Lezen

Mtoto (opdracht 3, Kristien)

      Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was.   Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw.           __________________________________________________________________________________   Mtoto[1]   'Toen aan een klein meisje werd gevraagd waar ze woonde, zei ze: ‘Waar moeder is’. '                             Keith L. Brooks     De zwarte man trekt de deur dicht. Zijn stappen weergalmen en dijen weg op het einde van de lange, kale gang. De blanke vrouw buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Zij zal net zoals miljarden vrouwen over de hele wereld dit gebeuren zonder partner doorstaan. Ze neemt een donkerbruine stift en schrijft sierlijk Dylan op een hard kaartje. Nog eens. En nog eens. De kaartjes zal ze weldra naar vrienden en kennissen kunnen sturen. Eindelijk. Na al die jaren. De blanke vrouw glimlacht bij de betekenis van de naam. Dylan. Zoon van de zee. 9 maanden geleden zwierf ze samen met de zwarte man weken door de groene heuvels van zijn land. Ze leefden op het ritme van de dag en van wat ze ter plaatse bij de boeren of in kleine winkels konden kopen. De zon wees hen de richting. S’ nachts sliepen ze in hun tent op de velden van de boeren of verscholen in de bossen. Zo ook die dag. Ze waren een heuvel helemaal naar boven geklommen. Onderweg hadden ze bloemen geplukt. Rode, witte, gele, blauwe. Lange en korte. Met twee takken en een draad van haar sjaal hadden ze een kruis gemaakt. Op de top van de heuvel, te midden van andere heuvels, hadden ze op hat gras geknield en het kruis in een hoopje zand geplaatst met de bloemen er omheen. In stilte hadden ze hun hoofd gebogen en waren ze bij de neef van de blanke vrouw. De neef had het leven niet overleefd. Hij had de dag voorheen zijn laatste kracht gebruikt om zichzelf te bevrijden van de pijn die hem dagelijks achtervolgde. De familie van de blanke vrouw had haar gebeld en gevraagd naar haar moederland terug te komen voor de viering. Ze had geweigerd. Ze had beslist om haar leven in eigen handen te nemen en zich te nestelen in de armen van de zwarte man. Die nacht hoog in de heuvels ver van de bewoonde wereld dicht bij de natuur ontstond Mtoto. Kind van de natuur.   De blanke vrouw wrijft over haar buik. Mtoto is op weg naar de buitenwereld. Samen met Mtoto wacht ze op het moment. Ze krijgt weer een buikkramp, staat op, waggelt naar het bed en legt zich neer. De blanke vrouw staart naar buiten. De zon schijnt hard. Het is drie uur. Deze ochtend werd ze plots ongerust. Mtoto bewoog zich niet meer in haar ronde, gespannen buik. De zwarte man had over haar buik gewreven en haar gezegd dat alles goed kwam. Ze was met hem naast haar rustig naar het ziekenhuis gereden. In het ziekenhuis was haar water gebroken. Samen met de zwarte man was ze naar buiten gestapt om de spullen voor Mtoto in de auto op straat te halen. Heel even had ze gedacht om weer naar huis te rijden. Naar het huis dat ze een maand geleden had gekocht. Het huis dat hun thuis mocht worden. De zwarte man had haar hand genomen en samen waren ze het ziekenhuis met zijn vele verdiepingen, gangen en kamers terug binnen gestapt. Binnen had de zwarte man de blanke vrouw gevolgd. Hij was stil. Muisstil. Beweeglijk stil. Hij was pas twee weken in het land van de blanke vrouw. In het land dat zo overdonderend anders was dan het zijne. In het land dat hem altijd zou roepen omwille van de blanke vrouw en de kinderen.   Ze krijgt een kramp. Nog één. Ze ademt zoals ze geleerd heeft in de prenatale groepslessen. Diep in en rustig uit. Ook daar was ze als enigste zonder partner. Diep in en rustig uit. De krampen volgen zich sneller op. Ze drukt op een knop naast haar bed. Een verpleegster en dokter komen de kamer na vijf minuten binnen. Ze kijkt hen met grote ogen aan. De verpleegsters legt de benen van de blanke vrouw over de kniesteunen van het bed en houdt haar linkse hand vast. De blanke vrouw luistert naar de duidelijke instructies van de dokter. Met drie vrouwen moet het lukken, stelt ze zichzelf gerust. Ze ademt. Ze perst. Ze ademt. Ze perst. Plots, zichzelf van niets bewust, knipt de dokter haar. In een flits is ze terug in Congo. Bij de pijn van de diep verkrachtte vrouwen en kinderen. Drie maanden geleden bezocht ze voor haar werk samen met Mtoto de vrouwen. Ze had hen gesproken. De vrouwen en kinderen waren door hun familie verstoten omdat ze door de verminking niet meer zindelijke waren en stonken. Mensen. Beesten. De vrouwen hadden aan haar buik gekomen, geglimlacht en haar succes toegewenst.   De dokter maant haar aan dat ze moet persen, dat het anders nooit zal lukken. Ze perst. De pijn is overheersend. De knip scheurt verder. Er is geen weg terug. Ook al zou het ziekenhuis in brand staan. Al zou de ganse wereld trillen. Ze moet, willen of niet, de eindstreep halen. Mtoto heeft de buitenlucht nodig. Ze knijpt haar ogen dicht, voelt de hand van de verpleegster, zondert zich van de wereld af en perst. Van heel diep komt een schreeuw. De schreeuw. Mama. Mama. De woorden weergalmen in de kamer. In haar weergalmt de vraag. Hoe zal ze ooit zonder moeder een goede moeder kunnen zijn? En dan. De opluchting. De verlossing. De verpleegster legt de kleine, donkerroze jongen op de buik van de blanke vrouw. De kleine jongen snuffelt. De blanke vrouw brengt hem voorzichtig iets hoger vlakbij haar borst. De kleine jongen nestelt zich met opgetrokken kikkerbilletjes op haar blote bovenlichaam en zuigt met zijn rode glimmende lippen zachtjes aan haar tepel. De waakvlam van de blanke vrouw ontvlamt. Haar borst stuwt. Haar hart gloeit. Haar ogen staan hemelsblauw zoals het heldere kleur van een oceaan na een hevige storm. De kamer is stil. De blanke vrouw wordt genaaid. De verminkte vrouwen en meisjes in Congo niet. De dokter legt langzaam haar benen van de kniesteunen op het bed en trekt een laken over haar. De blanke vrouw neemt een doek van het land van de zwarte man en legt het over de kleine jongen. Hij zuigt verder. Bloedvlekken overal. Op haar T-shirt. Op zijn rug. Op haar handen. Op zijn gezicht. Gekleurd door het leven gaan ze samen de wereld tegemoet.   Er wordt op de deur geklopt. De zwarte man stapt geruisloos de kamer binnen. Hij komt bij het bed van de blanke vrouw en de kleine jongen. Hij streelt hen beiden, gaat naast hen zitten en bekijkt hen stilzwijgend. Zijn zwartbruine ogen stralen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Geleidelijk vinden ze enkele woorden. Later op de avond komt de vader van de blanke vrouw. Fier tot achter zijn oren. Ze bespreken het gebeuren, toosten op het leven en maken foto’s. De zwarte man is op zijn manier beleefd aanwezig, streelt de kleine jongen geregeld, glimlacht naar haar en tast het nieuwe land af met de voelsprieten van zijn verre land. Laat na toegestane bezoekuur vertrekken de twee mannen.   De kleine jongen blijft de ganse nacht aan de borst en op de lege buik van de blanke vrouw. Een doek en haar hand vergezellen hem. De blanke vrouw aanschouwt hem. Het wonderlijke geschenk van de natuur. Het geschenk dat steeds groter zou worden. Hij geeuwt, strekt zich uit, drinkt gretig, boert, slaapt en ademt. Piepkleine handen ontspannen tot vuisten. Een handpalm klein hoofd met pikzwarte platte haren. Vredig op haar.  Ze dommelt nu en dan in. Morgen zal ze hem verfrissen. Morgen zal ze hem kleden.               [1] Betekenis: kind

