Lezen

Ja, maar? ... Nee, laat maar

“Ah zit dat zo? Dat wist ik niet. Zo zie je maar dat ik niet alles kan weten.” Het is zeker niet altijd even gemakkelijk om bepaalde zaken te aanvaarden of te (h)erkennen. Maar nieuwsgierigheid is een leuk gegeven, dat je kan aftoetsen tot een bepaalde grens... Niet zo ver weg van de beroemde comfortzone. Ik vroeg haar het volgende... “Wat hoop je dan juist te bereiken met tolk te willen worden? Wat zijn de mogelijkheden in dat vak? Ik heb het altijd maar iets gevonden voor mensen die gedoemd zijn niet gelukkig te zijn. Die slim zijn op papier, maar eigenlijk überdom in het leven.” ...   “Hoe bedoel je Bart de waanzinnige?”   “Dat mijn Hongaars beter is Noortje Uit De Broek.”   “Ja, maar Bartje?” ... “Stop gewoon, Noortje Uit De Broek. Ik begin er een degout van te krijgen dat mensen als jij zich altijd geroepen moeten voelen om een antwoord te beginnen met - ja, maar... - Waarom kan je uw antwoord dan niet beginnen met een simpele nee?”   “Ja, maar Bartje... Verdorie nu doe ik het weer. Ik ben wel degelijk gelukkig met mijn vriend Jozef. Het is de jongen die beroemd is geworden van op TV, toen hij met zijn vader Johnny de hoofdrollen vertolkten van het programma - het leven zoals het is: autorijschool - En nog iets Bartje? Ik beschouw mij helemaal niet als iemand dom hoor. Ik heb Germaanse talen gestudeerd in de hoop te weten te komen wat Ambiorix zoal aan het brabbelen was in zijn slaap. Ik weet van schrijven veel meer af als jij! Uw teksten staan vol essentiële fouten als het op zinsbouw en grammatica aankomt. Zo essentieel zal je dan wel niet zijn, me dunkt.”   “Vertel me iets nieuw Noortje? Ik mag dan niet over de perfecte zinsbouw en grammatica beschikken maar ik heb hier wel cijfers die aantonen dat mensen als jij, die op hun 39ste wakker schieten in de Zeeman... volgeladen met ambitie, meestal belanden aan de overkant van het straat. Niet dat het loon bij Action veel beter is... Maar je zal me wel snappen denk ik Noortje Uit De Broek? Of heb ik mijn zin mss niet mooi geformuleerd?”   “Ben je altijd zo arrogant Bart?” ... “Je zou mij eens moeten zien als ik 5pinten gedronken heb Noortje Uit De Broek.”   “Mijn naam is helemaal niet Noortje Uit De Broek! Mijn naam is Gwenny Uit De Broek!” ... “Ssssst, het is oké Noortje.”   Dat is nu net voor mij een zegen, dat ik maar op kan doen. En toch ergens een besef heb met wat ik allemaal bezig ben. Toch zeker als ik aan het schrijven ben. Ik ben dan mss nog maar 29jaar maar ik leef op sommige vlakken mijn leven nog lekker old skool. Ik kan me nog rustig afberen op ouderwetse behaarde porno. Niet dat de achtergrondmuziek of de Duitse figuranten mij een braadworst kunnen schelen. Het is allemaal anders geworden dezer dagen denk ik. Ik ga trager vooruit, ben niet altijd zo meegaand met bepaalde trends. Ik dab bijvoorbeeld zeer graag ongepast. En ik ga er wss pas met stoppen als het jaar 2034 is, om mezelf er aan te herinneren dat ik er in 2035 nog maar eens met moet beginnen. Dus ging ik maar verder op mijn elan. Ik dabte 54keer zeer snel achter elkaar en zei tegen Noortje...   “Hoe voelt het eigenlijk Noortje? Om u zelf zo slim te voelen als er een zekere Bart voor uw pinokkio neus staat en u gwn dom vindt? Ik zie dat er hier een bakfiets buiten staat? Ik zet er €100 op dat die van u is...”   “Hier heb je al €100 Bartje... Nu mijn antwoord nog. Ik wil graag mijn steentje bijdragen aan het milieu? Dat stoort u toch niet?”   “Ik zou dan weer graag met een steen uw pinokkio neus willen bewerken Noortje. Die verzekering van €9 per maand voor uw bakfiets? Bel je die ook op als uw ketting eraf ligt slimmerik?”   “Je bent wss een voorvechter van windmolens, mevrouw Uit De Broek? Zolang ze zich maar niet bevinden in een straal van 150km van het boerengat waarin je met een pak boter bent ingevallen? Hypocriet!”     “Ja, maar Bartje?.... Pffft nee, laat maar.”   “Trek liever eens aan mijn vinger Noortje, toch nog iets spannend dat hier gaat gebeuren voor ik vertrek...”   Duidelijk dat tolken in de Zeeman niet klaar zijn voor mij.  

