Lezen

opdracht 1 Elisabeth Leysen

fragment Frank McCourt, De as van mijn moeder, p227 (thema’s: identiteit, dualiteit eigenheid/bij de groep horen, dualiteit geborgenheid/onveiligheid)   premisse De hoofdfiguur groeit op in een gezin dat eigenzinnige keuzes maakt, ervaart agressie van mensen die geen eigenzinnige keuzes maken, maar kiest er toch voor om zelf ook eigenzinnige keuzes te maken.   tekst De worteltjes in onze tuin zitten vol beesten. Bij de buurman zitten er geen beesten in de worteltjes. De buurman zegt dat we op de worteltjes moeten spuiten. Als je op de worteltjes spuit, heb je geen beesten. Spuiten is heel makkelijk. Je neemt een spuitbus en je spuit op de worteltjes. Mijn vader wil niet spuiten. Van spuiten word je ziek, zegt mijn vader als de buurman weg is, er zit vergif in de spuitbus. Mijn vader plant liever goudsbloemen tussen de worteltjes. De beesten houden niet van goudsbloemen en dus blijven ze weg, dat zegt mijn vader. De buurman zegt dat hij het niet meer kan aanzien. Hij wacht tot mijn vader weg is en spuit alle beesten dood. Hij spuit niet alleen op de worteltjes, hij spuit op onze hele moestuin. Op zekere dag kom ik thuis van school en ligt onze poes aan de achterdeur. De poes is dood, ze is helemaal stijf. Mijn vader zegt dat de buurman onze poes heeft vergiftigd. De buurman heeft kleine vogeltjes in een kooi en misschien heeft onze poes een vogeltje uit de kooi gepakt. Dan moet de buurman maar een betere kooi maken, zegt mijn vader. De buurman is een moordenaar.

Elisabeth Leysen
0 0

Een lamp gaat branden

Schrijfopdracht 2 – Esther van der Werf - Een lamp gaat branden. Verdiepen en uitbreiden scène tot kort verhaal   ‘Hèhè, eindelijk zegt ze eens wat zij ervan vindt. Zie jij het ook? Heb je in de gaten dat ze niet meer bezig is met wat ik ervan vindt?’ ‘Het werd verdorie ook eens tijd dat ze daar mee ophield, je gaf haar er nooit iets voor terug.’ ‘Ja zeg, jij was perfect met al dat drinken van je.’ ‘Ik weet het. Hadden we toen maar geweten wat we nu weten.’ ‘Sja, het was voor haar beter geweest als wij wat minder met onszelf bezig waren geweest. Maar ja, wij ontworstelden ons aan het juk van onze tijd. Er moest hard gewerkt worden voor een nieuwe toekomst en we hadden de plicht meer uit ons leven te halen dan onze ouders. Meer materie en meer feesten, dat was onze missie. Ik heb er niet eens over nagedacht of ik haar gaf wat zij nodig had. Zo werkte dat niet. Wij gingen voor de zekerheid van de materie en de glorie van het moment. Dát weet je toch?’ ‘Jaja de plicht meer uit ons leven te halen. Hou toch op. Leuk beredeneerd. Jij was alleen voor je eigen ego en plezier bezig, daar was alles op gericht.’ ‘Ik meende toch dat ik het goed deed, omdat ik ook veel mensen hielp.’ ‘Ik weet dat je dat dacht. Hebben we het verprutst? Ons leven?’ ‘We kunnen er niets meer aan veranderen, het is water door de Maas. Blijven kijken en afwachten. Wie weet vraagt ze ons om hulp en kunnen we alsnog iets voor haar doen’ ‘Denk je dat ze ons heeft vergeven?’   Beneden worstelt Esther. Moe, hondskapotmoe is ze van alle zorgen, van het zorgen. Opruimen van puinhopen die niet de hare zijn. Waarom ligt het dan toch op haar bord? Ze wil niet meer. Haar nog zo jonge moeder verliezen was hard. Toch had ze er vrede mee. Het leek alsof haar moeders leven klaar was. Pas 54 jaar en toch klaar. Bij haar vader lag dat anders. Op de een of andere manier was ze er altijd vanuit gegaan dat hij, ondanks zijn slechte leefgewoonten, toch de leeftijd van zijn eigen ouders zou bereiken. Maar ja, 72 jaar was lang geen 93 of 94. Opa en oma gingen toch verstandiger met hun lijf om. Of hadden zij gewoonweg meer geluk gehad? Zeker is dat haar vader meer zooi achterliet dan haar moeder. Bij haar moeder was het vooral verdriet om het leven dat zo jong al zo klaar was. Maar bij haar vader ligt het dieper. Heeft het verdriet om hem verliezen niet eens een kans. De resultaten van zijn manier van leven, de constructies die hij als kerstbomen optuigde in zijn ondernemen, het totaal zonder zorgen naar de dingen kijken: het laat allemaal zijn sporen na voor de generatie na hem. De financiële crisis die zich in de laatste jaren van zijn leven zich openbaarde, trok daardoor diepe sporen in zijn dood. Beleggen met geleend geld is zelfs zonder crisis geen handige zet op je 65e. Zijn gemakkelijke manier van zijn, levert nu veel op wat onduidelijk is, financieel tekort schiet en toch geregeld moet worden. Haar zus woont in Engeland, alle praktische zooi ligt op Esthers bord. Het is onvermijdelijk. Zij is weer de verantwoordelijke. Ze is het spuugzat, moe, zo ontzettend moe.   