Kristien Vliegen
0 0

Tom Lanoye 'Sprakeloos'

  Wie vertelt me het verhaal? Weet hij alles? Vertelperspectief: wisselend? De schrijver vertelt het verhaal van ‘mijn moeder’: hoe hij ze heeft gekend – voor zover een mens een andere mens kan kennen -  voòr haar beroerte en hoe hij haar, na die beroerte, heeft zien aftakelen tot het bittere einde. Hij weet alles over ‘mijn moeder’. Het vertelperspectief is éénrichting: de schrijver vertelt het verhaal van ‘mijn moeder’.   Wat vertelt de eerste zin? Hoe zet de schrijver de toon? De eerste zin is een stellingname van de schrijver: het leven van iemand wordt bepaald door het lot dat hij krijgt toebedeeld. Hier in concreto: de aftakeling, die zich voltrok aan ‘mijn moeder’, na een succesvol leven als moeder  en amateuractrice.   Hij gebruikt dadelijk een forse, dramatische taal , beeldend  . Eigenlijk is het een theatertaal, de verteller komt op en kondigt aan, geeft ook al commentaar: (cfr. de drama’s van Shakespeare),  hij gebruikt een taal die op een podium meteen zou inslaan (… vernietigend als een inwendige blikseminslag… tergende aftakeling… vijfvoudig moederdier…) Het belang van taal!!! Hij geeft meteen ook de twee grote episodes in het verhaal aan: het succes van de jongere vrouw en de tergende aftakeling  na de beroerte .    Door wiens ogen kijk ik? Hoe beinvloedt dit mijn kijken? Eén persoon? Meerdere? Ik kijk door de ogen van de verteller. Ik word geconfronteerd met de interesses/de vragen die de schrijver zich stelt. O.a. deel 1: ‘Hij’: het verhaal van het verhaal. De schrijver heeft het hier zowel over de vader, de moeder, als over hemzelf. Hoe hij moeilijk, getormenteerd, een weg aflegt van jaren, voor hij aan dit verhaal kan beginnen. Er is de pudeur (!! misschien het ultieme thema van dit boek?) . Er is het onafgebroken aandringen van zowel de vader als de moeder om met dit verhaal te beginnen. Er is het zoeken naar de juiste taal om dit te doen: komaf maken met alle belleterie, alle opgelegde regels van DE literatuur. Na verschillende jaren eindelijk het besef: de moeder en de vader moeten allebei gestorven zijn om hun verhaal te kunnen schrijven. De vader en de moeder zijn immers één. Het besef dat zijn versie maar een fractie is van ‘de stralende zon van  alle andere verhalen samen..’. Nu, achteraf , nu ik reflecteer over het verhaal, lijkt me dit terzelfdetijd interessant ( o.a. bedenkingen over literatuur), en  voorkomt het het  ‘opgaan in het verhaal’. Je begint je af te vragen: wanneer begint hij nu eindelijk, de semmelaar!  Dus het trekt aan én stoot af. Ik kijk het hele boek  door de ogen van de schrijver. Ik ben het  bijna verplicht: van tijd tot tijd word ik door de schrijver ook zelf aangesproken.   Bij wie ligt mijn sympathie? Hoe stuurt de schrijver dat? Bij de drie hoofdpersonen (vader, moeder, schrijver) en  bij de inwoners van de wijk waar de beenhouwerij gelegen is. Door de rake typeringen, zowel het uiterlijk van de personages als hun karakter, wat ze meemaken. En door de sfeer van solidariteit tussen hen.   Meerdere vertellers/ perspectieven? De onderlinge relaties? Ieders rol /motivatie in het verhaal? Verhouding van elk tot de gebeurtenissen? Er is één perspectief: dat van de alwetende schrijver/verteller.   Zijn er personages waarvan ik niet weet wat ze denken? Welke rol hebben ze? - De broers en zussen, de vader en grootvader van de vader: vervolledigen het tableau. Ze staan veelal voor ‘de Vlaamse aard’. - De broers en de zus van de schrijver (behalve ‘onze lastigste’). Ze zijn intiem verwant met moeder, vader en schrijver. In het genre ‘biografie’ kunnen ze niet ontbreken. - personeel van het ziekenhuis, rusthuizen, de pastoors van de parochie, huisdokter, kruidengeneesheer, klanten van de winkel, enz. Ze vervolledigen de schets van het leefmilieu en van de tijd waarin het verhaal zich afspeelt - Conclusie: ze schetsen het milieu en de tijd van het verhaal.   ’Chronologische volgorde’ <-> ‘’alles door elkaar’ voordeel van dat laatste? Komt er uiteindelijk een sluitend verhaal? Of: gaten? - Het verhaal springt voortdurend van de ene tijd in de andere (voor het leven van vader, moeder en schrijver). Alles over vader en moeder en over het gehucht waar ze wonen: in het verleden. Maar de aanspraak van de lezer zelf, de overwegingen over taal, over hoe de wereld geëvolueerd is in een korte tijd, is het standpunt nu, het heden. -Voordeel? *Het maakt het verhaal ‘lichter’: ‘vernietigende beroerte’, ‘tergende aftakeling’, is  zwaar. *Bovendien denkt een mens, (de schrijver) ook zo: onze hersenen werken niet keurig chronologisch. *Het maakt de tragedie ter zelfde tijd aanvaardbaar (het is het lot), en dramatischer. -Sluitend verhaal? Gaten?  Het is volgens mij een sluitend verhaal. Zozeer zelfs, dat het einde van het verhaal een oproep is van de schrijver/tot de schrijver?/ de lezer? om een?/het? verhaal te beginnen .   Tijd? Verhouding reële tijd en de tijd om het verhaal te vertellen? -Reële tijd? Een mensenleven, zowel van de vader als van de moeder  Tijd die nodig is om het verhaal te vertellen=? -Sprongen? Omdat in het verhaal alles door elkaar wordt verteld, vallen die niet op. Maar als ik er over nadenk, zijn de sprongen vooral te vinden in het verhaal (autobiografie!) van het leven van de schrijver zelf: zijn leven buiten de relatie met zijn ouders. O.m.: hoe komt hij in Zuid-Afrika terecht? hoe ontdekt hij zelf dat hij homo is? Enz... ook de kindertijd van vader en moeder blijven onder de lens van de fotograaf.   In welke historische tijd speelt het verhaal zich af? Welke omgeving? Eén of meerdere? Resoneert de maatschappelijke omgeving in het verhaal? Het is mogelijk dat de schrijver dingen niet vermeldt, die ik zelf weet over die tijd. Nadrukkelijk? Subtiel? Waarom?Historische tijd van het leven van vader en moeder: -Historische tijd: +- 1930? Tot +- 2007? : vòòr, , tijdens en na WOII. De oorlog  klinkt niet door in dit verhaal. Hij wordt wel zijdelings vernoemd, o.m. om de bloeiperiode erna te duiden.  Het zwaartepunt van het verhaal situeert zich tussen  +- 1950 en +- 2008, 2009, (de uitgave van het boek). -Omgeving? Voornamelijk de stad Sint Niklaas (Oost-Vlaanderen), een gehucht daarvan. Een deel situeert zich in Zuid-Afrika, en Gent, en Antwerpen. Maatschappelijke omgeving ven de hoofdpersonen speelt sterk door in het verhaal. Het is die van de lagere middenstand , die zich opwerkt tot welstand; van de arbeiders die werken in de fabrieken in de omgeving, van –dikwijls gemankeerde – bourgeoisie (dikke Liza, zoon , zuster en schoonbroer). -WOII, de invloed ervan op de gedragingen van de mensen; dreiging van de koude oorlog; oorlogen in Korea, in Vietnam, enz. Eigenlijk het hele verhaal van de politiek in die tijd. (jaren 60,70). Het gebeurt niet  nadrukkelijk of subtiel: de vader was handelaar, hij moest goed staan bij iedereen, hij hield zich ver van de politiek (denk ik toch), om conflicten te vermijden. Dus: bij Lanoye thuis werd niet  over politiek gepraat? Het was gewoon zo: biografie…   Ik moet zelf nog dingen opzoeken in verband met het verhaal. Wat? Alleen: het geboortejaar van Tom Lanoye, om de juiste historische tijd te kennen. Op het jaar af.   