Bart Van de Peer
0 0

Chocolat pur

Hier lig ik dan: helemaal vervloeid tot een kleverige smurrie, met wat rest een laatste mijmering. Maar wat voor één! Nooit had ik durven hopen dat de laatste minuten in mijn leven zo’n herinnering zouden teweegbrengen. Ik vertoef tenslotte al in het afbrekingsproces. Straks ga ik de andere kant uit dan langs die waar ik binnengegaan ben. Maar wat mij ook te wachten staat, ik zal er nooit spijt van hebben dat ik in haar handen terecht gekomen ben. Ze was me al eerder opgevallen. Een ranke verschijning, met blonde haren en sensuele, volle lippen waaraan ik voor altijd zou willen kleven. Op naaldhakken slenterde ze voorbij mijn uitkijkpost, aarzelend of ze haar hand zou uitstrekken. Haar uitdagende blik deed me bijna smelten van verlangen. Met uitzonderlijke wilskracht heb ik me hiertegen verzet. Ik kon het mij niet veroorloven weg te smelten zonder de essentie van mijn bestaan te hebben meegemaakt, hoe banaal die ook mocht lijken. Gisteren is het dan gebeurd. Haar blauwe ogen kwamen zo dichtbij alsof ze in het diepste van mijn ziel wilde kijken. Natuurlijk las ze alleen maar de letters op mijn jasje, dat weet ik ook wel, maar ik kon me niet van het gevoel ontdoen dat zij echt verlekkerd op mij was. Anders zou ze vandaag niet weer gepasseerd zijn. En dat gevoel verraadde me niet: weifelend streelde ze over mijn lijf, kietelde zachtjes met gelakte nagels over mijn harde lichaam. En opeens gedreven door vrouwelijke oerkracht, trok ze me weg uit de uitkijkpost, gaf aan de controle een biljet voor mijn body en stapte weg. Ik was nu echt van haar. Mijn hele torso jubelde omdat ze mij uitgekozen had. Het valt niet iedereen te beurt om met zo’n schoonheid mee te kunnen gaan. Ik zal excellent presteren, wil haar niet teleurstellen. Ik zal haar tong zachtjes strelen, haar smaakpapillen laten zinderen, zodra ze mijn zwarte huid beroeren. En ik zal ze betoveren met mijn textuur zodat ze echt verzot op mij geraakt en dan halsoverkop mijn hele familie koopt. Dan zal mijn taak volbracht zijn… Zo zal onze naam geschiedenis schrijven… Buiten ontdeed ze mij onmiddellijk van mijn jasje, trok mijn goudkleurig onderlijfje uit en rook gulzig aan mijn donkere huid. Ik schonk haar mijn geurigste aroma. Ze kraakte mijn lichaam – het deed helemaal geen pijn – en vanzelfsprekend bracht ze me naar haar sensuele lippen. Vanaf hier raakte ik zelf zo in vervoering dat ik geeneens voelde hoe ik in de donkere holte van haar mond verdween. De aanraking met het zachte vlees van haar tong en de eenwording met haar warme speeksel beroerde mij tot in mijn kern. Het zoete van haar mondvocht en het bittere in mij vermengden zich tot een bijna sacrale sensatie. Dit was de zin van mijn bestaan! Een goddelijke ervaring, opgeslagen als mijn mooiste herinnering vooraleer ik, wellicht morgen, haar lichaam verlaat…