Gelukkig is vandaag de dag van de schrijfclub. Schrijven doet haar goed. De club kwam voort uit de schrijflessen die ze samen beleefden. Docent en vier cursisten gingen verder als schrijfclub. In de twee jaren die ze hen nu kent hebben ze veel verhalen uit eigen leven gedeeld. Dat brengt dichter tot elkaar. Vooral met Peter bouwde zij een speciale band. In de gesprekken in de auto heen en terug, houdt hij haar regelmatig een spiegel voor. Hij kan snoeihard analyseren, maar ook zeer ontroerd reageren op de dingen uit haar leven en haar teksten. Het is zijn open houding die ze zeer waardeert en waardoor ze ook zelf haar eigen mening geeft. Op haar beurt helpt zij hem met zijn levensthema’s. Het samen schrijven brengt hen tot luisteren en delen.       Ze praten na de bijeenkomst op het zonnige terras nog na. De anderen zijn al naar huis. ‘Pfoeh wiefke, jij kunt schrijven’ Esther lacht bij deze constatering. Ze kijkt hem aan en durft eindelijk eens onbescheiden ‘Ja’ te zeggen.             ‘Waarom doe je daar niets mee?’             ‘Ach, wie zit daar nou op te wachten? Het is goed zo, dit schrijven voor mezelf.’             ‘Sjee, wat een onzin! Ik zou willen dat ik mijn emoties zo mooi kon verwoorden. Hoe doe je dat toch? Wil je het mij leren?’             ‘Ja zeg, wie is hier de journalist, die dagelijks met woorden speelt?’             ‘Ik meen het, ik weet feiten goed weer te geven maar mijn emoties verwoorden vind ik lastig. Ik heb het gevoel dat jij me dat kunt leren.’             ‘Gekkie, hou op. Zo goed schrijf ik nou ook weer niet.’             ‘Potverdorie! Wil je eens ophouden met dat belachelijke bescheiden gedoe. Ik wil dat jij me leert hoe ik bij mijn gevoel kom in het schrijven!’             ‘Serieus?’ Een vette klap op de tafel volgt. Koffiekopjes rammelen, het lepeltje vliegt van de tafel. Verschrikte gezichten op het terras. Esther wordt rood van verlegenheid. Zijn woorden, zijn vuur-schietende ogen, de trilling in haar binnenste van de klap op de tafel wijzen haar haar weg. Het voelt bijna als hulp van boven. Een lamp gaat branden.               ‘Wat denk je? Gaat ze hier nou eens iets mee doen, voor zichzelf?’             ‘Ben je mal, ze gaat hem helpen, maar wat doet dat voor haarzelf?’             ‘Wie weet, ik heb het gevoel dat deze vriendschap anders is, dat Peter haar teruggeeft wat ze zelf investeert in die vriendschap’             ‘Mmm daar heb je gelijk in, ze luistert echt naar hem, doet er iets mee. Hoe zou dat komen? ‘Heeft dat iets met haar verlangen naar verbinding en open houding te maken?’ Dat schrijven en het met hem bespreken, doet haar daarom ook zo goed, denk ik.’             ‘Mmm toch vaag gedoe hoor.’   Esther begint Peter te helpen. Ze ontdekt het plezier van hem helpen in zijn schrijven. Peter vraagt: ‘Waarom wordt jij niet schrijfdocent?’ Zo start Esther in het Belgische met haar opleiding. Ze helpt vele jaren erna met enthousiasme en intens plezier anderen op hun schrijfpad. De lamp blijft branden.               ‘Kijk toch eens hoe ze alles weer aanpakt. Het doet me zo denken aan haar studententijd. We hoefden haar nooit aan haar huiswerk te manen. Enthousiast, gemotiveerd, voortvarend. Met haar kop door een muur als ze moet. Van wie heeft ze dat toch, die gedrevenheid?’             ‘Hè vrouw, wat een vraag. Van mij natuurlijk! En ze wist altijd al hoe graag ik dat bij haar zag.’             ‘Pfff jij. Ik ben blij dat zij wat beter om zich heen kijkt op haar pad. Die kleine en haar man zijn haar belangrijker dan haar schrijven en lesgeven, hoe enthousiast ze daarover ook is.’             ‘Jaja, ik weet het nou onderhand wel. Dat had ik anders moeten doen. Leg je er nou maar bij neer dat we dat stuk niet meer kunnen veranderen. Wáter door de Maaaaaas!’             ‘Ik weet het, ik weet het. Ik ben ook niet meer boos. Ik constateerde slechts dat zij iets gedaan heeft met onze fouten. Geleerd. Het is fijn dat we hier nu samen zijn, zonder ruzies.’             ‘Och Wilma, konden we het haar maar vertellen.’             ‘Wat?’             ‘Nou, dat het goed komt. Dat uiteindelijk alles goed komt.’

