofdtelefoon op mijn oren waarin Epica maar door blijft schreeuwen en dan sluit ik mijn ogen, want haar schreeuwen is mooier dan het mijne. Het enige wat ik maar niet lijk te kunnen, en waar jij zo naar verlangt, is mij gelukkig toveren, mijn borrelend schreeuwen vermanen te kalmeren. Ja mama, jij bent het beu, dat begrijp ik, maar meer beu dan mij zal je het nooit worden.

Malakh Ahavah
105 0

De Lange en de Korte

“Wie ben je?” vroeg mijn spiegelbeeld. “Weet je dat dan niet?” vroeg ik, “ik ben het ei waar jij op neerkijkt”. “Een ei, dat kàn toch niet?” zei hij “ben je nou helemaal karrewiet? En waarom zou ik op jou neerkijken, ik ken jou niet eens.” “Omdat jij groter van gestalte bent dan ik. Jij gaat als de Lange door het leven en ik als de Korte. Als ik samen met jou op één lijn sta dan lijk ik wel een dwerg en daarmee word ik gepest door jouw vriendjes” flapte ik er uit. “Staan wij soms op één lijn?” vroeg hij ongelovig. “Ja en dan is het verschil heel goed merkbaar. En wat meer is, jij krijgt telkens twee stippen en ik slechts één.  Jij gaat over de tong als de Gestipte en ik mag mij gelukkig achten als ze mij eens Vers noemen.” Mijn spiegelbeeld keek mij aan alsof hij het in Keulen hoordet donderen. “Ben je niet goed snik? Ben je ziek? Of besmet misschien?” vroeg hij smalend. “Besmet ja! Ik ben besmet met het anti-pest-virus!” “Het anti-pest-virus? Nog nooit van gehoord. Trouwens hoe geraakte jij besmet?” “Ik wilde niet langer gepest worden omdat ik slechts één stip heb of omdat ik klein ben.  Ik zette net als mijn vriendjes vier stippen op mijn hand, kijk maar…”  “Dan heb je er zelf voor gekozen om besmet te worden! Dat is pas gek. Bestaat daarvoor een medicijn?”.   “Wees gerust, er is een heel goed medicijn bestaande uit vier punten die strikt dienen opgevolgd te worden. Het eerste luidt: ik vind pesten niet oké en zal er nooit aan meedoen. Het tweede: ik praat erover als pesten mij bang of verdrietig maakt.  En dat doe ik nu, met jou.” “En dat is het?” vroeg hij.  “Neen, ook dit nog: ik sluit niemand uit, voor mij hoort iedereen erbij én ik zal altijd proberen op te komen voor iemand die gepest wordt”. Het werd stil.  De Lange dacht na.  Met twee extra stippen zou hij niet bang zijn voor het anti-pest-virus.  De cijfers op de klok lichtten op: 23:17. Ik keek nog even in de spiegel en zag hem in al zijn glorie: met een lange ij. Hij keek terug en zag mij voor het eerst zoals ik écht ben: met een korte ei. Om ons heen dansten vele stippen. Het gelijnde dagboek werd dichtgeklapt.  