R Ryckoort
34 2

Theorie en praktijk, een wereld van verschil

Theorie en praktijk dus, volgens Vermaelens Projects een wereld van verschil. Ik denk er ook zo over. Twee totaal verschillende werelden die zich met elkaar hand in hand moeten zien te redden. Een verplicht nummertje van de leerkrachten op school die u moeten zien klaar te stomen om er iets van te maken als je later gaat werken. Leerkrachten... ik heb er compassie met. Ook al is het voor hen een keuze of een roeping, of nog van die gedachten waar ze ’s nachts wakker van liggen als ze niet kunnen slapen wnr ze stresserende dag nummer zoveel achter de rug hebben.   De theorie, wat leert het ons eigenlijk allemaal bij? Dat we door middel van een sprookje te verkondigen er voor willen zorgen dat je later juist niet in sprookjes mag geloven. Het is de mythe van de femme fatale die nog nooit geneukt heeft zonder het licht uit te doen. Wijven die zich als theorie laten doen uitstralen door een gevat antwoord te geven wat de openingsuren van de Hunkemöller zijn, om vervolgens het wiel te heruitvinden en met hun GPS nog maar dreigen verkeerd te rijden. Allemaal zonder ik nog maar een vraag gesteld heb.   De praktijk is als relativeren. Er is nog nooit iemand van de eerste keer door geweest. Ondanks we er al genoeg jaren theorie over hebben laten gaan. We horen ook alleen maar van domme mensen zeggen “niemand is graag dom” terwijl ze denken slim te zijn. Het is zoals Cola Zero dat alleen maar gedronken wordt door extreem dikke mensen. Ze hadden beter op hun salades ketchup gedresseerd in plaats van mayonaise.   Achja, toegegeven... Ik kan niemand iets verwijten als we een leven krijgen voorgeschoteld dat ons leert om eerst theorie te leren en dan pas de praktijk toegewezen krijgen.   Maar mijn praktijk is toch een leuke theorie? Niet?     Allé het is maar een theorie natuurlijk.

Bart Van de Peer
0 0

Allemaal helden

Je kan maar één keer jong zijn. Al blijven die jonge jaren altijd ergens in je hoofd zitten. Af en toe steken ze de kop op. Dan zie je jezelf terug als jonge held. Maar dan kijk je in de spiegel en die spreekt dat onmiddellijk tegen. Je bent zo jong als je jezelf voelt, zeggen ze dan. Tja, vertel dat vooral tegen die spiegel.  Maar die spiegel, dat kunnen ook mensen zijn. Bijvoorbeeld de twee jongemannen tegenover me in de trein. Zelf was ik een boek aan het lezen, maar hun verhalen waren even interessant. Ik hield de schijn hoog door af en toe een bladzijde om te slaan. De ene jongeman vertelde over zijn vakantiejob in het stadhuis. Daar moest hij identiteitskaarten uitreiken, maar op een dag, na een volledige nacht stappen, had hij vrijwel meteen vanuit het café zijn werkplek opgezocht. Dat werkte natuurlijk voor geen meter. Hij had dan maar geruild voor een taak achter de schermen. De andere vertelde het verhaal van een vriend. Die had een vakantiejob als poetsman in het ziekenhuis. Ook hij had een nachtje doorgedaan en de lege bedden werkten voor hem als een rode lap op een stier. Tijdens zijn pauze was hij even gaan liggen, maar er was iets dat hij niet had opgemerkt. De chef vertelde het later. “Zeg jongeman, als je nog eens een dutje wil doen, kies dan een kamer waar geen camera’s hangen”. Ik meende te zeggen, maar goed dat hij een leeg bed had gekozen, maar ik besloot wijselijk om nog een bladzijde om te slaan. Och, wie heeft er geen fratsen uitgehaald? We waren allemaal helden in onze tijd. Het is een kwestie van de verhalen te blijven vertellen. Ze houden ons jong. En die spiegel? Och, die kan toch niets terugzeggen.  

Rudi Lavreysen
0 0

De perforator

Het moet ergens begin jaren 2000 geweest zijn. Onze mannen waren nog klein en je moest ze voortdurend in de gaten houden.  Of je dat nu wilde of niet. Maar meestal wilde je dat wel. Want ze zijn toch zo snel groot, zegt het cliché dat gelijk heeft. Datzelfde cliché zegt ook dat een ongeluk in een klein hoekje zit. De oudste had tijdens het spelen zijn kin al eens opengehaald aan een plastic vrachtwagen. Toen de dokter het moest hechten gaf hij, als stoere vrachtwagenchauffeur, geen kick.  Niet lang daarna was het opnieuw zover. We hadden even niet gekeken en onze jongste had het gepresteerd om zijn vingertje tussen de perforator te steken. Je weet wel, zo een gaatjesmachine waarmee we vroeger confetti maakten. Misschien waren ze treintje aan het spelen en had de ene de rol van gaatjesknipper op zich genomen. De kleine vinger was er niet tussenuit te krijgen. We zagen het ijzer van de gaatjesmaker in zijn vinger zitten. En wringen durfde ik niet. Dan maar naar de spoed. Met het hele gezin en met de perforator aan die kleine vinger.  De vraag van de verpleger 'wat heeft hij nu aan de hand', was eigenlijk best grappig, maar mijn aanstalten tot lachen werd op een boze blik onthaald. Ik zag mijn vinger ook al tussen die perforator zitten. Ter plaatse werd het snel opgelost. Zijn vinger was niet tot confetti gemalen en het gaatje was achteraf snel genezen. Maar de perforator kreeg thuis een geheime plek. Net als in de klas trouwens, nadat we het verhaal aan de juf hadden verteld. Misschien maakt het nu nog altijd indruk. Als er een kleuter naar de perforator vraagt en de juf het verhaal vertelt van de jongen die met de perforator aan zijn vinger naar de spoed moest.  