Esther MG
0 0

Zee en zout

   Ik kijk achterom en moet glimlachen. Het droge zand dat in kleine bergketens tegen de dijk aanligt. Er blijven geen sporen in na. Je plant er je hele zijn in, slungelig en verminkt maar niets dat die narrendans nog verraad. Het strand, de ideale plek om spoorloos te zijn of net niet, prachtig. De zon schittert en valt tussen de kieren van mijn oogleden. Is er een betere plek op aarde om volledig op te gaan in het zoete verleden van je jeugd? Met opgerolde broek in de kleine zeestromen staan waar kinderen garnalen proberen vangen en waar vaders, met gloeiend rode ruggen en levensmoede zwemslippen, die rafelig in een kuiltje onder hun billen hangen, loom naar hun kroost zwaaien.  Oh, waar zijn de tijden. De glimlach ligt nog op mijn gezicht en verplaatst zich een beetje naar mijn ogen die tranerig de wind inhaleren. Ik slenter naar de voet van de dijk waar ik tegen de opgewarmde stenen ga zitten. Met mijn ogen dicht vermoed ik het water, de menigte en de wind. De leegte tussen alle figuranten die zich, net als zand, omheen de dingen sluit. Mijn geliefde vleit haar hoofd in mijn schoot. Zo in mijzelf verstilt door de zee was ik de vrolijke massa die al de hele tijd aan mijn hand hing even vergeten. Is er iets mooier dan een meisjeshoofd vol zomersproeten die ondeugend naar je opkijkt? Het verborgene dat achter die zandkleurige ogen speelt, zo dichtbij. Kamers vol posters en vol geheime rituelen. Lange haren die gekamd worden op een krukje in het midden van de kamer. Tenen gestut met watten en nagels met gifgroen of helrood. Verzamelingen van allerlei eigenaardigheden waaruit hun hele persoonlijkheid moet blijken. Dagboeken vol liefde, leed en tranen. Gevezelde of giechelende verhalen die door de telefoonlijnen snellen richting nog zo een kleine verborgen wereld. Ik streel door haar haren en zweef over haar huid. We dommelen even in en kijken weer op terwijl de scène constant verandert. We verzetten ons tegen de tijd, slaan het verstrijken ervan stil gade. Na een tijdje geraken mijn knieën verkrampt en staan we samen het zand van onze kleren te slaan op de nog warme tegels. We kiezen de Vlaanderenstraat om in de binnenstad te komen. Ik stap er de boekenwinkel binnen terwijl ik haar richting de winkels duw. Binnen word ik verwelkomt door een grijze man met een stoppelbaard zoals alleen een elektrisch apparaat stoppelbaarden kan scheren. Hij spuwt het Ostêns dialect warm in mijn gezicht. Ik versta hem half en houd wat afstand om de adem van een terend lichaam niet te moeten ruiken. Tweedehands boeken staan hier te springen om mee genomen te worden. Cees Nooteboom, ja die koop ik gewoon zonder nadenken. Held van de Nederlandse taal. De ouwe noteert alles in een schrift en bedankt me voor de aankoop. Dolgelukkig moet het boek zich voelen, weg uit de vergetelheid. We lopen hand in hand richting brasserie Du Parc. Altijd belanden we hier, zij en ik. We drinken er slappe koffie uit zo van die leuke oude doorloop kannetjes. Ik kom hier graag omdat onder de groen gestoffeerde stoelen en de zwarte leren banken de geest van de wereldoorlog kruipt, als een tweede werkelijkheid, verlangend naar die tijden vol betekenis en daadkracht. Mensen die druk binnen en buiten lopen, zwaaiend met nieuws dat op iets slaat en sigaretten. De zware rooknevel die alles hult in een sfeer van noodzakelijkheid. Op elke tafel overvolle asbakken en bodempjes klare en daartussen lawaai en getier gekneld. Vrolijke wanhoop. Soldaten op schoten van wulpse vrouwen in lange gewaden met allemaal zo een hoofdband op zoals in die jaren populair was. Cees vertelt over zijn reis naar Santiago, beschrijft wat hij ziet, loopt wat rond, praat een beetje over de geschiedenis van elke plaats. En op een of andere manier is dit alles niet oersaai. Neen het zit vol leven, zijn leven. Zijn ogen, die kathedralen, ruïnes en landschappen in zich opzuigen, vermalen de materie en leggen ze aan het infuus van zijn werkelijkheid. Die man praat nooit over iets anders dan zichzelf zonder ons ooit te vervelen met een beschrijving van zijn oog die op een bepaalde manier licht vangt, held. Mijn geliefde neemt afscheid. We zoenen één keer op de mond. Lippen die elkaar even vasthouden en dan zacht loskomen. Soms wou ik dat ik rookte. Dan zou ik nu naar buiten gaan, een sigaret bollen, een lucifer strijken en de knisperende tabak inhaleren. Ik zou naar binnen kijken en daar mijn tafeltje zien met het omgedraaide boek en het kannetje koffie, de melk onaangeroerd en het stiftje suiker verpulvert onder mijn nerveuze vingers. Vergenoegd smalen en mompelen met die sigaret in mijn mondhoek ‘dat ben ik’. Maar helaas, mijn mond beschermt mij door verschrikkelijke zweren te groeien als het weke vlees in contact komt met de venijnige rook. Dan moet ik aan de verse gemberthee voor een paar dagen en kan ik mijn geëxperimenteer met koffie niet verderzetten. Dat maakt me dan droef dus ik rook niet. Er komt een man binnen die van elke tafel wel een oog of een zinsnede commentaar moet verdragen. Wollen mantel met rechte kraag, paraplu in de hand – zwiepend, zwarte puntschoenen, leren handschoenen – krakerig, een zwarte kostuumbroek en dan, houdt u vast, een hoge donkere hoed zoals in de 19e eeuw in zwang was. De man besteld iets als Sherry te zien aan het glas. Zijn hoge hoed staat op zijn handschoenen en die liggen op zijn keurig opgevouwen sjaal. Serieus? Ja ik denk het wel. Ook vermoed ik dat hij zuinig nipt, ja ik weet het bijna zeker, zuinig en met getuite lippen. Zijn profiel hangt in een waas van zonnestralen dus het is moeilijk op te maken of hij zo oud is als zijn kleren of gewoon op een of andere manier hip tracht te zijn. Zijn handen hebben zeker geleefd, er hangt wat zwaartekracht aan. Ik heb te lang gestaard want opeens boren twee grijsblauwe ogen zich in die van mij. Zeus, dacht ik nog, terwijl de haren op mijn arm alweer gaan liggen. Mijn bilspieren raakten verkrampt dus ik sta buiten mijn sjaal tussen de revers van mijn kostuumjas te proppen. Het waait hard en in de lucht ruik je de regen al. Ik steek Cees in mijn jaszak en besluit om het natuurgeweld op te wachten aan de pier. Zand suist in slierten over het verlaten strand. Het duister valt uit de wolken en blijft hier en daar hangen. Ik stap het kleine strand naast de pier op en ga naar de golven kijken. Woest zou ik ze niet noemen maar ze gaan toch al aardig te keer. Ik raap een hoornschelp op om mijn vingers koest te houden. Kijk, dat noem ik nog eens wind. De lucht verplaatst zich zo snel dat ik er amper zuurstof uit kan trekken. Voorovergebogen narrendans ik naar het zijtrapje van de pier. De verlatenheid omarmt mij als een oude vriend. Geen omhulsels achter een vislijn, geen dravende kinderen. Mijn instinctieve reactie als zo een schaterende massa onschuld voorbij rent is om van hoog naast mijn oor en met de achterkant van mijn hand krachtig naar beneden te hakken. Dan verbaas ik mij over de woede die steeds als een doorzichtige film tussen mijn huid en zijn receptoren hangt, de context wazig maakt. Het is gewoon die ‘de wereld is van mij attitude’ dat ik graag zou neerslaan, vertel ik mezelf dan. Ik trippel en spring omdat ik alleen ben. Balanceer op de bankjes, tik in de lucht met mijn hielen tegen elkaar. Probeer een beetje mee te waaien door mijn kostuumvest als vleugels open te houden. Regen druppelt over de houten balustrades, golven happen er ongeduldig naar. Ik sta tegen de toren geleund en bedenk dat ik nu een sigaret zou roken mocht ik roken. Een schip met een knappe kapiteinsdochter zou de gloeiende peuk zien en nachtenlang dromen van de verschilferde lippen erachter en de harde blik als zoutkristal, en ook zou ze verlangen naar verweerde handen over haar zacht blozende huid. Goed dat mijn geest zich probeert te verwarmen aan fantasietjes. Mijn kaak- en handspieren verstrammen. De haren op mijn arm verheffen zich omdat het koud is maar ook omdat er een hand lijkt te liggen op mijn linkerschouder. Ik verstijf en probeer te voelen maar met al dat loeien en kleinzielig machtsvertoon van de natuur voel ik juist niets, alleen die druk. Niet dwingend, niet aardig, alleen aanwezig. Na een tijdje lukt het mij te kijken. Inderdaad, een hand. Wat te doen? Angstaanjagend zou het moeten zijn maar het is op een vreemde manier geruststellend. Bliksem vertakt door de lucht en direct daarna breekt het wolkendek in luide stukken. Mijn schouders dreigen te verkrampen dus ik besluit mij nog waanzinniger voor te doen dan hij. Mijn vingers klemmen zich om een hand dat duidelijk wat zwaartekracht heeft gekend en ik zing, Longtemps, longtemps, longtemps après que les poètes ont disparu.