Focus van het verhaal? Duidelijk begin en einde? Eén episode? Eén afgebakend voorval per episode? Wat is het verhaalgegeven? Staat één probleem centraal? Wordt het anekdotische overschreden? Indien er  verschillende episodes zijn, is er samenhang tussen de gebeurtenissen, plaats en (historische) tijd? Zijn de overgangen duidelijk? -De focus: het standpunt van de verteller: het lot heeft een onverdraaglijk einde in petto voor deze sterke vrouw, deze succesvolle amateuractrice, de moeder van de schrijver, die zo goed van de tongriem was gesneden, nl. de complete aftakeling , op twee jaar tijd,  tot ze uiteindelijk vernederd, en sprakeloos , sterft. ‘… haar onaanvaardbare, wrede levenseinde…’. -Duidelijk begin en einde? Ja. Van het raamverhaal, het dubben over en het aarzelen van de schrijver om het verhaal te beginnen (!pudeur), en de laatste bladzijde, de ultieme vernedering van de moeder, bij het –in zijn aanwezigheid- vrijmaken van het keelgat (sprakeloos!)die de schrijver de eed doen zweren: ‘…dat ik , wanneer en waar ik er de kans toe zie, de stilte zal bestrijden met mijn stem, de leegte zal proberen te betwisten met mijn woord, al het beschikbare papier ter wereld zal proberen te bevechten met mijn taal… . Nooit meer  zwijgen, altijd schrijven, nooit meer sprakeloos. Begin.’.  Van het levensverhaal? Ja. Vertrekkende van het perspectief hoog in de lucht, vanaf de surrealistische luchtballonnen die toeren boven de tuin van het weekendhuisje (bungalow) van de moeder, die er in volle warme zon ‘in haar favoriete badpak en op blote voeten’, peinzend naar de hemel kijkt, tot bij haar sterven in het bed ‘in de zonovergoten en toch kille kamer, dankzij de airco,’ in de instelling , hulpeloos, sprakeloos’. -Eén episode? Nee. Een opeenstapeling van episodes(=een zelfstandig deel van een verhaal!). Nl: * het dubben en aarzelen van ‘de jongste’ (pudeur) en hiermee verbonden, de opmerkingen over literatuur en taal… * levensverhaal van de moeder (als meisje, als actrice, als slagersvrouw, als moeder, als vriendin, als lid van een familie, als amateuractrice…). … * levensverhaal van de vader, als beenhouwer, als vader, de zachte, warme behoeder van het gezin, en vooral de levenslange bewonderaar van zijn vrouw… * beschrijving van het gehucht, met de verhalen van de bewoners… *de aftakeling en de dood van de moeder en de vader… -Eén afgebakend voorval per episode? Nee alles loopt door elkaar, zoals dat ook in het leven gebeurt. -Verhaalgegeven. =??? -Eén probleem centraal? Ik denk, de agressieve aftakeling van de moeder in haar laatste levensjaren: de verbindingen in haar hersenen zijn kapot. Intiem hiermee verbonden: de plaats van de taal in een mensenleven. Het belang hiervan – ook  voor de schrijver. Zeker voor de schrijver. -anekdotische overstegen? Natuurlijk - verschillende episodes? Ja. De samenhang tussen de gebeurtenissen is duidelijk, ook die van plaats en historische tijd; De overgangen zijn duidelijk (…Hij…Zij…Ik…).   Zijn er elementen die steeds terugkomen, elkaar versterken, of: steeds andere aspecten? Welke motieven en thema’s kan ik vinden? Nota: “motief”: een herhaaldelijk terugkerend element. We herkennen het omdat het ook in andere verhalen terugkeert. (vb.: driehoeksverhouding; generatieconflict…) of omdat het in hetzelfde verhaal meerdere keren voorkomt. (vb: een voorwerp, een lied, een bepaalde handeling, een gevoel). “thema”: datgene wat als grote lijn in het werk naar voren komt(vb: een indruk, een levensvisie, een gezichtspunt). Dat thema kan expliciet worden genoemd en uitgedragen  en dan valt het te vergelijken met een boodschap.   -motieven: .*gebruik van spreekwoorden, beroemde woorden uit theater, volkse gezegdes. (Meer schuilt in u! – Ge zult niet  spuwen in de bron waaruit ge hebt gedronken -  ‘Een Beetje’, titel van het liedje van Belgische deelname aan  het Eurovisie Songfestival van die jaren; titel van  stripboek: ‘Buck Danny, ‘De Jappen vallen aan!’; ‘Go, Johnny, go go!; ‘Alas, Poor Yorik…’,van Shakespeare, ‘Oh, inwoners van Thebe, ziet, hier gaat Oedipus…’ van Sophocles, klassieke thaterschrijver)., als commentaar op wat er zich afspeelt in het verhaal. *het eten: als dusdanig, algemeen belang (322) ; menu’s van feesten, enz…enz…; (316 – 342) als teken van verbondenheid. *cultuur, literatuur, taal. (25 e a.  257_ 250_ 243_ 244, e.a..); taal als band (359), als wapen tegen onmacht en vernedering. Enz. *hersenen: manier van werken, +- wetenschappelijke uitleg (Wikipedia) *het acteren van de moeder, zowel op het toneel als in het dagelijkse leven. -thema: katharsis van de zoon bij het verdriet om de ondergang van zijn moeder, zijn vroegere sociale omgeving, een manier van leven en van taal gebruiken. Zou TAAL het ultieme thema zijn? Beelden of beeldspraak? Metaforen? Symbolen? Indien ja, hoe sturen ze mijn denken en gevoelens over de personages en het verhaal? Functie? Waar staan ze voor? Nota:  Beeldspraak: figuurlijke taal, ontstaan uit associaties, vb: koppig als een ezel…het hart van de stad… Metafoor: het is geen simpele vergelijking, eenduidig. Vb. Deze polituicus is net een kleuter, hij wil altijd gelijk hebben. Er moet sprake zijn van een aanzet tot blijvende interpretatie, aangezien er verschillende connotaties mogelijk zijn. Vb: deze politicus is een natuurramp… is en nar…   -beelden en beeldspraak: daar krioelt het hier van. Tom Lanoye doet zelfs een oproep om een zo barok mogelijke taal te gebruiken, zo weelderig mogelijk, om de rijkdom van een mensenleven, de dingen , de realiteit uit te drukken. Hij stelt dit tegenover de vernederende sprakeloosheid.  Cfr. ‘… Ze zweeg zoals een sneeuwlandschap zwijgt, of en opgezet hert…’. *metaforen:  (nog niet genog naar gezocht)!!! *symbolen? Ballonnen, een soort Montgolfières, ,waaruit zandzakken naar beneden vallen die mensen kunnen verminken, doden; helicopters die branden proberen te blussen; een onverwacht onweer dat een snel oprukkende bosbrand blust. Symbolen voor ‘het onbetrouwbare lot’? feestmalen: symbool voor het zoeken naar verbondenheid? Enz?. * ze houden me nieuwsgierig, op zoek (‘schone letteren’), ze geven ruimte aan het zware verhaal van de aftakeling, plaatsen bepaalde personages in een context die niet zwart-wit is,  maar alle nuances daartussen mogelijk maken. * Ik lees het  verhaal omdat ik geïnteresseerd ben in die tijd, bij ons, toen. En, denk ik, vooral, omwille van de ruimte die ik zelf krijg, meer vrijheid,  door het lezen van  de koppige manier van schrijven, de rijke, ontembare  taal.   And here we go, Johnny. Go, go, go.       -              