GrijzeVogel
0 0

In de prille lentezon - Marieke - opdracht 3

Ze hadden hem samen tot in kamer 159 gebracht, zijn valies helpen uitladen, tandenborstel in het bekertje gezet en afscheid genomen. Op terugweg had zij de kinderen bij vriendjes afgezet, om hen de nodige afleiding en zichzelf wat rust te gunnen. Weer thuis overvalt de stilte haar, omhult haar als een deken en smoort haar onrust. Geen kinderstemmen, geen radio, geen geroep of gehuil. Hoe lang was dat geleden? Ze voelt de vermoeidheid door heel haar lijf tot in haar hoofd kruipen, loopt meteen door naar de slaapkamer. Ze zet de dubbele terrasdeuren wijd open om licht en lucht overvloedig binnen te laten stromen, trekt de lakens van het bed en gooit die in de wasmand. Met een oude keukenhanddoek veegt ze het mosgroen laagje van de ligzetel op het dakterras. Ze legt zich languit in de prille lentezon en sluit de ogen.   Het suist in haar oren, de beelden van de vorige dagen flitsen aan haar voorbij. Het gewicht van de afgelopen periode drukt haar op de zetel neer. Het was een slopende aanloop naar de moeilijkste beslissing uit haar leven geweest. Het kraken van die bittere noot. Ooit was ze vastberaden geweest om haar kinderen niet aan te doen wat ze zelf in haar jeugd had ondervonden. Maar ze kon niet meer anders, wist dat het moest gebeuren. Ze zou het op haar manier doen. De spanning heeft zich vastgezet op een aantal plekken in haar lichaam. Als ze voorzichtig rondjes draait met haar schouders, trekken de spieren stram tot waar haar nek haar schedel raakt. Haar schouderbladen kraken. Zodra de warme zon haar huid zachtjes likt, voelt ze het gewicht langzaam van zich afglijden. Opluchting. Het is gelukt! Ze heeft alvast deze flinke sprong gemaakt, al weet ze nog niet waarheen de toekomst haar zal voeren. Van alle scenario’s die er lagen, lijkt het best denkbare zich nu te ontplooien. Straks zal ze voor het eerst sinds vele nachten terug in haar eigen bed slapen. Al die keren kamperen in de living heeft dan toch iets opgebracht. Als er een voor en een na was, dan is de na nu begonnen.   Die ochtend -tien dagen geleden- hoorde ze voetjes van de kinderkamer trippelen naar hun bed aan de andere kant van de gang. Daarna de paniek in zijn stem terwijl hij terugliep naar hun stapelbed en zijn zus wekte: ‘Mama is er niet!’. Haar geruststellende woorden: ‘Misschien is ze beneden, ik hoorde hen gisterenavond ruzie maken’.  Gehaast maar voorzichtig zette hij zijn blote voeten op de koude trap. Hij kon niet wachten tot hij beneden was, boog zich voorover en tuurde tussen de metalen treden door, de living in. Zo keken moeder en zoon elkaar in de ogen. Opgelucht liep hij de trap af, sloeg zijn armen om haar heen en kroop mee in de slaapzak. Op een geïmproviseerd bed van twee grote kussens had ze een bijna slapeloze nacht doorgebracht. Ook zijn zus was snel beneden en schoof zo goed en zo kwaad als het ging mee bij hen aan op de kussens. Met haar twee kinderen in de armen, dicht tegen zich aan, deed ze haar best uit te leggen wat er te gebeuren stond.   Haar meisje wist het al langer, ze had de vraag enkele maanden geleden al aan haar moeder gesteld: ‘Mama, zeg eens eerlijk, gaan jullie scheiden?’ ‘Dat zou kunnen meisje’ had ze gezegd, zelf nog volop worstelend met de twijfel. ‘Geef hem nog een kans, alsjeblief’ was toen haar reactie. De moeder kon niets beloven, hoopte zelf nog dat die kans bestond. Ze voelde van haar dochters kant begrip maar ook de zorg voor haar vader.   Bij haar zoontje drong het bericht die ochtend voor het eerst duidelijk door. Een zucht, die meer op opluchting leek dan op verdriet, ontsnapte hem. Alsof hij toen ineens begreep wat hij al zo lang aanvoelde maar geen woorden kon geven. Alsof dit de reden was voor de onverklaarbare woedeaanvallen waar hij soms last van had, de spanning die hij voelde trillen in huis maar niet kon duiden. ‘We zijn al met zo veel kinderen van gescheiden ouders in de klas.’ Hij telde luidop, kwam aan tien vingers. ‘We zouden een praatgroepje hierover moeten hebben, zodat we van elkaar kunnen leren.’ En zo werd de kiem gelegd van het groepje met een tiental tweedeklassers die samen ervaringen zouden delen over twee huizen, bezoekregelingen, ruzies en wisselmomenten.   De dagen die volgden zwalpte hun vader als een wrak in huis rond. Zoals ze had gevreesd. Er was voor hem geen ontkennen meer aan. Als luie Wanja hing hij tegen de verwarming aan, snikkend, smorend, snotterend met af en toe luide uithalen van verdriet. Overdag trok zij met de kinderen het huis uit, om een beetje van de vakantie te genieten, om hen niet permanent met hun huilende vader te confronteren. ’s Avonds, eenmaal de kinderen in bed, ontvluchtte zij het huis en laafde zich aan de steun van vrienden. Veel gesprek tussen hen beiden had er niet meer plaats. Voor haar was het nu even gezegd. Na jaren proberen dingen duidelijk te maken, had ze met deze actie eindelijk iets doen doordringen. Een brief met de boodschap en letterlijk uit het bed stappen was nodig geweest. Maar wat nu? Zo konden ze niet doorgaan, er moest iets gebeuren. Moest ze op zoek naar een andere voorlopige woning? Kon ze haar kinderen wel achterlaten bij een man die zo ontredderd was?   Elke avond kwam hij haar smeken om terug naar hun bed te komen. Elke avond hield ze vol en kroop in haar slaapzak op de kussens in de woonkamer. Of hij nog iets kon doen zodat ze van gedachten zou veranderen? ‘Neen. Het is op. Ik wil vanaf nu niet meer spreken over ‘of’ we zouden scheiden, maar wel over ‘hoe’ we het gaan doen.’ Of hij iets anders had moeten doen? ‘Ja, je laten helpen. En niet een beetje met een afspraak bij de therapeut om de maand, maar grondig en heel intensief.’ Dit had hem aan het denken gezet. Hij besprak het met zijn psychiater en samen waren ze er snel uit. Vanaf dan is de bal aan het rollen gegaan. Hij kon enkele dagen later terecht in de PAAZ, bij hun kinderen beter gekend als ‘de spoed voor mensen die ziek zijn in hun kop’. Eerst om te ontwennen, al het gif uit zijn lijf te krijgen. Ze kende het proces en wist dat dit onder professionele begeleiding moest gebeuren. Daarna op zoek naar een plek voor opname om verder in de diepte te gaan werken. Terug te blikken naar wat er uit zijn levensloop van lessen te trekken was. Om hulp te krijgen in het omgaan met waar hij tegenaan loopt.   ‘Ik laat me opnemen, maar geef me dan nog een kans’. ‘Ik kan niets beloven’ was haar oprechte antwoord, meer dan dat kon ze op toen niet zeggen. Ze moest nog leren voelen wat er kon en wat niet meer.   Daarnet hebben ze hem in het ziekenhuis afgezet. Zij laat de zorg over aan professionelen. Voor even is er een oplossing. Dat geeft ademruimte om op kracht te komen. Later zullen ze wel weer zien hoe het verder ontplooit. En zij is voor het eerst sinds heel erg lang, alleen in huis. Haar thuis waar ze de laatste jaren van wegliep, vluchtend in werk en engagement. Nu geniet ze, bekomt ze, ademt ze weer. Straks legt ze verse lakens en slaapt verfrist in haar eigen bed. Alleen.

