Lezen

Sexual Healing

Zuid-London, december 1983   Terwijl hij van de gevangenispoort naar de bushalte wandelde, neuriede Frank Re-born van Toots and the Maytals. Zijn Dr. Martens maakten vrolijke sprongetjes op de kiezels. Hij was drieëntwintig en werd opnieuw geboren. Vijf jaar geleden was hij hier als stuurloze jongeling binnengekomen. Als man stapte hij buiten. Enkel de tattoo op zijn borst bleef een pijnlijke herinnering aan het agressieve rotjong dat hij was geweest.   Hij had de cel gedeeld met Steve, een skinhead van de eerste generatie, die dertig jaar had gekregen voor de moordpoging op een politie-agent in '71. Hun eerste kennismaking was op een vechtpartij uitgedraaid. Toen Steve hoorde dat Frank gestraft was voor het mishandelen van een zwarte winkeluitbater, stak hij een woedende preek af. 'Ziek word ik van skins zoals jij. Je hebt geen idee waar het om gaat, snotaap. Waar denk je dat onze levensstijl vandaan komt? Waar komt onze muziek vandaan? Types als jij maken deze beweging kapot. De politie, dat is onze vijand. En het establishment. Hippies ook. Maar je eigen klasse, zwart of wit, die laat je met rust. We zijn lotgenoten. Toen ik in de jaren '60 skin werd, draaide het om de muziek. We dansten ons te pletter. We zopen ons kapot. Er sneuvelden al eens wat ruiten. We sloegen al eens een hippie in elkaar. Maar we deden het samen. Blanken en zwarten. Jamaicanen en Engelsen. Het was een feest. Toen gastjes als jij erbij kwamen is alles naar de kloten gegaan.' Frank antwoordde met zijn vuisten. Steve liet zich niet doen. De cipiers lieten begaan. Na een tijd werden ze toch vrienden. Steve werd een mentor voor Frank. Sterke verhalen, maatschappelijke discussies, danspasjes, muziekgeschiedenis. Een cipier waar ze enigszins bevriend mee waren bracht wekelijks een paar platen voor hen mee. Ska, Rock-steady, Punk en Soul. In de recreatieruimte luisterden en dansten ze elke dag een uurtje. Frank keek op naar zijn celmaat en verachtte meer en meer het racistische leeghoofd dat hij zelf was geweest.   Hij nam de bus naar zijn oude buurt. Zijn ouders leefden niet meer. Het huis was nu van hem. Hij was benieuwd naar de staat waarin hij het zou aantreffen. Wat hij door het raam van de bus zag beloofde in ieder geval niet veel goeds. Hoe dieper de bus doordrong in de arbeidersbuurt, hoe troostelozer de aanblik. Het proces van verloedering had zich de voorbije jaren duidelijk doorgezet. De overheid gaf niets om deze straten. Dat zou de komende jaren niet veranderen. Thatcher had een half jaar eerder een overweldigende verkiezingsoverwinning behaald. Daar hadden de op de muren gekalkte slogans niets aan kunnen verhelpen. Het was zaterdagvoormiddag. Er was veel volk op straat. Zure oude gezichten en gevaarlijke puistenkoppen. Punks en mods. Jamaicanen en Pakistanen.   Frank had niet verwacht zijn jeugdvrienden terug te zien in zijn eigen huis. Blijkbaar hadden ze na de dood van Franks ouders de woning gekraakt. Het was een soort clubhuis geworden. De hele straat kon meegenieten van de loeiharde muziek. In de voortuin stonden wel tien vespa's geparkeerd. Ramen waren met planken dichtgemaakt. De muren stonden vol graffiti. Phill had hem als eerste gezien. Hij stompte Frank keihard tegen de schouder als verwelkoming. 'Frankie Boy! Hij is terug, jongens! Onze maat is terug! Hoe gaat het met je, kerel? Ze hebben je toch niet klein gekregen, daar in de nor! Hier, man, pak een pint! Je hebt geluk. Straks is er voetbal. FA Cup. Die eikels van Swindon komen naar the Den. We zijn alvast wat aan het indrinken.' Het was vijf jaar geleden dat Frank nog een voetbalmatch had gezien. Goed ging het niet met zijn team Millwall. Ze verkommerden in de derde divisie. Maar tegen het nog lager geklasseerde Swindon Town hadden ze wel een kans en het enthousiasme van Phill en de anderen werkte aanstekelijk. Een half uur later was hij met een bende luidruchtige heethoofden onderweg naar het stadion.   De wedstrijd werd een ontgoocheling: een 2-3 nederlaag. Maar het was vooral het gedrag van zijn maten waar Frank zich aan ergerde. Ze hadden amper oog voor de wedstrijd. Ze kwamen om stoom af te laten. Al voor de aftrap vlogen flessen heen en weer tussen het thuis- en het bezoekersvak. Frank kreeg een fles tegen zijn jukbeen. Net vrij en al een blauw oog. De liedjes die zijn makkers zongen waren van het ranzigste dat hij ooit gehoord had. Toen er na de wedstrijd relletjes uitbraken rond het stadion, raakte hij zijn vrienden kwijt. Het speet hem niet. Alleen, met zijn hoofd diep in de kraag van zijn anorak, baande hij zich een weg door de drukbevolkte straten. Het duurde niet lang voor het donker werd. Voor het eerst sinds hij die ochtend was vrijgelaten had hij het gevoel echt vrij te zijn. Hij wist niet waar hij was of waar hij naartoe ging. Een heerlijk gevoel na vijf jaar in dezelfde cel. Zijn hoofd zat vol muziek.   Frank kwam voorbij een pub. Een honderdtal uitgelaten jongeren van allerlei pluimage stonden op de stoep te wachten tot de deuren open zouden gaan. Special Brew stond geprogrammeerd, een lokale ska-band die covers speelde van Bad Manners, The Specials en The Beat. Hij ging in de rij staan. Het leek alsof hij in één van de verhalen van zijn oudere celmakker was terechtgekomen. Zwarten en skinheads stonden zij aan zij. Niemand was hier om te vechten. Dansen was het enige wat ze wilden. Toen de deuren eindelijk open gingen, wrong de brede slang van mensen zich door de smalle ingang van de pub. In het gedrum werd Frank tegen een heerlijk geurende Jamaicaanse aangedrukt. Ze zouden de rest van de avond aan elkaar blijven kleven. Zonder woorden dansten ze het hele optreden samen. Het was een fantastisch concert. De sfeer was geweldig. Zweet drupte van het plafond. Pas na het laatste bisnummer sprak Frank zijn danspartner aan. 'Ik hou van je stijl. Je ziet er echt prachtig uit.' 'Dat blauwe oog staat je beeldig', antwoordde ze gevat. Ze heette Rose. Hij was niet van plan haar nog te lossen.   Toen ze even later samen onderweg waren naar haar appartement, dacht Frank plots aan de tattoo op zijn borst. Hoe zou hij dat straks uitleggen? Hij deed het bovenste knopje van zijn hemd dicht en probeerde het probleem weg te denken.   Het was een klein tweekamerappartement. Er stonden vreemde poppetjes en voorwerpen op de kast. Een aandenken aan haar grootmoeder, vertelde ze. Die had haar leven aan voodoo gewijd. Ze legde een plaat op de pick-up. 'Heb je deze al gehoord? De laatste van Marvin Gaye. Hij is helemaal terug.' 'Goh, nee. Dat is niet echt mijn soort muziek. Al moet ik toegeven dat dit me wel bevalt.' Rose rolde een joint. Frank ging languit op de bank liggen. Sloot zijn ogen. Genoot van de muziek. Toen Rose aan zijn hemdsknopen begon te frunniken, werd Frank nerveus. 'Mag het licht uit? Dan voel ik me meer op mijn gemak.'   Ze plaagde hem nog even maar deed toen toch het licht uit. Ze sloot de gordijnen. Het werd pikdonker. Frank vergat alles en liet zich meevoeren naar een wonderlijke wereld vol wellust. Het contrast met de kale muren van de cel waar hij de vorige nacht nog had geslapen kon niet groter zijn. Hij gaf zich volledig over. Toen Rose zijn borst likte, gingen over zijn hele lichaam de haartjes rechtstaan. Haar glijdende tong leek de griezelige vorm van de tatoeage te volgen. Toen nam ze hem in een houdgreep tussen haar benen. Haar heupen maakten wilde, kronkelende bewegingen. Wanneer ze het hoogtepunt bereikte, steeg uit haar opengesperde mond een machtige lichtstraal op. De hele kamer baadde plotseling in een helwit licht. Frank schrok. Hij wou zijn borst afdekken. Maar het hakenkruis was verdwenen.   30/09/'17  