versta
495 1

Schoolreis

Eindelijk was het voorbij het tellen van de nachten slapen. Vandaag was dé dag. Als echte groten -had haar juf  gezegd- zouden ze alleen mogen rond lopen. Doen en laten waar ze goesting in hadden. Er een echte BFF dag van maken. Al bestond dat toen nog niet.   Met een bus reden ze helemaal naar Adinkerke aan de zee. Naar een park dat vele jaren later ingepalmd zou worden door Plopsa. Met zijn allen vulden ze de laatste rij. Alleen maar meisjes. Gelach en geklets. De Vriendin en haar uitverkorenen het luidst. Plannen voor het reuze-rad en het treintje door de wereld van de bijen. Bij het binnenlopen van het park hoorde ze er nog bij. Een moment later, de anderen leken wel opgeslokt, stond ze alleen. Wachten en rondkijken leverden niks op. Geen van de vrolijke kinderen rondom haar waren meisjes van haar klas, laat staan het kliekje waar ze dacht bij te horen.   Toen ze –flash forward in de tijd- voor het eerst met haar eigen dochters door de opvolger van het Meli-park dwaalde, zag ze bij elke attractie die ze deden opnieuw, een blond meisje van tien. Alleen. De hele dag lang.   Pas wanneer het bijna tijd was om terug naar de afgesproken plek te gaan –in de late namiddag van wat dé dag zou zijn- kwam ze hen terug tegen. Of zij haar. Ze leken haar afwezigheid dan maar voor het eerst op te merken. Een enkel meisje nam een paar minuten. Of ze een leuke dag had gehad. Of ze die grappige circusvoorstelling ook had gezien? En die gekke jongens, toevallig uit een dorp in de buurt. Ze knikte.   Op de terugweg zat ze weer mee op de laatste rij. Het plaatske aan het raam. Gelach en geklets achter haar rug, ze telde opnieuw. Geen nachten deze keer maar lantaarns, langs de autostrade. Ze zag de lichten aanfloepen. Toen deden ze dat nog.                                                    

tamaralenaerts
0 0

Symbool der herinnering

Diep van onder zijn kap neemt hij het gebouw voor hem in zich op. Het symboliseert zijn haat. Maar ook zijn liefde. Zijn tweestrijd. Tussen de tranen die vallen verschijnt een grijns. Die grijns verandert in een lach van onmacht, tot de volgende huilbui er op volgt. Zijn herinneringen houden hem gezelschap. Of liever… ze weigeren hem te verlaten. Als een hardnekkige kanker blijven ze steeds terugkomen. Hoe vaak hij zichzelf al heeft overtuigd om er gewoon mee te leren leven, het lukt maar niet. Dus zit hij hier. Alweer.   Terwijl hij rechtstaat, neemt hij de fles whiskey die op de grond staat in zijn rechterhand. Of hij geen single malt wou, vroegen ze hem nog in de winkel. Wat maakt het uit… Elke fles helpt vergeten. In één teug slaat hij het laatste kwart van de fles achterover. Hij kijkt naar het etiket, terwijl hij nadenkt over hoe het kan dat hij zijn hersenen zo snel uitmoordt, maar de herinneringen altijd maar overleven. Verse tranen spatten uiteen op de lege fles. Hij kijkt naar de zitbankjes die aan de toren bevestigd zijn. Hoger dan dat durft hij niet meer. Alsof hij het niet waard is. Alsof het hem pijn zal doen om tot de top te kijken. Onmacht wordt frustratie. Verdriet wordt frustratie. Te veel frustratie creëert woede. Nog voor hij er erg in heeft, spat de fles net als zijn tranen uiteen. Het onmiddellijke schuldgevoel lijkt niet logisch. Hij haat het. Maar hij houdt er van.   Met zijn hoofd naar de grond slentert hij naar huis. Wanneer de voordeur open zwaait, wordt hij begroet door de gloed van computermonitoren. Op de schermen zijn beelden te zien van de toren waar hij net vandaan komt. Gehackte veiligheidscamera’s tonen hem live hoe het volledige plein er nu uitziet. Hij gaat zitten en begint in de duisternis terug te spoelen. Eerst tot hij de fles in beeld ziet komen. Dan nog verder terug. Tot wanneer hij aankwam. Op geen enkel moment is hij herkenbaar op de camera’s. Steeds draait hij net op het perfecte moment zijn gezicht weg. Het resultaat van een half jaar alle hoeken leren kennen. Tevreden draait hij zich om in zijn bureaustoel. Tien lege flessen begroeten hem vanop de kast. De grijns keert terug op zijn gezicht, die al snel het gezelschap krijgt van een traan. Langzaam staat hij op en strompelt naar het bed. De wereld draait, zijn gedachten draaien. Toch overvalt de slaap hem al snel.   Wanneer de volgende avond valt, staat hij klaar aan zijn voordeur. Hij kijkt nog even door de gang tot in de woonkamer. Daar hangt zijn apotheose klaar, over een steunbalk geworpen en met de lus die hem lijkt toe te lachen. Maar het is nog geen tijd. De herinneringen aan deze stad hebben hem kapot gemaakt, dus gaat hij niet alleen ten onder. Naast hem staat een trolley. Zo’n typisch ding waar je bejaarden mee naar de markt ziet gaan. Hij neemt het handvat stevig vast en trekt het ding naar zich toe. Een gedempt gekletter van glas op glas is merkbaar. Hij kijkt er even naar en trekt de flap open. Hij haalt de bovenste fles uit en neemt een stevige slok. Vooraleer de fles terug te stoppen, werpt hij een blik het gapende gat. Daar zitten de flessen van op de kast. Leeg zijn ze echter niet meer. De fles verdwijnt terug in de trolley en de voordeur zwaait open. Hij is klaar voor de laatste tocht.   Uren wandelt hij rond, om zeker te zijn dat het stadscentrum verlaten is. Zo lang een enkeling gezien wordt, is het geen tijd. De stad moet doods zijn. Dood zijn. Doods zijn. Hij is niet meer in staat een verschil te zien. Na de zeventiende doortocht is hij het zeker. Er is niemand meer. Hij gaat zitten op het enige bankje waar hij buiten het zicht van de camera’s valt. Hij neemt de bovenste fles, opent ze en drinkt het laatste restje uit. Eens hij die heeft neergezet, neemt hij de volgende fles. Deze heeft geen dop. Alleen een zakdoek die uit de hals steekt. Nog even denkt hij over de verlossing die hem thuis wacht. Het einde van alle herinneringen. Het einde van zijn pijn. Maar ook het einde van zijn hoop. Plots slaat de twijfel weer toe. Met bevende handen neemt hij zijn aansteker. Maar hij kijkt niet naar de fles. Zijn blik gaat langzaam omhoog, naar de top van de toren. Terwijl zijn duim op het wiel van zijn aansteker rust, komen alle herinneringen als een sneltrein langs…