Marieke Genard
0 0

Het feest voor Tony

Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules -  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak.   Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch -  maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen.   Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert.   Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche.  Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan.   Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen. Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Bij Thierry kondigde de anekdote zich meestal met een ‘weet ge’ aan, waarbij hij op dat eigenste ogenblik energiek naar voren boog in zijn stoel, de broek van fijn corduroy wat omhoogtrekkend zodat de kous aan de enkel zichtbaar werd, en zijn toehoorders op die manier in het verhaal trok. Wanneer hij zeker was van ieders aandacht, begon hij luid articulerend en met die geknepen, nasale A, - zo eigen aan het Antwerpen van de rand- van wal te steken, de armen wijd gesticulerend en met een al licht triomfantelijke lach om zijn mond; Naarmate de pointe vorderde en de aandacht van deze of gene toehoorder wat verslapte, begon hij luider te praten, zwiepte af en toe naar achter en dan terug naar voren in zijn stoel, opdat zijn woorden met nog meer kracht als een katapult de arena in werden geknald, terwijl hij een hinnikend geluid voortbracht, - de lach - langzaam sneller en sneller tot bij de laatste zin, waarna hij een abrupte, dramatische stilte liet vallen, om dan in een kamervullende, onbedaarlijke bulderlach te ontploffen, met wijdopen mond en met de sterk uitpuilende ogen vol tranen en waarbij iedereen, in het bijzonder het mannelijk deel van het gezelschap inviel, zowaar omwille van de anekdote zelf maar nog veel meer om Thierry als persoon en de geschiedenis die ze samen hadden geschreven. En omdat ze hem dankbaar waren, deze theatrale verschijning die op dit soort gelegenheden hun garantie was om even te ontsnappen aan de routine van elke dag. Ik vond het toen, lang geleden, wonderlijk dat grote mensen dingen konden vertellen die zoveel plezier ontketenden, waar ik helemaal niets van snapte. Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw.  We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijker, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het dessertenbuffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.   Aan dat feest wilde ik denken. Het was vorig weekend, en ik ben trots op mijn ouders, om te zien hoe die hele bende waar ik mee opgroeide er nog is, hoe heel hun levens zijn verknoopt en er ondanks alle hindernissen die hun paden hebben gekruist nog steeds vriendschap is en een drang om de dagen samen door te brengen. En tegelijkertijd voel ik me ellendig omdat ik dat zelf niet heb weten te creëren.    

Sabine Steels
0 0