tijl
0 0

Pico Bello

Ik had hem leren kennen op café. Hij heette Pico. Hij was er alleen en ik ook. Aan de bar raakten we aan de praat. Hij ging gekleed zoals enkel rockmuzikanten en werklozen gekleed gaan. Een smerig wit onderhemd, een versleten leren jas en cowboylaarzen aan zijn voeten. Toen ik ernaar vroeg zei hij dat hij geen instrument kon bespelen, maar wel steeds de groove in zich voelde. Een werkloze, dus. Hij had nog voor een aannemer gewerkt, maar dat was misgelopen. Hij wou graag voor zichzelf beginnen. In het zwart. Maar voorlopig was daar nog niet veel van in huis gekomen. Hij kon eigenlijk alles, vertelde hij terwijl hij gulzig aan de trappist slurpte die ik voor hem betaald had. Schilderen, pleisteren, sanitair, elektriciteit, vloeren en daken, hij kon het allemaal, maar het werk vond hem niet. Hij was nochtans niet duur. En hij was goed. Daarom noemde iedereen hem Pico Bello, toch? Misschien sloeg die bijnaam wel op zijn tronie, dacht ik. Sommige vrouwen werden aangetrokken door een ruw, gehavend mannengelaat. Ik woonde hier toen nog maar pas. Samen met mijn jeugdliefde Bea had ik dit huisje gekocht. Het was klein en goedkoop. Er was nog heel wat werk aan, maar wij zagen wat het kon zijn. In onze gedachten was het een kasteeltje. Helaas waren we allebei geen doe-het-zelvers en was er niet genoeg geld om werklui in te huren. Deze kerel zou wel eens van pas kunnen komen. 'Ik heb misschien wel wat werkjes voor je. Het hangt van je prijs af, natuurlijk.' Op slag veranderde zijn houding. De nonchalance gleed van hem af. Hij ging rechtop zitten en hij lachte zijn verwrongen gebit bloot. 'Ik zou het eerst eens moeten zien. Dan maakt mijn secretaresse, nu ja, mijn moeder een offerte voor je op. Wat moet er precies gebeuren?' Hij wenkte de barman en wees naar de lege glazen. Ik vertelde hem over het lekkende dak, de ouderwetse keuken en de aftandse badkamer. 'We willen ook meer licht in huis. Het is klein en donker. We willen een gevoel van ruimte creëren. Oh, en een nieuwe vloer. Er ligt linoleum nu. Dat lijkt nergens naar.' 'Dat klinkt als een hoop werk, maar ik krijg het voor mekaar. Wees daar maar zeker van. Pico Bello krijgt alles voor mekaar.' We spraken af dat hij 's anderendaags om tien uur eens langs zou komen om het huis te bekijken. Er werden nog een paar trappisten besteld en de gesprekken werden steeds onnozeler. Ik kon zijn tempo niet volgen en schakelde over op koffie. Plots werd onze conversatie onderbroken doordat een vrouw met een enorme boezem tussen ons in kwam staan om vier gin-tonics te bestellen. Zijn dronken blik ging gloeien van geilheid. Het leek wel alsof hij in haar decolleté zou duiken. Ik zag het aankomen. Hij zou een platte opmerking maken. 'Wil je dat ik je help dragen, schat, of zet je de glazen op dat gigantische balkon van je?' Weer lachte hij de ruïne in zijn mond bloot. Onhandig greep hij naar haar borsten. Als een sloophamer werd de handtas tegen de linkerkant van zijn hoofd aan geslingerd. Hij viel van de barkruk. Stamelde dat het maar een grapje was, dat vrouwen toch zo lichtgeraakt konden zijn tegenwoordig. Iedereen in de kroeg was rechtgestaan. Een reusachtige man uit het gezelschap van de rondborstige dame maakte aanstalten om Pico een lesje te leren. Ik hielp hem overeind en verontschuldigde me in zijn plaats. Aan één blik van de barman had ik genoeg om te weten dat het tijd was om te gaan. Voor ons allebei.   De volgende ochtend werd ik gewekt door een lange schreeuw van de deurbel. Het geluid sneed mijn wazig brein doormidden. Toen hoorde ik Bea mijn naam roepen. Ik keek op de wekkerradio. Drie minuten over tien. Ik had niet gedacht dat hij zou opdagen en zeker niet zo stipt. Bea wist niets van mijn afspraak met Pico. Afgezien van mijn zacht gefluisterde 'Slaapwel' en een gemurmeld 'Ben je daar nu pas?' van haar kant hadden we nog niet met elkaar gesproken sinds ik de avond voordien naar de kroeg was vertrokken. Hij zag er verrassend fris uit. Hoewel hij die nacht toch een stuk verder heen was dan ik, leek zijn lichaam al helemaal hersteld van de zuippartij. Zijn haar was in een dotje geknoopt en hij droeg een geruit hemd. Toen hij me zag klaarde zijn gezicht op. Hij wou naar binnen stappen, maar Bea hield hem met gestrekte arm buiten de deur. 'Deze gast beweert dat je hem werk beloofd hebt', zeiden haar strak gespannen lippen. 'Sinds wanneer beslissen we zo'n zaken niet meer samen?', vroegen haar opengesperde ogen. 'Hij komt eens kijken voor hoeveel hij het zou kunnen doen. De badkamer, de keuken, het dak. Hij zegt goedkoop te zijn. We kunnen er toch maar beter eens aan beginnen. Anders wordt dit huis nooit ons droomhuis. Als we zijn prijs kennen, beslis jij of we het doen.' Pico schonk Bea een brede glimlach en knipoogde. 'Ja, schat, jij beslist.' Bea keek hem enkele tellen aan. Toen keek ze naar mij. Een glimlach. Ze liet de deurpost los. 'OK, dan. Kom maar binnen. Wat kan er misgaan?' Pico maakte een buiging en stapte handenwrijvend binnen.   Zijn offerte was belachelijk laag, maar zelfs voor we die te zien kregen, hadden we al beslist. Het klikte. Hij had ons tijdens de prospectie ingepakt met zijn grapjes. Hij begreep wat we met het huis wilden en was er net zo enthousiast over als wij. We hoefden ons geen zorgen te maken, had hij ons op het hart gedrukt. We hadden prachtige plannen en hij zou zorgen dat ze werkelijkheid werden. Een week nadat ik hem had leren kennen zat Pico al tegels los te kloppen in onze badkamer.   Ik was zelden thuis als hij aan het werk was. Wanneer ik na een lange dag op kantoor thuis kwam, was het telkens een verrassing welke kamer hij nu weer afgebroken had. Ik kon geen logica vinden in zijn manier van werken. Maar volgens Bea, die wel vaak thuis was en hem af en toe een handje toestak, liep alles gesmeerd. 'Zo gaat het nu eenmaal bij een verbouwing. Eerst wordt er afgebroken om daarna weer op te bouwen.' Toen na een paar weken overal in huis gereedschap rondslingerde, emmers hard geworden cement stonden en over alles een laag steengruis lag, begon ik me zorgen te maken. Wist Pico Bello eigenlijk wel waar hij mee bezig was? Er was nog steeds enkel maar gesloopt. In het midden van de woonkamer stond een palet bakstenen. Het nieuwe bad dat we gekocht hadden was gebarsten toen hij het samen met Bea de trap op had proberen te duwen maar had laten vallen toen de trapleuning afkraakte. Aan het dak was hij ook al begonnen. Het was een natte november. Regen drupte door drie verdiepingen heen in het bad dat onder aan de trap was blijven staan. Het was al bijna tot de rand volgelopen. Een lege siliconenspuit dreef op het water.   Bea leek mijn bezorgdheid niet te delen. Ze was opvallend vrolijk. Terwijl ik de hele nacht lag te piekeren, sliep zij als een roosje. Soms nam ze me, midden in de nacht, stevig vast, zonder wakker te worden, terwijl ze zacht kreunde of half verstaanbaar lieve woordjes prevelde. Wanneer ik haar 's ochtends vertelde waarover ik had liggen piekeren, stelde ze me gerust. 'Het zal misschien wat langer duren dan we hadden gewild, maar het resultaat zal pico bello zijn', grapte ze.   Ondertussen werd ons leven met de dag minder comfortabel. We wasten ons in een teiltje, aten enkel nog boterhammen en raakten gewend aan het vocht en het vuil.   Op een avond ging Bea de stad in. Ze had afgesproken met Lara, haar hartsvriendin. Ze nam de fiets die ik gebruikte om op het werk te raken. Om half drie was ze nog niet thuis. Ik probeerde haar te bellen, maar kreeg enkel de beltoon en de begroeting op haar antwoordapparaat te horen. Bij de vierde poging kreeg ik het antwoordapparaat onmiddellijk aan de lijn. Had ze haar gsm afgezet? Ik tikte het nummer van Lara in. Die viel uit de lucht. Nee, ze kon Bea niet doorgeven. Waarom niet? Omdat ze niet bij haar was. Ik had Lara wakker gebeld. Ze zuchtte dat ze niet wist waar Bea kon zijn. Maar ik moest me geen zorgen maken. Ze zou zo wel thuiskomen. Lara wenste me welterusten en beëindigde het gesprek. Ik was in paniek. Mijn hart tikte als een klopboor. Verschillende mogelijke scenario's gingen door mijn hoofd. Het één nog rampzaliger dan het ander. Ik moest iets doen. Maar wat? Ik wist niet waar ze was of bij wie. Ik kon enkel wachten en hopen dat ze gauw weer bij me zou zijn. Terwijl ik op haar wachtte kleefde ik de tegels die al weken klaarlagen in de badkamer. Even voor zes hoorde ik de sleutel in het slot. Ze schrok toen ik opgewonden voor haar stond. Op haar gezicht de bedrukte uitdrukking van een terechtgestelde. Aan haar hand had ze een fiets die niet de mijne was. Ik keek haar vragend aan.   'Ik moet je iets vertellen', begon ze aarzelend. 'Het is Pico. Ik ben verliefd op hem.' Het voelde alsof de grond onder mijn voeten, waar al lang tegels hadden moeten liggen, werd weggetrokken. 'Je fiets is gestolen', ging ze verder. 'Dit is zijn fiets. Je mag hem gebruiken om naar het werk te fietsen.' Op dat moment had ik haar iets kunnen aandoen. Woede maakte zich meester van mijn lichaam. Ik voelde me vernederd. Ik slaagde erin mijn agressie op de fiets te richten. Ik stampte een paar keer op de wielen. Toen zag ik de slijpschijf. Ik sneed het rijwiel in twee helften en vertrok te voet naar mijn werk.   Nu deel ik dit bouwval met schimmels en zwammen. Bea is bij Pico en zijn moeder ingetrokken. Hij komt er om begrijpelijke redenen niet meer in om zijn werk af te maken. Aan een slakkentempo probeer ik het huis zelf op te knappen. Doe-het-zelffilmpjes op youtube maken me wegwijs in de verraderlijke wereld van het klussen. Kamer voor kamer bouw ik ons droomhuis op. Het mag wat kosten. Tijd en geld. Het moet prachtig zijn als ze terugkomt. Want die gedachte houdt me op de been: dat Bea ooit terugkomt om hier samen met mij te wonen.   Ik liep het verliefde koppel onlangs tegen het lijf in de stad. Ze lieten elkaars hand los toen ze me zagen. Het was een kort, onwennig gesprek. In de eerste woorden klonk al het afscheid. Twee dingen waren me opgevallen. Haar ogen hadden weer de glans, waarvan ik me nu pas realiseerde dat hij al jaren verdwenen was en Pico had een beugel nu.   7-10/11/'17  