Rudi Lavreysen
27 0

Jordy, 1987

  Hij ontwaakte met luid gebonk in zijn hoofd en de eerste gedachte die bij hem opkwam was er een van pijn. In een reflex legde hij beide handen beschermend op zijn oren. Zijn vingers wisten zijn oorlellen onmiddellijk te vinden, geroutineerd als ze waren om schade tot een minimum te beperken. Of schande, hij kende niet zo goed het verschil. Niet dat hij veel klappen verdiende, absoluut niet, hij was een gehoorzaam kind, hij kende zijn plaats, meestal een klein hoekje ergens achterin. De kans om niet gezien te worden was immers het grootst als hij zichzelf tot een minimum herleidde. Geslagen worden was eerder het toevallig gevolg van een kortsluiting tussen twee mensen. En meestal stond Jordy daar, met de verkeerde genen van zijn vader, wat ongelukkig tussenin. Zijn vader, Danny Dingens, een ziekelijke mens, een sloef, een onnozelaar, een stom varken, een voetveeg, een vent zonder smaak, een lelijk mens, een man zonder ballen.  Zo leerde Jordy zijn vader kennen door de ogen van zijn moeder. In zijn vaders blauwe ogen zag Jordy een wijde vredige zee, donkere schaduwen in het buitenste deel van de irissen en hoopjes vrolijk licht in het midden. Jordy vond troost in zijn vaders ogen, voor elk stukje verdriet vond hij wel een strook verlichting. En zoals elk kind ontving Jordy wat hij voorgeschoteld kreeg, een boterham, een knuffel, een verhuis, een sterfgeval, een klap. Het leven raakte hem zonder veel woorden. Een moeilijke start voor een leven in kinderschoenen. Sentimentele praatjes had zijn moeder zich nooit gepermitteerd,  gesprekken moesten altijd ergens toe leiden, alleen was het soms moeilijk te weten tot wat of tot wat niet.  Ergens zomaar woorden aan vuil maken deed zijn moeder niet, haar taal kwam, vooral als ze een discussie met zijn vader had, recht uit een woordenboek vuilbekkerij. En alles wat Jordy tot hier toe over het leven wist, was wat hij thuis had opgestoken en dat was niet zo veel. Zijn korte leven beperkte zich tot de plek waar hij woonde. Eerder zelden kwam hij de deur uit, eens per week mee naar de winkel, af en toe naar de frituur, een zeldzame keer naar het speelplein in het park. Het adres van de familie Dingens veranderde geregeld, maar dat maakte weinig verschil, het interieur verhuisde gewoon mee met de drie vaste bewoners, zodat een andere locatie altijd minder opviel dan dat saaie alledaagse leven dat een eentonig spoor  door Jordy’s leven trok. Zo at hij al zes jaar aan dezelfde kleine wankele tafel, met het bebloemde tafelzeil waarvan de afhangende randen kleurrijker waren dan de tulpen op het tafelblad. Jordy had de leeftijd waarop de dingen er gewoon zijn en feiten mekaar opvolgen, onafwendbaar en onherroepelijk, voorvalletjes waar zijn moeder haar handen aan vol had. Zo zei ze toch. En terwijl de levens van anderen voortkabbelden onder fonkelende sterren, leek de levenswandel van de familie Dingens meer op een gammele pelgrimstocht tussen verdrietige stoplichten. Jordy’s moeder wilde hem klaarstomen om de wrede klappen van het leven op te vangen, daarom asfalteerde ze zijn huid met laagjes geestelijk eelt. Ze dacht dat dit het beste was voor haar zoon, beter dan alles wat zij, als kind, ooit had gekregen. Warmte zou hem week maken of zwak, daarom schonk zij haar liefde uit in een ijskoude beker.   Die dag in september was het gebonk geen klap, het was het stommelen van zijn moeder in de kleine keuken van hun nieuwe appartement.    ‘Verdomme’, kletterde ze met luide stem en rammelend metaal, ‘ik kan niks terugvinden.’    ‘Opstaan. Jordy. Je moet naar school. Uit je nest’. En nog voor zijn moeder zijn kamer bereikte, stond Jordy al in de badkamer, plaste in de grauwe toiletpot en zag dan dat er nieuwe kleren voor hem klaarlagen. Dit vervulde hem met een lichte blijdschap. In de keuken had zijn moeder ondertussen een mes in een van de dozen gevonden en smeerde twee sandwiches met hesp, voor in zijn nieuwe brooddoos. Tot enkele dagen geleden was het meestal zijn vader die zijn boterhammen klaarmaakte. Daar dacht Jordy aan en hij voelde zich woordeloos verdrietig. Hij wist niet waar zijn vader was nu, hij leek opgelost in de duisternis van verloren dingen, meegenomen door een man die hij niet had gezien. Tien avonden was zijn vader al niet meer op zijn bed komen zitten en elke nacht had Jordy één vinger meer geplooid. Zijn vingers waren op nu en zijn vader was nog altijd niet terug. Hij dacht aan hem, hoe hij met zijn linkerhand aan de punt van zijn snor draaide, hoe hij met zijn rechterhand een kruisje met ‘goedenacht’ op zijn voorhoofd aaide. Hij zag hem rondlopen in de tuin, zijn handen in zijn zakken, de armen een beetje wijd, net of er in die tussenruimte nog iets te dragen viel. Vaak keken zijn vader en hij troostend naar elkaar als hetzelfde verdriet veroorzaakt door dezelfde vrouw een van beiden te beurt viel. Haar blik vol opgehoopte woede had dezelfde sporen op hun gezichten nagelaten, rimpels vol onmacht bij de vader, fronsen van angst bij de zoon en in die stille afstand tussen beiden vonden hun ogen elkaar, twee vertrapte mannen, twee verbleekte persoonlijkheden, twee uitmuntende zwijgers. Zijn vader keek altijd wijselijk naar de tuin in de verte, naar een hoger doel dat Jordy niet kon zien. Jordy hield van die zwijgzame vader en zijn vader hield van hem. Waar hij aan de liefde van zijn moeder vaak twijfelde, stond die van zijn vader als een paal boven het troebele water waarin hij de rondjes van zijn kinderjaren zwom. Maar zijn vader was weg en met het tellen van de dagen begon zijn beeld al stilletjes te vervagen.   De begrafenis was op een vrijdag, de verhuis op een zaterdag, er volgde een saaie rommelige zondag en op maandag moest hij naar school. Jordy duizelde van deze veranderingen, die anders waren dan de vorige, akeliger en stiller en ijzingwekkend somber. Hij durfde niets vragen over zijn papa. Sinds de dood  hem was komen halen, had Jordy zijn vader niet meer gezien. Ook de dood was hij niet tegengekomen, toen hij om zijn vader kwam. Jordy was nochtans thuis, hij keek tv, heel erg lang. Vader was achter in de tuin, bij het hout of bij zijn oude Mazda. Moest Jordy die dag met de dood kunnen overdoen, dan was hij bij zijn vader gebleven, de hele namiddag lang. Dan had hij de dood zeker gezien, daar bij zijn vader, en wat die met zijn vader had gedaan. De dood was vast heel stil geweest en de tv stond luid. Moeder zeurde ook altijd dat hij het geluid veel te hard zette en toen ze die dag thuiskwam, was ze daar boos om, en ook om de kruimels en de rommel. Ze was naar buiten gelopen met van die stappen, veel te groot voor een kleine tuin en ze opende de piepende deur van de garage en haar stem werd hoog en anders, precies of ze zong maar dat deed ze nooit.  Dus ging hij aan het raam staan en zag zijn papa, naast de auto. Er was wat met zijn hoofd, blauwig en zo scheef en zijn blik, vooral die blik. En dat touw, dat touw waarmee zijn vader bomen neerhaalde, dat was er ook, tot op de grond. En toen zag hij zijn papa’s broek. Hij keek ernaar, naar de donkere vlek die tot aan de knie van zijn rechterbroekspijp reikte. Hij was verbijsterd, geschokt. Vader had in zijn broek geplast en dat mag niet als je al groot bent.                            

Karin gevers
0 0