Het Ontstaan
2 0

Frisse start

Jezelf heruitvinden. Januari is er de ideale maand voor. Een wit doek. Of een wit scherm, mijn telefoon.    Pinterest suggereert een nieuw bord aan te maken. Zonet prijkte op mijn wall nog het perfect-relaxte huis, healthy food, roadtrips en als klapper, een trouwfeest (half industrieel, half natuur). Modern Country Wedding noemde ik het.    Uren heb ik geïnvesteerd in mijn imaginaire droomwereld. En nu is het in 1 klap weg en ben ik blij, opgelucht en een beetje triest tegelijk.    Want ik eet wel overnight oats, home made burgers en guacemole, maar ook frieten van de frituur, met zoete mayonaise, voor de TV. Waar al eens geknoeid wordt op de zetel (die oranje en hip is, op een relaxte manier obviously..).    Want we gaan ook soms op roadtrip met de jeep (die geen Wrangler is) en de tent (die geen daktent is). En na 4 dagen niet douchen nemen we geen foto's meer van onszelf. Maar wat hebben we lol en wat eten we worstjes bij het vuur (soms verbrand).    En ik ga ook niet trouwen. Want niemand heeft mij gevraagd. 'Als hippies' zei ik tegen de dame op burgerzaken die vroeg of we wettelijk samenwoonden dan wel getrouwd?    En dat is prima zo. Ik kwam erachter dat het Modern Country Wedding een heel loyale compromis was tussen de vriend en ikzelf. Een compromis die al veel meer richting de vriend leunde als naar mezelf. Zonder dat hij weet dat deze compromis zelfs maar bestaat. En dat willen we niet. Geen toegevingen in mijn imaginaire droomwereld.    Tijd voor een nieuw egoïstisch bord. Dat is 2018. Helemaal voor mezelf. Tijd genoeg om na te denken wat daar op zal komen te staan.    

Evelien
14 0

Ik haatte Jos Put

(De roman die ik koos ter inspiratie is 'Istanbul. Herinneringen en de stad' van Orhan Pamuk, p. 91 en volgende (mijn vader, mijn moeder en hun verdwijningen))   Ik zat in kousenbroek aan de bar, lichtjes heen en weer te draaien. De ‘bar’ was een eenvoudig maar prachtig modern meubel dat onze hele benedenverdieping bij elkaar hield; Het was wit en glad met zwarte naden, aan de keukenzijde met een strakke hoek afgemaakt, terwijl het aan het andere einde, daar waar je vanuit de keuken één trapje naar beneden liep om in de living te komen, met een sierlijke bocht naar rechts de muur tot aan het tuinraam omarmde en zo keuken en living in één beweging verbond. Recht tegenover het lange gedeelte van de bar - op nog geen meter ervandaan - was in datzelfde witte, strakke materiaal een deur voorzien die door haar enorme dimensie het belang uitdrukte van de ruimte erachter die zij afscheidde van het privégedeelte, namelijk: het rijk van mijn moeder – ‘de praktijk’. Het was ons zonder restrictie toegestaan om bij het minste verlangen door die deur te lopen en aan de secretaresse die er vlak achter de wacht hield, te signaleren dat we moeder wilden zien, terwijl ook moeder met de regelmaat van een klok de poort van haar heiligdom openzwierde om zich tussen twee patiënten door te laven aan de knuffels van haar dochters. Mama was mooi, modern en vol goede smaak. Het idee dat ze – in alle openheid - met Jos Put aanhield was dan ook niet te rijmen met de onvoorwaardelijk aanbidding die ik voor de rest voor haar voelde.   Ik haatte Jos Put. Hoe hij, terwijl we steeds en willens nillens met z’n veertienen optrokken, speciaal voor haar liedjes opzette, of ze godbetert zelf bedacht en dan met zijn belachelijke zoon Eric op nieuwjaar voor haar zong. “Ben ik te min” bleek hiervoor een van zijn favoriete nummers te zijn, een soort van onderkruiperige, verongelijkte aanklacht van een armzalige vent die om aandacht schreeuwt op de foute manier. Hij had alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mijn moeder had uitgevonden en die – toegegeven - heel mooi bij haar karakter paste maar door de identiteit van de bedenker ervan alle schoonheid en zuiverheid verloor, en me bij het horen ervan telkens opnieuw rillingen van afschuw gaf. Zij bedacht hem op haar beurt met het nog veel onnozelere ‘Tupje’. Eigenlijk wou hij het liefst dat moeder ons achterliet voor hem. Hij had dan ook, ondanks het feit dat hij zelf vader was, geen enkele consideratie voor kinderen en zelf vonden wij hem ook oneindig oninteressant.     Toen ik die dag op de barkruk zat, voelde ik me loodzwaar, alsof mijn buik een diepe, donkere ruimte herbergde die me pijnlijk naar beneden zoog. Om een onverklaarbare reden had ik het in mijn hoofd gehaald dat dit het moment was waarop mama eindelijk zou afzien van die relatie, waarop we onze wederzijdse gevoelens daarover zouden uitspreken en ik die dobberende bubbel aan haar zou kunnen tonen. Zij zou eerst in ongeloof verstild staan, stilaan zou het binnensijpelen hoe erg zij zich vergist had, alles onderschat had, zij zou haar spijt uitroepen, zich voor mijn voeten werpen of op zijn minst me in de armen sluiten, zich berouwen om al haar beperkingen en vergiffenis vragen. Die hele janneboel met Jos Put zou onmiddellijk worden afblazen. Als ze ons binnenste zou zien. Maar de bubbel kwam niet ter sprake. Wat voor mij als een ultiem moment had aangevoeld, als een prachtig kantelpunt van waarop alles zou veranderen, was voor mijn ongezien efficiënte moeder gewoon een rustpunt tussen twee patiënten door. Ze kwam met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon even een kusje halen bij haar ‘konijnen’. Er was geen sprake van dat we dat weekend nìet iets met de Putten zouden doen, en de zaak was afgedaan. Ik bleef verweesd achter, verpletterd door de evidentie waarvan moeder uitging dat wij daarover geen mening of gevoelens hadden. Tegelijkertijd voelde ik een verbetenheid en vechtlust om in mijn kousenbroek en al mijn lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en wij er nooit nog last van zouden hebben. Ik draaide lichtjes heen en weer op de stoel en mama was vertrokken naar de volgende patient. In haar knappe witte schort.