tijl
0 0

Spreidingsplan

Het dorp was zo goed als klaar voor Kerstmis. In de straten hingen lampjes en versieringen. Tientallen kleine kerstmannen bengelden aan de gevels van de huizen. Uit het kapsalon van Albert kwam zeemzoete kerstmuziek en op het dorpsplein was Octaaf de kerststal aan het bouwen. Dat was toevallig één van zijn specialiteiten. Het was koud, maar zijn moeder had hem goed ingeduffeld. Een dikke jas, oorwarmers, warme handschoenen en een kerstmuts. Vrolijk fluitend timmerde hij de planken van de kerststal vast. Het begon zachtjes te sneeuwen.   In het huis met huisnummer 101 was het lekker warm. Samson zat in zijn mand naast de kerstboom te dutten. Gert was druk bezig in de keuken. De geur van pannenkoeken vulde het huis. Er werd op de deur geklopt. Samson schrok zich een ongeluk. 'Gertje! Er klopt iemand op de deur!' 'Ja, Samson. Ik kom al.' Terwijl hij zijn handen schoon wreef aan een vaatdoek, beende Gert door de woonkamer naar de voordeur en gooide die met een hautaine zwaai open. Het was de burgemeester. Hij was erg bleek en probeerde met een zakdoek het angstzweet op zijn voorhoofd te deppen. 'Ja, ik moest kloppen want …' 'De bel doet het niet. Ik weet het.' 'Vrienden! Ik zit in de puree. Jullie moeten me helpen.' 'Oei oei, meneer de burgemeester. Wat zie je er zwaluwachtig uit. Heb je een plobreem?' 'Samson heeft gelijk. Je ziet er erg zenuwachtig uit, burgemeester. Ga zitten. Vertel op. Wat scheelt er?'   De burgemeester liet zich zuchtend in de sofa vallen. Gefrustreerd keilde hij zijn hoge hoed tegen de muur. 'Het komt allemaal door dat verdomde spreidingsplan!' 'Wat is dat, Gertje, een splijtingszwam?' 'Het spreidingsplan, Samson. Dat is een plan van de regering om ervoor te zorgen dat over het hele land vluchtelingen uitgestrooid worden.' 'Inderdaad, Gert. Dat heb je goed uitgelegd. Nu is ook ons dorp in de prijzen gevallen. Het is een ramp!' De burgemeester haalde een brief uit zijn binnenzak en gaf die met trillende handen aan Gert. 'Hier. Kijk zelf maar. Deze brief komt van de afgevaardigde van de minister.' 'Mwaaa, lees voor, Gertje. Ik wil ook horen wat de afgezaagde van de verkwister te vertellen heeft.'   De brief was helder. Vandaag zouden vier vluchtelingen uit Raqqa naar het dorp komen. De burgemeester moest de Syriërs goed ontvangen en onderdak voor ze zoeken. Anders zouden ze teruggestuurd worden.   'Ik heb een briefje aan de poort van het gemeentehuis gehangen waarop staat dat ik bij jullie op bezoek ben. Straks staan die vluchtelingen hier voor de deur. Wat moet ik nu doen? Er is in dit dorp toch geen plaats voor vier vreemde mannen. In het gemeentehuis kan ik ze in geen geval laten logeren. Ze zouden mijn miniatuurvliegtuigjes kunnen stelen. Je weet maar nooit met die gasten.' 'Maar Gertje, kunnen die vlugge dingen niet bij ons blijven slapen. Wij hebben toch plaats genoeg.' 'Dat gaat niet, Samson. Vanavond komt Marlène pannenkoeken eten. Ik hoop dat ze deze keer eindelijk eens blijft slapen. Vanavond kan ik echt geen vier arabieren in huis hebben. Wie weet vallen ze Marlèneke wel lastig en dan wil ze me vast nooit meer zien. Misschien kunnen ze bij Albert terecht. Ik zal hem eens bellen. Ik heb een uitstekend argument om hem te overtuigen.'   Het duurde even, maar uiteindelijk hoorde Gert de oververhitte tenor van zijn buurman schetteren door de hoorn. 'Hallooooo!' 'Ha, Albert …' 'Het is Albertooooo!' 'Ja, Alberto, wij hebben een probleem, maar jij kan ons helpen. Niet zomaar, natuurlijk. Er staat lekkers tegenover.' 'Oh, dat klinkt goed. Mmmm, lekkers. Vertel, wat moet ik doen?' 'Straks verwelkomt ons dorp vier nieuwelingen, maar er is nog geen huis waar ze kunnen wonen. Mogen ze bij jou blijven slapen?' 'Ik weet het niet. Hangt er vanaf wat voor lekkers je te bieden hebt. Is het taart? Chocolade? Of snoepjes?' 'Er ligt hier een flinke stapel pannenkoeken in de keuken. Als je ons uit de nood helpt krijg je er drie.' Het bleef even stil. De burgemeester tikte grijnzend met zijn wijsvinger tegen zijn hoofd om Gert te complimenteren met zijn slimme plan. 'In dat geval zal je een ander slachtoffer moeten zoeken', was het verrassende antwoord van de kapper. 'Ok, ik begrijp het al. Je krijgt vijf pannenkoeken. Met slagroom!' 'Nee, je begrijpt het niet. Je mag me nog honderd pannenkoeken beloven. Je hebt me niets te bieden. Ga maar eens kijken in de keuken. Daar vind je nog hooguit de herinnering aan pannenkoeken terug. Ik ben ze namelijk net komen stelen. De slagroom heb ik trouwens ook meegenomen. Het heeft gesmaakt. Je hebt dus helemaal geen pannenkoeken om uit te delen. Zonder beloning kan ik je niet helpen. Je zal die gasten ergens anders moeten steken.' 'Albert, dat is heel lelijk van je. Die pannenkoeken waren voor Marlène. Nu kan ik helemaal opnieuw beginnen met bakken. We gaan hier nog een hartig woordje over spreken. Nu moet ik ophangen, want er wordt op de deur geklopt.'   Op de stoep stonden vier mannen met bruin geschilderde gezichten en grote koffers. Ze hadden het koud. 