NonkelPie
0 0

Afscheid - Opdracht 3 - Veerle Schaltin

De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen toch niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dit huis past haar niet. Het heeft ook nooit gepast. Ze ploft in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.              

veerle schaltin
7 1

Seks

Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er toen is geslagen in de goede manieren. In hoe het moest. In hoe je er anders zonder slag of stoot buiten werd gebonjourd. Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Langzaam. Er moesten nog gevechten geleverd worden. Paus de zoveelste vond het Humanae vitae op papier oneindig belangrijker dan dat in het lijf en de leden van zijn kudde. Condoom, de pil: verboden! Dus zongen wij, leerlingen van de klassieke humaniora, in uniform, gniffelend (we zaten in het laatste jaar!) dat we een jeugd van maagden wilden zijn.   Dat was nog vòòr de unief en de sexuele revolutie. Toen ging het nog zo. Geen – of geen noemenswaardige- voorlichting thuis. Op school: geen haan die daar naar kraaide.  En dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen? Ik dacht: ze vindt dat mooier. Het geeft meer ruimte. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Dat gebeurde wel meer: het was een moeilijk college, dat van ons. Of was ze verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.               Maar is dit de juiste weg? Moet ik het –nu al – moet ik het met jullie , voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Oorlog, bijvoorbeeld. In Vietnam, bijvoorbeeld. Napalm. Agent Orange. Een meisje van twaalf dat bloot, onder het oog van zwaar bewapende Amerikaanse soldaten, schreeuwend over de weg loopt, weg van de plaats waar haar familie werd neergeschoten. Op dat moment hebben veel mensen al televisie. En komt dat beeld, komen vele andere beelden, rechtstreeks in de huiskamers terecht. We shall overcome. Bob Dylan. Joan Baez. En Martin Luther King. Maar dàt was met de mars tegen het racisme. Is hij toen vermoord? De Zesdaagse oorlog, bijvoorbeeld. Eén oorlog uit de uitzichtloze reeks die later volgt van Israel versus Egypte, Israel versus Syrië, in de Sinaï, op de Golan Hoogvlakte. Israël versus de Arabieren, eigenlijk. De guerilla in Zuid-Amerika, bijvoorbeeld. Fidel Castro. Presente!. Che Guevara. Presente! Camilo Torres. Presente! Allende. Presente! Pablo Neruda. Presente! C.I.A.. Pinochet. Abajo! Abajo!   De strijd tegen de Apartheid in Zuid –Afrika, bijvoorbeeld. Het ANC. Mandela. Soweto. Amandla! Amandla!   Of die andere oorlog, bijvoorbeeld. De oorlog in het westen. Tegen het starre, autoritaire gezag. Tegen de hypocrisie van de macht. Vòòr emancipatie, inspraak, democratisering. Vòòr vrijheid, voor gelijkheid, voor broederlijkheid. Mei ’68. De studentenrevolte (kort daarna: Neil Armstrong, de eerste landing op de maan, "That's one small step for [a] man, one giant leap for mankind"). Maar we zijn bezig met de studentenrevolte! Rudi Dutschke. Daniël Cohn – Bendit. Sartre. de Beauvoir, Derrida, Marcuse. The summer of love. De hippies.  Het Vondelpark in Amsterdam. Marihuana. L.S.D. . De Praagse Lente. De Rote Armee Fraktion. Bader Meinhoff. Ook bij ons. Staking in de mijnen: Zwartberg. Ludo Martens. Pol Goosens. Alle macht aan de arbeiders, Amada. Kris Merckx. Geneeskunde voor het volk.  En natuurlijk ook Wilfried Martens: de Vlaamse kwestie. Leuven Vlaams. ‘Walen buiten! Walen buiten!’.   Onze stemmen botsen tegen de gevels. Ook de lijzige stem van Boudewijn De Groot, met vele liederen. Dat lied van Bob Dylan, herwerkt door Lennaert Nijgh, vooral die laatste twee strofen:               Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.       * * *               Maar nee! NEE! Wat zit ik hier weer te taffelen, rond de pot te draaien, te treuzelen en te beuzelen! Wat ben ik op slag weer paraat om te documenteren en enthousiast te wezen over Het Grote Schema. Over het wat en het hoe en het waarom, het wanneer van De Grote Stromingen in de Maatschappij. (licenciaatsthesis van Niels Klerkx. In verband daarmee ook: het artikel van Bas Kromhout: ‘Het revolutiejaar 1968’. Of de film ‘Leuven ’68, de studentenrevolte die het land deed daveren’. Zal, naar het schijnt, volgend jaar uitgebracht worden, gepatroneerd door Fonk vzw. Alles te vinden op Google). Verdomd! Verdomd!   Maar het is zo verleidelijk, zo meeslepend. Je bent er zo weinig zelf in geïmplementeerd: je moet niet nadenken, je staat er buiten. Oh, hallo! Is dit de juiste schrijfwijze van de naam Simone de Bauvoir? Nee, het is de Beauvoir. Letterlijk: beau-voir. Tiens, kleine d. Was ze van adel? Eens kijken, haar biografie. Ja, dus. En had ze iets te maken met de soixant-huitards.? Natuurlijk. Sartre, om te beginnen. En dan: De Dolle Mina’s!  Feminisme. Belangrijk in de sixties? Laat me eens kijken… NEE! STOP! Weeral twintig minuten verder! NEE! NEE!   En nog eens: NEE. Ik wil het hier Niet hebben over de Grote Principes van deze tijd. Daar werd al genoeg in geploeterd, gewroet, gespit, gedolven. Het gaat hier over een autobiografie! En trouwens, dat overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Vliegtuigen die hun laadbakken openschuiven, bommen die een heel dorp van het ene moment op de andere in een hel veranderen, vijfhonderd doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd (denk ik toch?) hun edelste delen blootgeven (ze houden wel sokken en schoenen aan: dat loopt makkelijker?)en  vrouwen op de place publique vrolijk keuvelend, gehuld in kleurrijke lange rokken en fladderende blouzes, hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?               Nee, dus. Het is niet te abstract. Maar toch: dat is geen autobiografie. Niet al wat in de vorige paragrafen gezegd wordt,  kan mijn hoofdpersonage, mijn protagonist, al weten. Toch niet beseffen. Ze zit nu in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hier bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Da zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan- de helft van alle                  porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er precies werk van maken.             Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Onnozelaar. Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze zit elke week in Bellarmino, dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over ontwikkelingslanden, heb ik gehoord. Hewel, man, ik ga ‘s avonds liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …                                                              * * *               Daar gaat ze… En het is weer van dat. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar dingen die ik denk, die ik voel, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest… Enfin. Laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik –weer eens - mezelf vergeten… Zo was ze dus, toen ze eenentwintig was.                                                              * * *   ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is erin verzopen.’  En ze stapt het lome weer in van eerste warme zomerdagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast.    Hoe ze vervuld is van waar ze daarjuist nog over praatten. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingepompt dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar dat het anders zou worden. Zij, de jongeren van nu, zij zouden hier mee breken. Ze zouden anders gaan leven, radicaal. Zij zouden kiezen voor de liefde. Love and Peace. Geen saaie conventies, geen verstarde instituten zouden hun leven beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst: burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Ze zouden het niet meer hebben over onderontwikkelde landen, nee. Niet domineren. Ze zouden houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur.  Hoe ze hier stapt. Nooit nog zal ze zo gelukkig zijn, alles is mogelijk. Ze is alles in allen. Nu. Ze wandelt, ze stapt  onbezorgd genoeg om houden van te laten overstromen, iedereen, alles mee te sleuren, te omvatten. Het ligt als dauw in haar ogen, ze absorbeert het, straalt het uit. Wat straal je zo vroegen haar vriendinnen maar ze wàs niet verliefd op Jules of Jef, ze was verliefd op leven.  En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van de idee dat god liefde zou zijn en dat Alle Menschen Brüder werden.   Het licht kantelt: het wordt donker. En frisser. Ze rilt. Ze moet denken aan wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Wie wil jij zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. En het antwoord is: nee. Van tijd tot tijd loopt ze er over te piekeren. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het weten? Wil ze iets, worden voor zichzelf? Verrek! Het is zo’n volmaakte dag. En nu dit! Ze zet haar gedachten weer op het juiste spoor.  Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit... Die nacht droomt ze.                                                              * * *   Rondom om is alles grijs. Een groot, groot podium, zonder mensen. Dan ziet ze,  hoe van de donkere ondergrond zich een gestalte probeert los te maken. Het is een vrouw, slank, gekleed ook in het grijs, met een doek over het hoofd. Ze kan het gezicht van de vrouw niet zien - een angstig vermoeden  overvalt haar. De vrouw op de grond slaagt er in half omhoog te komen. Maar wanneer ze helemaal recht wil staan, wordt ze geslagen met een echte zweep met een dik handvat. Elke keer opnieuw. De vrouw blijft zitten, half recht. Maar wat?  Ze kan het niet geloven. Het is waanzin. Maar dit is, wat ze ziet. De gestalte die geselt heeft van de andere vrouw de doeken rond het hoofd overgenomen. Ze ziet er uit als een non. En … ze heeft het gezicht en gestalte van haar moeder! De zittende vrouw vindt nu steun op een steen die haar tegen komt: een grafsteen. Het is de naam van haar grootmoeder die op de grafsteen staat! De zittende vrouw leunt zwaar op de steen. Maar ze wordt weer neergeslagen, opnieuw en opnieuw, tot ze met haar buik op het graf ligt, het hoofd op de steen, de nek bloot. ‘Maar ik héb mijn nek al gebroken!’ zegt ze in paniek. Nu staan haar moeder en haar grootmoeder gearmd, samen, zoals ze op een foto zouden staan. De grootmoeder verdwijnt. De moeder blijft. Nog even. Dan verdwijnt ook zij in een schitterende glans.  Het laatste wat ze ziet: de persoon die de rol van haar moeder speelt, heeft nu een soort ‘mini-omheining’ op haar – nu witte – sluier, zoals de Arabische sjeiks dragen om hun hoofddoek op de plaats te houden.                                                  * * *   De volgende dag is ze bang als ze wakker wordt. Die droom: absurd! Totaal onbegrijpelijk! En dan vooral die herkenning: ik!! Waanzin!! Haar moeder die haar met een zweep slaat, het graf in!! Een oneerbiedige vergissing van haar onderbewustzijn! Ze onderdrukt de droom meteen. Ze stuurt hem de zwarte nacht in, vanwaar hij is gekomen. Maar van tijd tot tijd…             

versta
11 0

Schaamnamen

Mijn vrouw en ik vinden het leven soms al zot genoeg, daarom gingen we op carnavalszondag wandelen, in plaats van ons in de carnavalsdrukte te begeven. Bij het terugkomen - we wonen vlakbij het centrum - waren de zotskappen al in zeer goede doen. Er nestelde zich meteen een carnavalsdeuntje in mijn hoofd, waar het de rest van de dag niet meer uitgeraakte. Ik geef de titel even mee, maar het gevaar is natuurlijk dat u er nu de rest van de dag mee zit. Echt waar, ik heb de hele dag ‘Er staat een paard in de gang’ zitten neuriën. Bij het slapengaan stond de knol nog altijd bij ons in de gang. “Geef me dan maar de Nederlandse zanger Tim Knol”, zei ik tegen mijn vrouw. “Hij heeft een gekke naam, maar zijn songs mogen er best zijn”. Het bracht me op het idee om na te gaan of het geen artiestennaam is. Niet dus. Wat meer is, maar liefst 5.906 mensen in Nederland hebben de familienaam Knol. Er bestaat een speciale website waar je die stamboomzaken kan opzoeken. Wist je bijvoorbeeld dat er 1.095 noorderburen zijn die ‘Pannenkoek’ heten? Op zich niet zo gek, want hier hebben we mensen met de naam ‘Struyf’. Ook de familie ‘Baksteen’ woont er. Om van de ‘Poepjes’ nog maar te zwijgen. En van het één komt het ander. Voor ik het wist botste ik op schaamnamen. Een combinatie van een bijzondere voor- en familienaam, dat een gek resultaat geeft. Ze bestaan naar verluidt echt, die mensen. Wat denkt u van meneer ‘Cor ten Broeck’? Of mevrouw ‘Conny Plassen’ en de dame ‘Anna Nas’. Veel gekker moet het toch niet worden. Al vond ik deze familienaam nog het beste. Bijna 2.000 Nederlanders dragen de naam ‘Buurman’. Je zal er toch maar naast wonen, niet?