Sabine Steels
0 0

Onder een steen

Een babyborrel op zondag. Vrienden van de vriend. Gezellig wat cava drinken in een voetbalkantine met taart en een schattige baby toe. Een baby die handig niet van mij is en die ik kan laten passeren als het weent. Een plan. Ik trek een broekpak aan, loafers, en dan toch hakken, net dat tikje meer. Ik ken de vrienden van de vriend niet goed, wil een goede indruk maken. Sexy genoeg, leuk genoeg, mooi genoeg maar niet te mooi voor de vriendinnen van de vrienden. In mijn hoofd is het druk. We stappen uit de auto, begroeten, nog de beste wensen voor het nieuwe jaar.. "Deze kant uit Evelien!" Ik loop naar de verkeerde kant.. Snel wil ik bijbenen en ineens lig ik op de grond. In 1 seconde sta ik recht. Niks aan de hand! Ik ben niet meer op mijn knie gevallen sinds mijn kindertijd.. De vriend kijkt mij raar aan en de vrienden lachen wat.. Gaat het? De vriendinnen kijken mij bezorgd en geamuseerd tegelijkertijd aan. Ja prima! Als kind deed je bij ons thuis nooit flauw en als volwassene weet ik daardoor vaak pas laat als ik lichamelijk iets mankeer. Je broek is stuk.. Kan wel gemaakt worden! Ik ga naar het toilet. Mijn broek is rood van het bloed en hangt aan flarden. Ik ween. Hard. Van schaamte en nog meer van mijn kapotte broek. Mijn eerste pak. Een week eerder gekocht voor mijn nieuwe baan en mijn nakende 30 jaar. Volwassen cadeau voor mezelf. Duur cadeau ook. Hugo Boss. Ik voelde me sterk en een dame toen ik het aan deed. En nu ween ik met een kapotte knie op een toilet, zoals een klein kind. Daar is de vriend. Met een doekje en een pleister. Terug naar de babyborrel. Want dat is wat volwassen mensen doen. Vallen en opstaan. En soms onder een steen willen gaan liggen.. 

Evelien
6 1

Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn. Jeanette Winterson

Ik heb gekozen voor het boek van Jeanette Winterson ‘Waarom gelukkig zijn als je ook normaal kan zijn’.   Ik kies voor het eerste hoodstuk dat begint met volgende zin:   Als mijn moeder boos op me was, wat vaak gebeurde, zei ze: ‘De duivel heeft ons naar het verkeerde wiegje geleid’ het beeld van satan die tijd vrijmaakt van de Koude oorlog en het McCarthyisme om in 1960 een bezoek aan Mancester te brengen met het doel mevrouw Winterson om de tuin te leiden, bezit een flamboyante theatraliteit.   Het extreme gedrag van de ouders brengt de schrijfster in een verwarrende en vreemde wereld waar ze zich niet alleen moet leren handhaven maar ook haar eigen bestemming moet leren ontdekken.     Hieronder de scene die ik schreef vanuit de doorschrijfteksten geïnspireerd door het fragment van het boek van JW.     Langzaam dunt de generatie uit. Mijn moeder was de derde van de tien broers en zussen. Na haar volgden snel twee oudere zussen. Ze werden allemaal negentig en meer. Ik woon opnieuw een rouwdienst bij, deze keer van mijn tante Haddie. ‘We zijn hier samen om afscheid te nemen van Haddie’. Ze is de enige naamgenoot die ik ken. Het is vreemd om mijn naam zo veelvuldig, en  dan nog in deze context, te horen noemen.    Ik zit in de kerk naast mijn nicht Vina. Ze was altijd een haantje de voorste en niet op haar mondje gevallen. Het lijkt me een eeuwigheid geleden dat ik haar nog sprak. ‘Hij kon zijn handen niet thuishouden’, zegt ze. Ze heeft het over mijn grootvader. Ik ben verbaasd dat ze, in de korte tijd dat we daar samen zitten, erin slaagt het gesprek op dit onderwerp te brengen. Ik verdenk haar ervan dat ze het er graag over heeft. Hoe groot het taboe was in de generatie van onze ouders, des te groter blijkt het genoegen bij de generatie erna om er omstandig over uit te wijden. ‘En als dat zo was bij zijn kleindochters, zal dat ook wel zo geweest zijn bij zijn dochters’, voegt ze er nog aan toe.   Mijn grootouders waren voor ons verre figuren met een heiligenstatus. De weinige keren dat ze op bezoek waren kwamen er koffiekoeken in huis. Een delicatesse voor ons, zelfs de oudbakken koeken twee dagen later. Mijn moeder liep zenuwachtig rond en sloofde zich uit om het hen naar de zin te maken. Ze had iets goed te maken. Een vrouw was maar zo goed als ze van haar huwelijk een succes wist te maken en om precies te zijn, een materieel succes met de nodige aanzien.   ‘Hij kan nog promotie maken in die verzekeringsmaatschappij’, oordeelde mijn grootvader over mijn vader. Zijn vijf dochters moesten  een goede partij huwen en dat vereiste wel wat koppelvaardigheden. In vergelijking met de huwelijkskandidaten voor haar zussen was de kandidaat voor mijn moeder minder hoog gegrepen.  Maar mijn grootouders waren al blij dat ze onder de pannen was en het vooruitzicht op de promotie gaf toch een zeker perspectief. Een perspectief dat mijn vader nooit waarmaakte.   Op de sepiafoto zie ik een tuin met op de voorgrond rozelaars. Het gebouw links op de foto doet me denken aan de Zweedse houten huizen. Op de achtergrond over bijna de hele breedte van de foto staat een volière. Als ik inzoom ontwaar ik takken waar ik vogels op vermoed. Centraal op de foto staat een smeedijzeren carrousel hoog uitlopend op een spits torentje. Op het ronde vlak hangen acht klokjes. In het midden van de carrousel, voor een hoge  takkenconstructie, staat mijn vader -  ik schat hem zo’n twaalf jaar – samen met een meisje dat iets jonger is. Vermits mijn vader geen broers  of zussen had, veronderstel ik dat het een buurmeisje is. Als ik op mijn beurt twaalf jaar ben, is deze paradijselijke plek vervallen. Er is geen spoor meer van de rozelaars. Het gebouw links op de foto, staat er vervallen bij. De volière is afgebroken. Het torentje staat er triest bij. Er hangen maar twee klokjes meer onderaan de grote klok en ook die dreigen er af te vallen. De tuin -  twee boomgaarden, een groenten en bloementuin, een kriekengaard en een voortuin, alles tezamen zo’n 70 are groot - is langzaam verwilderd. Mijn vader werkt niet in de tuin. Hij ligt boven op zijn bed. Ik breng hem een bord met een peer die mijn moeder geschild heeft. Hij staart wat uit het raam. Ik kom even bij hem liggen terwijl hij de peer opeet. Daarna kan ik het bord terug naar beneden brengen.  Hij is ziek maar we weten niet wat hij heeft. We hebben geleerd niks te vragen. Wat we moeten weten - zo weinig mogelijk - zal ons verteld worden. Vragen worden vaak op ongeduld en irritatie onthaald. We voelen snel feilloos aan wanneer een vraag niet gepast is. En een vraag blijkt bijna nooit gepast in mijn moeders wereld.  