'We moesten kloppen want …' 'De bel doet het niet. Ik weet het. Jullie zijn vast de Syrische vluchtelingen. Kom binnen. Welkom in ons dorp.' Terwijl hij de vier jonge mannen binnenliet, gebaarde Gert naar de burgemeester en naar Samson dat ze hun ogen open moesten houden. Albert had hen al bestolen vandaag. Eén keer was genoeg. De burgemeester nam een houterige pose aan, kuchte even en stak van wal. 'Aan allen die gekomen zijn: proficiat! Wat een prestatie om helemaal tot ons dorp te lopen vanuit dat verre gat. Goed gedaan! Aan allen die er niet geraakt zijn: euh, ook proficiat. Jullie hebben het tenminste geprobeerd.' Iedereen klapte in zijn handen bij deze mooie woorden van de burgemeester. Eén van de vluchtelingen pinkte een traan weg. 'Hallo, vlugge dinges, ik ben Samson.' De vier mannen hielden erg van dieren en één voor één gaven ze Samson een liefdevolle knuffel. Nu had de hond ook bruine verf op zijn snoet. Er werd wat afgelachen. Maar toen het de vreemdelingen begon te dagen dat er nog geen huis was voor hen, sloeg de stemming om. 'Als jullie geen slaapplaats voor ons hebben, worden we teruggestuurd. Dat heeft de afgevaardigde van de minister heel duidelijk gezegd.' De burgemeester kon het niet meer aan. Er kwam al een beetje stoom uit zijn oren. De voorbode van een aankomende stressexplosie. Gelukkig werd toen net op de deur geklopt.   Het was Octaaf, nog steeds met de kerstmuts op zijn hoofd en ingepakt alsof hij op het punt stond om naar de noordpool te vertrekken. 'Ik moest kloppen want...' 'De bel doet het niet. We weten het.' 'Hij staat er! De kerststal is klaar. Octaaf heeft het weer gefikst. Ah ja, want kerststallen bouwen, dat is toevallig één van mijn specialiteiten. Dat zegt mijn Miranda ook altijd. Dan zegt ze: “Pa, zoals jij kerststallen bouwt, zo… Ja, zo bouw jij kerststallen, hè.”'   Boven Samsons hoofd ging een gloeilampje branden. 'Mwa seg, ik heb een idee. Kunnen de vlugge vingers niet in de kerststal van meneer de raaf slapen?' De ogen van de burgemeester fonkelden. Met zachte dwang duwde hij de nieuwkomers in de richting van de deur. 'Dat is een prachtig idee, Samson. Ze zullen zich er meteen thuis voelen. Hun huis in Syrië ziet er waarschijnlijk net zo uit. Komaan, jongens. Pak jullie koffers. Iedereen mee naar het dorpsplein. Naar jullie nieuwe huis.'   Toen ze even later op het dorpsplein het bouwwerk van Octaaf zagen, keken de vluchtelingen maar beteuterd. Het zag er gammel uit. Erg veel bescherming tegen de wind en de sneeuw bood het niet. Bovendien zat er al een gezin in. Van plaaster weliswaar, maar ze namen toch plaats in. En er stonden gewoon beesten in huis. Dit soort omstandigheden kenden ze, maar ze hadden gehoopt ze eindelijk achter de rug te hebben. Octaaf merkte niets van hun ontgoocheling. Integendeel, trots deed hij uit de doeken hoe stevig en robuust hij de stal wel gemaakt had. Om zijn beweringen kracht bij te zetten, ging hij met zijn volle gewicht tegen een zijmuur aanleunen. 'Zie je wel. Kan niet steviger.' Maar de muur begaf en de stal zakte in. Met veel kabaal ging de constructie tegen de vlakte. Octaaf lag tussen de planken en palen op de grond. Kermend van de pijn. Zijn bril schuin op het puntje van zijn neus. Zijn kerstmuts was afgevallen en lag wat verder tussen het puin. De plaasteren beelden van Jozef, Maria en hun bezoekers lagen aan gruzelementen. Kindje Jezus werd nog net gered door de grote, grijpende handen van Gert. 'Hoe kan dat nu? Ik heb nog zo mijn best gedaan.' jammerde Octaaf.   De vluchtelingen hielpen de amateurschrijnwerker recht en begonnen onmiddellijk met de wederopbouw van de kerststal. Iedereen hielp mee. Plots hoorden ze iemand streng kuchen. Achter hen stond de afgevaardigde van de minister met twee politieagenten. 'Mijnheer de burgemeester. Wat is hier aan de hand? Jij moest voor deze mensen een huis vinden. Dit is een stort. Zeg nu zelf. Het lijkt wel het nieuwe Calais. Ik ben erg teleurgesteld in jou en je dorp.' 'Maar, maar, maar, …' De burgemeester kon hier niets tegen inbrengen. Hij zocht naar woorden, wijze woorden, woorden die bij een man met zijn waardigheid horen, maar er kwam enkel gebrabbel uit zijn mond. De afgevaardigde van de minister deed teken naar de agenten, die onmiddellijk de bruin geverfde mannen in de boeien sloegen en naar de combi leidden. 'En die daar, die hond. Die heeft ook bruine verf op zijn gezicht. Vast één van hen. Neem hem ook maar mee.'   Het hele dorp was toegestroomd en zag hoe Samson en de vluchtelingen weggevoerd werden. Alberto zong een pakkend afscheidslied. Mevrouw Jeannine en Miranda bekommerden zich om de ongelukkige Octaaf. De burgemeester sloeg zichzelf hysterisch krijsend met een hamer op het hoofd. En Gert kreeg net een sms-je van Marlène: 'Hoe zit het met de pannenkoeken?'.   Twee weken later kwam er een kaartje uit het buitenland.   Vrolijke kerst vanuit Raqqa. Samson.   Gert zette het kaartje naast de lege mand.   6-7/1/'18  