Rudi Lavreysen
35 0

Als toekomst vooral verleden wordt

Er is iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat. Dat moet ik uitzoeken, voordat ik er helemaal onderdoor ga. Daarom vlucht ik, deze avond nog. Waarheen weet ik niet, ook niet of ik het zal overleven. Ik weet simpelweg niet waar ik ben. Voor hetzelfde geld zitten we te midden de Sahara-woestijn. Ik laat dit achter in de hoop anderen wakker te maken, ik zit hier namelijk niet alleen… Of zijn het acteurs? Velen zie ik voor het eerst, terwijl sommigen doen alsof ze me kennen. Sommigen die ik dan wel lijk te kennen, doen alsof ze me niet kennen. En waar ik ze van ken, is zo vaag, het ligt steeds op het puntje van mijn tong, maar ik kan er gewoon nooit opkomen. Het is hier net een gekkenhuis. Maar één ding weet ik zeker: ik ben niet gek! Ik weet niet eens hoe ik hier terecht ben gekomen. Ik ben een gedecoreerde militair uit het Belgisch leger, dat weet ik nog. Ik heb jaren in Duitsland gediend. Ben ik ooit terug naar België gekeerd? Ook dat is vaag. Er komt hier een vrouw op bezoek. Ze is midden veertig. Ze zegt dat ze mijn dochter is. Ze is vriendelijk, dat wel. Iedereen is hier vriendelijk. Verdacht vriendelijk. Volgens mij is de vrouw de sleutel. Ik ken haar niet, nog nooit gezien, laat staat dat ze mijn dochter is. Soms zie ik beelden als ik slaap van een meisje in een roze jurkje dat mij papa noemt, maar die is hooguit zeven, laat staan, in de veertig. Hoe laat is het eigenlijk? Ik moet me haasten. Ik heb niet veel tijd meer! Mijn dochter dus. Mijn dochter is geboren in ‘69. Het is echt een schatje. Ze is nu zeven en haar lievelingskleur is roze. Als ze een tekening voor me maakt is zelfs de zon roze. Vorige zomer wilde ze dat ik haar kamer in het roze verfde, de schat. Het was blauw eerst, hemels blauw. Anna, mijn vrouw, dacht dat we een zoontje gingen krijgen, dat voelde ze aan hoe het stampte, zei ze. Maar ik ben dolblij met mijn dochtertje, hoor. En ze aanbidt me. Ik weet dat dat niet blijft duren, maar nu geniet ik in volle teugen. Ik denk dat het aan de pillen ligt. Vanavond kreeg ik een blauwe pil. Om in te slapen, zeiden ze. Maar ik heb hem niet genomen. Ik heb hem doorgespoeld in het toilet op mijn kamer. Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat. En waar is hier? En hoe kan een mens hier eigenlijk slapen met al dat licht en dat lawaai. Het is niet de Sahara-woestijn. Als ik door het raam kijk zie ik een snelweg in de verte, of dat denk ik toch te oordelen aan de gele straatlantaarns en de vele autolichten. Ik heb mijn rijbewijs gaan halen gisteren. Mijn voorlopig, zes maanden proefrijden en dan mijn vast rijbewijs. Er zijn niet zoveel mensen die met een auto rijden waar ik woon. Ook Anna zegt dat ze geen behoefte heeft aan het stuur te zitten van een voertuig dat sneller rijdt dan dat zij loopt. Anna wil met mij trouwen, dat heeft Peter, haar broer, me onlangs verteld. Ze wacht erop tot ik eindelijk op één knie ga zitten. Dat moet, zou ze gezegd hebben, als hij niet op één knie gaat zitten, trouw ik niet met hem. Ik wil eigenlijk nog een beetje wachten. Tot ik iets meer geld heb. Tot ik een origineel idee heb. Iedereen kan op één knie gaan zitten en een ring om iemands vinger schuiven. Uiteindelijk moet ik voor de KMS ook nog heel veel werk doen. Anna werkt al, studeren zag ze niet zitten, dat doen vrouwen doorgaans trouwens toch niet. Waarom zouden ze? Om te kuisen en eten te maken? Dus kan ik me wel inbeelden dat ze niets liever wil dan haar leven te beginnen, maar voor mij is het anders. Ik heb zeker vier jaar van studies voor de boeg. Nog enkele weken en ik wordt gepromoveerd tot korporaal. Er is hier iets vreemds aan de hand en ik weet niet wat! Eigenlijk moet ik dat uitzoeken. Uitzoeken waarom ik hier ben. Waar hier is. En vooral uitzoeken waarom een vrouw van in de veertig mij papa noemt. Zie ik er dan al zo oud uit? En waarom komt ze hier? Ze komt bijna alle dagen, zegt ze, maar vanmiddag was de eerste keer dat ik haar heb gezien. Ik ben hier pas, hoe kan ze me dan bijna dagelijks opzoeken? God, ik ben zo moe. Hoe laat zou het zijn? Al na middernacht? Ik ben geen nachtmens. Nooit geweest. Als ik in de kazerne slaap, worden we gewekt om 05,00 uur. Ik ben benieuwd of dat morgenochtend hier ook zo zal zijn. Zelfs in het weekend sta ik niet later op dan 07,00 uur, tot groot ongenoegen van Anna. Zij zou heel de morgen in bed kunnen blijven liggen. Dat is wel het meest ondraaglijke punt aan haar. Ze kan ook zo laat opblijven. Nog één hoofdstuk, zegt ze dan en wijst naar de pagina’s van haar boek, terwijl ze lieflijk naar me glimlacht. Die glimlach laat iedereen smelten, en mij in het bijzonder. Maar dat ene hoofdstuk is meestal wel een heel lange. Misschien ben ik neergeschoten en is dit hier een militair hospitaal. Maar ik kan me niet herinneren in actie geweest te zijn. Ik moet echt weten waar ik ben, en vooral waarom mensen doen alsof ze me al jaren kennen. Of ben ik in een Russisch experimenteel laboratorium. Ik heb er al horen over vertellen. Dat de Russen gedragsveranderende experimenten uitvoeren op betrapte spionnen en krijgsgevangenen. Maar ik ben geen spion. Het laatste wat ik weet is dat mijn statieplaats Duitsland was. Vlakbij de grens, dat wel, maar nog altijd het Vrije Duitsland. Misschien hebben ze me ontvoerd. Dat kan natuurlijk. Alles kan. Nee, niet zo zwart denken, Honoré, er zal wel een logische verklaring zijn. Goh, ik een spion, het zou wat zijn. Ik kan nog niet eens mijn gevoelens verbergen voor mijn eigen vrouw. Hopelijk komt zij morgen op bezoek in plaats van die vrouw van in de veertig die me zelfs kust alsof ze me al jaren kent. O, hopelijk komen ze dan beiden niet op hetzelfde moment. Hoe moet ik een veertigjarige dochter uitleggen aan mijn vrouw? In Duitsland ben ik niet meer, daarvoor spreken er hier veel te veel en veel te goed Vlaams. Ik zorg voor de eerste opleiding van de jongens die hun dienstplicht komen doen. Jonge, klungelige knullen die met hun armen geen weet hebben. Zo moet ik er ook uitgezien hebben toen ik die eerste dag op het appèl van de KMS verscheen. Met dat verschil dat wij het met volle overtuiging deden. Toch vinden de meesten, wanneer ze afzwaaien, het de beste tijd van hun leven. Soms verlang ik er naar om zelf ook terug zo jong te zijn en alles opnieuw te kunnen beleven. Ik zou niets veranderen. Niets! Wat is er toch met mij aan de hand? Ik weet het echt niet meer. Wat geven ze me hier dat ik me zo buiten de tijd voel? En in godsnaam waar is hier? Zou ik met iemand hier kunnen praten? Als het een ziekenhuis is dan moeten er ook dokters voor de ziel zijn, toch? Maar ik ben niet gek! Daar ben ik honderd procent zeker van. Het is gewoon wazig, dat is het, alles is gewoon wazig. Alsof er een mist in mijn hersens hangt. Als ik terug in een vertrouwde omgeving zal zijn dan komt het allemaal wel terug, dat moet wel! Ik ben moe, doodop. Ik heb nood aan slaap. Even de zorgen vergeten. Met een frisse kop denk je beter.   “Honoré, nog niet aan het slapen?” Verschrikt draai ik me om en kijk in de vriendelijke ogen van een zwarte, iets te dikke vrouw. Haar witte kleren steken scherp af tegen haar zwarte huidskleur. In mijn concentratie heb ik de deur niet horen opengaan. “Kom, ik help je naar bed,” zegt ze, terwijl ze naar me toe stapt. “Te weinig slaap is niet goed voor je Alzheimer, weet je.” “Komt mijn vrouw morgen? Anna?” “Je vrouw? Maar schat die is al twaalf jaar dood!”