Haddie
0 0

In de zoektocht naar het ‘wij’ verloor ik vaak mijn ‘ik’.

Schrijfopdracht 1 - Esther van der Werf   Logboek van een onbarmhartig jaar – Connie Palmen Pag 28 onderaan ‘Samen betekent wij iets,’ t/m pag 29 bovenaan ‘angstaanjagend leeg is’   Premisse: Dienstbaarheid omwille van de te verwerven verbondenheid, levert niets op als de eerste verbondenheid niet met jezelf is.   In de zoektocht naar het ‘wij’ verloor ik vaak mijn ‘ik’.   Ik herken het in veel vrouwen van mijn leeftijd. Is het iets uit dat tijdperk? Is het een biologisch bepaald gegeven? Het is vast geen toeval dat ik meerdere vrouwen van mijn generatie ontmoet die dit als een rode draad in hun leven aangeven. De kracht tot verbondenheid, opbouw van sociale harmonieuze eenheid is vrouwen al sinds de oermens meegegeven. De mannen gingen jagen, de vrouwen zorgden voor de groep. Hadden het ook nodig in die groep een eenheid te creëren, zonder dat was er geen leven mogelijk. Is dat pas in de laatste generaties aan het veranderen? Waar mijn vader nog de guldencenten en hogere ego-glorie najoeg vanuit zijn baan en mijn moeder als enige taak had de troepen thuis te voederen en verzorgen, heeft de generatie van na pakweg 1960, een andere rolverdeling gevonden. Ik vermoed dat de zoektocht naar verbondenheid, zelfs tegen de stromen in, een combinatie is van tijdsgeest, opvoeding, omstandigheden en karakter.   Mijn grootste kracht is vaak mijn grootste zwakte. Mijn kracht tot verbondenheid. Ik omarmde dit als een gegeven waar ik niets aan wilde veranderen. Ik accepteer nu de consequenties uit het verleden als een bitterzoet gegeven. Want het had wel anders gekund, weet ik nu. In de zoektocht naar het ‘wij’ verloor ik vaak mijn ‘ik’. Dat begon al vroeg in mijn jeugd en de laatste keer overkwam het me vorig jaar. Altijd was ik de sterke en ging veel verder in loyaliteit en geven, dan goed voor me was. De consequenties voor mijn welzijn nam ik voor lief. Als ik het al in de gaten had, dacht ik er niet verder over na.   Tot de periode waarin ik niets te geven had. De laatste acht maanden van 2016. Ziek, op het randje van de dood, met lang revalideren, ging mijn energie naar de meest basale dingen. Er was simpelweg geen ruimte voor meer. Ik werd omringd door lieve gevers. Veel van de ooit door mij gegeven energie kwam terug als een geschenk. Toch kwam in die periode ook de dag, waarop de vriendin aan wie ik het meest van al gegeven had, onze tienjarige hartsvriendinnen-vriendschap via een appje uitmaakte. Bij gebrek aan energie deed ik het voor het eerst: ik calculeerde! Ik kwam tot een negatieve uitkomst en stelde mijn prioriteiten. Voor het eerst ging ik niet op de barricades voor verbondenheid maar accepteerde dat het soms niet de moeite van het geven waard is.   Voor hen uit een andere tijdsgeest, opvoeding, omstandigheden en met een ander karakter wellicht een vanzelfsprekend gegeven. Voor mij een complete omwenteling. Even niet ‘alles’ geven om naar verbondenheid met anderen te werken, maar nu ook lief zijn voor mezelf. Wat komt dat komt. Ik hoef geen vijf keren met mijn kop door een betonnen muur. Ja natuurlijk gebeurt het nog wel dat iemand over me heen loopt. Maar niet meer heen en weer! Juist als ik me eens even terugtrek zal de ander de kans krijgen om de echte verbondenheid te tonen. Ik zie nu dat zelfs als de uitkomst tegen valt, het winst is. Ik ben nu eerlijk in wat ik te bieden heb, en vooral: wat niet. In de zoektocht naar het ‘wij’ hoef ik mijn ‘ik’ niet te verliezen. Juist niet: die ‘ik’ draagt wezenlijk bij aan het pure, oprecht goede in ‘wij’.  