tijl
0 1

Kip met champignonsaus en kroketjes

Overal ter wereld doen mensen elkaar de duvel aan. Als het er om gaat een ander te treiteren kent onze creativiteit geen grenzen. Ook hier in het hart van Vlaanderen, in het dorpje B., in de fermette net buiten de dorpskern waar Danny en Frieda woonden.   Danny had altijd het hoge woord gevoerd. Zijn woordenschat bestond vooral uit scheldwoorden. Als het moest dan brulde hij. Zijn wil was wet. Frieda mocht enkel spreken wanneer hij dat uitdrukkelijk toeliet. Deemoedig schikte ze zich in haar rol van huisslavin. Ze kende het klappen van de riem. Brutus, de hond stond nog net iets lager op de ladder, maar het scheelde niet veel. Slaag kregen ze allebei, voortdurende verwijten ook, maar de hond kreeg als laatste te eten. Eerst vulde Danny zijn dikke buik. Hij deed dat in de zetel voor televisie met een glas bier erbij terwijl Frieda zich weer in de keuken terugtrok en Brutus op een paar meter afstand likkebaardend lag toe te kijken. Als het eten naar zijn zin was, bleef Danny schransen tot alles op was. Voor de hond liet hij hoogstens een botje of een stukje vel over. Als het hem niet smaakte, bleef er genoeg over voor zijn vrouw, maar dan moest het wel vaak uit de vuilnisbak opgevist worden. Eén keer per week, op zondag, maakte ze kip met champignonsaus en kroketjes klaar. Dat vond hij hemels. Er bleef niets voor haar over. Maar de hond kon zijn geluk niet op als hij het karkas kreeg voorgezet en haar man was een paar uur lang in een goede bui. Op zondag kreeg ze nooit slaag voor zes uur 's avonds.   Danny speelde zijn dominante positie in het nest kwijt toen hij op een vrijdagavond in beschonken toestand een driedubbele koprol met de wagen maakte en in een rolstoel terecht kwam. Zijn hersenen kregen een lelijke deuk te verwerken, die hem niet alleen tot aan zijn nek verlamde, maar hem ook zijn vermogen om te spreken ontnam.   Aanvankelijk ging Frieda zich nog meer uitsloven dan voorheen. Ze waste hem dagelijks, voerde hem geduldig zijn lievelingskostjes, duwde zijn rolstoel door de straat terwijl ze Brutus uitliet. Nooit gaf hij een teken van waardering. Zelfs nu hij haar niet meer kon slaan of uitschelden, bleef hij haar met zijn ijskoude blik voortdurend op haar waardeloosheid wijzen. Geleidelijk aan begreep Frieda dat ze niet langer bang hoefde te zijn. Haar man, haar beul, haar bullebak was niet meer. In diens plaats zat daar een weerloos wezen dat voor zijn overleven volledig van haar afhankelijk was. Hun wereld had zich omgekeerd. Boven was onder en onder was boven geworden. Hij kreeg enkel nog witloofsoep te eten die hij met een plastic rietje moest opslurpen. Hij vermagerde snel, maar dat kon hij wel hebben. Frieda genoot ervan om haar man langzaam te zien verdwijnen voor haar ogen. Ze waste hem niet meer. Als hij begon te stinken zette ze hem in de tuin. Om de paar dagen rolde ze hem door het gras en spoot hem af met de tuinslang. Hij was zich ten volle bewust van wat er gebeurde. Dat kon ze zien aan de machteloze woede in zijn ogen wanneer ze zijn ellendige lot bespotte.   Op zondag bereikte haar sadisme zijn hoogtepunt. Dan zette ze hem in de keuken en maakte kip met champignonsaus en kroketjes klaar. Terwijl de kip in de oven lag te garen en het frituurvet pruttelend op temperatuur kwam, ging ze de tafel dekken voor zichzelf. Hem liet ze zitten, gevangen in het aroma van zijn lievelingsgerecht. Een straaltje speeksel op zijn kin. Hopeloze hunker in zijn ogen. Daarna moest hij toekijken hoe ze de kip voor zijn ogen opat. Meer nog dan van het heerlijke feestmaal genoot Frieda van de onmacht van haar man.   Op de zesde zondag ging het mis. Frieda zat Danny te treiteren. Ze hield hem kroketten en stukjes vlees voor. Bracht ze tot vlak bij zijn mond. Wanneer hij probeerde te happen, trok ze de vork schaterlachend terug. Dolle, wreedaardige pret. Plots stokte het lachsalvo. Ze greep met beide handen naar haar keel. Ze probeerde te kokhalzen. Een minuscuul botje was vastgeraakt in haar keel. Ze was aan het stikken. Wild om zich heen zwaaiend viel ze op de grond. Danny glimlachte. Terwijl zijn vrouw schokkend lag te sterven op de vloer, hield hij zijn ogen op het bord voor hem gericht. In gedachten liet hij zich voorover vallen met zijn gezicht in het bord, om het als een varken leeg te schrokken en schoon te likken. Maar zijn lichaam verroerde niet. Toen sprong Brutus op tafel. Triomfantelijk snoof hij de geur van de kip op voor hij zich op het bord stortte.   20-21/09/'17    