Malakh Ahavah
0 0

Aan de moeders van kinderen met autisme die het beu zijn

Lieve mama, Ik weet dat je van me houdt, meer dan van het leven zelf, dat heb je zo vaak verteld toen ik nog een baby was en enkel jouw gezicht zag als een vast en zekerheid. Dat je niets liever wil dan dat ik opgroei tot een gelukkige stabiele volwassene, dat is toch wat elke ouder voor zijn of haar kind wil? Je had zo’n grote verwachtingen, nog voor ik geboren was. Verwachtingen die je nu bijna elke dag, op aanraden van dokters moet bijstellen. Elke dag zie je me weer thuiskomen na een drukke dag op school, en zou je liever hebben dat ik ergens anders bleef, ik weet niet of dat beter zou zijn, maar jij kan mij wel wegdoen, je kan zelfs weglopen van me… Maar ik kan niet weglopen van mezelf. Elke dag beloof ik mezelf dat ik een beter kind voor jou zal zijn, je zal sparen van het verdriet en de paniek die in mijn onderbuik elke dag borrelt tot het overkookt. Elke dag wil ik een beter mens zijn, een betere leerling voor de juf. Elke dag sta ik op met het vaste voornemen te doen wat iedereen van mij verlangt, en wat bij anderen zo natuurlijk lijkt te komen: een hand te geven aan de nieuwe mensen die op mijn pad komen, zelfverzekerd in de ogen te kijken als ik iemand moet spreken, en vooral niet achter je been wegschuilen omdat ik bang ben voor de nieuwe gezichten die mij tegemoet komen, en al zeker niet schreeuwen als vermoord als iemand me aanraakt. En toch doe ik het elke dag weer. En dan is er opnieuw die morgen, soms uitgeslapen, want hoe vaak lig ik niet te piekeren over dingen waar ik eigenlijk niet over zou moeten piekeren, alleen in mijn kamer, waar niemand me kan overprikkelen of me angst aan kan jagen, en dan maak ik weer die loze beloftes, maar dan komen ze, de dingen die ik niet ken, niet begrijp, niet verwacht, en dan voel ik het borrelen en borrelen tot het overkookt, want overkoken zal het doen, dat weet ik vanaf het moment dat ik het voel borrelen. Ik ben net zo machteloos als jij, mama, ondanks de beloftes. Ik stel teleur, dat weet ik, en dat hoor ik vaak genoeg, en dat terwijl ik ‘s morgens alleen op mijn kamer mezelf zo heb beloofd om niet teleur te stellen. Vandaag heeft iemand me gezegd dat je kan genezen door het drinken van bleekmiddel… Als je me zou vragen om het te drinken, zodat ik zou genezen, dan zou ik het doen, misschien nog meer voor jou dan voor mezelf, want ik wil niets liever dan je een gelukkig, stabiel kind geven. Hiervoor heb je niet getekend, dat weet ik. Het vraagt teveel, en de wereld begrijpt het niet, omdat ik het borrelen kan verhinderen van koken tot ik bij iemand ben die ik vertrouw, en de enige die ik echt vertrouw ben jij. En dan is het allang meer dan koken, is het als een vulkaan die uitbarst. Dan doe ik je pijn, omdat ik weet dat jij de enige bent die ik mag pijn doen, en toch nog van me zal houden. Jij bent namelijk de enige die ook nadat mijn masker is afgevallen, en ondanks dat je me een lastig kind zal vinden, toch de volgende dag aan mijn bed zal staan om mij wakker te maken. Dat weet ik, dat is de zekerheid die ik heb. Misschien moet je een nieuw kindje maken, zonder autisme, die je geen tranen in de ogen geeft, maar een glimlach rond je lippen. Waar je als kind geen zorgen over moet maken hoe het van school zal komen, of waar je je geen zorgen over moet maken dat het als tiener midden in de nacht je zal opbellen om het te komen halen omdat het liever dood wil dan nog lege omhulsels te zien, waar je je geen zorgen over moet maken of het ooit meer zal zijn dan een zorgenkind, je geen zorgen over moet maken wat er met hem of haar zal gebeuren als jij er niet meer bent. Ja, dat verdien je, dat had je eigenlijk verwacht voordat ik geboren was. Want ja, net zoals het jou pijn doet om mij ongelukkig en overprikkeld te zien, doet het mij pijn jouw ongelukkig te zien met mij. Ik doe alles voor je, mama, ja, zelfs weggaan, want dat kan ik wel voor jou doen, ondanks dat ik maar niet kan vluchten van mezelf. Zo vaak heb ik dat geprobeerd, ik zet dan mijn hoofdtelefoon op mijn oren waarin Epica maar door blijft schreeuwen en dan sluit ik mijn ogen, want haar schreeuwen is mooier dan het mijne. Het enige wat ik maar niet lijk te kunnen, en waar jij zo naar verlangt, is mij gelukkig toveren, mijn borrelend schreeuwen vermanen te kalmeren. Ja mama, jij bent het beu, dat begrijp ik, maar meer beu dan mij zal je het nooit worden.

Malakh Ahavah
125 0