Esther MG
0 0

de berg

Ik leun tegen hem aan, streel al enkele dagen zijn weiden, verlang naar zijn uitzichten. Vandaag mag ik eindelijk naar boven. Vanaf het bergdorp kronkelt het pad naar de top van de berg. Het is erg warm en al een eind in de namiddag. Er is niemand te zien, niemand is zo gek als wij, mijn jongen en ik. We hebben water mee, een stuk brood. Het pad loopt door een groene wei. Er liggen rotsen in het gras, eerst nog her en der verspreid, maar langzaam krijgen de rotsen de overhand, hoe hoger we gaan hoe taaier en kleiner het gras. Het pad is nu een trap met grillige treden, we moeten ons omhoog hijsen met onze handen, ons naar beneden laten glijden. Bomen staan er niet meer, de laatsten zijn teruggedeinsd tot net onder het dorp, de struiken geven het ook op. Het immense mosgroene lichaam van de berg wordt grilliger naarmate we dichterbij komen, de hoogten betreden. De berg is een oeroude brok aardkorst vol uitstulpingen, oksels, welvingen, spleten en knobbels, soms knokig soms zacht. We zeggen niet veel, al onze adem en aandacht gaat naar het klimmen. Af en toe leent de berg ons een schouder om op te rusten. Dan zitten we, drinken water en zuchten van de inspanning, van het genot. We kijken naar beneden, naar boven. ‘Zullen we nog tot daar gaan?’ vraag ik en ik wijs naar een zachte groene plek in de hoogte, ‘en dan zien we wel weer of we verder gaan’. We gaan alsmaar verder. Het is uitputtend en zwaar, maar mijn jongen weet van geen ophouden. ‘Gaat het?’ heb ik hem telkens opnieuw gevraagd toen we net begonnen waren met onze klim, maar intussen zijn we gelijken, de berg vlakte onze verschillen uit. We zijn nu gewoon zoon en moeder, we horen bij elkaar en volgen hetzelfde pad. Het pad verandert opnieuw, brengt ons bij een steenhelling en verdwijnt. Hier en daar toont een steen ons met het rood-witte geverfde teken dat we op de goede weg zijn. We gaan van steen tot steen, het zijn dezelfde stenen als waarvan de huizen in de dorpjes in deze streek gebouwd zijn, zelfs de daken zijn er van steen. Sommige stenen zijn begroeid met korstmos en liggen als gele sproeten tussen de vele soorten grijs, anderen liggen los en wiebelen, of beginnen te schuiven als we er onze voet op willen zetten. De berg staat aarzelend toe dat we haar beklimmen. We bereiken de flank, het pad is nu minder weerbarstig, het blijft een eind vlak en rechtdoor lopen net onder de flank. En dan is het moment aangebroken, de rotsen openen zich. We zien de noordkant van de berg, er ligt nog sneeuw, we zien de woeste vallei waar geen mens woont, we zien de bergen verderop, al even stenig, mossig en woest. Sinds ik als kind met m’n vader bergtochten maakte is hetgeen me de berg op trekt niet zozeer de top, maar het verlangen de andere kant te kunnen zien. We staan stil en betoverd. We hebben geen camera bij ons, maar met al onze zintuigen maken we een foto en slaan die op in onze beste herinneringen. Maar onze tijd dringt, we moeten voort, het laatste eind naar boven. Vanaf dan zijn we niet meer alleen met de berg, we worden langs alle kanten bekeken. De geiten uit het dorp zijn naar boven getrokken.  Het moet beneden te warm voor hen geweest zijn. Ze kijken toe hoe wij ons uitsloven, knabbelen onverstoorbaar aan het taaie gras. Boven zijn ze met nog meer. Ze hebben de top bezet, het zijn hun bellen die daarboven klingelen. Een eindje lager graast ook een kudde zwarte schapen, die blijven op veilige afstand, ze komen vast uit een ander dorp. We kunnen van daarboven alle bergen van heel de omringende wereld zien, maar de geiten trekken aan onze kleren, onze rugzak, onze aandacht. Ze weten dat we mensen zijn.   Gekozen fragment: Sylvain Tesson, Zes maanden in de Siberische wouden. 15 april, p136-137

Adinda
0 1

opdracht 1

Roman: ‘Het kleine meisje van meneer Linh’, Philippe Claudel (pagina 7 tem 13)   ‘Een oude man staat op het achterdek van een boot. In zijn armen houdt hij een lichte koffer en een pasgeborene, nog lichter dan de koffer. De oude man heet meneer Linh. Hij is de enige die weet dat hij zo heet, want iedereen die het wist om hem heen gestorven. .... ‘     Een jonge vrouw staat op het perron. Naast haar staat een jonge man, de broer van de vrouw, en een metalen valies, met net afgewogen 23 kilogram. De jonge vrouw heet Kristien. Zij is de enige die weet dat ze in het land die ze in haar hart draagt Vi wordt genoemd. Het land waar ze 2 jaar woonde. Het land met zijn overdrukke straten, zijn miljoenen bezige mensen en zijn uitgestrekte rijstvelden.    Ze ziet de trein dichterbij komen, steeds dichter. De jonge man maakt grapjes. Zij laat de grappen over haar heenglijden zoals de regendruppels over een blad. De trein stopt. Zij is niet gehaast. De jong man reikt haar de valies aan. Ze treuzelt, ze kijkt om zich heen en neemt uiteindelijk de valies aan. Ze stapt, zet de valies neer en hangt aan de deur naar buiten. Zou ze het wagen om op het perron te springen? De valies alleen de lange reis te laten maken? Enkele maanden was ze terug in haar thuisland. Ze had er vrienden terug ontmoet. Ze had werk gezocht en nu gevonden. De wereld verkennen, voelen en beleven. En toch. Het afscheid is telkens een opgave. De conducteur fluit. De jonge vrouw haalt diep adem en zwaait enthousiast naar de jonge man. Een volgende keer zal ze blijven.   De reis duurt lang. Uren en uren. Al die tijd kijkt de jonge vrouw uit het raam, met haar blik op het voorbij glijdende landschap. Alleen zij weet dat achter de horizon en nog veel verder haar vriend nu op de brommer rijdt, nu op kantoor zit, nu rijstsoep slurpt en straks gaat slapen met een lege kant in bed. Dat hoopt ze toch. Eindelijk, na vijf uur, bereikt de trein de bestemming. De jonge vrouw blijft zitten. De trein verlaten betekent zich opnieuw openen voor een onbekende stad, onbekende mensen en een onbekend project. Ze zucht, neemt de valies en houdt het stevig vast. Binnen een week zou ze de valies volledig kunnen uitpakken. De winter- en zomerkleren. De geluidloze wekker. De toiletspullen met een volle tube tandpasta. De kleine CD speler op batterijen met twee CD’s. Het dagboek met vier kleuren stylo’s, een potlood en 11 kleurpotloden. Een foto van haar vriend, moeder, vader en broer. Exact 23 kilogram bekende spullen. Zonder zichzelf mee gerekend.   Ze stapt uit en kijkt om zich heen. Het is koud. De mensen op het perron begeven zich allen in één richting, zoals de stoet van mieren die aan een mierennest werkt. De jonge vrouw schakelt over op de automatische piloot. Ze volgt de massa. In haar hand omklemt ze stevig de zware valies. Het bekende wil ze niet kwijt. De massa blijft zich voortbewegen. Ze laat zich leiden. Plots staat ze buiten het station op straat. De regent overvalt haar.  Met de valies tussen haar voeten, haalt ze een papiertje uit haar vest met de eindbestemming van de dag erop. Ze is een doorreizende bezoeker. Of zouden ze haar hier vluchteling noemen? Of toch niet? Ze heeft een eigen identiteitskaart op zak en heeft maar enkele uren gereisd. De ogen van de jonge vrouw speuren de straat af. Een man komt op haar afgestapt. Ze neemt haar valies. Recht voor zich uitkijkend stapt ze met volle stap naar de rij net geparkeerde taxi’s. Zonder woord, doet ze een portaal open en stapt in.   De taxichauffeur spreekt de jonge vrouw met een vreemd accent aan. Ze glimlacht. De auto vertrekt geluidloos tussen de vele auto’s. Steeds verder van het station. Ze ontspant. In de metalen doos met de zachte kussens is ze veilig voor de buitenwereld. Een verkennend gesprek ontvouwt zich. Ze luistert en stelt meer vragen. Ze staart uit het raam. Hoge gebouwen. Rechte asfaltwegen. Mensen met actetassen, mensen in jogging, mensen met een kind. Ergens heen. Ook zij.  