tijl
30 0

VERLOREN

Anna en Ronny zitten op de bank te praten over koetjes en kalfjes. Maggy (komt aanwandelen.) Hey! Anna, Ronny, leuk om jullie te ontmoeten. Hoe gaat het ermee? anna Alles kan beter! ( Lacht kort.) Hoe is het met jou? maggy Ca va. ronny Dat klinkt niet echt vrolijk. maggy Geeft niet. Niets speciaals. ( Begint te huilen) ANNA Wat, niets speciaals? RONNY Je bent duidelijk over je toeren Maggy. Ronny staat recht en legt zijn arm rond de schouder van Maggy. Zachtjes dwingt hij Maggy om naast Anna te gaan zitten. Hijzelf gaat naast Maggy zitten. ANNA Maar meisje toch, je bent onder vrienden... kom lucht je hart... Anna reikt een pakje papieren zakdoekjes aan. Neem je tijd, we zijn er voor jou. MAGGY ( Antwoordt huilend.) Je, je zou me... toch niet geloven.   neemt het pakje papieren zakdoekjes aan. Ze sukkelt om het pakje te openen, neemt er meerdere uit en laat de rest van het pakje vallen. Ronny raapt het pakje op en steekt het in zijn jas zak. ANNA Kom, kom zo erg kan het niet zijn... Maggy (reageert woedend) Je weet er niets van! Jij hebt gemakkelijk praten...ik beleef het alle dagen! RONNY Nee, we zijn helemaal niet boos op jou Maggy. We zijn wel bezorgd. Toe, wat kunnen we voor je doen? Maggy houdt op met snikken en kijkt Anna en Ronny om beurten vorsend aan.   Willen jullie mij écht helpen? Dan moeten jullie mee. Ja...mee...naar mijn huis. Je, jullie...moeten het zelf zien. Dan...kan je beslissen... ANNA Wat zien? Ronny schudt zijn hoofd en helpt Maggy overeind.   Niet praten, maar doen! Kom Maggy. Anna? We brengen jou naar huis. Dan kunnen we het zelf zien. Maggy glimlacht en knikt. Anna en Ronny nemen Maggy tussen hen beiden. Arm in arm wandelen weg. over naar Maggy's huis - Anna,Ronny en maggy staan aan de voordeur. MAGGY Opent de deur met trillende vingers. Doe je jas dicht en kom binnen. Ronny en Anna kijken elkaar verbaasd aan. Maggy draait haar hoofd naar Ronny en Anna. Ja, ik weet het...het klinkt idioot. Eén voor een schuifelen ze naar binnen. ANNA Brrrrr, dat is hier koud! MAGGY (zucht) Ja, meestal... RONNY Heb je problemen met de verwarming? MAGGY Nee... Ik geef jullie iets warm om te drinken. Koffie of thee... iets anders? RONNY Koffie is prima. Maggy kijkt Anna aan. ANNA (Knikt bibberend.) MAGGY Ga zitten alsjeblieft, het wordt een lang verhaal...ik maak meteen koffie. Op de sofa liggen een aantal dekens, gebruik ze gerust. Ronny en Anna haasten zich naar de sofa. Er liggen 6 dekens en een zestal wollen handschoenen in verschillende maten. Haastig wikkelen Ronny en Anna zich in de dekens en speuren in de hoop handschoenen, op zoek naar de juiste maat. Maggy komt aangelopen met grote koppen, lepeltjes en een grote doos met koekjes. Ze glimlacht. MAGGY De koffie staat op. Neem gerust veel koekjes...dat helpt om je innerlijke kachel op gang te brengen. ANNA Heb je het niet koud Maggy? MAGGY Natuurlijk, maar ik ben het gewoon. Ik wilde eerst de koffie voor jullie klaarzetten, gelukkig werkt de electriciteit... mijn skipak en handschoenen liggen klaar om aan te trekken. Maggy gaat de kamer uit. ANNA Dit is toch al te gek? RONNY Gek of niet, dit is abnormaal. Ik zie geen air conditioning. Hoe komt het dan dat het hier zo koud is? Ik denk dat dit al een stuk van het probleem is. ANNA Ik vind het beangstigend... RONNY Eens kijken of haar radiatoren het wel doen. Ronny staat op en voelt aan de radiator. (Uit een kreet.)   Dit ga je niet geloven! De radiatoren staan op maximum. Ik kon er mijn hand niet op houden. Maggy komt binnen in skipak en houdt een thermos vast. RONNY Maggy, je radiator staat gloeiend heet ! MAGGY Ja... verbazend hé? ANNA Maggy... wat is er in hemelsnaam aan de hand? Maggy en Ronny gaan zitten. Maggy schenkt de koffie uit de thermos in de koppen. MAGGY Ach, ik ben de suiker en melk vergeten. (sloft de kamer uit) RONNY Wat het ook is...ze blijft er kalm bij. ANNA Ik niet! Nog even en ik loop terug naar buiten. Op dat moment komt Maggy terug de kamer in met de suiker en melk. Maggy zet zich rustig op de andere fauteil. MAGGY Wie wil er suiker en melk? Laat de koffie niet koud worden. Het gaat héél snel. Automatisch gehoorzamen Ronny en Anna: zonder melk of suiker nemen ze voorzichtig een slokje. Als je suiker neemt duurt het iets langer voor het koud wordt. Maggy neemt 5 klontjes suiker, roert heel kort in de kop en drinkt gulzig. Anna en Ronny haasten zich om één klontje suiker in hun kop te doen en kijken gebiologeerd toe hoe Maggy de rest van haar kop opdrinkt. ANNA Maggy...hoe...hoe MAGGY Kijkt naar de klok (22u) in de kamer. Momentje, neem jullie koppen vast. Wil je? Anna en Ronny aarzelen. Op dat moment valt uit het niets  een heleboel kleine voorwerpen op de tafel. Een gedeelte valt in Anna en Ronny hun kop. De kop van Ronny valt om. Anna (gilt.) MAGGY Dat was het voor vandaag. Zitten er waardevolle stukken bij? Anna en Ronny kijken Maggy stomverbaasd aan. Maggy raapt alle voorwerpen op en zet Ronny zijn kop recht. Een paar oorbellen...knoppen, een vals gebit en een heleboel koperen centjes. Ik ga even een schotelvod halen. Anna klamt Ronny doodsbang vast. Ronny schrikt van Anna's reactie. neemt haar in de armen. (onzeker) Kalm...kalm...Shuuuuuut  streelt Anna's haar als een automaat. Maggy komt met de schotelvod in haar skihandschoenen in de kamer en ruimt de gemorste koffie op. Met een grote zucht gaat ze zitten. Soms flikkeren de lichten of hoor je muziek. Oude liedjes op een antieke grammofoon...denk ik...of gefluister. Als ik in mijn bed lig hoor ik soms iemand stampvoetend rondlopen... ANNA Wat is het! MAGGY Ik vroeg het aan een priester...hij is hier geweest...'demon of een ontevreden geest', zei hij. 'Ik geloof niet in geesten,' antwoorde ik. 'Kan je me helpen,' vroeg ik toen. De priester stak me een bijbel toe en verliet het huis zonder woorden. RONNY (fluistert) Ik ken iemand met paranormale gaven... MAGGY (huilt stilletjes) Ik weet het niet meer. Ik wil alles proberen...heb zelfs de Bijbel helemaal uitgelezen...niets helpt ANNA Misschien die persoon met paranormale gaven...hoop ik...voor jou. We willen je helpen... Op dat moment (24u)horen ze een grote bonk.  Anna vlucht in paniek naar buiten. Einde scéne II       Volgende dag? De paragnost. - huis van maggy in de late namiddag 16u) scene III Eddy, met hoed, houdt een grote boodschappentas vast en belt aan. Maggy doet open. EDDY Dag Maggy, ik ben Eddy...paragnost. MAGGY Kom binnen, let niet op de rommel...ik ben gewoon...alles zo moe. EDDY Legt een hand op Maggy's schouder. Mag ik? MAGGY (in skipak en nerveus) Ja...natuurlijk, ja kom binnen, alsjeblieft!   Eddy  stapt de hal/kamer in. Kijkt in de boodschappentas en haalt er een dikke wollen sjaal en dikke handschoenen uit. Kalm doet hij zijn jas open, wikkelt de sjaal kruiselings over zijn borst, knoopt zijn jas toe en doet vervolgens de handschoenen aan. Maggy volgt zwijgend al zijn bewegingen. Dan kijkt hij zorgvuldig om zich heen.   Hoelang is dit al aan de gang? MAGGY Drie maand...denk ik, het lijken wel jaren. EDDY Je woont hier al lang? MAGGY Sinds mijn jeugd. Dit is het huis van mijn ouders...ze zijn alletwee dood... EDDY Op hetzelfde moment? MAGGY Nee, eerst stierf moeder... en een jaar later vader. EDDY Het spijt me, dat moet erg moeilijk voor je zijn geweest... MAGGY (Maggy knikt.) Héél moeilijk...ik rouwde nog voor moeder...en toen vader. ( snikt.) De bel gaat.  opent de deur. Anna en Ronny stappen zwijgzaam de kamer in. EDDY Zet de boodschappentas op een zetel. Hier zijn de helpers. MAGGY Helpers? Wat kunnen zij doen? EDDY Dat zal je wel merken. RONNY Eerlijk gezegd, ik weet niet hoe we kunnen helpen? EDDY Alles op zijn tijd... (Kijkt Maggy doordringend aan.) Hoe zijn je ouders gestorven? MAGGY (handenwringend) Moeder stierf aan kanker, vader van verdriet. Hij wou niet meer leven... EDDY Is er iets bijzonder gebeurd bij de dood van je moeder? MAGGY Nee...of ja toch...vader wilde de huwelijksring van moeder om ze samen te laten smelten tot één ring.Zo was moeder nog altijd bij hem, zei hij. Maar moeder haar trouwring zat niet meer aan haar vinger. EDDY Werd er iemand verdacht? MAGGY (terug handenwringend) Het kan iedereen zijn geweest: verplegend personeel, een andere patiënt, bezoekers...de kuisvrouw... EDDY Kijkt op de kamerhorloge. We hebben nog een uur de tijd. ANNA Voor wat? EDDY (geheimzinnig) Om de waarheid te kennen. RONNY Welke waarheid? EDDY DAT...moeten we nog ontdekken. Maggy leg je op de salontafel, alsjeblieft. MAGGY Op de salontafel? Voor wat? EDDY Het spijt me Maggy, het MOET. MAGGY (aarzelend) Ik weet niet wat de bedoeling is... EDDY GA OP DE SALONTAFEL LIGGEN! MAGGY Gehoorzaamt. neemt drie kussens en legt één kussen onder haar rug,  het ander onder haar hoofd en het laatste onder haar knieën. (vriendelijk) Lig je goed? MAGGY Ja...het gaat. EDDY (keert zich naar Ronny en Anna) Anna, jij neemt Maggy's hoofd vast en Ronny de voeten. Gewoon vasthouden. Anna en Ronny nemen Maggy voorzichtig vast. Stapt naar de boodschappentas, haalt er 4 dikke kaarsen uit. Zet de twee kaarsen aan weerszijde van Maggy's romp. Anna, Ronny, wat er ook gebeurd, zorg ervoor dat de kaarsen niet uitgaan. Buigt zich voorover naar Maggy. Maggy, wees niet bang, ik ja gewoon je armen strelen en vragen stellen waarop je eerlijk antwoord. Kan ik daar op rekenen? MAGGY (Met trillende stem)) Eerlijk antwoorden? G... g...goed, ja. EDDY Maggy ben je nog steeds verdrietig? MAGGY Ja. EDDY Heb je het nog steeds moeilijk? MAGGY Ja. EDDY Heb je een schuldgevoel? MAGGY J...ja. EDDY Waarvoor voel je je schuldig. MAGGY (schudt haar hoofd traag van links naar rechts). EDDY Antwoord! MAGGY Dat ik vader niet kon helpen! EDDY Lieg je? Drukt haar armen naar beneden. MAGGY (beweegt schokkend) EDDY Anna, Ronny, zorg ervoor dat ze niet kan ontsnappen. Ze MOET op de tafel blijven liggen. ANNA Is dit wel nodig? EDDY Ja! RONNY Ik voel de spanning in haar benen, het wordt moeilijk om haar voeten in bedwang tehouden. EDDY Indien nodig gebruik al je kracht! Maggy antwoordt, nu! MAGGY (grommend) Jaaaaaa! EDDY