Kristien Vliegen
0 0

In de hospitaalgang - Marieke - opdracht 1

We wisten al lang dat het niet goed met haar ging. Maar ze was erin geslaagd om ons op afstand te houden, zodat we niet konden zien hoe erg ze eraan toe was. Tot ze zelf besloot om zich te laten opnemen. “Aan de baxter liggen om wat bij te sterken” noemde ze het.  Die maandag hadden haar beide kinderen haar naar het ziekenhuis gebracht. Dinsdag gebruikte ik mijn middagpauze om mijn schoonmoeder een bezoekje te brengen. Ik trof haar bed leeg aan, de lakens opengeslagen. Haar rozige wollen trui hing eenzaam op de bezoekersstoel en wist me zo te vertellen dat ik in de juiste kamer stond. De joodse buurvrouw was er wel, met naast zich de dochter die haar hand vasthield. Ik heb het nooit voor ziekenhuizen gehad: de steriele geur, lange gangen, mensen worden nummers op hun deur en aan hun pols. Daarbij de ontmoeting met het lege bed. Het deed mijn maag samenkrimpen. Een vreemd gevoel dat er iets gebeurd was.   De verpleegsters keken verstoord op van hun lunch, wisten niet waar ze was. Gaan roken? Vanuit de kale galmende gang kwam ze schuifelend met voorzichtige pasjes, gehuld in een bruine kamerjas. Zo kende ik haar niet, zo broos en twijfelend. Ze was altijd al mager geweest maar niet zo fragiel. Ze zuchtte opgelucht zodra ze me zag, een brede glimlach verscheen op haar bezorgde gezicht. Maar die verdween al even snel als hij verschenen was. Toen ik haar kuste en omhelsde, werd ik bedwelmd door de geur van haar sigaartjes die als een aura rondom haar het hospitaalparfum van desinfecterende middelen deed vergeten.   Nog voor we in haar kamer aankwamen vertelde ze wat de dokter haar net had gezegd. Het was fataal. Kanker die was uitgezaaid en niet meer te behandelen. Van de longen, naar de lever, naar de hersenen. Die bult op haar hoofd was er een deel van. Maar er was zo veel meer over heel haar lijf. Ze had de ziekte alle kans gegeven om helemaal te woekeren door jarenlang niet naar de dokter te gaan. Of toch geen serieuze arts. Wel charlatans die haar het ene na het andere walhalla beloofden, die haar meenamen in hun fictieve wereldje en haar daar nog eens dik voor deden betalen. En ze liet zich graag in zo’n zweverig universum opnemen. Als een vlucht voor de echte wereld. De wereld van de mensen had ze al langer verguisd. Enkel dieren en kinderen boden haar nog troost.   Na een hele voormiddag van onderzoeken hadden de artsen haar het nieuws onomwonden gebracht. Er was niet gewacht tot er naasten bij waren om haar te ondersteunen. Ik was de eerste aan wie ze het vertelde. Ik hoorde het. Maar kon het nog niet direct begrijpen. Of wilde het nog niet laten doordringen. “Hoe moet ik dit nu aan mijn kinderen vertellen?”, dat was haar grootste zorg. We spraken open en eerlijk over de dood. Evenzeer was er betekenisvol zwijgen tussen ons. Ze sprak over haar leven waar nu een einde aan zou komen. Dat niet meer lang zou duren. We staarden samen naar bomen voor haar raam. Ze sprak over spijt, terugblikken en vooruitkijken.   Toen ik even later in het park aan de voet van het ziekenhuis stond, toen pas kwam het besef. En het gevoel. Ik had beloofd haar kinderen naar haar toe te sturen, maar kon hen nog niet zeggen waarom. Mijn tranen stroomden maar ik mocht ze nog niet aan mijn man tonen. Met gebogen hoofd, mijn blik gericht op de leegstaande fonteinbedding belde ik mijn moeder met het trieste nieuws. Mijn haren dienden om mijn tranen voor vreemde blikken te verbergen. Joelende stemmetjes van de peuters in de speeltuin achter me. Het leven gaat verder. Ik zwaaide naar het ziekenhuisraam waar ik haar bed vermoedde. In de waan dat ik die dag gewoon door zou doen, fietste ik terug naar mijn werk. Het waren mijn collega’s die me voor mezelf moesten beschermen. Ze belden mijn afspraken van die middag voor me af.   Opdracht 1 Premisse & fragment – 1p Schaduwkind van P.F. Thomése In een kantoortje p 73 Thema: Slecht nieuws boodschap, het besef dat het lot onomkeerbaar is. Premisse: eerst hoor je, dan begrijp je, dan besef je en dan pas voel je. Premisse: terwijl voor ons de wereld instort, gaat het leven gewoon zijn gang

Marieke Genard
0 0