Heb je de ring? MAGGY Nee! EDDY Heb je de ring genomen? MAGGY (kalm) Ja. EDDY Waren het mooie ringen. MAGGY Ja. EDDY Beschrijf ze. MAGGY Hoogwaardig goud met 2 briljanten er in. Tussen de 2 stenen een gegraveerde knoop ten teken van hun verbondenheid. EDDY Ze zijn dus kostbaar? MAGGY (zucht) Jaaaaaaa. EDDY Heb je schulden? MAGGY (grauwt) Nee! EDDY Heb je de ringen in je bezit? MAGGY (worstelt hevig) RONNY Verdomme, Eddy! Ik kan haar voeten nauwelijks houden! ANNA Ik ook! Zonder kussen had ze nu een hersenschudding! EDDY ( woedend) Antwoord! Ik beveel je om te antwoorden!HEB JE DE RINGEN! MAGGY Ja, verdomme! Jaaaaa! EDDY Waar zijn ze? MAGGY (klein en huilerig)) Ik weet het niet... EDDY Je weet het niet? MAGGY (zeurig) Neeeeeje. ANNA Ik heb de indruk dat ze in slaap valt? RONNY Eddy, wat denk jij? EDDY We kunnen haar best wat rust gunnen. Haar geest heeft zich opgesplitst. RONNY Wat bedoel je? ANNA Bedoel je dat ze een gespleten persoonlijkheid heeft? EDDY Inderdaad...het schuldig en niet schuldige gedeelte. Ze wordt verteert door schuldgevoelens en wil bekennen, maar de eggoïste in haar heeft de overhand. Ze is haar eigen klopgeest geworden. Ze straft zichzelf tot het nuchtere gedeelte wint.De poltergeistfenomenen zullen dan vanzelf weggaan. Maggy ontspant en ligt te slapen op de salontafel EDDY Anna, leg nog een deken over haar, maar eerst... Haalt een groot aantal Colson-bandjes uit zijn boodschappentas en knevelt Maggy haar voeten, handen, maar ook haar hoofd, romp en knieën door de bandjes aan elkaar te binden rond de salon tafel. Met een diepe plof gaat hij in de zetel zitten. Hij veegt het zweet van zijn gezicht. Verbouwereerd gaan Ronny en Anna naast Eddy zitten. Plots valt alle licht uit, ook de kaarsen. Einde scéne III Avond - Maggy's kamer in het donker - scéne IV We horen enkel het huilen van de wind buiten het huis en het kraken van hout. EDDY Strijkt een lucifer af en brengt de kaarsen terug tot leven. Maggy snurkt stilletjes. Dat had ik wel verwacht... ANNA En...wat nu? RONNY Niet teveel hoop ik, ik ben doodop! EDDY Profiteer ervan om te rusten, we zijn er nog niet. Eddy legt zijn hoed over zijn gezicht en valt prompt in slaap. RONNY Meent die dat nu? ANNA Ik weet niet wat jij gaat doen, maar in knap ook een uiltje. We zien de klok aan de muur 4 uur versneld vooruit lopen tot 22u. MAGGY (uit een langerekte spookachtige kreet) Aaaaaaai, nééééééééé Ze begint heftig te worstelen. EDDY Zorg ervoor dat de kaarsen niet uitgaan! Overstuur nemen Anna en Ronny terug hun oorspronkelijke positie in. ANNA Ze lijkt sterker dan ooit! RONNY Doe zoals ik!Ga erop zitten... ANNA Jij zit op haar voeten...wisselen? RONNY Euh nee, ik zou iets kunnen kwijtspelen... EDDY Focus mensen! (rustig) Maggy, denk je niet gelukkiger te voelen als je oucers terug samen zijn? MAGGY (met een grote zucht)) Jaaaaaaaaaaaaa. EDDY Verenig hun terug en je zult bevrijdt worden van jouw poltergeist. MAGGY J...ja, dat is het beste. EDDY (fluisterend) Geef ze terug. Bevrijdt jezelf. Maak iedereen gelukkig... MAGGY I...ik...ik kan nie...niet (huilt zachtjes) Ronny (kijkt Anna strak aan) Wat is dut nu weer voor flauwe kul! ANNA Shuuuuuut, ze is in trance! EDDY Gaan jullie nu alleibei zwijgen, ja? (ademt diep in en fluistert in haar oor) Maggy, waarom kan je de juwelen niet teruggeven? MAGGY I...ik ben ze verloren... (zucht melijwekkend) Ik probeer ze te vinden...niets. Ik voel me zo schuldig... EDDY Wie kan er nog interesse hebben in de ringen? MAGGY Kwwwwweeeeeeenniiiiiiiiit EDDY Heb je huisdieren? MAGGY N...nee. Enkel de ekster in de boom komst me af en toe bezoeken voor restjes. Ze zit met kuikens. EDDY Weet je op welke tak? MAGGY Jaaaaaaaaaaa. EDDY Dit is heel belangrijk! Kijk in het nest met je onstofelijk oog. MAGGY Aaaaaaach, drie kuikens EDDY Zie je niks blinken? MAGGY Neeeee....ja toch! EDDY De klok slaat bijna 10 uur 's avonds...neem vlug wat blinkt uit het nest met je onstoffelijke hand. Heb je het in je hand? De kaarsen flikkeren door een plotse wind. Zwaar gebonk klinkt op de trap naar beneden. Een ijskoude wind waait door het huis. EDDY (ROEPT BEZWEREND) Maggy! Laat ze los! Nu! Uit het niets verschijnen plots boven de salontafel allerlei,prullaria, met daartussen ....de ringen. Rinkelend vallen ze op de grond voor de voeten van Eddy. EDDY raapt ze snel op en zegent iedereen in de kamer en zichzelf (Roept luid op gebiedende toon) Wat krom was, is nu recht. Wat verloren was, is teruggevonden. Verloren liefde, wees vervuld. Vul dit huis met liefde en vergeef de misstappen van een mens. Mens vergeef en vergeet. Alle kaarsen gaag uit en een doodse stilte valt over het hele huis, één voor één gaan alle lichten aan. ANNA Het is minder koud. RONNY Wijst naar Maggy die bewusteloos op de tafel ligt. Op haar hart rust een witte roos. EDDY glimlacht naar Ronny en Anna en steekt al zijn spullen terug in de BiG SHOPPER ZAK. Hij licht zijn hoed even op en stapt rustig naar buiten. Ik wens jullie nog een vredige dag.     EINDE  

Fanny Vercammen
0 0